Meer-omzet, akkoord met personenbelasting, feitelijke vermoeden, opeenstapeling van vermoedens · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 9 maart 2020

Zoeken

Meer-omzet, akkoord met personenbelasting, feitelijke vermoeden, opeenstapeling van vermoedens

https://juriel.be/nl/rechtspraak/meer-omzet-akkoord-personenbelasting-feitelijke-rechtbank-brugge-2020-03-09-e32b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
9 maart 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

88 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 09.03.2020

WF 708-15-19/001892

[Gunstig voor de Belgische Staat]

belasting over de toegevoegde waarde – meer-omzet - akkoord met personenbelasting – feitelijke vermoeden – opeenstapeling van vermoedens – fraude

Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 59, art. 64, § 1 en art. 70, § 1

K.B. nr. 41: art. 1, laatste alinea

BW: art. 1349

Samenvatting

1) De feiten

Eiser is btw-belastingplichtige voor de activiteit van uitbating van een garage en kleinhandel in auto's. Op 22 oktober 2014 werd een controle uitgevoerd over de toepassing van de btw-wetgeving voor de periode van1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.

Volgens de administratie heeft eiser een meer-omzet gerealiseerd in de jaren 2011 en 2012. Deze meer-omzet blijkt uit een akkoord dat eiser heeft afgesloten betreffende de inkomstenjaren 2011 en 2012 in de personenbelasting. Op 9 december 2014 wordt een dwangbevel opgesteld door de ontvanger te Brugge. In het dwangbevel is btw en een proportionele boete opgenomen.

Op 11 januari 2019 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2) Vonnis in eerste aanleg

• Inzake de meer-omzet

De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2011, aanslagjaar 2012, in de personenbelasting een akkoord getekend, waarbij de omzet ingevolge o.a. een indiciaire berekening, wordt verhoogd.

Deze akkoorden zijn bindend voor eiser, behoudens het bewijs van een dwaling in feite of in rechte, van een gebrek in de toestemming of van dwang. Een akkoord mag ook niet afgesloten worden in strijd met de wet. Eiser bewijst geen dwaling in feite of in rechte, evenmin een gebrek in de toestemming of dwang bij het afsluiten van het akkoord.

Een mogelijk bewijsmiddel inzake btw zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW). Voor vermoedens, stelt artikel 1349 B.W.: "Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit". Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Bekende feiten zijn de afgesloten akkoorden en de meer-omzet opgenomen in de personenbelasting voor de jaren 2011 en 2012.

Uit het proces-verbaal blijkt verder dat eiser gedurende de jaren 2011 en 2012 geen andere inkomsten had dan de inkomsten voortkomende van de exploitatie van de garage en de handel in voertuigen. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat op de meer-omzet btw verschuldigd is.

Eiser bewijst niet het tegendeel. Bovendien blijkt uit het dossier dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is.

Het feit of de controlerende ambtenaar al dan niet de boekhouding heeft nagekeken en een vergelijking heeft gemaakt tussen de aankopen en de verkopen, is niet relevant. De meer-omzet is ingevolge de afgesloten akkoorden een vaststaand feit. Conform artikel 64 § 1 WBTW wordt hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Verweerder heeft dan ook terecht de btw berekend op de vaststaande meer-omzet.

• Inzake de boete

Wat de boete betreft oordeelt de rechtbank dat, wanneer de inbreuken begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken, de wettelijke boete niet verminderd (artikel 1, laatste alinea KB nr. 41) kan worden.

Eiser heeft omzet niet aangegeven. Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord. In de

akkoorden afgesloten in het kader van de personenbelasting heeft eiser toegegeven dat de inbreuk werd gepleegd met het opzet om belastingen te ontduiken. De boete kan dan ook niet verlaagd worden.

De rechter verklaart de eis ongegrond.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer van 9 maart 2020

Rol: 19/96/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 19/96/A

P.V. (KBO 0672....) eenmanszaak, wonende te ..., eisende partij, voor wie is opgetreden meester ...

tegen:

de BELGISCHE STAAT in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur-generaal van het KMO centrum Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie is opgetreden mevrouw ..., attaché, KMO Centrum Brugge.

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 11 januari 2019.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 februari 2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE••••.•••.••• voor de activiteit van uitbating van een garage en kleinhandel auto's. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 22 oktober 2014 werd door ..., fiscaal deskundige bij de algemene administratie van de fiscaliteit, verbonden aan het centrum te Brugge, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.

Er werd een correctieopgave opgesteld en deze werd met een kennisgeving van beslissing tot regularisatie overgemaakt aan eiser. Eiser ging akkoord met de rubrieken 1 tot 3 van de opgave.

Bij gebrek aan akkoord omtrent rubriek 4 van de correctieopgave werden op 18 december 2014 . De bevindingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiser een meeromzet gerealiseerd in de jaren 2011 en 2012. Deze meeromzet blijkt uit akkoord in die eiser heeft afgesloten betreffende de inkomstenjaren 2011 en 2012 in de personenbelasting. Op 9 december 2014 wordt een dwangbevel opgesteld door de ontvanger te Brugge. In het dwangbevel is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 24.141,96 EUR, als proportionele boete 48.280,00 EUR en intresten Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur gewestelijk directeur op 19 december 2014. Het dwangbevel werd aan eiser overgemaakt op 22 december 2014.

Op 26 november 2018 heeft eiser een verzoekschrift tot kwijtschelding van de belastingverhoging en boeten op basis van het Regentbesluit van 18 maart 1831 ingediend bij de Minister van Financiën.

Op 11 januari 2019 heeft eiser een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2. Eiser vraagt dat:

de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; het dwangbevel d.d. 19 december 2014 wordt vernietigd;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van r _t vernietigde dwangbevel werden geïnd; te vermeerderen met de moratoriumintresten; ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden of gematigd;

verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van .e geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.600 EUR en het rolrecht t.b.v. 20 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eL _r veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu e rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vastst lt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Meeromzet

De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2011, aanslagjaar 2012, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 75.719,94 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet-in rekening gebrachte aankopen en kosten

t.b.v. 20.000 EUR en 38.412,47 EUR. De gevolmachtigde van eiser heeft voor inkomstenjaar 2012, aanslagjaar 2013, in de personenbelasting een akkoord getekend waarbij de omzet ingevolge een indiciaire berekening wordt verhoogd met 63.383,72 EUR. Daarnaast werd rekening gehouden met niet in rekening gebrachte kosten t.b.v. 56.922,54 EUR.

Deze akkoorden zijn bindend voor eiser, behoudens het bewijs van een dwaling in feite of in rechte, van een gebrek in de toestemming of van dwang. Een akkoord mag ook niet afgesloten worden in strijd met de wet. Eiser bewijst geen dwaling in feite of in rechte, evenmin een gebrek in de toestemming of dwang bij het afsluiten van het akkoord.

Een mogelijk bewijsmiddel inzake BTW zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW).

Voor vermoedens, stelt artikel 1349 B.W.: "Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit". Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Bekende feiten zijn de afgesloten akkoorden en de meeromzet opgenomen in de personenbelasting voor de jaren 2011 en 2012.

Uit het proces-verbaal blijkt verder dat eiser gedurende de jaren 2011 en 2012 geen andere inkomsten had dan de inkomsten voortkomende van de exploitatie van de garage en de handel in voertuigen. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat op de meeromzet BTW verschuldigd is.

Eiser bewijst niet het tegendeel. Hij stelt wel dat gemiddeld 60 % van zijn omzet voortvloeit uit de verkoop van voertuigen ondertoepassing van de margeregeling, maar hij bewijst niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is.

Eiser stelt dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met de BTW op aankopen en kosten die in rekening werden gebracht in het kader van de akkoorden inzake personenbelasting. Het recht op aftrek van BTW is onderworpen aan voorwaarden en het is niet duidelijk dat eiser wat betreft deze aankopen en kosten voldoet aan de voorwaarden voor aftrek van BTW. Het is ook niet duidelijk of eiser deze aftrek niet reeds heeft uitgeoefend. Eiser bewijst hieromtrent niets. Uit de gegevens van het dossier blijkt trouwens dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is. Het neutraliteitsbeginsel werd dan ook niet geschonden.

Het feit of de controlerende ambtenaar al dan niet de boekhouding heeft nagekeken en een vergelijking heeft gemaakt tussen de aankopen en de verkopen, is niet relevant. De meeromzet is ingevolge de afgesloten akkoorden een vaststaand feit.

Conform artikel 64 §1 W.BTW wordt hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Verweerder heeft dan ook terecht de BTW berekend op de vaststaande meeromzet.

2. Boete

Een proportionele boete op het nog verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op een betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met van de rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999, rolnr. 1279 arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waarvan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Conform artikel 70 §1 W.BTW Wordt voor iedere overtreding van de verplichting om belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde betasting.

Conform tabel G van het KB nr. 4ivan 30 januari 1987 wordt de proportionele boete verlaagd tot 20 % ingeval van onjuistheden vastgesteld bij het nazicht van de boekhouding m.b.t de inhoud ervan of ingeval handelingen niet, slechts gedeeltelijk of laattijdig zijn opgenomen in de daartoe bestemde aangifte en het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van 1 jaar meer is dan 1.250 EUR.

In het geval de inbreuken begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken, wordt de wettelijke boete niet verminderd (artikel 1, laatste alinea KB nr. 41).

Eiser heeft omzet niet aangegeven Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord. In de akkoorden afgesloten in het kader van de personenbelasting heeft eiser toegegeven dat de inbreuk werd gepleegd met het opzet om belastingen te ontduiken. Zoals reeds gesteld zijn deze akkoorden binden De opgelegde geldboete kan dan ook niet verlaagd worden.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Gezien verweerder niet werd bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op NEGEN MAART TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden:

Ondertekeningen

De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (ondernemingsnummer) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 41 art. 12 voorkomens
WBTW art. 641 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8