Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 01.10.2025
[ Jugement favorable ]
TVA – Nettoyage des bâtiments – Infractions à la TVA – Régularisation
Résumé
Pas disponible
Texte intégral
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 01.10.2025
(24/1878/A en 24/2429/A)
Inzake: AR 24/1878/A en AR 24/2429/A
Inzake: AR 24/1878/A
X.,
met maatschappelijke zetel te …, KBO:…
eiseres
vertegenwoordigd ter zitting door Mr. WASTEELS SYLVIE in eigen naam en loco Mr. VANDEWALLE FRANK te 2000 ANTWERPEN, Leon Stynenstraat 75 C,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO centrum Mechelen, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 561, KBO: 0308.357.159,
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door V.P., in hoedanigheid van
rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,
en inzake: AR 24/2429/A
X.,
met maatschappelijke zetel te …, KBO:…
eiseres
vertegenwoordigd ter zitting door Mr. WASTEELS SYLVIE in eigen naam en loco Mr. VANDEWALLE FRANK te 2000 ANTWERPEN, Leon Stynenstraat 75 C,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO centrum Mechelen, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 561, KBO: 0308.357.159,
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door V.P., in hoedanigheid van
rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Inzake: AR 24/1878/A
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 6 mei 2024, ingeschreven ter griffie op 7 mei 2024;
de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 7 juni 2024, waarbij de
conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;
- de besluiten van partijen.
Inzake: AR 24/2429/A
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 12 juni 2024, ingeschreven ter griffie op 13 juni
2024;
- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 6 september 2024,
waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;
de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 3 september 2025.
1. Feiten en procedurele voorgaanden
Huidige betwisting heeft betrekking op de fiscale schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister met enerzijds nummer 500.2819.35627, opgemaakt op 15 januari 2024 en uitvoerbaar verklaard op 18 januari 2024 en anderzijds nummer 500.2902.84903, opgemaakt op 1 juli 2024 en uitvoerbaar verklaard op 4 juli 2024 voor een totaalbedrag van 313.609,91 euro meer interesten.
Eiseres is sinds 1 februari 2015 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE… voor de activiteit van 'overige reiniging van gebouwen; industriële reiniging'. Eiseres is kwartaalaangever.
Op 26 oktober 2023 voerde de belastingadministratie een fiscale controle uit bij een derde vennootschap waarbij verkoopfacturen van eiseres werden aangetroffen. Op 14 november 2023 werd hierover een vraag om inlichtingen verzonden aan eiseres die op 22 november 2023 door eiseres werd beantwoord (stukken 8-9 en 6-7 AD).
Op 27 november 2023 verzond de belastingadministratie een proces-verbaal van regularisatie aan eiseres waarin ze meedeelde dat er sprake is van inbreuken inzake btw in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 en op 14 mei 2024 voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 (stuk 1 AD). Volgende bedragen werden gevorderd: voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021:
als btw: 56.328,09 euro;
als proportionele geldboete (200%): 112.650,00 euro;
te vermeerderen met de verschuldigde nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2022.
voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;
als btw: 48.211,82 euro;
als proportionele geldboete (200%): 96.420,00 euro;
te vermeerderen met de verschuldigde nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2023.
Voor de in het proces-verbaal als verschuldigd opgenomen bedragen werd een inschrijving gedaan in het innings-en invorderingsregister respectievelijk op 15 januari 2024 onder het schuldnummer 500.2819.35627 dat op 18 januari 2024 uitvoerbaar werd verklaard en op 1 juli 2024 onder het schuldnummer 500.2902.84903 dat op 4 juli 2024 uitvoerbaar werd verklaard (stuk 2 AD).
Op 6 december 2023 diende eiseres en verzoekschrift tot vermindering van boete in dat middels beslissing van 1 februari 2024 werd afgewezen (stukken 3 en 4 AD).
Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie op 6 mei 2024 en 12 juni 2024 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschrift van de processen-verbaal zijn telkens aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.
2. Samenvoeging
De rechtbank stelt vast dat de zaken met de rolnummers 24/1878/A en 24/2429/A samenhangend zijn. De zaken betreffen immers gelijklopende geschillen tussen dezelfde partijen voor twee opeenvolgende periodes. Deze zaken dienen, partijen maakten hier ter zitting ook geen bezwaar tegen, bij toepassing van artikel 30 Ger. W. met het oog op een goede rechtsbedeling te worden samengevoegd.
3. Vorderingen van partijen
Eiseres verzoekt de rechtbank:
haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
te oordelen dat de btw-schuld, bestaande uit de btw in hoofdsom, de boete en de nalatigheidsinteresten in het geheel niet door eiseres is verschuldigd en de innings-en invorderingsberichten van nul en generlei waarde zijn en moeten worden vernietigd;
in ondergeschikte orde, kwijtschelding, minstens substantiële vermindering te verlenen van de geldboete van 200%;
- in meer ondergeschikte orde, uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen;
- eiseres te ontslaan van de ten onrechte nagevorderde btw en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres reeds betaalde bedragen en/of door gedaagde ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 WBTW;
- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding en de forfaitaire bijdrage voor het Fonds van Juridische Tweedelijnsbijstand.
Verweerder verzoekt de rechtbank de verzoekschriften van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vorderingen van eiseres of te wijzen, de schuldartikelen met de nummers 500.2819.35627 en 500.2902.84903 opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 15 januari 2024 en 1 juli 2024 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 27 november 2023 en 14 mei 2024 te bevestigen en eiseres tot de kosten te veroordelen.
4. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.
5. Beoordeling
5.1. Artikel 51, § 1, eerste lid, 3 WBTW
Eiseres argumenteert dat zij ten onrechte wordt aangesproken voor de betaling van btw. Volgens eiseres is er geen sprake van facturen door haar uitgereikt aangezien eiseres vreemd zou zijn aan de betreffende documenten en nooit btw van de dienstverstrekker heeft ontvangen.
Op grond van artikel 51, § 1, eerste lid, 3 WBTW is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. De loutere vermelding van een btw-bedrag op een factuur of een als zodanig geldend stuk, volstaat opdat de persoon die deze factuur of dat stuk heeft uitgereikt, schuldenaar wordt van deze btw.
De rechtbank stelt samen met de belastingadministratie vast dat eiseres in de periode van januari 2021-december 2022 in totaal 15 facturen (14 facturen en een correctiefactuur) heeft uitgereikt aan een derde vennootschap die deze heeft voldaan en volgens de verklaring van de belastingadministratie opgenomen in haar boekhouding en de op de facturen vermelde btw in aftrek gebracht. Eiseres heeft de facturen niet opgenomen in haar btw-aangiften en heeft de derde vennootschap evenmin opgenomen in haar jaarlijkse klantenlisting.
Het kan bezwaarlijk worden betwist dat het wel degelijk om facturen gaat. Vormelijk
beantwoorden zij perfect aan de voorwaarden gesteld in artikel 5, § 1 KB nummer 1 van 29
december 1992. De belastingadministratie haalt terecht aan dat de facturen volgende
vermeldingen bevatten:
de datum van uitreiking;
een volgnummer;
de naam en het adres van de belastingplichtige leverancier/dienstverrichter;
het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;
naam en adres van de medecontractant;
het btw-identificatienummer van de medecontractant;
omschrijving van de diensten;
de maatstaf van heffing;
het btw-tarief;
het totaalbedrag van de te betalen belasting, uitgedrukt in euro;
het totaal te betalen bedrag;
de rekeningnummers waarop betaald kan worden.
De belastingadministratie haalt verder terecht aan dat de vraag of er sprake is van werkelijke prestaties irrelevant is voor de beoordeling van de vraag of eiseres tot voldoening van de btw wordt aangesproken.
In casu ging de bestuurder van eiseres, in zijn hoedanigheid van bestuurder en dus namens eiseres, over tot het opstellen van fictieve facturen.
De situatie die hier voorligt verschilt dus fundamenteel van het geval waarbij een werknemer, achter de rug van zijn werkgever, valse btw-facturen uitrekt op naam van de werkgever (HvJ 30 januari 2024, C-442/22).
Op grond van de door eiseres uitgereikte facturen en bij toepassing van artikel 51, § 1, 30 WBTW, was eiseres dus wel degelijk gehouden tot betaling van de btw.
5.2. De opgelegde geldboete
Aan eiseres werd op grond van artikel 70, §1 en ibis WBTW een proportionele geldboete opgelegd van respectievelijk 112.650,00 euro en 96.420,00 euro, zijnde telkens 200% van de ontdoken btw.
Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie.
Volgens de rechtbank gaat het, op basis van het dossier zoals het nu voorligt (en dus zonder tegenspraak wat de derde vennootschap betreft), duidelijk om fictieve facturen. De fiscaal adviseur van eiseres verklaarde over de facturatiestroom (stuk 9 AD):
"De COVID-pandemie die ervoor zorgde dat onze client bijna onmogelijk aan het werk kon raken, en het feit dat hij het ook zeer moeilijk had om het hoofd boven water te houden, hebben hem ertoe aangezet om, verkeerdelijk, de facturen waarvan sprake in bovengenoemde PV, privé te laten uitbetalen en deze niet mee te nemen in de btw-aangiften".
Onze client is zich zeer bewust van zijn schuld bij deze inbreuk en hij heeft oprecht split van zijn beslissing
".... dit alles heeft me aangezet tot een verkeerde beslissing waar ik echt spijt van heb, mijn leven mag
geen excuses zijn voor deze daad, ik wil oprecht spijt betuigen. De rode draad in mijn leven is werken en
dat wil ik echt kunnen verder doen, ook vraag ik tijd voor de betalingen van de btw-schulden, ik zou graag
een kans krijgen, ik ben geen crimineel of terrorist, gewoon een goedgelovige kerel een hele grote fout
heeft gemaakt. lk hoop dat de boete kan worden verminderd zodat ik ze kan afbetalen"
De rechtbank komt net als de belastingadministratie tot het besluit dat er geen enkel bewijs voorligt dat de bestuurder in zijn hoedanigheid van natuurlijke persoon de inbreuken heeft gepleegd. Dit wordt niet vermoed. Integendeel wijst alles erop dat er een frauduleus systeem is opgezet om fictieve facturen uit te rijken vanuit eiseres zonder enig spoor achter te laten bij eiseres. Het is pas na een controle bij de derde vennootschap dat de fraude aan het Iicht kwam.
Zoals gesteld heeft eiseres in de periode van januari 2021-december 2022 in totaal 15 facturen (14 facturen en een correctiefactuur) uitgereikt aan een derde vennootschap die deze heeft voldaan en volgens de verklaring van de belastingadministratie opgenomen in haar boekhouding en de op de facturen vermelde btw in aftrek gebracht. Eiseres heeft de facturen niet opgenomen in haar btw-aangiften en heeft de derde vennootschap evenmin opgenomen in haar jaarlijkse klantenlisting.
De belastingadministratie kwam terecht tot het besluit dat de vastgestelde inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken. De begane inbreuken passen als geheel binnen een doelbewuste strategie van eiseres, namelijk het bewust opzetten van een fraudeschema waarbij eiseres instaat voor het uitreiken van fictieve facturen. Er is dus geen sprake van het louter niet opnemen van bepaalde facturen in de btw-aangiften uit onwetendheid of nalatigheid.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals de administratieve geldboetes van 200% opgelegd op grond van artikel 70, §1-2 WBTW, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (zie ook Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, www.juportal.be). Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Hieruit volgt dat het wettigheidstoezicht door de rechter een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist en dat de rechter hierbij niet gebonden is aan de schalen die de wet zelf voorschrijft. De mate waarin het bestuur zelf gebonden is, bindt de rechter niet doch is wel een element waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de wettigheid van de sanctie en is een reden voor de rechter om een grotere terughoudendheid in acht te nemen. Anders oordelen, zou de rechtskracht van het internationale rechtskader waaronder deze administratieve sancties vallen, miskennen.
Aan eiseres werden proportionele geldboetes van 200% van de ontdoken btw opgelegd. De kwade trouw van de eiseres staat vast (zie hierboven). Gelet op het feit dat eiseres doelbewust en langdurig een frauduleus systeem opzette waarbij fictieve facturen werden uitgereikt, ziet de rechtbank geen enkele reden om de geldboetes in welke mate dan ook te verminderen of uitstel toe te kennen, mocht de wetgever in deze maatregel voorzien hebben.
Eiseres heeft zich jarenlang systematisch en doelbewust ingelaten met een fraudestructuur met de bedoeling Belgische belasting te ontduiken. Alleen een wettelijke sanctie aan 200% kan het gewenste doel bereiken. Deze sanctie is geenszins onevenredig met de begane inbreuken en is als sanctie die zich in een evenredige verhouding bevindt ten aanzien van de aard en de ernst van de door de eiseres begane inbreuken, niet in strijd met artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM.
De vordering van eiseres is ook op dit punt ongegrond.
5. Kosten van het geding
Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.
De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft ten laste van eiseres.
Er zijn tot slot geen rolrechten verschuldigd in fiscale zaken.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Voegt de zaken gekend onder de rolnummers 24/1878/A en 24/2429/A samen wegens samenhang in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in een vonnis.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiseres, definitief verworven voor het fonds.
Dit vonnis werd uitgesproken op een oktober tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:
A.D., rechter
C.L., griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.