Prescription, éléments probants, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation 17 octobre 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Prescription, éléments probants, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée – prescription – éléments probants

https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-elements-probants-poursuite-cassation-bruxelles-2013-10-17-bbe4

Juridiction
Cour de cassation
Date
17 octobre 2013

Parcours procédural

2 étapes · 2 ans 6 mois
  1. Décision attaquéeCour d'appel d'Anvers22.03.2011
  2. Décision affichéeCour de cassation de Belgique17.10.2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

48 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de Cassation du 17.10.2013

Taxe sur la valeur ajoutée - prescription - éléments probants

WF 501-15-09/055272

Résumé

Il n’est pas exigé pour l’application du délai de prescription de sept ans prévu par l’article 81bis, § 1er, alinéa 3, 3o du Code de la taxe sur la valeur ajoutée que les éléments probants fournissent la preuve des différentes opérations imposables non déclarées : il suffit que les éléments probants révèlent un supplément de chiffre d’affaires non déclaré ou une fraude et que l’administration, en partant de ces éléments, peut démontrer par un autre moyen de preuve quelles opérations imposables n’ont pas été déclarées par l’assujetti et quel montant de taxes est dû ; si l’administration avait déjà connaissance, au cours du délai de prescription normal de trois ans, de la non déclaration d’une opération imposable en Belgique ou d’une application illégale d’une déduction de la taxe, les éléments probants ne peuvent plus en révéler l’existence, de sorte que le délai de prescription prolongé de sept ans ne peut alors pas être appliqué. (Pas., 2013, n° 527)

Texte intégral

Corps de la décision

Arrêt de la Cour de Cassation

dd. 17.10.2013

17 OKTOBER 2013 F.11.0108.N/1

Hof van Cassatie van België

Arrest Nr. F.11.0108.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, algemene administratie van de fiscaliteit, centrale diensten - directie IV/4 gerechtelijke geschillen btw, voor wie optreedt de eerste attaché van Financiën, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33 (North Galaxy),

eiser,

vertegenwoordigd door mr. D, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te …, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

J vzw, met zetel te …,

verweerster,

17 OKTOBER 2013 F.11.0108.N/2

met als raadsman mr. V, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te …, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 maart 2011.

Advocaat-generaal D. T. heeft op 18 april 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer G. J. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal D. T. heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste en tweede middel

1. Artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, Btw-wetboek, zoals ten deze van toepassing, bepaalt dat er in afwijking van het eerste lid en tweede lid, verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

2. Uit de parlementaire voorbereiding van die wetsbepaling blijkt dat de wetgever de verjaringstermijn wilde verlengen tot zeven jaar wanneer de overtreding aan het licht werd gebracht ten gevolge van onder meer bewijskrachtige gegevens.

3. Die wettelijke bepaling vereist niet dat de bewijskrachtige gegevens het bewijs leveren van de verschillende belastbare handelingen die niet werden aangegeven. Het volstaat dat de bewijskrachtige gegevens een niet-aangegeven meeromzet of fraude aan het licht brengen en dat de administratie, vertrekkend van die gegevens, aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij verschuldigd is.

4. Indien de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn reeds kennis had van de niet-aangifte van een in België belastbare handeling of van de onwettige toepassing van een belastingaftrek, kunnen de bewijskrachtige gegevens het bestaan ervan niet meer aan het licht brengen. Bijgevolg kan de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar niet worden toegepast indien de administratie in de loop van de gewone driejarige verjaringstermijn al op de hoogte was van die gegevens.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- uit de brief van de directeur-generaal van de Administratie der Douane en Accijnzen van 4 december 1998 blijkt dat de belastingadministratie, al van jaren voorafgaand aan de opname van de kwestieuze facturen in de boekhouding van (de verweerder), volledig ingelicht en op de hoogte was van de belastbare handelingen, die het voorwerp uitmaken van de huidige navorderingen, te weten de oprichting van … door een Indische aannemer met Indische werkkrachten alsook de levering van materialen uit India en gefactureerd aan de verweerder;

- de bij deze brief verleende vrijstelling overigens nog werd verlengd bij brieven van 28 maart 2001 en 7 mei 2004;

- de in het proces-verbaal van 10 oktober 2006 aangehaalde motieven, te weten "Uit inzage van voormeld proces-verbaal van verhoor blijkt dat door A …, in opdracht van de vzw J, sinds mei 2001, met tewerkstelling van Indische bouwvakkers, een … wordt opgericht te … Afschriften van aankoopfacturen en loonstaten met betrekking tot de jaren 2001, 2002 en 2003 en het contract van maart 2001 betreffende de oprichting van … werden bijgevoegd", reeds gekend waren door de verweerder.

6. De appelrechters oordelen dat er derhalve dient te worden van uitgegaan dat de controle van de sociale inspectie voor de verweerder niets nieuws en zeker geen nog niet bekende bewijskrachtige gegevens nodig voor het belasten van de kwestieuze belastbare handelingen en leveringen aan het licht heeft gebracht, behalve zijn eigen falen om correct en tijdig controle uit te voeren en geen vrijstelling contra legem te verlenen.

Zij oordelen op die gronden wettig dat de verweerder de termijn van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, Btw-wetboek niet kon aanwenden.

7. Deze zelfstandige redengeving draagt de bestreden beslissing. De middelen zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dispositif

Dictum

Het Hof,

Zonder acht te slaan op de memorie van antwoord die niet werd betekend aan de

advocaat van de eiser.

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 180,85 euro en voor de verweerster op 185,38 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter E. D., als voorzitter, en de raadsheren B. D., G. J., en op de openbare rechtszitting van 17 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter E. D., in aanwezigheid van advocaat-generaal D. T., met bijstand van griffier K. B.

K. B.

G. J.

Textes cités

1
CTVA art. 81bis2 occurrences

Jurisprudence

3

Belgique

3

Tribunal de première instance de Liège01.03.2022

Reconstitution du chiffre d’affaires

Tribunal de première instance de Liège08.01.2018

Non bis in idem, amende

Doctrine administrative

1

Voir les 4 documents

Décisions similaires

8