Intracommunautaire levering, Bewijs · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 15 juni 2021

Zoeken

Intracommunautaire levering, Bewijs

https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2021-06-15-3a74

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
15 juni 2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

108 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 15.06.2021

WF 802-15-17/066160

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Intracommunautaire levering - Bewijs

Wettelijke bepalingen

Art. 39bis WBTW;

Art. 1, 2 en 3 - KB nr. 52 van 11 december 2019 met betrekking tot de bewijsregeling inzake de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen en met betrekking tot de vrijstelling van intracommunautaire verwervingen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Naar aanleiding van het opgeven van ongeldige btw-nummers in haar intracommunautaire opgaves nam de belastingplichtige een bedrag op in haar aangifte ter regularisatie van btw die op deze leveringen betrekking had. Enige tijd later nam tegenpartij contact op met de administratie aangezien zij van mening was dat zij toch aanspraak kon maken voor deze leveringen op de vrijstelling van artikel 39bis WBTW. Zij zou namelijk over bewijzen beschikken dat de intracommunautaire leveringen effectief hebben plaatsgevonden.

De administratie bleef echter bij haar standpunt dat bij gebrek aan geldige btw-nummers de regularisatie destijds weldegelijk terecht was. Hiertegen diende de belastingplichtige een administratief bezwaar in. Dit bezwaar werd grotendeels afgewezen behalve voor de leveringen aan een Italiaanse afnemer waarvoor werd aangetoond dat deze destijds over de hoedanigheid beschikte als btw-belastingplichtige die gehouden was tot het indienen van aangiftes en ook als zodanig handelde.

Tegen deze beslissing legde tegenpartij een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De eerste rechter verklaarde deze vordering ontvankelijk maar ongegrond.

2) Het arrest van het hof van beroep

* Intracommunautaire levering

De belastingplichtige brengt in hoger beroep verscheidene stukken bij, zoals: de facturen, vervoerdocumenten, factureren van een transporteur, bewijzen van betaling, enkele printscreens uit het ERP-systeem van de belastingplichtige, enkele bestelbonnen van Franse afnemers, partnership agreements met Italiaanse afnemers.

Het hof stelt onder meer vast dat de voorgelegde bestelbonnen van Franse klanten niet aan tegenpartij zijn gericht en niet kunnen worden gelinkt aan door tegenpartij uitgereikte facturen. De bijgebrachte partnership agreements dateren dan weer van een latere periode dan de periode waarin het vervoer plaats vond. Ook de betalingsbewijzen kunnen niet allemaal gelinkt worden aan de uitgereikte facturen, noch wat betreft de bedragen noch wat betreft de identiteit van de betaler. Het merendeel van de voorgelegde ERP-printscreens zijn onleesbaar en houden voor het overige geen bewijs in van het vervoer en de vereiste hoedanigheid.

Verder is het hof eveneens van mening dat de aard van de gefactureerde goederen geenszins bewijzen dat de afnemer de vereiste hoedanigheid als btw-belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelde had.

Ondanks de door tegenpartij voorgelegde stukken ontbreken voor een groot aantal van de betwiste leveringen nog steeds de vervoersbewijzen.

Het hof stelt dan ook vast dat de voorgelegde stukken niet het nodige bewijs leveren van het vervoer en de hoedanigheid van de afnemer voor elke levering apart. Het hof verklaart de volledige vordering van de belastingplichtige dan ook ontvankelijk maar ongegrond.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken van 15.06.2021

Eindarrest, fiscaal

Rol: 2020/AR/322

F.V.M. BV, ON 0430...., met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ..., tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 20 november 2019, gekend onder rolnummer 18/5990/A

tegen

BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET CENTRUM GO ANTWERPEN, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei04, Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 november 2019, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 19 februari 2020, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. In de B.T.W.-aangifte over juli 2015 werd een bedrag van 65.372,92 EUR als verschuldigde B.T.W. opgenomen ter regularisatie van B.T.W. over leveringen van mei 2012 tot oktober 2012 die onterecht in toepassing van artikel 39bis W.B.T.W. van B.T.W. zouden zijn vrijgesteld. In het bijzonder zou ten aanzien van de 57 geregulariseerde leveringen zijn gebleken dat opgave werd gedaan van ongeldige B.T.W.-nummers van de afnemers.

Bij brief van 17 februari 2017 stelde eiseres in hoger beroep dat deze regularisatie onterecht was en via bewijzen van levering verkregen van de transporteur kon worden aangetoond dat de intracommunautaire leveringen effectief hebben plaatsgevonden.

Bij brief van 23 maart 2017 stelde de administratie dat de destijds opgelegde regularisatie weldegelijk terecht was. Door het voorleggen van de bewijzen van levering werd enkel aangetoond dat de goederen effectief vervoerd werden naar een bestemmeling buiten België maar dat de vrijstelling wegens intracommunautaire levering niet kan worden ingeroepen indien er geen geldig B.T.W.-nummer kan worden voorgelegd. Zonder geldig B.T.W.-nummer worden de verkopen aanzien als een verkoop aan een particulier en dient dus telkens Belgische B.T.W. te worden voldaan, gezien zonder geldig B.T.W.-nummer geen garantie kan worden gegeven dat deze klant de B.T.W. zal of kan voldoen in de lidstaat waar deze gevestigd is.

Op 8 december 2017 werd bezwaar ingediend tegen de B.T.W.-regularisatie dat bij beslissing d.d. 6 september 2018 werd afgewezen behoudens wat betreft een bedrag van 3.862,17 EUR waarvoor de administratie het bewijs had ontvangen dat de Italiaanse afnemer destijds de hoedanigheid had van B.T.W.-belastingplichtige gehouden tot het indienen van aangiften en ook als zodanig handelde.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 13 december 2018 vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het administratief verzoekschrift d.d. 8 december 2017 ontvankelijk en gegrond te verklaren, de administratieve beslissing van 6 september 2018, geheel te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren, te horen zeggen voor recht dat eiseres in hoger beroep de middels de administratieve beslissing gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder in hoger beroep te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden, betaalde en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen terug te betalen, meer moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot op O EUR rechtsplegingsvergoeding. De eerste rechter stelde dat de bijdrage Fonds wet 19/03/2017, gestort door eiseres in hoger beroep, definitief was verworven voor het Fonds.

De eerste rechter oordeelde dat eiseres in hoger beroep de bewijslast draagt om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor de vrijstelling. De eerste rechter stelde vast dat over de voorwaarde dat eiseres in hoger beroep de hoedanigheid heeft van B.T.W.­ plichtige geen discussie bestaat. Over de voorwaarde dat de goederen voor rekening van de verkoper of koper vervoerd zijn vanuit België naar een andere lidstaat, bestaat minstens gedeeltelijk wel discussie.

De belangrijkste betwisting betreft de hoedanigheid van de koper. De eerste rechter oordeelde dat de administratie terecht aanvoert dat de belastingplichtige bij gebrek aan een geldig B.T.W.-nummer op een andere wijze de hoedanigheid van de afnemer dient aan te tonen. Minstens dient zij aan te tonen dat zij al het nodige heeft gedaan wat redelijkerwijze kan worden verwacht om ervoor te zorgen dat de vrijstelling voor intracommunautaire levering terecht werd toegepast. De eerste rechter stelde vast dat eiseres in hoger beroep geen stukken bijbrengt waaruit nazicht van de VIES-databank van de door de klanten gecommuniceerde B.T.W.-nummers blijkt.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 19 februari 2020, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, minstens te hervormen, dienvolgens het administratief verzoekschrift d.d. 8 december 2017 ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de administratieve beslissing van 6 september 2018, geheel te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren dienvolgens eiseres in hoger beroep te ontslaan van de ten onrechte gevorderde bedragen en in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel door eiseres in hoger beroep reeds betaalde en/of de door geïntimeerde ingehouden bedragen, meer moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W. en verweerder in hoger beroep te verwijzen -in de kosten van het geding, met inbegrip van de bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden aanslag(en) (sic) te bevestigen, eiseres in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, in ondergeschikte orde, de Belgische Staat niet te veroordelen tot het betalen van enige (moratoire) intrest mocht het verzoekschrift (al dan niet deels} ontvankelijk worden verklaard.

3. Bespreking.

In rooster 61 van de B.T.W.-aangifte over juli 2015 werd een bedrag van 65.372,92 EUR opgenomen ter regularisatie wegens onterechte vrijstelling wegens intracommunautaire leveringen voor verschillende leveringen van mei 2012 tot oktober 2012 omdat geen geldig B.T.W.-nummer kon worden voorgelegd van de afnemers. Na bezwaar werd na eigen onderzoek door de administratie voor 7 van deze leveringen de vrijstelling aanvaard wegens intracommunautaire levering aan de Italiaanse afnemer G. Studio Di Giovanni Greco omdat de administratie voor deze leveringen het bewijs had ontvangen dat de afnemer destijds de hoedanigheid had van B.T.W.-plichtige gehouden tot het indienen van aangiften en ook als zodanig handelde. Eiseres in hoger beroep stelt dat ook voor de overige leveringen de vrijstelling wegens intracommunautaire leveringen in toepassing van artikel 39bis W.B.T.W. dient te worden aanvaard, nu het vereiste bewijs daartoe zou zijn geleverd.

De vrijstelling wegens intracommunautaire levering is afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de gemeenschap en dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de B.T.W. geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikelen 1 en 2 K.B. nr. 52). Voor de vrijstelling is vereist dat de verkoper van de goederen, in casu eiseres in hoger beroep, te allen tijde in het bezit is van alle stukken waaruit de echtheid van de intracommunautaire leveringen blijkt (artikel 3 K.B. nr. 52).

Artikel 39bis W.B.T.W. onderwerpt het voordeel van de vrijstelling van de belasting dus aan volgende voorwaarden:

- de goederen moeten verzonden worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;

- de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet- belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.

Gelet op de term 'verzonden' dient gesteld te worden dat de intracommunautaire verwerving van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (vgl. H.v.J. 27 september 2007, nr. C-409/04, Teleos e.a.).

Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België geleverd worden door de leverancier van de goederen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling, enz. Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, B.S., 20 februari 1993, p. 3952). Dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is, volgt uit de artikelen 1 en 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992.

Het bewijs dat de afnemer van de goederen over de vereiste hoedanigheid beschikt, kan met alle middelen van recht worden geleverd. De opgave van een geldig B.T.W.-nummer op het moment van de levering vormt daarbij het bewijsmiddel bij uitstek. De opgave van een geldig B.T.W.-nummer betrof ten tijde van de kwestieuze leveringen echter slechts een formele voorwaarde, zodat de vrijstelling wegens intracommunautaire levering niet kan worden geweigerd enkel omdat een ongeldig B.T.W.-nummer voorligt, indien blijkt dat aan de materiële voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan (vgl. H.v.J. 6 september 2012, nr. C- 273/11, Mecsek-Gabona Kft.). Indien een ongeldig B.T.W.-nummer voorligt, dient de verkoper op andere wijze aan te tonen dat de afnemer over de vereiste hoedanigheid beschikt en aldus een belastingplichtige is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt.

Het hof is van oordeel dat de voorliggende stukken een onvoldoende bewijs vormen van de beweerde intracommunautaire leveringen. Het betreffen geenszins overeenstemmende handelsstukken waaruit de echtheid van de intracommunautaire leveringen blijkt. In weerwil van de vaststelling dat geen geldige B.T.W.-nummers blijken voor te liggen, is niet aangetoond dat voor alle betwiste leveringen aan de materiële vereisten voor de vrijstelling is voldaan wat betreft vervoer en hoedanigheid van de afnemer.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep diverse stukken bijbrengt. Het betreffen naast de facturen, vervoerdocumenten, facturatie van transporteur UPS, bewijzen van betaling, enkele printscreens uit het ERP-systeem van eiseres in hoger beroep, enkele bestelbons van Franse afnemers, partnership agreements met Italiaanse afnemers en twee brieven betreffende het faillissement van een afnemer in Duitsland. De voorgelegde stukken bewijzen echter niet dat ten aanzien van elke levering, afzonderlijk beschouwd, én het vervoer én de hoedanigheid van de afnemer is aangetoond.

Zo dient te worden vastgesteld dat de voorgelegde bestelbons van Franse klanten niet aan eiseres in hoger beroep zijn gericht en niet kunnen worden gelinkt aan welbepaalde door eiseres in hoger beroep uitgereikte facturen. De partnership agreements dateren dan weer van 1 november 2016 en leveren aldus geen bewijs van enige vereiste hoedanigheid of vervoer in 2012. De betalingsbewijzen zijn dan weer niet allemaal te linken aan de uitgereikte facturen, qua bedrag, qua hoedanigheid en/of identiteit van de betaler, zodat deze de hoedanigheid van de eigenlijke afnemer niet aantonen. De ERP-printscreens zijn afkomstig uit het eigen softwaresysteem dat eiseres in hoger beroep in 2012 gebruikte. In zoverre ze reeds leesbaar zijn -wat voor de meeste niet opgaat-, houden ze geen bewijs in van het vervoer en de vereiste hoedanigheid.

Ten aanzien van de hoedanigheid van de afnemers, stelt eiseres in hoger beroep dat zij van iedere afnemer een B.T.W.-nummer verkreeg dat zij steeds controleerde in de VIES­ databank, zonder zulks echter op objectieve en controleerbare wijze aan te tonen. Althans kan bezwaarlijk enkel aan de hand van de gefactureerde goederen worden vastgesteld dat de gefactureerde leveringen enkel kunnen kaderen binnen de B.T.W.-plichtige economische activiteit van de afnemer. De aard van de gefactureerde goederen bewijst geenszins de vereiste hoedanigheid van de afnemer als B.T.W.-plichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelde. Er kan enkel aan de hand van de aard van de gefactureerde goederen geenszins worden uitgesloten dat deze door niet­ belastingplichtigen zijn afgenomen die niet gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan te geven.

Uit de voorgelegde brieven die betrekking hebben op het faillissement van de Duitse afnemer Video Media Systems GmbH en die dateren van 2014 blijkt evenmin de vereiste hoedanigheid van belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optrad in 2012. Voor het gros van de leveringen aan deze Duitse afnemer werden bovendien geen vervoersbewijzen voorgelegd, wat evenzeer geldt voor verschillende leveringen aan Italiaanse en Spaanse afnemers. Eiseres in hoger beroep voert ter zake inhoudelijk geen verweer. Dat eiseres in hoger beroep belangrijke vervoerskosten betaalde aan transporteur UPS bewijst op zich niet het vervoer van de welbepaalde nog betwiste leveringen, in het bijzonder nu deze leveringen nog geen 1% vertegenwoordigen van het totaal van de intracommunautaire leveringen door eiseres in hoger beroep in 2012.

Hoe dan ook kan eiseres in hoger beroep niet beogen dat de echtheid van het vervoer zou zijn aanvaard door de administratie in de brief van 23 maart 2017 en dienvolgens zou zijn bewezen voor alle betwiste leveringen. Het tegendeel blijkt daarentegen uit de voorgelegde stukken waar het hof met de administratie moet vaststellen dat voor een groot aantal van de betwiste leveringen vervoersbewijzen ontbreken.

Bij gebrek aan afdoende bewijs dat ten aanzien van de betwiste leveringen voldaan is aan de materiële voorwaarden voor vrijstelling wegens intracommunautaire leveringen in de zin van artikel 39bis W.B.T.W., wordt de vordering van eiseres in hoger beroep afgewezen.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter verdient bevestiging.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op 3.600 EUR in hoger beroep. Het hof begroot de rechtsplegingsvergoeding op 0 EUR nu verweerder in hoger beroep niet vertegenwoordigd werd door een raadsman en legt deze ten laste van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg"

Beschikkend gedeelte

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en vereffend op O EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 15 juni 2021 door ...

Ondertekeningen

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Tekst van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank Kamer AFi4

Vonnis van 20 november 2019

Rol: 18/5990/A

Inzake:

F.V.M. BVBA met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 0430....48 eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Administratie Grote Ondernemingen, Controlecentrum Antwerpen , te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4, KBO: 0308.357.159 verwerende partij Vertegenwoordigd door mevr. DE RYCK FANNY, rijksambtenaar,

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 oktober 2019 .

Vordering van eisende partij-ontvankelijkheid

De vordering van eisende partij strekt ertoe het door haar ingediende administratief verzoekschrift van 8 december 2017 ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en de administratieve beslissing van 6 september 2018 over dit verzoekschrift, geheel te horen vernietigen dan wel van onwaarde. te horen verklaren, en te horen zeggen voor recht dat eisende partij de middels voormelde administratieve beslissing gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden, betaalde en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan eisende partij terug te betalen, meer moratoriumintresten.

Eisende partij vordert eveneens om verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij begroot op de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en een rechtsplegingsvergoeding van 3.600,00 euro.

Verwerende partij vordert om het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde vordert de Belgische staat om minstens niet te worden veroordeeld tot het betalen van enige intrest.

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

Voorgaanden

Eiseres heeft in haar Btw-aangifte voor juli 2015 een bedrag vermeld van 65.372,92 euro als regularisatie van onterecht vrijgestelde leveringen bij toepassing van artikel 39bis van het btw-wetboek, dus van intracommunautaire leveringen.

Namens eisende partij werd evenwel op 17 februari 2017 een aangetekende brief gezonden aan de belastingadministratie waarbij vermeld werd dat de btw-regularisatie van een 65.372,92 euro verricht via het rooster 61 in de aangifte van juli 2015, onterecht was. Daarbij werd verwezen naar bewijzen van leveringen, waaruit zou blijken dat deze effectief hebben plaatsgevonden. Op 17 maart 2017 werd namens de Belgische staat geantwoord dat de regularisatie uitgevoerd in rooster 16 wel degelijk terecht was, omdat niet werd aangetoond dat de levering gebeurd was voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Op 8 december 2017 werd namens eiseres een nieuw bezwaarschrift verzonden waarbij facturen en gegevens van transport werden bijgevoegd. De belastingadministratie heeft bijkomende informatie gevraagd op 4 januari 2018 en op 22 februari 2018, waarop werd geantwoord namens eisende partij op 9 maart 2018.

De belastingadministratie heeft eveneens zelf verder onderzoek verricht, waaruit zij meent te kunnen vaststellen dat voor de meeste klanten niet kon worden aangetoond door eisende partij dat het belastingplichtige betrof of niet belastingplichtigen rechtspersonen die als zodanig optraden in een andere lidstaat en die daartoe gehouden waren hun intracommunautaire verwerkingen van goederen aan de btw te onderwerpen, en dat de goederen intracommunautair werden verworven. De door eisende partij voorgelegde facturen zouden ook slechts in één geval teruggevonden zijn in de boekhouding van de afnemer.

Op 6 september 2018 werd dan ook een, grotendeels afwijzende, administratieve beslissing genomen.

Ten gronde

De aan de rechtbank voorgelegde betwisting heeft betrekking op de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor het toepassen van een vrijstelling voor intracommunautaire leveringen zoals vermeld in artikel 39 bis,1° btw-wetboek.

De rechtbank oordeelt in de eerste plaats dat eisende partij de bewijslast draagt om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor deze vrijstelling, overeenkomstig artikel 64 btw-wetboek. Dit wordt nog bevestigd door de vaststelling dat eisende partij zelf in een door haar ingediende btw-aangifte voor juli 2015 een bedrag heeft vermeld van 65.372,92 euro aan verschuldigde btw als regularisatie van onterecht vrijgestelde leveringen bij toepassing van artikel 39bis van het btw-wetboek.

De rechtbank stelt vast dat over de voorwaarde dat eiseres de hoedanigheid heeft van btw­ plichtige, geen discussie bestaat. Over de voorwaarde dat de goederen voor rekening van de verkoper of de koper vervoerd zijn vanuit België naar een andere lidstaat, bestaat minstens gedeeltelijk wel discussie.

De belangrijkste betwisting tussen partijen heeft betrekking op de hoedanigheid van de koper, namelijk dat het een als zodanig handelende belastingplichtige betreft dan wel een niet belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat en die er daar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen.

Voor wat betreft deze voorwaarden met betrekking tot de hoedanigheid van de afnemer, verwijst eisende partij uitgebreid naar rechtspraak van het Hof van Justitie en nationale rechtspraak, waaruit wordt afgeleid dat "toepassing van de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen niet geweigerd kan worden op basis van het louter ontbreken van een geldig buitenlands btw-nummer van de afnemer".

De rechtbank stelt vast dat de belastingadministratie geenszins betwist dat de toepassing van de betreffende vrijstelling niet kan worden geweigerd louter omwille van het niet kunnen voorleggen van een geldig btw-identificatienummer.

De rechtbank oordeelt evenwel dat de belastingadministratie terecht aanvoert dat eisende partij de bewijslast heeft, en bij gebrek aan een geldig btw-identificatienummer op een andere wijze de hoedanigheid van de afnemer dient aan te tonen. Minstens dient eisende partij aan te tonen dat zij al het nodige heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar kan worden verwacht om ervoor te zorgen dat de vrijstelling voor intracommunautaire levering terecht werd toegepast.

Voor de invulling van deze op haar rustende bewijslast, verwijst eiseres evenwel in de eerste plaats naar de controle van de geldigheid van het door de klant gecommuniceerde btw­ nummer dat zou gecontroleerd zijn in de VIES-databank. De rechtbank dient evenwel vast te stellen dat eisende partij geen stukken bijbrengt waaruit dit nazicht op afdoende wijze blijkt. De afdrukken uit het voormalige door eisende partij gebruikte informaticasysteem tonen niet aan dat effectief zoals eisende partij aanvoert, de geldigheid van het door de klant meegedeelde btw-nummer steeds zou gecontroleerd zijn in de VIES-databank.

Voor wat betreft de door eisende partij vooropgestelde "werkwijze" die zou gevolgd zijn bij intracommunautaire leveringen, stelt de rechtbank vast dat nog wordt verwezen naar enkele bestelbonnen voor Franse klanten die melding maken van een Frans btw-nummer en naar een overeenkomst ondertekend met Italiaanse klanten. Deze stukken tonen louter aan dat een aantal klanten het btw-nummer hebben meegedeeld dat werd vermeld op de facturen voor intracommunautaire levering, evenwel zonder dat blijkt dat ter zake enig initiatief werd genomen om de hoedanigheid van de klant na te gaan en te onderbouwen.

Eisende partij voert nog aan dat door het faillissement van één van de afnemers, Video Media Systems GmbH, een betaling is gebeurd door de kredietverzekeraar. Hieruit leidt eisende partij af dat de hoedanigheid van de afnemer als belastingplichtige die als zodanig heeft gehandeld, op afdoende wijze zou aangetoond zijn. De rechtbank oordeelt evenwel dat de loutere betaling door de kredietverzekeraar dit niet op afdoende wijze aantoont. Bovendien voert de belastingadministratie aan, zonder dat eisende partij hierop inhoudelijk repliceert, dat voor wat betreft deze klant in ongeveer driekwart van de gevallen geen enkele vorm van vervoersdocument werd voorgelegd, voor een bepaalde levering een vervoersdocument werd voorgelegd waarvoor de facturen ongeveer een maand later werd gecrediteerd, en bovendien op verschillende tijdstippen niet het overeenstemmende bedrag wordt betaald, waarbij betaalbewijzen werden bijgebracht voor 154.530,52 euro en voor een bedrag van 199.238,36 euro werd gefactureerd. De rechtbank stelt dan ook vast dat zelfs indien voor de betreffende afnemer de hoedanigheid wordt bewezen, allerminst wordt bewezen dat de intracommunautaire leveringen die aan deze klant gefactureerd zijn, ook effectief geleverd (en vervoerd) zijn aan deze specifieke klant.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat voor de overige klanten louter wordt verwezen naar voormelde beweerdelijke controle van een btw-nummer in de VIES-databank.

De rechtbank stelt bovendien vast dat de belastingadministratie, zonder op dit punt door eisende partij te worden tegengesproken, aanhaalt dat voor de meeste leveringen geen betaalbewijs werd voorgelegd, dan wel een betaalbewijs waarop de betaler en diens rekeningnummer niet wordt vermeid, het bedrag niet overeenstemt met de factuur waarop ze betrekking zou moeten hebben dan wel het factuurnummer van de factuur die wordt betaald, niet wordt vermeld. Bovendien wordt in de gevallen waarvoor een aannemelijk betaalbewijs werd voorgelegd, volgens de belastingadministratie, opnieuw zonder op dit punt specifiek te worden tegengesproken door eisende partij, geen vervoersdocument voorgelegd.

De rechtbank oordeelt bijgevolg dat eisende partij geenszins aantoont dat de intracommunautaire leveringen waarvoor zij een regularisatie heeft verricht in haar btw-aangifte voor juli 2015, toch zouden voldaan hebben aan de voorwaarden voor de vrijstelling in artikel 39bis van het btw-wetboek en in het KB nummer 52. Ook niet indien rekening wordt gehouden met andere elementen dan de loutere afwezigheid van een geldig btw-nummer. Eisende partij laat immers na dergelijke andere alternatieve elementen voor het bewijs van de vrijstelling bij te brengen.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

recht doende op tegenspraak,

verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op nul euro.

Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiseres is definitief verworven voor het Fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op twintig november tweeduizend negentien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit: ...

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

7

Vergelijkbare beslissingen

8