Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 09.03.2020
WF 708-15-19/001892
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Majoration du chiffre d’affaires – Accord en matière d’impôt des personnes physiques – Présomption de fait – Cascade de présomptions – Fraude fiscale
Dispositions légales
Article 59, article 64, § 1er et article 70, § 1er du Code de la TVA
Article 1er, dernier alinéa, de l’arrêté royal n° 41
Article 1349 du Code civil
Résumé
1) Les faits
Le requérant est assujetti à la TVA pour une activité économique consistant en l’exploitation d’un garage et d’un commerce de vente de véhicules automobiles. Le 22 octobre 2014, l’administration a effectué un contrôle concernant l’application de la législation en matière de TVA pour la période courant du 1er janvier 2011 au 31 décembre 2012.
Selon l’administration, le requérant a réalisé des chiffres d’affaires durant les années 2011 et 2012 supérieurs à ceux qui ont été déclarés. La majoration du chiffre d’affaire résulte d’un accord que le requérant a conclu en matière d’impôt des personnes physiques pour les années d’imposition 2011 et 2012. Le 9 décembre 2014, le receveur de Bruges a décerné une contrainte. Cette contrainte mentionnait le montant de TVA du et le montant de l’amende proportionnelle infligée. Le 11 janvier 2019, le requérant a déposé une requête au greffe du tribunal de première instance.
2) Le jugement rendu en première instance
- Concernant la majoration du chiffre d’affaires
En matière d’impôt des personnes physiques, le mandataire du requérant a signé un accord pour les années d’imposition 2011 et 2012 dans lequel, suite notamment à une taxation indiciaire, le chiffre d’affaire était réévalué à la hausse.
Ces accords lient le requérant sauf s’il apporte la preuve d’une erreur en droit ou en fait, d’un vice dans le consentement ou d’une violence. Un accord ne peut pas également être conclu s’il est contraire à la loi. Le requérant ne démontre l’existence ni d’une erreur en droit et en fait, ni d’un vice de consentement ni d’une contrainte dans la conclusion de cet accord.
Les présomptions sont un moyen de preuve en matière de TVA (article 59, § 1er, du Code de la TVA). L’article 1349 du Code civil édicte : « Les présomptions sont des conséquences que la loi ou le magistrat tire d'un fait connu à un fait inconnu ». Cela implique qu’une cascade de présomptions ne rapporte pas une preuve solide.
Les faits connus sont l’accord conclu et la majoration du chiffre d’affaires retenue à l’impôt des personnes physiques pour les années 2011 et 2012.
De plus, il ressort du procès-verbal que, durant les années 2011 et 2012, le requérant n’a pas eu de revenus autres que ceux provenant de l’exploitation de son garage et de son commerce de véhicules automobiles. L’administration est donc en droit de présumer que la TVA est exigible sur la majoration du chiffre d’affaires. Le requérant ne prouve pas le contraire. Il ressort également du dossier que la comptabilité du requérant concernant les années 2011 et 2012 n’est pas probante.
Le fait que le fonctionnaire contrôleur n’a ou n’a pas vérifié la comptabilité et qu’il a établi une comparaison entre les achats et les ventes n’est pas relevant. En vertu de l’accord conclu, la majoration du chiffre d’affaires est un fait certain. Conformément à l’article 64, § 1er, du Code de la TVA, toute personne qui achète ou produit pour vendre est présumée, jusqu'à preuve du contraire, avoir livré dans des conditions qui rendent la taxe exigible les biens qu'elle a achetés ou produits. L’administration a dès lors à raison calculé la TVA due sur la base de la majoration incontestable du chiffre d’affaire.
- Concernant l’amende fiscale
En ce qui concerne l’amende le tribunal juge que, lorsque les infractions ont été commises dans l'intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe, l’amende légale ne peut pas être réduite (article 1er, dernier alinéa, de l’arrêté royal n° 41).
Le requérant n’a pas déclaré une partie de son chiffre d’affaires. En cette affaire, l’infliction d’une amende est justifiée. Dans l’accord conclu en matière d’impôt des personnes physiques, le requérant a avoué que l’infraction avait été commise dans l'intention d'éluder la taxe. Dès lors, il n’y a pas lieu de réduire l’amende.
Le juge déclare la demande non fondée.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer van 9 maart 2020
Rol: 19/96/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak : 19/96/A
P.V. (KBO 0672....) eenmanszaak, wonende te ..., eisende partij, voor wie is opgetreden meester ...
tegen:
de BELGISCHE STAAT in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur-generaal van het KMO centrum Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie is opgetreden mevrouw ..., attaché, KMO Centrum Brugge.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 11 januari 2019.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 februari 2020.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE••••.•••.••• voor de activiteit van uitbating van een garage en kleinhandel auto's. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 22 oktober 2014 werd door ..., fiscaal deskundige bij de algemene administratie van de fiscaliteit, verbonden aan het centrum te Brugge, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.
Er werd een correctieopgave opgesteld en deze werd met een kennisgeving van beslissing tot regularisatie overgemaakt aan eiser. Eiser ging akkoord met de rubrieken 1 tot 3 van de opgave.
Bij gebrek aan akkoord omtrent rubriek 4 van de correctieopgave werden op 18 december 2014 . De bevindingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiser een meeromzet gerealiseerd in de jaren 2011 en 2012. Deze meeromzet blijkt uit akkoord in die eiser heeft afgesloten betreffende de inkomstenjaren 2011 en 2012 in de personenbelasting. Op 9 december 2014 wordt een dwangbevel opgesteld door de ontvanger te Brugge. In het dwangbevel is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 24.141,96 EUR, als proportionele boete 48.280,00 EUR en intresten Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur gewestelijk directeur op 19 december 2014. Het dwangbevel werd aan eiser overgemaakt op 22 december 2014.
Op 26 november 2018 heeft eiser een verzoekschrift tot kwijtschelding van de belastingverhoging en boeten op basis van het Regentbesluit van 18 maart 1831 ingediend bij de Minister van Financiën.
Op 11 januari 2019 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd.
2. Eiser vraagt dat:
de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; het dwangbevel d.d. 19 december 2014 wordt vernietigd;
verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van r _t vernietigde dwangbevel werden geïnd; te vermeerderen met de moratoriumintresten; ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden of gematigd;
verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van .e geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.600 EUR en het rolrecht t.b.v. 20 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eL _r veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu e rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vastst lt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Meeromzet
De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2011, aanslagjaar 2012, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 75.719,94 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet-in rekening gebrachte aankopen en kosten
t.b.v. 20.000 EUR en 38.412,47 EUR. De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2012, aanslagjaar 2013, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 63.383,72 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet in rekening gebrachte kosten t.b.v. 56.922,54 EUR.
Deze akkoorden zijn bindend voor eiser, behoudens het bewijs van een dwaling in feite of in rechte, van een gebrek in de toestemming of van dwang. Een akkoord mag ook niet afgesloten worden in strijd met de wet. Eiser bewijst geen dwaling in feite of in rechte, evenmin een gebrek in de toestemming of dwang bij het afsluiten van het akkoord.
Een mogelijk bewijsmiddel inzake BTW zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW).
Voor vermoedens, stelt artikel 1349 B.W.: "Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit". Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.
Bekende feiten zijn de afgesloten akkoorden en de meeromzet opgenomen in de personenbelasting voor de jaren 2011 en 2012.
Uit het proces-verbaal blijkt verder dat eiser gedurende de jaren 2011 en 2012 geen andere inkomsten had dan de inkomsten voortkomende van de exploitatie van de garage en de handel in voertuigen. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat op de meeromzet BTW verschuldigd is.
Eiser bewijst niet het tegendeel. Hij stelt wel dat gemiddeld 60 % van zijn omzet voortvloeit uit de verkoop van voertuigen ondertoepassing van de margeregeling, maar hij bewijst niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is.
Eiser stelt dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met de BTW op aankopen en kosten die in rekening werden gebracht in het kader van de akkoorden inzake personenbelasting. Het recht op aftrek van BTW is onderworpen aan voorwaarden en het is niet duidelijk dat eiser wat betreft deze aankopen en kosten voldoet aan de voorwaarden voor aftrek van BTW. Het is ook niet duidelijk of eiser deze aftrek niet reeds heeft uitgeoefend. Eiser bewijst hieromtrent niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is. Het neutraliteitsbeginsel werd dan ook niet geschonden.
Het feit of de controlerende ambtenaar al dan niet de boekhouding heeft nagekeken en een vergelijking heeft gemaakt tussen de aankopen en de verkopen, is niet relevant. De meeromzet is ingevolge de afgesloten akkoorden een vaststaand feit.
Conform artikel 64 §1 W.BTW wordt hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
Verweerder heeft dan ook terecht de BTW berekend op de vaststaande meeromzet.
2. Boete
Een proportionele boete op het nog verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op een betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met van de rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999, rolnr. 1279 arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waarvan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Conform artikel 70 §1 W.BTW Wordt voor iedere overtreding van de verplichting om belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde betasting.
Conform tabel G van het KB nr. 4ivan 30 januari 1987 wordt de proportionele boete verlaagd tot 20 % ingeval van onjuistheden vastgesteld bij het nazicht van de boekhouding m.b.t de inhoud ervan of ingeval handelingen niet, slechts gedeeltelijk of laattijdig zijn opgenomen in de daartoe bestemde aangifte en het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van 1 jaar meer is dan 1.250 EUR.
In het geval de inbreuken begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken, wordt de wettelijke boete niet verminderd (artikel 1, laatste alinea KB nr. 41).
Eiser heeft omzet niet aangegeven Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord. In de akkoorden afgesloten in het kader van de personenbelasting heeft eiser toegegeven dat de inbreuk werd gepleegd met het opzet om belastingen te ontduiken. Zoals reeds gesteld zijn deze akkoorden binden De opgelegde geldboete kan dan ook niet verlaagd worden.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Gezien verweerder niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op NEGEN MAART TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden:
Ondertekeningen
Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro d'entreprise) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.