Paiement de l'impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 12 novembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-poursuite-instance-droits-tribunal-bruxelles-2008-11-12-f25f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
12 novembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

95 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 12.11.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 36ste Kamer

Nr. A.R. 2004/4284/A

In zake van :

De N.V. B. T., voorheen de N.V. D.-M., met maatschappelijke zetel te … (…), … en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het ondernemingsnumrner …;

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. D. M., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Financiën, in de persoon van de·rekenplichtige van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32;

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 22/10/2008, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het exploot van dagvaarding in verzet tegen een dwangbevel van 17/03/2004;

- de beschikking overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 17/12/2007;

- de besluiten, de samenvattende besluiten en de (andermaal) samenvattende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 02/06/2004, 15/05/2008 en 12/0912008;

- de besluiten en de synthese besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 17/03/2008 en 16/07/2008;

- het bundel met stavingstukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 03/04/2006, en andermaal op 26/10/2007 en 21/10/2008.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna één bundel met stavingstukken van eiseres werd neergelegd en de zaak werd in beraad genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Eiseres is BTW-plichtige en ingeschreven onder het BTW-nummer BE ….

In het kader van een controle van de administratie der directe belastingen, controle Halle-Vennootschappen 1, in verband met de vennootschapsbelasting van eiseres, werd door eiseres op 26/10/2001 een akkoordverklaring ondertekend waarbij voor het aanslagjaar 2000 (inkomsten 1999) hogere inkomsten werden weerhouden (stuk 2 verweerder).

Van deze akkoordverklaring werd op niet nader te bepalen datum (het stuk werd niet gedateerd) kennisgeving gedaan aan de controledienst van de BTW (stuk 1 verweerder). Verweerder houdt voor dat deze kennisgeving gebeurde in de loop van 2002.

Hieruit blijkt dat het bedrag van de omzet van eiseres werd verhoogd met … BEF (thans … euro) en er een som van … BEF (thans … euro) werd weerhouden als voordelen van alle aard aan zaakvoerders toegestaan.

Er werd een correctieopgave overgemaakt aan eiseres met hierin opgenomen de volgende BTW-schulden (stuk 3 verweerder, evenmin is hiervan enige datum gekend) :

- een som van … euro (BTW op de niet aangegeven omzet);

- een som van … euro (BTW op de voordelen van alle aard) en

- een som van … euro (BTW-boete).

Oftewel in totaal een bedrag van … euro.

Eiseres verklaarde zich bij brief van 20/05/2003 niet akkoord met een deel hiervan, daar zowel de BTW-schulden voor het jaar 1999 als voor 2000 zouden verjaard zijn (stuk 4 verweerder).

Ingevolge hiervan gingen de diensten van verweerder over tot het opstellen van een proces-verbaal op 03/10/2003 (stuk 7 verweerder). In dit proces-verbaal werd een inbreuk op artikel 53, eerste alinea, 3° en 4° van het BTW-Wetboek en artikel 18 van het K.B nr. 1 29/12/1992 vastgesteld, in verband met de aangegeven omzet.

In dit proces-verbaal werd (in vergelijking met de correctieopgave) enkel de BTW op de niet aangegeven omzet (… euro) en de BTW-boete (… euro) weerhouden, alsmede de intresten (het overige werd door eiseres niet betwist).

Op 03/02/2004 werd er voor dit bedrag (betalingen die werden uitgevoerd, werden aangerekend op de intresten) een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 18/02/2004 werd betekend bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder I. N., loco gerechtsdeurwaarder J. V. met standplaats te Halle.

Op 17/03/2004 tekende eiseres hiertegen verzet aan.

Op 01/06/2004 werd tevens een akte van inhouding betekend aan eiseres. Tegen deze akte van inhouding werd eveneens door eiseres verzet aangetekend, doch dit werd afgewezen bij vonnis van de beslagrechter te Brussel van 20/05/2008.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2. De vordering van eiseres strekt ertoe, na eisuitbreiding (de rechtbank neemt letterlijk het dispositief van de laatste besluiten van eiseres over) :

“Te oordelen dat de verjaring is ingetreden, dat de gegevens waarom de BTW-administratie zich beroept niet bewijskrachtig zijn en dat de BTW-administratie haar motiveringsplicht niet is nagekomen.

Te oordelen dat de akten van inhoudingen en de corresponderende beslagen onwettig zijn en deze vervolgens nietig te verklaren.

verweerder te veroordelen tot :

- de terugbetaling aan eiseres van de onrechtmatig ingehouden sommen voorlopig begroot op … euro (zonder intresten noch kosten) onder voorbehoud van vermeerdering;

- de betaling aan eiseres van de intresten (a rato de gerechtelijke intrestvoet) op de onrechtmatig ingehouden som, te rekenen vanaf 30/4/2004 tot op de dag van de volledige terugbetaling van de onrechtmatig ingehouden sommen aan eiseres;

- een bijkomende schadevergoeding wegens de kosten waaraan zij - door haar onrechtmatig optreden - eiseres heeft blootgesteld, met name de kosten van dagvaarding, de rechtsplegingsvergoeding als naar recht, en de administratieve kosten en de kosten van inzet van personeel die eiseres heeft dienen te maken als gevolg van het onrechtmatige optreden van verweerder, waarbij deze laatste schadepost ex aequo et bono voorzichtig kan begroot worden op … euro, onder voorbehoud van verhoging, indien verdere schade zou blijken;

- de rechtsplegingsvergoeding, overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007, begroot op het basisbedrag van … euro (schijf tussen 10.000,00 euro en 20.000,00 euro);

- de kosten van het geding."

Er kan aangenomen worden dat de nietigheid wordt gevorderd van het proces-verbaal van 03/10/2003 en het dwangbevel van 11/02/2004 (zie het dispositief van de dagvaarding), en te horen zeggen voor recht dat de BTW-schuld verjaard is. Dit betreft de eerste paragraaf van het dispositief.

De tweede paragraaf heeft betrekking op de akten van inhouding en de beslagen die hieruit voortvloeiden (en maakten reeds het voorwerp uit van een procedure voor de beslagrechter).

Het eerste onderdeel van de 3de paragraaf, is een vordering tot terugbetaling van de onterecht ingehouden sommen, vermeerderd met de intresten.

Tot slot vordert eiseres een schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op … euro.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. De ontvankelijkheid

3. Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, noch wordt enige ambtshalve grond van niet ontvankelijkheid vastgesteld, zodat de vordering van eiseres ontvankelijk is.

3.2. Ten gronde

4. Eiseres ontwikkelt de volgende middelen ter staving van haar vordering :

- de betreffende BTW-schuld is volgens haar verjaard. De gemene verjaringstermijn is immers verstreken en de administratie kan geen beroep doen op enige grond tot verlenging van deze verjaringstermijn (een bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres is met name niet bewezen, noch is er sprake van nieuwe en bewijskrachtige gegevens);

- er zijn geen voldoende bewijskrachtige gegevens en de BTW-administratie deed niet voldoende onderzoek;

- het proces-verbaal en het dwangbevel werd niet afdoende gemotiveerd.

5. Terecht werpt eiseres op dat er in het proces-verbaal en in het dwangbevel met geen woord wordt gerept (rechtstreeks of onrechtstreeks) over de mogelijke verjaring van de BTW-schuld, evenmin als over enige grond waarop de verjaringstermijn zou kunnen verlengd worden. Dit is des te kwalijker daar zowel eiseres zelve in haar brief van 20/05/2003, als haar raadsman in een brief van 08/09/2003 expliciet verwezen naar de verjaring van de BTW-schuld.

Een dwangbevel inzake belastingen over toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet motivering bestuurshandelingen van toepassing is. Het bestuur moet aldus de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (vgl. o.m. Cass. 01/12/2005, F.J.F. 2007, afl. 3, 202; Brussel 21/04/2005, Fisc.Koer. 2005, afl. 11, 448).

Deze motivering moet afdoende zijn, zodat de bestuurde (thans de belastingplichtige) in de akte zelf de motieven moet vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen, zodat hij met kennis van zaken, kan uitmaken .of het aangewezen is de beslissing te bestrijden (vgl. in administratieve zaken : o.m. R.v.st. nr. 50.973,23/12/1994).

Dit geldt evenzeer voor het proces-verbaal in zoverre in het dwangbevel hiernaar wordt verwezen, zoals thans het geval is. In dat geval maakt dit proces-verbaal immers integraaI deeI uit van het dwangbevel.

Indien de verjaring mogelijks in het geding is en er wordt gebruik gemaakt van de 7-jarige verjaringstermijn (op grond van artikel 81bis, § 1, 3de lid, 3° BTW-wetboek), dewelke geen voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige veronderstelt, dient hiervan uitdrukkelijk melding te worden gemaakt Op deze wijze kan de belastingplichtige de terechtheid hiervan beoordelen. Dit is immers een onderdeel van de opeisbaarheid van de schuld en dus een onderdeel van de grondslag van de BTW-schuld zelve.

Dat geen wettelijke bepaling er zich tegen verzet dat de administratie nadien bijkomende juridische argumenten en gegevens aanvoert (vgl. o.m. Cass. 01/12/2005, FJ.F. 2007, afl. 3, 202), kan in huidig geval geen afbreuk doen aan het feit dat het proces-verbaal en het dwangbevel nietig dienen te worden verklaard wegens een schending van de motiveringsverplichting. Het probleem van de verjaring raakt immers de essentie van de BTW-schuId zelve en is niet louter een bijkomend argument of element. Dit kan aldus naderhand niet rechtgezet worden.

De vordering van eiseres op dit punt is dus gegrond en haar overige middelen wat betreft de BTW-schuld behoeven met verder onderzocht te worden.'

6. Nu de het dwangbevel nietig is, dient verweerder te worden veroordeeld tot terugbetaling van de desgevallend in uitvoering van dit dwangbevel ingehouden of betaalde sommen.

Partijen verschaffen over en weer de rechtbank geen duidelijkheid omtrent de exacte omvang van deze bedragen. Er kan evenwel thans volstaan worden met een principiële veroordeling van verweerder tot terugbetaling van de onterecht ingehouden of betaalde sommen, verhoogd met de intresten aan de wettelijke intrestvoet overeenkomstig artikel 91, § 4 BTW-wetboek.

7. De vorderingen van eiseres die betrekking hebben op het beslag onder derden (overigens slechts in ondergeschikte orde gesteld blijkens de motivering van de besluiten), kunnen door deze rechtbank niet meer beoordeeld worden daar hierover reeds uitspraak werd gedaan door de beslagrechter van deze rechtbank.

Deze vorderingen zijn hoe dan ook zonder voorwerp. Deze inhouding had immers een louter bewarend karakter.

8. Uit de motivering van de synthese besluiten kan niet anders dan opgemaakt worden dat de gevorderde schadevergoeding wordt gebaseerd op de vermeende onwettigheid van het beslag onder derden. Zoals aangehaald werd hierover reeds op definitieve wijze beslist door de beslagrechter en werd deze vordering van eiseres afgewezen. Op dit punt is dan ook geen fout in hoofde van verweerder bewezen.

De vordering tot schadevergoeding wordt bovendien, alhoewel het hier een aanzienlijk bedrag betreft, op geen enkele wijze gemotiveerd wat de omvang betreft. Het beginsel van de ex aequo et bono begroting is enkel van toepassing indien de schade niet begrootbaar is en het is niet de bedoeling dat deze begrotingswijze wordt gehanteerd om aan de (aan eiseres) opgelegde bewijslast te ontsnappen. Eiseres motiveert op dit punt niets en verantwoordt zelfs de omvang van de vordering niet.

Het is tot slot niet bewezen dat er enige schade zou bestaan, met name dat eiseres kosten zou gemaakt hebben die al niet louter het gevolg zijn van de loutere BTW-verplichtingen van eiseres. Bovendien bestaat de vergoeding wegens het niet ter beschikking hebben van de kwestieuze gelden reeds uit de toegekende intresten. Deze eis wordt afgewezen.

4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

8. Aangezien de vordering van eiseres enkel wat betreft de BTW-schuld gegrond is, komt het gepast voor elke partij te veroordelen tot de helft van de kosten van het geding.

Partijen vorderen over en weer het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op basis van de betwiste BTW-schuld. Noch eiseres; noch verweerder houden bij de begroting van de rechtsplegingsvergoeding rekening met de bijkomende vordering tot schadevergoeding. Nu het de rechtbank niet toekomt meer toe te kennen dan hetgeen werd gevorderd door partijen, op straffe van de statueren ultra petita, kan slechts dit bedrag begroot worden.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op … euro. Partijen vragen geen afwijking hiervan.

Eiseres vordert tevens de dagvaardingskosten voor de procedure, gevoerd voor de beslagrechter, inzake het verzet tegen de inhoudingen. Nu in het vonnis van de beslagrechter van 20/05/2008 op dit punt reeds definitief beslist werd (met name dat deze kosten ten laste van eiseres werden gelegd) komt het deze rechtbank niet meer toe hierover te beslissen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond,

Vernietigt het aangevochten proces-verbaal van 03/10/2003 en het dwangbevel van 10/02/2004 en ontheft eiseres van de hierin opgenomen BTW-schuld in hoofdsom, aanhorigheden en intresten, met inbegrip van de boete.

Veroordeelt verweerder tot teruggave van de desgevallend in uitvoering van dit proces-verbaal onterecht betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de intresten aan de wettelijke intrestvoet op basis van artikel 91, § 4 BTW-wetboek, vanaf de dag van de betaling of inhouding tot de dag van volledige terugbetaling.

Veroordeelt beide partijen tot de helft van de kosten van het geding en begroot deze kosten in hoofde van eiseres op … euro (dagvaarding) en … euro (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van verweerder op … euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 12 november 2008

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier

I.D. J. V. B.

Textes cités

3
CTVA art. 912 occurrences
AR no 1 art. 181 occurrence
CTVA art. 531 occurrence

Décisions similaires

8