Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 20.05.2026 (2021/AF/221)
FIN 54631526/01
Loi relative à la motivation formelle des actes administratifs - Preuve de la dette TVA
Résumé
Résumé non fourni
Texte intégral
Corps de la décision
L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.
Hof van beroep Brussel
Fiscale Kamer 6N
Eindarrest
20.05.2026
2021/AF/221
Cie1, ON ..., met zetel te ...,
appellante,
vertegenwoordigd door mr. DE BROECK Leo, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 209A bus 1,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, ON ..., in de persoon van de Minister van Financiën, F.O.D. Financiën, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering – Team Invordering Rechtspersonen Leuven 1, met kantoor gevestigd te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 2, en de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Gewestelijke Directie Brussel waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 49; Allen vertegenwoordigd door de door de Adviseur‑Generaal van de Gewestelijke Directie van de BBI BRUSSEL, met kantoor te 1030 Schaarbeek, Koning Albert ll‑laan 33 bus 49, met correspondentieadres voor Nederlandstalige briefwisseling te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,
geïntimeerde,
die in persoon verschijnt, door tussenkomst van een ambtenaar, Mevrouw E.C., attaché,
In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting:
Voorgaanden en vorderingen
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid:
•het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 14 oktober 2019,
•het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Leuven van 16 april 2021 (AR 19/1792/A), waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd,
•het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 juli 2021,
•de conclusies, de aanvullende conclusies en de syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd op 9 december 2021, 7 april 2022 en op 18 augustus 2022,
•de conclusies en de syntheseconclusies van appellante neergelegd op 10 februari 2022 en op 18 juni 2022,
•de stukken van de Belgische Staat neergelegd op 5 mei 2026.
Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 14 oktober 2019 stelde appellante een vordering in tegen geïntimeerde en vorderde het aan haar bij gerechtsdeurwaardersexploot op 4 juli 2019 betekende dwangbevel inzake BTW met RCIV‑nummer 500/2026/99660 uitgevaardigd op 10 december 2018 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 december 2018 evenals het aangehechte proces‑verbaal van 21 september 2018 te vernietigen omdat de erin vervatte vordering niet gegrond zou zijn.
De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering van appellante.
Bij vonnis van 16 april 2021 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de kosten van het geding.
Hij besliste dat het dwangbevel afdoende gemotiveerd was doordat het afdoende wordt gedragen door de juridische en feitelijke overwegingen die werden opgenomen in het bijhorend proces‑verbaal van taxatie van 21 september 2018(i), en hij besliste ook dat de btw‑schuld afdoende wordt bewezen door de Belgische Staat rekening houdend met het proces‑verbaal van 21 september 2018, de processen‑verbaal met de nummers 302216/2016, 302141/2016, 302233/2016 en 302053/2016 van de federale politie in het kader van strafonderzoek (strafdossier met notitienummer BE70.99.1847/2015), de bankhistorieken van de bankrekeningen van appellante bij Cie4 en bij Cie5 en de historiek van de grootboekrekening 700021 van appellante voor de jaren 2010 tot en met 2015 (ii).
Procedure voor het hof
Er wordt geen akte van betekening van het bestreden vonnis voorgelegd en namens partijen werd ter zitting van 5 mei 2026 verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.
Middels verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 juli 2021 stelde appellante hoger beroep in tegen het bestreden vonnis. Volgens haar laatste conclusies vordert appellante te zeggen voor recht dat het dwangbevel met RCIV nr. 500.2026.99660 uitgevaardigd op 10 december 2018 en uitvoerbaar verklaard op 13 december 2018 nietig is omdat de erin vervatte vordering van geïntimeerde niet gegrond is en het bedrag van €525.996,73 (exclusief interesten en kosten) niet verschuldigd is. Zij vordert tevens de veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van alle sommen die op grond van dit dwangbevel geïnd zouden zijn evenals de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
Geïntimeerde vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.
Feiten
Appellante is geregistreerd voor btw‑doeleinden onder het nummer ... met als hoofdactiviteit het schilderen van gebouwen. P.M. is de enige aandeelhouder en zaakvoerder van de vennootschap.
In de periode 2010‑2015 verleende deze vennootschap diensten aan o.m. Cie2 en aan Cie3.
Na inzage in een gerechtsdossier met notitienummer BR70.99.1847/2015 door de diensten van geïntimeerde bleek, volgens geïntimeerde, dat verschillende facturen uitgaande van Cie1 en gericht aan Cie2 en/of Cie3 (voornamelijk voor schilderwerken en het leggen van vloerbekleding) niet zouden zijn opgenomen in de omzet van Cie1.
Bepaalde facturen werden namelijk voorzien van een begeleidend schrijven met het verzoek te betalen (hetgeen ook effectief gebeurde) op een ander bankrekeningnummer, een Cie5–bankrekeningnummer waarvan appellante titularis was maar wat niet in haar boekhouding was opgenomen. De facturen in kwestie zijn in de grootboekrekening 700021 niet terug te vinden en bleven buiten de boekhouding.
Volgens geïntimeerde werd de hiermee gepaard gaande meer omzet eveneens buiten de aangegeven omzet van de btw-aangiften van appellante gehouden.
Bij aangetekend schrijven van 6 december 2017 werd appellante in kennis gesteld overeenkomstig artikel 84ter WBTW in kennis gesteld van de uitbreiding van de verjaringstermijn tot zeven jaar zoals voorzien in artikel 81bis, §1,2de lid,4` WBTW.
Op 21 september 2018 werd een proces‑verbaal van taxatie opgesteld voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015 (stuk 5 Belgische Staat). Dit werd bij aangetekend schrijven van 25 september 2018 ter kennis gebracht van appellante.
Daarin werd vastgesteld dat appellante €525.996,73 verschuldigd was aan btw, meer interesten vanaf 21 januari 2016.
Omdat er een strafonderzoek liep tegen appellante en P.M. werden geen proportionele en niet‑proportionele geldboeten opgelegd.
Op 10 december 2018 werd een dwangbevel opgesteld met RCIV‑nummer 500/2026/99660. Dit werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 december 2018 en aan appellante betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot op 4 juli 2019.
Bij verzoekschrift neergelegd op 14 oktober 2019 stelde appellante een vordering in tegen de Belgische Staat en tekende zij verzet aan tegen dit dwangbevel.
De eerste rechter verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond bij vonnis van 16 april 2021.
Op 12 december 2017 werd door appellante een verklaring van afstand van de verlopen tijd van verjaring ondertekend (stuk 4 Belgische Staat).
In rechte
Standpunt appellante
Appellante voert volgende middelen aan:
•het dwangbevel is nietig wegens een gebrek aan motivering. In het proces‑verbaal van 21 september 2018 wordt naar het strafdossier of naar het gerechtsdossier in zijn algemeenheid verwezen of naar bepaalde processen verbaal met een nummer. Indien er naar een specifiek proces‑verbaal uit het gerechtelijk dossier wordt verwezen dan wordt dat niet bij het dwangbevel gevoegd.
Op die manier had appellante geen kennis van de precieze, concrete feitelijke gegevens die noodzakelijk moeten worden aangeduid om het dwangbevel rechtsgeldig te motiveren,
•het dwangbevel is nietig omdat het niet voldoet aan de bewijslast. In het dwangbevel beroept geïntimeerde zich enkel op het proces‑verbaal van 21 september 2018. Het proces‑verbaal vormt een samenraapsel van deducties waaruit op zijn beurt nog eens een deductie is afgeleid.
Standpunt geïntimeerde
Geïntimeerde argumenteert:
•het dwangbevel voldoet aan de vereiste motiveringsverplichting. De stukken waarnaar wordt verwezen in het proces‑verbaal dat tezamen met het dwangbevel wordt betekend dienen niet mee te worden betekend met het dwangbevel.
Het dwangbevel en het proces‑verbaal bevatten op zichzelf de nodige overwegingen en vermeldingen waardoor het afdoende gemotiveerd is gezien ze zowel het voorwerp en de grondslag die aan de basis liggen van de bestreden taxatie, de wetsbepalingen en de berekening van de verschuldigde belasting beschrijven,
•de bewijslast werd voldaan. Geïntimeerde baseerde zich op de processen‑verbaal uit het gerechtsdossier op de bijlagen bij deze processen-verbaal die er deel van uitmaken zoals verkoopfacturen en resultaten van het bankonderzoek. Geïntimeerde vertrekt van feitelijke vaststellingen om te besluiten dat er sprake is van een aanzienlijke niet-aangegeven omzet in hoofde van appellante. Op basis van artikel 59§1, tweede lid WBTW genieten de processen‑verbaal van de ambtenaren van de FOD Financiën een bijzondere bewijskracht, zodat de in het proces‑verbaal van 21 september 2018 opgenomen vaststellingen een weergave vormen van objectieve en materiële vaststellingen door de belastingambtenaar op basis van boekhoudkundige en financiële documenten en van aangiften.
•In ondergeschikte orde stelt geïntimeerde dat de belastingschuld inzake btw los van het dwangbevel ontstaat, zodat indien het dwangbevel nietig zou zijn het hof dient te onderzoeken of de btw verschuldigd is. Er kan geen terugbetaling van btw worden bevolen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.
Gegrondheid
Uit het geheel van de aan het hof voorgelegde stukken blijkt dat het proces‑verbaal van 21 september 2018 samen met het dwangbevel aan appellante werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Wout Van der Hagen, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Hugo Van Bever gerechtsdeurwaarder met standplaats Sint‑Pieters‑Leeuw op 4 juli 2019.
In het dwangbevel met RCIV‑nummer 500/2026/99660 wordt uitdrukkelijk naar het proces‑verbaal van 21 september 2018 verwezen en ditzelfde proces‑verbaal werd in bijlage bij het dwangbevel opgenomen.
Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (vgl. Cassatie 1 december 2005, zaak AR C.03.0354.N). Het proces‑verbaal vormt één geheel met het dwangbevel en vult het aan, zodat de belastingplichtige de gegrondheid van zijn schuldvordering kan verifiëren." (vgl. Vraag nr. 1283, DE CLIPPELE van 11 mei 2001, Vr. en Antw., Senaat, 2001‑2002, nr. 2‑44, 2277‑2279).
Geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces‑verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel (vgl. Cassatie 17 september 1998, FjF nr. 2001/28).
In het dwangbevel – of in het bij het dwangbevel gevoegde proces‑verbaal – moet de btw‑administratie de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld. Dé motivering moet afdoende zijn, d.w.z. zij moet het voorwerp en de oorzaak van de vordering doen kennen en de schuldenaar in staat stellen de gegrondheid ervan te beoordelen.
Uit het exploot van betekening van het dwangbevel dd. 4 juli 2019 én het proces‑verbaal blijkt dat het proces‑verbaal van 21 september 2018 alle nodige overwegingen en vermeldingen bevat waardoor het afdoende gemotiveerd is. Zowel het voorwerp en de grondslag die aan de basis Iiggen van de taxatie, de toepasselijke wetsbepalingen en de berekening van de verschuldigde btw en de (hoedanigheid van de) schuldenaar zijn erin opgenomen.
Het proces‑verbaal dd. 21 september 2018, dat overigens ook al bij aangetekend schrijven van 25 september 2018 aan appellante ter kennis werd gebracht, geldt aldus als afdoende motivering van het bestreden dwangbevel.
Bovendien toont appellante geenszins aan dat haar belangen in concreto werden geschaad door het door haar beweerde gebrek aan motvering (vgl. Cassatie 17 november 2006, FGCF, 2009, 28).
Het proces‑verbaal, noch het bestreden dwangbevel zijn nietig omwille van een gebrek aan motivering.
Verder is het hof van oordeel dat ook aan de op de fiscale administratie rustende bewijslast voldaan is.
Luidens artikel 59§1 eerste lid WBTW kan de fiscale administratie het bewijs leveren van overtredingen volgens de regelen van gemeen recht met uitzondering van de eed en door processen‑verbaal van de FOD Financiën.
Uit het voorliggende proces‑verbaal van 21 september 2018 van de btw‑administratie blijkt dat de fiscale administratie de taxatie steunt op de door haar gedane feitelijke vaststellingen gedaan in het kader van haar fiscaal onderzoek.
Uit dit proces‑verbaal blijkt dat de fiscale administratie zich niet zomaar baseerde op het gerechtsdossier, maar de grootboekrekeningen van appellante onderzocht evenals de verkoopfacturen geadresseerd aan Cie2 en aan Cie3 waarvan ze een overzicht opstelde en de bankgegevens onderzocht. Verder werd een vergelijking gemaakt met de btw‑aangiften die appelante bij de fiscale administratie indiende en werd aanvullende informatie opgevraagd. De fiscale administratie nam ook kennis van verklaringen die door de zaakvoerder van appellante werden afgelegd naar aanleiding van het strafonderzoek waaruit o.m. bleek dat facturen voor geleverde prestaties niet in de boekhouding waren opgenomen.
Aan de hand van die feitelijke vaststellingen in het proces‑verbaal van 21 september 2018 samen met de neergelegde stukken uit het grootboek (de grootboekrekening 700021) (stuk 15 Belgische Staat), de bankhistorieken van de Cie5 Bankrekeningnummers (stuk 13 Belgische Staat), de bankhistorieken van de Cie4 bankrekening (stuk 12 Belgische Staat), verkoopfacturen uitgaande van appellante (stuk 11 Belgische Staat) en de processen‑verbaal uit het gerechtelijk dossier met bijlagen (stukken 7 t.e.m. 10 Belgische Staat) levert de fiscale administratie op voldoende wijze het bewijs van de btw schuld zoals die blijkt uit het proces‑verbaal van 21 september 2018.
Het proces‑verbaal van 21 september 2018 is evenmin nietig omwille van het feit dat er niet aan de op appellante rustende bewijslast zou zijn voldaan.
Tenslotte stelt het hof met de eerste rechter vast dat appellante geen enkele concrete betwisting voert m.b.t. de btw in hoofdsom (€525.996,73) en interesten.
De overige middelen van partijen in ondergeschikte orde dienen zodoende niet verder onderzocht.
Het hoger beroep is ongegrond.
De kosten
Rekening houdende met het procedureresultaat waarbij appellante als in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd, dient appellante tot de kosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.
Rechtsplegingsvergoeding
Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. In deze zaak betreft dit het bedrag van de gevorderde intresten op de belasting, zijnde het in aanmerking te nemen betwist bedrag voor huidige zaak. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (vgl. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).
Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering, zich situerend in de schijf €500.000,01 - €1.000.000 zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep dient te worden begroot op €15.697,67.
Nu geïntimeerde niet werd vertegenwoordigd door een raadsman heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Rolrecht
Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 2692, §1, tweede lid, artikel 162, 4° en artikel 2791 Wb.Reg.).
Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017 (inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565
De bijdrage van €20 voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand die door appellante verplicht werd betaald voor de procedure in hoger beroep om haar zaak op de rol ingeschreven te krijgen, dient ten laste te worden gelaten van appellante.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding, in hoofde van geïntimeerde begroot op €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep,
Laat de €20 bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand betaald door appellante voor de neerlegging van het verzoekschrift hoger beroep ten laste van appellante.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 20 MEI 2026
waar aanwezig waren:
Marc Loyens, raadsheer
Jan Van den Bossche, griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.