Paiement de l'impôt, régime particulier, petite entreprise · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 17 septembre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, régime particulier, petite entrepriseTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-regime-particulier-petite-tribunal-kortrijk-2001-09-17-ef15

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
17 septembre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

149 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Courtrai du 17.09.2001

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

In de zaak : 97/1740/A

V. M., handelaarster, geboren te … op …, wonende te …, …;

eiseres,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. V., advocaat te …, loco Meester J.-P. V. M., advocaat te …, … met bijkantoor(= behandelend kantoor) te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen; in de persoon van mevrouw de Ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Bij dagvaarding d.d. 19 september 1997, betekend door gerechtsdeurwaarder J. v. N. S. met standplaats te Kortrijk, heeft eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel :

- op 26 maart 1997 uitgevaardigd door A. B., waarnemend Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Kortrijk I;

- op 28 maart 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. P., destijds gedelegeerd inspecteur van de BTW­directie te Brugge;

- waarvan op 21 augustus 1997 afschrift werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. C. met standplaats te …, ….

Het dwangbevel in kwestie vordert :

- als BTW de som van 1.162.850 fr.;

- als wettelijke geldboete de som van 2.325.700 fr., meer de intresten en de vervolgingskosten.

In haar verzetsdagvaarding vordert eiseres :

- het verzet goed en geldig te horen verklaren naar vorm en inhoud;

- verweerder te zeggen voor recht dat de bij dwangbevel op 21 augustus 1997 gevorderde sommen volledig ten onrechte zijn want niet door eiseres verschuldigd;

- verweerder te zeggen dat de reeds betaalde of ingehouden gelden aan eiseres dienen terugbetaald te worden; verweerder te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 12.300 frank;

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

Eiseres haalt aan dat het door verweerder voorgelegd dossier onvolledig is, nu zij slechts capita selecta voorlegt uit een strafdossier. Dit maakt volgens eiseres een schending uit van de rechten van verdediging; de vordering van verweerder in het dwangbevel is daarom nietig.

Daarnaast is eiseres van oordeel dat verweerder het bewijs door feitelijke vermoedens (artikel 59 W.BTW) meermaals en op flagrante wijze met de voeten treedt, met als gevolg dat het dwangbevel wegens manifeste ongegrondheid dient te worden vernietigd.

A. FEITEN EN OMSCHRIJVING VAN HET GESCHIL

Eiseres is voor haar activiteit van detailliste in voedingswaren geïmmatriculeerd als BTW-plichtige sinds 1 mei 1991 onder het BTW-nummer … en onderworpen aan de forfaitaire regeling voor deze beroepssector conform KB nr. 2 van 7 november 1969, in uitvoering van de artikelen 53, 54, 56, § 1, 77 en 80 W.BTW.

Door de administratie van de BBI, inspectie Gent V, werd bij een leverancier van eiseres, de BVBA A.-voeding (thans de NV A.-voeding, … te …) een onderzoek gevoerd naar een fraudesysteem met betrekking tot uitgaande facturen.

Volgens verweerder werd aldaar volgend fraudesysteem opgezet : de bevoorrading van klanten gebeurde aan de hand van schriftelijke bestelorders door de klant opgemaakt en meegegeven aan de handelsreiziger van de firma A., afdeling …. Op verzoek van de klanten werd slechts een gedeelte van de bestelling gefactureerd op hun naam, een ander gedeelte op naam van fictieve personen. Bij de levering werden twee facturen uitgereikt aan de klant in kwestie : één op naam van de klant zelf en één op naam van een gefingeerde persoon. Deze laatste factuur diende door de klant contant betaald te worden teneinde alle sporen van deze zwarte aankopen uit de boekhouding te weren.

Volgens verweerder werd dit fraudesysteem, dat enkel onwettig fiscaal voordeel bood aan het cliënteel van de firma A., erkend door de verantwoordelijken van de BVBA A.-voeding en voldoende bewezen. Verweerder verwijst daarvoor naar stukken uit het gerechtelijk onderzoek wegens fiscale fraude gevoerd ten gevolge van een klacht door de BBI-administratie bij het parket te Gent, neergelegd op 20 maart 1996.

Ingevolge het onderzoek bij de BVBA A.-voeding, werd bij eiseres een controleverrichting uitgevoerd inzake toepassing van de BTW-reglementering over de jaren 1992 tot en met 1995.

De administratie van verweerder trok uit het ingestelde onderzoek en het nazicht van de boekhouding volgende conclusies :

a) fouten inzake aftrek van BTW op de inkomende facturen van onkosten en investeringen die geheel of gedeeltelijk voor privédoeleinden werden aangewend;

verschuldigde BTW op grond van artikel 45, § 1 en artikel 1, § 2 KB 3 van 10 december 1969 : 86.944 fr.;

b) niet ingeschreven aankopen van goederen bij de BVBA A.-voeding volgens het hierboven uiteengezet fraudesysteem en dientengevolge te weinig aangegeven omzet; het betreft meerbepaald aankopen op naam van M. D'H., … te …, doch volgens verweerder bestemd voor eiseres.

Vermits eiseres niet bereid bleek tot een minnelijke regeling werd door de controlerende ambtenaar proces-verbaal opgesteld op 10 maart 1997 met de volgende verschuldigde sommen :

- als verschuldigde BTW : 1.162.850 fr.;

- als verschuldigde boete conform de artikelen 70, § 1 en 70, § 1bis BTW-Wetboek : 2.325.700 fr.;

- de intresten berekend overeenkomstig artikel 91, § 1 BTW­Wetboek.

Op 26 maart 1997 werd wegens niet-betaling van de verschuldigde sommen door A. B., waarnemend ontvanger van het BTW­Ontvangkantoor Kortrijk I een dwangbevel uitgevaardigd. Dit bevel werd door J. P., destijds gedelegeerd inspecteur van de BTW-directie te Brugge, op 28 maart 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd conform artikel 85, § 3 BTW­Wetboek per gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres.

Tegen de gevestigde taxatie en het dwangbevel werd door eiseres verzet aangetekend met dagvaarding van de Belgische Staat in de persoon van de Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk voor de Rechtbank alhier.

Eiseres betwist de inbreuken op de aftrekregeling (artikelen 45, § 1 BTW-Wetboek en 1, § 2 KB 3 van 10 december 1969) niet.

Verweerder doet voor de verdediging van haar standpunt een beroep op de toepassing van artikel 59, § 1 BTW-Wetboek dat stelt :

"Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, almede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.”.

Verweerder leidt daaruit af dat alle in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen in verband met de niet-ingeschreven aankopen als waarachtig moeten beschouwd worden vermits eiseres geenszins het tegendeel kan aantonen.

Daarnaast mag de BTW-administratie op grond van voornoemd artikel gebruik maken van elementen geput uit het dossier van een belastingplichtige gehouden bij de Administratie der Directe Belastingen.

Aan de hand van een geheel van feitelijke vermoedens meent verweerder aan te tonen dat de taxatie lastens eiseres gegrond is.

Als zwaarwichtige vermoedens van niet-ingeschreven aankopen bij de BVBA A.-voeding beschouwt verweerder :

1. Het ontdekken van een georganiseerd fraudesysteem bij de BVBA A. waarbij aan haar klanten de mogelijkheid geboden werd om aankopen te verrichten op naam van gefingeerde personen;

2. De uitdrukkelijke erkenning van dit fraudesysteem door alle ondervraagde personen werkzaam bij de BVBA A.;

3. Het feit dat eiseres van oudsher tot de geregelde klanten van de BVBA A. behoorde;

4. Het feit dat mevr. N. van de facturatiedienst eiseres aangeduid heeft als eigenlijke afnemer van de goederen, gefactureerd op naam van M. D'H.;

5. De goedkeuring door de bestuursorganen en het personeel van de BVBA A. van een lijst waarop de namen van sommige klanten gelinkt worden aan de namen van fictieve personen, aan wie een gedeelte van de verkopen bestemd voor de echte klant gefactureerd werden;

6. Het feit dat mevr. M. V. op deze lijst gekoppeld werd aan M. D'H.;

7. Het feit dat de facturen op naam van M. D'H. qua nummering en leveringsdatum perfect aansluiten op deze uitgereikt aan M. V.;

8. Het feit dat de BVBA A. er geen enkel belang bij had om valse verklaringen af te leggen lastens eiseres;

9. Het feit dat eiseres na de afgelegde verklaringen door de bestuursorganen van de BVBA A. haar handelsbetrekkingen met deze firma stopgezet heeft;

10. De anomalieën vastgesteld in de financiële rekeningen van eiseres;

11. De stijging van het officieel aankoopcijfer van eiseres sinds de stopzetting van het fraudesysteem;

12. Het feit dat nagenoeg alle klanten die betrokken waren bij de fictieve facturaties de aankopen in het zwart erkend hebben en op basis hiervan hun akkoord betuigd hebben met een omzetverhoging (mevr. V. is de enige klant van A. in … die geen minnelijke regeling aanvaard heeft);

13. Het is onwaarschijnlijk dat eiseres M. D'H. niet gekend heeft vermits hij gewoond heeft in de onmiddellijke omgeving van haar winkeluitbating;

haar verklaringen dienaangaande komen als zeer ongeloofwaardig over;

14. In tegenstelling tot eiseres beschikte de BVBA A. over een sluitende boek houding in die zin dat alle verkopen er in opgenomen waren, zij het dat een gedeelte van de facturaties niet op de juiste naam gebeurde.

Eiseres brengt daar tegenin dat verweerder het bewijs bij feitelijke vermoedens uit artikel 59, § 1 BTW-Wetboek meermaals en manifest met de voeten heeft getreden. De zogenaamde vaste gegevens waarop verweerder meent zich te kunnen baseren zijn enkel pure veronderstellingen. Eiseres is van oordeel dat zij in haar besluiten, neergelegd ter griffie op 6 november 2000 (p. 4 tot 16) door een nauwkeurige, feitelijke analyse aantoont dat verweerder zich in casu op geen enkel vaststaand feit heeft gesteund.

Eiseres komt immers tot de conclusie dat :

1) geen enkele verantwoordelijke van A. ook maar enige belastende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de persoon van eiseres;

2) bij A. geen enkele lijst werd gevonden die de naam D'H. verbindt met eiseres; de opgestelde lijst werd a posteriori opgemaakt door de BBI met medewerking van de personeelsleden van A. die zelf belang konden hebben bij de gepleegde fraude bij A., hetgeen bewezen wordt door de verklaringen van dhr R. B.. Zij mogen dan nog geen belang hebben gehad om eiseres te betichten van fraude, zij hadden evenwel een onmiskenbaar belang om de BBI, gelet op de omvang van de boetes op de een of andere manier, weze het een onjuiste, maar dan toch een sluitende lijst voor te leggen teneinde het dossier A. met een akkoord te kunnen afsluiten;

3) een vergelijkende analyse van de aankopen bij A. voor en na de ontdekking van de fraude bij A. toont onmiskenbaar aan dat de omzetten van D'H. absoluut niet kunnen toegerekend worden aan eiseres;

4) de wazige en tegenstrijdige verklaringen van de personeelsleden van A. steken schril af tegen de consequente en duidelijk verklaringen van eiseres. De stukken van eiseres in verband met de analyse van de bewegingen op rekening voor de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995 tonen duidelijk aan dat het cijfermateriaal door verweerder onzorgvuldig werd ineen geknutseld. De door verweerder aangehaalde rechtspraak omvat enkel gevallen van vaststaande en geverifieerde feiten, wat niet het geval is in huidig dossier.

Eiseres acht het, in het belang van de rechtbank en gelet op de omvang van de te verifiëren stukken en de beweerde anomalieën in de financiële rekeningen, noodzakelijk een deskundige aan te stellen teneinde na te gaan of de door eiseres voor te leggen boekhoudkundige en financiële bescheiden met betrekking tot de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995 van alle rekeningen en/of renteboekjes van eiseres de door de BBI in haar regularisatieopgave van 24 september 1996 en in het proces-verbaal van 10 maart 1997 opgenomen gegevens reflecteren.

Wat de door verweerder gevorderde boete betreft stelt eiseres dat deze van elke rechtsgrond is ontbloot. Nergens uit het medegedeelde bundel, noch uit het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Gent d.d. 19 februari 2001 blijkt dat eiseres zich schuldig zou hebben gemaakt aan ontduiking van BTW, laat staan dat zij dit zou gedaan hebben met malafide en frauduleuze intenties.

Daarnaast heeft de boete van 200 % het karakter van een straf, bedoeld om een overtreding van de fiscale wetgeving met malafide en frauduleuze intenties te sanctioneren.

Conform artikel 6 EVRM heeft de rechter de volheid van bevoegdheid om de boete in al haar aspecten te toetsen.

Verweerder is van oordeel dat het de rechter toebehoort te oordelen over de wettelijkheid van de opgelegde sanctie en de kwalificatie van de feiten die aanleiding geven tot deze sanctie.

Hij mag niet afwijken van de wettelijke bepalingen terzake, zelfs niet om redenen van billijkheid of opportuniteit. De rechter kan, in de geest van het arrest van 24 februari 1999 van het Arbitragehof, thans enkel nog bepalen of de voorwaarden voor de aanrekening van de boete van 200 % vervuld zijn dan wel of het verminderd barema van het KB nr. 41 dient toegepast te worden.

B. BEOORDELING

1. Nopens de onvolledigheid van het door verweerder voorgelegd dossier

Door verweerder worden stukken voorgelegd uit het strafdossier betreffende de controle bij de firma A.-voeding. Het gaat niet op volgens eiseres dat verweerder soeverein beslist welke elementen uit het strafdossier hij naar voor brengt en welke niet.

Eiseres dient over het volledige dossier lastens A.-voeding te kunnen beschikken om het verslag van de controle bij de firma A.-voeding in feite en in rechte te kunnen verifiëren, zoniet zijn haar rechten van verdediging geschonden.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat verweerder op 21 maart 1997 vanwege de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent toelating tot inzage en afschrift heeft verkregen van de stukken van het strafdossier ten laste van L. A., D. F. en anderen (BVBA A.-voeding, referte Procureur des Konings Gent 78.97.282/96/FS5) (cfr stuk 49 van verweerder).

Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat eiseres zelf niet om toelating tot inzage en afschrift van de stukken van het strafdossier heeft verzocht.

Ten tweede blijkt dat eiseres kennis heeft gekregen van alle stukken van het strafdossier en het fiscaal dossier die haar aanbelangen, en waarop de fiscus zich gesteund heeft om zijn vordering te stellen lastens eiseres, en heeft zij de gelegenheid ge­ kregen daarover verweer te voeren.

In huidige zaak bestaat daarenboven niet de minste aanwijzing dat verweerder zijn inzagerecht zou hebben misbruikt.

2. Nopens de bewijsvoering

Eiseres is van oordeel dat verweerder geen correcte toepassing heeft gemaakt van het bewijs door vermoedens doordat hij zich op geen enkel bekend feit steunt.

De verschuldigdheid van de BTW of van de geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 W.BTW).

Artikel 59, § 1, 1° lid W.BTW stelt dat de feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen door de administratie kunnen bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit on te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald door artikel 1353 B.W.

Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.

Bij de beoordeling van deze gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Inzake BTW gelden de materiële vaststellingen, opgenomen in een proces-verbaal, tot bewijs van het tegendeel (artikel 59, § 1, 2° lid W.BTW).

De bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de verklaringen en getuigenissen die in een proces­verbaal opgenomen zijn, evenmin tot de gevolgtrekkingen en de vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden.

De rechtbank oordeelt soeverein over de bewijskracht van de gedane gevolgtrekkingen, evenals over de andere vermoedens.


De stukken uitgaande van de leverancier van eiseres, de firma A.-voeding, vormen op zich niet het bewijs van de fraude van eiseres, indien zij de juistheid ervan betwist.

Hieruit kunnen enkel vermoedens worden afgeleid ten aanzien van eiseres, die verweerder door aanvullende bewijzen dient te staven.

Dat wordt door verweerder ook ingezien, nu deze een beroep doet op een reeks van feitelijke gegevens, die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.

Welnu de overeenstemmende verklaringen van de verantwoordelijke van de firma A.-voeding en deze van de bedienden ervan zijn geloofwaardig, temeer daar zij allen op een gedetailleerde wijze het bestaan van het fraudesysteem uitleggen, evenals de relatie tussen de fictieve en de officiële benaming van de facturen. Alle ondervraagde personen, werkzaam bij de firma A.-voeding, erkenden uitdrukkelijk het bestaan van het fraudesysteem.

Door de bediende van de firma, mevrouw N., werden de facturen op naam van eiseres gelinkt aan de facturen op naam van de fictieve persoon D'H.. Dat de lijst van namen zou opgesteld zijn door de onderzoekers zelf doet daar niets van af, nu deze lijst werd opgesteld aan de hand van de bij de firma A.-voeding aangetroffen stukken en na voorlegging aan de bediende, door deze werd bevestigd. Uit de stukken blijkt zelfs dat de lijst werd opgemaakt door de bediende N. in samenwerking met de ambtenaar van de BBI.

De zaakvoerder van de firma A.-voeding verwijst, wat de link tussen de fictieve namen en de werkelijke afnemers betreft, volledig naar de verklaringen van zijn bediende N..

Deze verklaringen worden bovendien bevestigd door de volgende feitelijke vaststellingen :

- het volgnummer van de fictieve figuur volgt onmiddellijk op het volgnummer van de factuur van de werkelijke afnemer, in casu eiseres;

- overeenstemming tussen de leveringsdata van de facturen op naam van D'H. en deze op naam van eiseres;

- de bediende N. had er geen enkel belang bij om valse verklaringen af te leggen lastens eiseres;

- uit bijkomende informatie vanwege verweerder blijkt dat de heer M. D'H. wel degelijk bestaan heeft. Hij was woonachtig te …, … en is overleden op 4 mei 1996. De … bevindt zich op een paar honderd meter van de winkel van eiseres, gelegen in de ….

Ook het fictieve leveringsadres (…) ligt in de onmiddellijke nabijheid, doch de benaming werd intussen gewijzigd in ….

De bekentenissen van de leverancier en het feit dat nagenoeg alle klanten die betrokken waren bij de fictieve facturaties de zwarte aankopen erkend hebben en op basis hiervan hun akkoord betuigd hebben met een omzetverhoging, impliceert op zich niet dat eiseres ook deel had in het zwarte aankoopsysteem, maar vormt wel een belangrijk vermoeden dat samen met de overige feitelijke gegevens dient in overweging genomen te worden.

De leverancier, de firma A.-voeding, had er alle belang bij dat het bestaan van het zwarte circuit niet werd ontdekt. Voor de zogezegde bedrieglijke beweringen heeft eiseres nooit klacht neergelegd tegen de firma A.-voeding en haar personeel.

Daarenboven is de boekhouding van de firma A.-voeding een volledige boekhouding die bijgehouden wordt volgens het systeem van het dubbel boekhouden. Op boekhoudkundig vlak werden geen anomalieën vastgesteld. Alle aankopen en verkopen werden geboekt met correcte boeking van de ontvangsten en uitgaven in de financiële dagboeken. Het feit dat niet alle verkoopfacturen op de juiste naam werden gefactureerd betekent geenszins dat de boekhouding op zich leemtes vertoont of niet zou kloppen.

De vereenvoudigde boekhouding van eiseres, zonder financiële dagboeken en zonder verkoopjournaal, laten geen sporen na van eventueel niet ingeschreven aankopen.

Daarnaast zijn er nog de volgende feitelijke gegevens die in hun samenhang genomen van aard zijn dat mag worden aangenomen dat zwarte leveringen met fictieve facturen gebeurden :

- de ontdekking van een georganiseerd fraudesysteem bij de firma A.-voeding waarbij aan haar klanten de mogelijkheid werd geboden om aankopen te verrichten op naam van gefingeerde personen;

- het feit dat eiseres van oudsher tot de geregelde klanten behoorde van die firma;

- het feit dat eiseres na de afgelegde verklaringen door het personeel en de bestuursorganen van de firma A.-voeding haar handelsbetrekkingen met deze firma heeft stopgezet;

- de stijging van het officieel aankoopcijfer van eiseres sinds de stopzetting van het fraudesysteem;

- het feit dat eiseres de enige klant van die firma in … is die geen minnelijke regeling aanvaard heeft.

De Rechtbank is van oordeel dat de hierboven aangehaalde feitelijke gegevens reeds de bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die het bewijs leveren van de zwarte aankopen door eiseres bij de firma A.-voeding.

De door eiseres gevraagde aanstelling van een deskundige is aldus terzake niet meer dienend.

Aangezien verweerder heeft bewezen dat eiseres goederen heeft aangekocht welke niet opgenomen werden in de boekhouding, kan verweerder op deze zwarte aankopen het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW toepassen. In functie van de door eiseres toegepaste winstmarge werd door verweerder zodoende de ontdoken BTW berekend.

3. Nopens de boete

Het dwangbevel in kwestie vordert als wettelijke geldboete de som van 2.325.700 fr. (200 % van de ontdoken rechten), meer de intresten.

Sedert de invoering van de nieuwe fiscale procedure bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, waarbij onder meer artikel 84, tweede lid van het BTW-Wetboek werd gewijzigd, staat het vast dat de Hoven en Rechtbanken van de rechterlijke macht volle rechtsmacht hebben teneinde uitspraak te doen over fiscale boeten, zowel wat betreft de wettigheid, de opportuniteit als de hoogte ervan (Parl. Doc., Senaat, zitting 1998-99, nr. 966/11, p. 146 en 213).

De administratieve fiscale boete wordt in het interne recht buiten het strafrecht gehouden. Dit wil echter niet zeggen dat zij geen strafsanctie kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM.

In casu kan verwezen worden naar de rechtspraak van het Arbitragehof (Arbitragehof 24 februari 1999, R.W. 1 998-99, 1346) en het Hof van Cassatie (arrest van 5 februari 1999, R.W. 1998-99, 1352) om te stellen dat de door artikel 70, § 1 BTW-Wetboek opgelegde boeten als 'straffen' - in de zin van artikel 6 EVRM - dienen bestempeld te worden en aldus dient geoordeeld te worden dat deze onwettig zijn voor zover ze buiten de beoordelingsbevoegdheid van de rechtbanken zouden liggen (cfr. Alen A., Naar een betere rechtsbescherming inzake administratieve geldboeten na de koerswijziging van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 5 februari 1999, R.W. 1999-2000, 631).

Enerzijds stelt de Rechtbank vast dat er een gestructureerd fraudesysteem bestond en dat eiseres gedurende de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995 grote hoeveelheden goederen in het zwart heeft aangekocht, waardoor zij een belangrijke niet aangegeven omzet realiseerde waarop geen BTW werd betaald. De bedoeling van het fraudemechanisme bestond erin te voorkomen dat de belastingadministratie weet zou krijgen van de identiteit van de werkelijke afnemer, die aldus beschikte over een zwarte voorraad.

Opdat eiseres zou inzien dat zij door haar handelwijze niet alleen aan oneerlijke concurrentie deed, maar bovendien de belangen van de gemeenschap in belangrijke mate heeft geschaad en om haar ertoe aan te zetten in de toekomst correct te handelen, is een zware boete gerechtvaardigd.

Anderzijds is het zo dat de boete in redelijkheid moet begroot worden. Er dient rekening mee gehouden te worden dat het bedrag van de BTW in het gewone tarief reeds 21 % bedraagt en vooral dat deze percentages niet worden berekend op de door de overtreder behaalde winst, maar op de aan de BTW onderworpen prijzen (gerealiseerde omzet).

Gelet op het hierboven vermelde is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boete moet gereduceerd worden tot de helft van de verschuldigde belasting.

Gezien het verzet slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. is het passend eiseres te veroordelen tot de gedingkosten en de rechtsplegingsvergoedingen te compenseren.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle andere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt het dwangbevel d.d. 26 maart 1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 maart 1997 en betekend op 21 augustus 1997, enkel wat betreft de op grond van artikel 70, § 1 W.BTW opgelegde geldboete ten belope van 2.325.700 fr. en vermindert deze boete tot de helft van de verschuldigde belasting, hetzij 581.425 fr.

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond en zegt voor recht dat het dwangbevel dd. 26 maart 1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 maart 1997 en betekend op 21 augustus 1997, verder uitwerking heeft, met dien verstande dat de op grond van artikel 70, § 1 W.BTW opgelegde geldboete wordt verminderd tot de helft van de verschuldigde belasting, hetzij 581.425 fr.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, zijnde de kosten van dagvaarding begroot op 3.974 fr. en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op ZEVENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter;

G. H., griffier.

G. H. C. V.

Textes cités

6
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 592 occurrences
CTVA art. 451 occurrence
CTVA art. 841 occurrence
CTVA art. 851 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8