Arbitraire, Présomption de l'homme, Augmentation du chiffre d'affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 24 octobre 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Arbitraire, Présomption de l'homme, Augmentation du chiffre d'affairesTVA - Arbitraire - Présomption de l'homme - Augmentation du chiffre d'affaires - Taux - Délai de fraude - Amende 200%

https://juriel.be/fr/jurisprudence/arbitraire-presomption-homme-augmentation-chiffre-tribunal-bruges-2025-10-24-0ccc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
24 octobre 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre-occidentale, division de Bruges du 24.10.2025

WF 55034653/01

[ Jugement favorable ]

Arbitraire - Présomption de l'homme - Augmentation du chiffre d'affaires - Taux - Délai de fraude - Amende 200%

Texte intégral:

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge d.d. 24.10.2025

(24/2732/A)

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 24/2732/A

X., met maatschappelijke zetel te ...

- eisende partij —

hebbende als raadslieden meester S.L. en meester V.S., advocaten te ...

TEGEN :

FOD FINANCIEN - BBI ANTWERPEN, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal —Directeur te Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met correspondentieadres G. Crommenlaan 6 bus 804, 9050 Ledeberg, KBO nr. 0308.357.159.

- verwerende partij —

Vertegenwoordigd door B.V., attaché en de heer S;V., attaché.

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie dd. 10 oktober 2024;

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 september 2025;

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE0446.664.016, voor de activiteit van kleinhandel waarbij voedings- en genotsmiddelen overheersen.

Een controle werd aangevat bij eiseres door de BBI Gent. Deze controle had betrekking op de periode 1 januari 2019 tot en met 21 oktober 2021. Naar aanleiding van deze controle werden diverse boekhoudkundige stukken opgevraagd bij eiseres.

Na analyse van de bekomen gegevens werden volgens de administratie volgende inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld:

 lnbreuk 1: uit de vaststellingen zou blijken dat de kassagegevens een ander verkooptotaal opleveren dan het verkoopjournaal en de daarop gebaseerde periodieke aangiftes. Er zou een hogere omzet gerealiseerd zijn dan de in de aangiftes opgenomen omzet;

 lnbreuk 2: toepassing van foutief BTW-tarief;

 Inbreuk 3: gebrek aan dagontvangstenboek;

Op basis van bovenstaande gaat BBI Antwerpen over tot de herberekening van de maatstaf van heffing en van de verschuldigde BTW.

Op 5 oktober 2023 wordt een kennisgeving conform artikel 84ter WBTW verstuurd waarin het voornemen kenbaar wordt gemaakt de zevenjarige termijn zoals voorzien in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW toe te passen.

Op 7 november 2023 wordt een proces-verbaal van taxatie verstuurd aan eiseres. Verschuldigd is als BTW 120.547,77 EUR, als proportionele geldboete 133.280,00 EUR, als niet-proportionele geldboete 3.000,00 EUR en nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2022.

Op 13 december 2023 tekent eiseres bezwaar aan. Bij beslissing van 8 augustus 2024 (met als kenmerk 501-15-23/050409) wordt het bezwaar afgewezen.

Door eiseres wordt een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 23 mei 2025.

2. Eiseres vraagt dat:

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- Het proces-verbaal dd. 7 november 2023 met kenmerk ATW/20/011/210015 wordt vernietigd, minstens wordt ontheven;

- Het innings- en invorderingsregister opgemaakt op 18/12/23 met schuldnummer 500280943092 wordt vernietigd minstens wordt ontheven.

- Voor recht wordt gezegd dat de nagevorderde bedragen niet verschuldigd zijn.

- Ondergeschikt: de opgelegde administratieve geldboete van 200% en de opgelegde niet proportionele geldboete van 3.000 euro verminderd worden;

- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen, te vermeerderen met moratoriuminteresten;

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand

3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve moet opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Geen willekeur

Vaststelling verschuldigde BTW op meeromzet:

Uit het proces-verbaal van 7 november 2023 blijkt dat op 21 oktober 2021 een aantal digitale gegevens waaronder ook de gegevens van de kassa gekopieerd werden door de ambtenaren verbonden aan de AAFISC, Nationaal Centrum opsporingen, Team E-audit, Kortrijk. Deze kopiename resulteerde in een reeds FIC-bestanden die omgezet geworden zijn naar excel- tabellen. In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt toont verweerster voldoende aan hoe deze tabellen tot stand zijn gekomen. Deze excel-bestanden zijn bijgevolg wel degelijk bewijskrachtig.

De ingegeven kassagegevens werden weggeschreven in volgende tabellen:

- Tabel 'Tickets'

- Tabel 'Additional sales'

Bovenstaande data bevatten de kasverkopen van de verschillende fysieke kassa's die gebruikt werden door eiseres in de vestiging te Sint-Amandsstraat.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal heeft de fiscale administratie een vergelijking gemaakt tussen beide tabellen. Uit deze vergelijking zou blijken dat een groot deel van het resultaat lager voorgesteld wordt in de tabel 'tickets' ten opzichte van de tabel 'additional sales'. De fiscale administratie gaat uit van de redenering dat een kassa geen data verzint.

Aan de hand van een controle op basis van de voorhanden zijnde stukken blijkt dat de door eiseres gehanteerde omzetcijfers gebaseerd zijn op de tabel 'tickets' en bijgevolg uitgaan van een lagere omzet dan moest de tabel 'additional sales' gebruikt geweest zijn.

Bijkomend heeft de fiscale administratie vastgesteld dat eiseres gebruik maakt van het kassasysteem van CermePOS waarbij werd vastgesteld dat dergelijk kassasysteem toelaat om de verkoopcijfers te manipuleren, zelfs nadat een kasticket werd afgedrukt.

Verder moet worden vastgesteld dat noch de dagrapporten noch de zelfgemaakte tabellen met omzetcijfers per dag consequent worden opgemaakt voor elke maand. Eiseres kan geen dagontvangstenboek voorleggen, noch een inventaris, stocklijsten of een controleband. De boekhouding vormt geenszins een samenhangend geheel en wordt als niet bewijskrachtig beschouwd door de fiscale administratie. Het gebrek aan bewijsstukken om de boekhouding te onderbouwen draagt ertoe bij dat de aangegeven omzet niet kan gecontroleerd worden en de onderschatting van de omzet uit de kassaverkopen moeilijker vast te stellen is.

Tevens werden op 16 oktober 2021 een aantal producten aangekocht door de heer Wille. Voor deze aankopen werd een kasticket afgeleverd met referentie 1101601001 voor een totaalbedrag van 2,40 euro (incl. BTW). Vergelijking met de gekopieerde digitale kassagegevens bracht aan het licht dat deze specifieke kasverkoop met referentie 1101601001 in de tabel tickets slechts wordt teruggevonden voor een bedrag van 0,36 EUR (incl. BTW). Deze kassaverkoop blijkt wel overeen te stemmen in de tabel 'additional sales'.

De fiscale administratie neemt aan dat de kassa geen data verzint. Wanneer in de kassa een tabel wordt bijgehouden die een hogere omzet weergeeft dan de aangegeven omzet, mag de administratie vermoeden dat deze hogere omzet correcter is dan de lagere omzet. Bij gebrek aan enige verantwoording gegeven door eiseres besluit de fiscale administratie dan ook tot een omzetmanipulatie.

De combinatie van de hierboven opgesomde vaststellingen en de concrete controle die per ticket is doorgevoerd geweest, vormen een voldoende bewijs opdat een beroep kan worden gedaan op feitelijke vermoedens.

Voormelde feiten vormen sterke, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te concluderen dat eiseres de weerhouden bedragen aan verdoken meerwinsten heeft gerealiseerd in de in het geding zijnde periode.

Uit het proces-verbaal blijkt dat voor wat betreft de berekening van de verschuldigde BTW en het toegepaste BTW-tarief rekening werd gehouden met de BTW die reeds aangerekend was op de specifieke verkopen en dat de bijkomend, verschuldigde BTW berekend werd aan de hand van het door eiseres toegepaste BTW-tarief.

De rechtbank weerhoudt geen willekeur.

Vaststelling foutief BTW-tarief

Uit de kassagegevens van eiseres, meerbepaald uit de tabel 'Lignes', blijkt dat er voor verschillende verkopen een verkeerd BTW-tarief werd toegepast. Dit wordt op zich niet betwist door eiseres.

In het proces verbaal van taxatie van 7 november 2023 wordt duidelijk uiteengezet op basis waarvan de berekening van de verschuldigde BTW is gebeurd. Daaruit blijkt dat per verkoop van een bepaald product werd nagegaan welk BTW-tarief toegepast is geweest en welk BTW-tarief toegepast had moeten worden.

Bij de naheffing van de nog verschuldigde BTW werd telkens rekening gehouden met de BTW die reeds werd aangerekend op de verkopen.

Er is bijgevolg geen sprake van willekeur bij de berekening. Er is geen sprake van dubbele taxatie.

2. Betreffende de verjaring

De fiscale administratie beroept zich op de verlengde zevenjarige verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW teneinde te kunnen overgaan tot een bijkomende taxatie voor wat betreft de periode 1 januari 2019 tot en met 21 oktober 2021.

Opdat de fiscale administratie de verlengde verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW zou kunnen toepassen dient zij de belastingplichtige voorafgaand in kennis te stellen van de vermoedens van belastingontduiking die lastens haar bestaan in de betreffende periode.

Het volstaat dat in de betreffende kennisgeving, weliswaar nauwkeurig, vermeld wordt welke de vermoedens zijn die de controleagent heeft om aan te nemen dat de belastingplichtige belastingontduiking heeft gepleegd en/of daarin betrokken is, zonder dat dit voor alle handelingen die onderzocht werden en/of voor de naheffing in aanmerking genomen zijn specifiek gemotiveerd wordt.

Meer concreet kan een belastingplichtige tegen wie vermoedens van belastingontduiking kunnen ingeroepen worden, het voorwerp worden van naheffing voor de uitgebreide termijn inzake BTW voor handelingen waarvoor nog BTW verschuldigd blijkt, met dien verstande evenwel dat handelingen waarvoor de taxatiedienst geen bedrieglijk opzet of oogmerk te schaden kan aantonen, geen deel kunnen uitmaken van de eigenlijke navordering.

Dat er nog BTW kan nagevorderd worden tot in het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die BTW zich heeft voorgedaan, is immers een toepassing van de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW. Uit de omschrijving zelf van artikel 81bis § 1, 2de lid, 4° WBTW, volgt dat de verjaring alleen langer loopt voor de vordering van de voldoening van de BTW waarvoor een overtreding werd begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Behoudens voor de gevallen die onder andere bepalingen van artikelen 81bis § 1, 2de lid WBTW vallen (die hier niet aan de orde zijn), geldt de gewone verjaringstermijn voorzien in artikel 81bis § 1, 1ste lid WBTW.

De rechtbank dient dan ook na te gaan, of, indien er sprake is van nog verschuldigde BTW, het aandeel ervan dat op de bijkomende termijn betrekking heeft, betrekking heeft op handelingen waarvoor de fiscale administratie een bedrieglijk opzet of een oogmerk te schaden weerhoudt en de betrokkenheid van eiseres daarin aantoont.

Voor wat betreft de eerste inbreuk, zijnde het verbergen van een deel van de omzet werd reeds duidelijk aangetoond dat sprake is van een of meerdere overtredingen die werden begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden.

De voorwaarden voor toepassing van de verlengde verjaringstermijn zijn voor wat betreft de eerste inbreuk voldaan.

Voor wat betreft de tweede inbreuk moet worden vastgesteld dat door de fiscale administratie enkel aangehaald wordt dat door toepassing van het foutief BTW-tarief een oneerlijke concurrentie gevoerd wordt ten aanzien van derden en dat er in hoofde van eiseres een bedoeling zou geweest zijn derden te schaden. De rechtbank wijst erop dat het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden niet van fiscale aard dient te zijn en derhalve niet beperkt is tot het handelen met het oog op belastingontduiking. Het feit dat de administratie zou bevestigd hebben dat door toepassing van het foutieve BTW-tarief geen schade berokkend werd aan de Staat, doch wel aan een derde, doet hieraan geen afbreuk.

Voor wat betreft de tweede inbreuk zijn de voorwaarden voor toepassing van de verlengde verjaringstermijn eveneens voldaan.

3. Betreffende de boetes

In het proces-verbaal van taxatie wordt een proportionele geldboete van 200% opgelegd voor wat betreft de eerste overtreding zijnde de niet aangegeven omzet en dit met het oogmerk de belasting te ontduiken. Bijkomend wordt een niet proportionele geldboete van 3.000 euro opgelegd voor wat betreft de derde inbeuk zijnde het niet houden van een dagboek van ontvangsten en dit ook met het oogmerk de belasting te ontduiken. Voor wat betreft de tweede inbreuk zijnde het foutief gebruik van de BTW-tarieven wordt een proportionele geldboete van 10% opgelegd.

Deze laatste proportionele geldboete van 10% wordt door eiseres niet betwist.

Eiseres kan zich niet akkoord verklaren met de opgelegde proportionele geldboete van 200% en de opgelegde niet proportionele geldboete van 3.000 euro. Vooreerst is zij van oordeel dat het oogmerk de belasting te ontduiken niet werd aangetoond. Bijkomend is zij van oordeel dat de sancties zowel elk afzonderlijk als samen het evenredigheidsbeginsel schenden.

De opgelegde boetes zijn een fiscale sanctie met een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Dergelijke boete wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de boete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient de rechtbank bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boetes te controleren met voile rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zowel in feite ais in rechte, te hervormen. De rechtbank kan onder meer nagaan of de sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat de rechtbank mag nagaan of de sanctie niet onevenredig is met de inbreuk en de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde sanctie. Een dergelijke toetsing brengt niet met zich dat de rechtbank de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en de daaruit voortvloeiende controlebevoegdheid van de rechter houdt niet in dat de rechter kan overgaan tot matiging van de sanctie tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.

Ingevolge artikel 9 van het Regentbesluit beslist de minister van Financier) over de verzoeken om kwijtschelding van boeten of belastingverhogingen. Pas nadat hieromtrent werd geoordeeld, kan de rechter oordelen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde of de boete moet worden kwijtgescholden of verminderd (vgl. cass. 25 april 2025)

Uit het voormelde principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met voile rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan.

Eiseres heeft geen verzoekschrift tot kwijtschelding of matiging van de boetes ingediend conform artikel 9 van het Regentbesluit.

De rechtbank is bijgevolg niet bevoegd de belastingverhoging van 200% kwijt te schelden of te verminderen aangezien deze belastingverhoging het wettelijk minimum betreft bij overtredingen met een oogmerk de belasting te ontduiken.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van taxatie dat belastingplichtige systematisch een lager bedrag aan omzet heeft aangegeven dan de omzet die zij daadwerkelijk heeft gegenereerd. Zij maakte gebruik van een verouderd kassasysteem welke manipulaties toeliet. Tevens diende te worden vastgesteld dat geen dagontvangstenboek werd bijgehouden waardoor de door eiseres aangegeven omzet niet Icon gecontroleerd worden. Het gebrek aan dagontvangstenboek liet eiseres ook toe de verkopen op een later tijdstip te manipuleren.

Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiseres gehandeld heeft met het oogmerk de belasting te ontduiken.

De door verweerder opgelegde administratieve sancties beantwoorden aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers.

Voor zoveel als nodig is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde sancties gepast zijn. De inbreuken zijn uitermate ernstig en brengen het algemeen belang ernstige schade toe. Er moet tevens rekening mee gehouden worden dat de sanctie een ontradend effect moet hebben. Van verzachtende omstandigheden is in hoofde van eiseres helemaal geen sprake. De rechtbank ziet geen redenen die een uitstel of vermindering zouden kunnen rechtvaardigen indien zij hiertoe bevoegd zou zijn.

C. Betreffende kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond:

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank - de tiende kamer in het gerechtsgebouw te Brugge op vierentwintig oktober tweeduizend vijfentwintig.

Aanwezig zijn:

E.M., alleenrechtsprekend rechter;

L.X., Griffier

Textes cités

2
CTVA art. 81bis3 occurrences
CTVA art. 84ter1 occurrence

Décisions similaires

8