Administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 december 2017

Zoeken

Administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude

https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-samenwerking-bestrijding-fraude-hof-van-beroep-antwerpen-2017-12-19-8ba2

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 december 2017

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

157 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.12.2017

WF - 707-15-15/008491

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude - Vrijgestelde levering onder de voorwaarden van art. 39bis WBTW – Bewijs vrijstelling – Beleggingsgoud – Vrijstelling beleggingsgoud

Wettelijke bepalingen

Art. 39bis WBTW; art.1, § 8 en art. 44bis WBTW;

art. 131 en 138, lid 1, van de btw-richtlijn 2006/112/EG

Verordening nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de Administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude inzake de Btw

Samenvatting

1)De feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige is in gevolge de door haar uitgeoefende economische activiteit van groothandel in uurwerken en sierraden geregistreerd als btw-belastingplichtige. De belastingadministratie had diverse malen om inlichtingen verzocht betreffende de geldigheid van de intracommunautaire levering in 2011 aan een Franse belastingplichtige van een partij goud voor de prijs van 202.241,00 EUR.

Daarop werd een factuur en een attest van de VIES databank voorgelegd. Volgens.de belastingadministratie was er echter niet voldaan aan de bepalingen van 39bis WBTW omdat enerzijds het transport niet werd aangetoond en omdat anderzijds niet werd aangetoond dat de levering gebeurde aan een belastingplichtige die handelde in die hoedanigheid.

Op 07/12/2015 werd door de belastingadministratie aan de Franse administratie een

inlichting gevraagd aangaande de hoedanigheid van de Franse afnemer. Daarop deelde de Franse administratie mee dat de bankrekening werd afgesloten en dat de Franse onderneming op 31/01/2007 werd stopgezet.

De eerste rechter oordeelde betreffende het bewijs van de intracommunautaire levering dat

De belastingplichtige faalde in haar bewijslast.

2)Procedure voor het hof van beroep

De belastingplichtige (eiseres in hoger beroep) toont niet aan dat het hier effectief beleggingsgoud betreft in de zin van art. 1, § 8 WBTW, bijgevolg valt de handeling onder de normale vrijstellingsregeling van art. 39bis WBTW.

Het feit dat eiseres in hoger beroep het bewijs dient te leveren van de intracommunautaire levering om van de vrijstelling te genieten, volgt integraal uit de btw-reglementering die gebaseerd is op Europese regelgeving dienaangaande.

Nu de btw-richtlijn geen concrete bepaling bevat over de bewijzen die de belastingplichtigen moeten leveren om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling, staat het aan de lidstaten om overeenkomstig artikel 131 van deze richtlijn de voorwaarden vast te stellen waaronder zij intracommunautaire leveringen vrijstellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

Het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de btw-vrijstelling wordt verleend, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet hebben voldaan aan bepaalde formele vereisten.

Eiseres in hoger beroep toont op basis van de aan de administratie voorgelegde stukken geenszins aan dat de materiële toepassingsvoorwaarden van de btw-vrijstelling vervuld zijn.

Er dient dan ook besloten te worden dat er geen sprake is van een vrijgestelde IC-levering. De btw wordt terecht nagevorderd.

Standpunt tegenpartij

Het arrest is betekend op 16 maart 2018.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

2016/AR/2331

J.N. BVBA, met maatschappelijke zetel te A., …,BTW-nummer BE …

eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. C. J. loco Mr. A.T., advocaat te A.

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 29 juni 2016, met rolnummer 15/436/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te BRUSSEL,op benaarstlging van de heer adviseur, gewestelijk directeur te Antwerpen van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, en op vervolging van de adviseur, ontvanger van het eerste btw-ontvangkantoor, verbonden .aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, beiden met burelen te Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr.V.L.d.J., advocaat te A.,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 29 juni 2016, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 2 december 2016, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel nr. … uitvaardigd lastens BVBA J.N. op 26/11/2014 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op dezelfde datum.

1.2. Feiten en voorgaanden.

Eiseres in hoger beroep is in gevolge de door haar uitgeoefende economische activiteit van groothandel in uurwerken en sierraden geregistreerd als belastingplichtige onder BTWnummer ….

De belastingadministratie had diverse malen om inlichtingen verzocht betreffende de intracommunautaire levering vermeld in de intracommunautaire opgave van augustus 2011 aan de Franse belastingplichtige met BTW nummer FR… voor een totaal bedrag van 202.241 euro. Meer bepaald werd gevraagd om het bewijs van de geldigheid van het Franse BTW-nummer ten tijde van de intracommunautaire levering te bezorgen. Er werd een kopie overgèmaakt van een attest van de VIES databank, de factuur nr. … dd. 23/08/2011 betreffende de levering van 4,70 kg goud voor de prijs van 202.241 euro aan de bestemmeling N.,·… te B.-B. (Frankrijk). Op deze factuur werd "Vrij van BTW bestemd voor export. Levering intracommunautair BTW 0100" vermeld.

Volgens.de belastingadministratie was er niet voldaan aan de bepalingen van art. 3.9 bis, 1° lid WBTW omdat enerzijds het transport niet werd aangetoond en omdat anderzijds niet werd aangetoond dat de levering gebeurde aan een belastingplichtige die handelde in die hoedanigheid.

Er werd een regularisatieopgave opgemaakt op 22/05/2014 waarin de betreffende levering onder-worpen werd aan de BTW.

Deze correctieopgave werd betwist.

Op 21/11/2014 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de toepassing van de vrijstelling. van art. 39 bis WBTW werd verworpen.

In het dwangbevel werden van eiseres in hoger beroep volgende bedragen gevorderd:

-42.470,61 euro aan BTW

-84.941,22 euro boete (200%)

meer intresten en kosten.

Het dwangbevel werd op 01/12/2014, samen met het proces-verbaal van 21/11/2014, middels gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres in hoger beroep, met bevel tot betaling.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 23/01/2015 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg;

- het bestreden dwangbevel te horen vernietigen;

- voor recht te horen zeggen dat eiseres in hoger beroep niets verschuldigd is aan de Belgische Staat ten titel van BTW en/of boete;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan eiseres in hoger beroep van alle sommen, vermeerderd met de wettelijke interesten die ten gevolge van het vernietigde dwangbevel zouden zijn geïnd;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedlng, begroot op 6.000 euro.

Op 07/12/2015 werd door de belastingadministratie aan de Franse administratie een inlichting (Verordening nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebeid van de belasting over de toegevoegde waarde) gevraagd aangaande de hoedanigheid van de Franse afnemer SARL N.

Op 18/02/2016 deelde de Franse administratie mee dat de bankrekening van de Franse onderneming op 9/05/2008 werd afgesloten en dat deze op 31/01/2007 werd stopgezet. De briefwisseling die door de controlediensten was opgestuurd, kwam terug en ter plaatse kon op het adres geen onderneming gevonden worden.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering toelaatbaar doch ongegrond. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding door verweerder in hoger beroep begroot op nihil en door de rechtbank vereffend op nihil.

De eerste rechter oordeelde betreffende het bewijs van de intracommunautaire levering dat eiseres in hoger beroep faalde in haar bewijslast om aan te tonen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, zodat zij niet voldeed aan deze vrijstellingsvoorwaarde en de administratie gerechtigd was de vrijstelling te verwerpen.

Verder oordeelde de eerste rechter betreffende de vrijstelling van artikel 44bis WBTW dat eiseres in hoger beroep geenszins het bewijs leverde dat het beleggingsgoud betrof zodat de vrijstelling van artikel 44bis WBTW dan ook niet van toepassing is.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 02/12/2016 hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hofvan beroep.

Eiseres in hoger beroep vordert:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg

- het bestreden dwangbevel te horen vernietigen;

- voor recht te horen zeggen dat eiseres in hoger beroep niets verschuldigd is aan de Belgische Staat ten titel van BTW en/of boete;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan eiseres In hoger beroep van alle sommen, vermeerderd met de wettelijke interesten die ten gevolge van het vernietigde dwangbevel zouden zijn geïnd;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide gedingen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, t.b.v. 6.000 euro.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van de procedure, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 euro.

2. Bespreking

2.1 Intracommunautaire levering (art. 39bis WBTW)

Artikel 39bis, eerste lid, 10 W.BTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, §2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belastingen te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4.

Artikel 39bis, tweede lid W.BTW bepaalt dat de Koning de beperkingen en voorwaarden vaststelt voor de toepassing van deze vrijstelling.

Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de Intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) bepaalt dat de in artikel 39bis van het wetboek bedoelde vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Artikel 2 van dit besluit bepaalt dat de in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Krachtens artikel 3 van dit besluit moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt en moet hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbonnen, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Laatstgenoemde bepaling geeft geen limitatieve opsomming van de noodzakelijke bewijsstukken en sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending en het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de erin vermelde stukken (Cass.(1e k.), AR F.008.0088.F, 4 juni 2009, Arr. Cass. 2009, Afl. 6-7-8, JLMB 2010, afl. 4, 158).

Het is hoe dan ook de belastingplichtige die moet bewijzen dat hij de door hem aangekochte goederen intracommunautair heeft geleverd, onder de voorwaarden die leiden tot een BTW-vrijstelling. Indien hij niet slaagt in dit bewijs, kan de administratie hem steeds het door artikel 64 § 1 WBTW ingestelde vermoeden tegenwerpen: "Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen oJ geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. "

Het feit dat eiseres in hoger beroep het bewijs dient te leveren van de intracommunautaire levering om van de vrijstelling te genieten, volgt integraal uit de BTW - reglementering die gebaseerd is op Europese regelgeving dienaangaande.

Artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn legt de lidstaten de verplichting op om vrijstelling te verlenen voor goederenleveringen die voldoen aan de in die bepaling opgesomde voorwaarden (arrest H.v.J. van 9 oktober 2014, Traum, C-492/13, EU:C:2014:2267, punt 46). Ingevolge deze bepaling verlenen de lidstaten vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied maar binnen de' Europese Unie, welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.

Nu de btw-richtlijn geen concrete bepaling bevat over de bewijzen die de belastingplichtigen moeten leveren om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling, staat het aan de lidstaten om overeenkomstig artikel 131 van deze richtlijn de voorwaarden vast te stellen waaronder zij intracommunautaire leveringen vrijstellen om een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de lidstaten evenwel de algemene rechtsbeginselen eerbiedigen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie (zie arresten H.V.J. van 6 september 2012, Mecsek-Gabona, C-273/11, EU:C:2012:547, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 oktober 2014, Traum, C-492/13, EU:C:2014:2267, punt 27).

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie gaat een nationale maatregel verder dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting indien het recht op de btw-vrijstelling in wezen afhankelijk wordt gesteld van de naleving van formele verplichtingen, zonder rekening te houden met de materiële vereisten en, met name, zonder na te gaan of aan deze vereisten is voldaan. De handelingen moeten namelijk worden met inachtneming van hun objectieve karakter (arrest H.v,J. van 20 oktober 2016, Plöckl, C-24/15, EU:C:2016:791, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Wanneer een goederenlevering aan de voorwaarden van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn voldoet, wordt deze levering vrijgesteld van btw (zie in die zin arrest H.v.J. van 20 oktober 2016, Plöckl, C-24/15, EU:C:2016:791, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bijgevolg vereist het beginsel van fiscale neutraliteit dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de btw-vrijstelling wordt verleend, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet hebben voldaan aan bepaalde formele vereisten (arrest H.v.J. van 20 oktober 2016, Plöckl, C-24/15, EU:C:2016:791, punt 39).

In deze is de administratie van oordeel dat eiseres in hoger beroep ten onrechte toepassing heeft gemàakt van de vrijstelling van artikel 39bis WBTW op de verkoop van fijn goud aan N., …te B.-B. , Frankrijk.

Op de factuur dd. 23/08/2011 werd geen BTW-aangerekend en werd vermeld "Vrij van BTW

bestemd voor export. Levering intracommunautair».

Volgens de belastingadministratie levert eiseres in hoger beroep niet het bewijs bedoeld in artikel 1 (vervoer) noch het bewijs in artikel 2 (levering voor een. belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, zodat zij de vrijstelling van artikel 39 bis WBTW ten onrechte heeft toegepast (zie proces-verbaal dd. 21/11/2014).

Eiseres in hoger beroep stelt dat zij het bewijs levert van de levering en dat zij over de nodige stukken beschikt desbetreffende, Zij houdt voor dat haar klant ten tijde van de levering over een geldig BTW-nummer beschikte en dat ze bewijst dat de klant de goederen bij haar ophaalde.

Vooreerst stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep geen contract, bestelbon, vervoers-document of betalingsstukken kan voorleggen.

Eiseres in hoger beroep legde aanvankelijk ter staving enkel de factuur voor, een attest van de VIES databank, aangevraagd op 23/08/2011 en een attest dat de goederen In België werden meegenomen.

Het hof merkt op dat de belastingadministratie thans niet langer de geldigheid betwist van het voorgelegde attest van de VIES databank.

Dit attest bevestigt de geldigheid van het BTW-nummer, doch een geldig VIES attest is op zichzelf onvoldoende en vult op zich de bewijslast van artikel 39 bis WBTW niet in. Het is slechts één van de elementen waarop de belastingplichtige zich kan beroepen teneinde de vrijgestelde intracommunautaire levering te bewijzen.

Te dezen blijkt uit de gegevens van het dossier en meer bepaald de inlichtingen van de Franse administratie dat N. SARL, de Franse beweerde afnemer, vanaf 31/01/2007 is stopgezet en de bankrekening van de onderneming werd afgesloten op 19/05/2008. Op zich wordt dit alles ook niet betwist door eiseres in hoger beroep.

De op de factuur vermelde koper had dan ook in werkelijkheid geenszins de hoedanigheid van belastingplichtige, zoals vereist door art. 39 bis WBTW.

Verder brengt eiseres in hoger beroep een attest bij waarin gesteld word dat de goederen vermeld op de factuur persoonlijk in België werden meegenomen. Dit betreft een voorgedrukte tekst ondertekend op naam van BVBA J.N. en gericht aan N. SARL. Er wordt niet vermeld waar de goederen naar toe gebracht worden. Met de hand werd hierop het nummer van de factuur "201101104" en 4,7 Kg Fijn goud bijgeschreven. Door wie dit is bijgeschreven is niet duidelijk. De handtekening op het document zou naar bewering van eiseres in hoger beroep de handtekening zijn van de heer K. U., beweerdelijk bedrijfsleider van N. SARL, doch werd geplaatst namens BVBA J.N. Een dergelijk stuk maakt het vervoer van de goederen naar Frankrijk geenszins aannemelijk.

Ter aanvulling van de bewering dat de goederen naar Frankrijk werden vervoerd, legt eiseres in hoger beroep het paspoort over van de heer K. U. waarop zijn handtekening voorkomt, doch dit neemt voormelde eigenaardigheden van het attest niet weg. Tevens brengt eiseres in hoger beroep een verklaring bij van de heer K. U. opgesteld op 29/09/2016, waarin hij verklaart dat hij met zijn auto de goederen persoonlijk in België is komen ophalen en hij deze goederen meegenomen heeft naar Frankrijk. Wat de goederen zelf betreft bevestigt hij dat het zou gaan om baren van 4x 1 kg, 1 x 500 gr. en 1 x 200 gr.

Deze verklaring werd duidelijk afgelegd met het oog op onderhavige procedure en dient met de nodige omzichtigheid behandeld te worden. Dit geldt des te meer nu de heer K. tevens stelt deze verklaring af te leggen in zijn hoedanigheid van manager van de SARL N. in de periode 2011. Dit laatste stemt zoals hoger reeds vastgesteld geenszins overeen met de werkelijkheid, aangezien de vennootschap reeds was stopgezet in 2007 zodat hij ook geen bedrijfsleider/manager meer kon geweest zijn van deze vennootschap die geen activiteit meer had in 2011. Het hof is dan ook van oordeel dat deze verklaring geenszins geloofwaardig is en geen correcte weergave is van hetgeen er in werkelijkheid gebeurd is.

De goederen zouden volgens eiseres in hoger beroep betaald zijn per compensatie met andere openstaande facturen. De factuur zelf vermeldt nochtans “NIET VOLDAAN" en “GELIEVE TE BETALEN VOOR 02 september 2011". Met de hand is bijgeschreven "Comp". Wanneer deze handgeschreven vermelding werd aangebracht op de factuur en door wie kan onmogelijk nagegaan worden. Dat er compensatie gebeurde wordt bovendien voor het eerst pas aangevoerd in de procedure hoger beroep.

Ter staving van deze bewering legt eiseres in hoger beroep facturen voor vanwege N. SARL gericht aan J. N. en een onleesbare. print-out van de. boekhouding. Het is volledig ongeloofwaardig dat er compensatie zou gebeurd zijn met inkomende facturen van N. SARL uit 2005 en 2006. Het louter achteraf verwerken hiervan in de boekhouding is in de gegeven omstandigheden onvoldoende als bewijs van "betaling".

Na onderzoek van alle door eiseres in hoger beroep voorgelegde stukken oordeelt het hof dat eiseres in hoger beroep niet aantoont dat zij geleverd heeft aan een belastingplichtige, noch dat geleverd werd aan diegene die op de factuur als klant vermeld staat, noch dat de goederen naar Frankrijk zijn vervoerd.

Eiseres in hoger beroep toont op basis van 'dé aanvankelijk aan de administratie voorgelegde stukken en de nadien voorgelegde stukken geenszins aan dat de materiële toepassings-voorwaarden van de BTW-vrijstelling vervuld zijn.

Er dient dan ook besloten te worden dat er geen sprake is van een vrijgestelde intracommunautaire handeling en dat de BTW terecht wordt nagevorderd.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten/middelen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.2 Belegginqsgoud, art. 44 bis WBTW

Subsidiair beroept eiseres in hoger beroep zich op de vrijstelling van artikel44 bis WBTW.

Art. 44 bis WBTW bepaalt:

"§1

Van de belasting zijn vrijgesteld, de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van beleggingsgoud, gedefinieerd in artikel 1, §8, waaronder beleggingsgoud dat belichaamd is in certificaten voor toegewezen of niet-toegewezen goud of dat verhandeld wordt op goudrekeningen, en waaronder, in het bijzonder, goudleningen en swaps, die een eigendoms- of vorderingsrecht op beleggingsgoud belichamen, evenals voor handelingen betreffende beleggingsgoud bestaande in future- en termijncontracten die leiden tot de overdracht van een eigendoms- of vorderingsrecht met betrekking tot beleggingsgoud.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende een latere vrijstelling, kunnen belastingplichtigen die beleggingsgoud produceren of goud omzetten in beleggingsgoud, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor belastingheffing met betrekking tot leveringen van beleggingsgoud aan een andere belastingplichtige.

Belastingplichtigen die in het kader van hun economische activiteit normaliter goud voor industriële doeleinden leveren, kunnen eveneens, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor belastingheffing met betrekking tot leveringen, aan een andere belastingplichtige, van beleggingsgoud bedoeld in artikel 1, §8,1°.

§2

Zijn eveneens van de belasting vrijgesteld, de diensten verstrekt door tussenpersonen die niet handelen in de voorwaarden van artikel 13, §2, en die betrokken zijn bij de levering van beleggingsgoud voor hun opdrachtgever.

Indien de leverancier heeft geopteerd voor de belastingheffing van dergelijke leveringen, -kunnén die tussenpersonen, onverminderd een latere vrijstelling, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor de belastingheffing van hun diensten."

Art. 1 §8 WBTW bepaalt:

''Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder "beleggingsgoud":

1° goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten, al dan niet belichaamd in certificaten.

De kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram worden evenwel niet aangemerkt als beleggingsgoud;

2° gouden munten die:

- een zuiverheid van ten minste 900 duizendsten hebben,

- na 1800 zijn geslagen

- in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd,

en

- normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80 % overschrijdt.

Dergelijke munten worden geacht niet verkocht te zijn wegens hun numismatisch belang.»

Eiseres in hoger beroep bewijst niet dat te dezen voldaan is aan de definitie van beleggingsgoud in de zin van artikel 1 §8 WBTW.

Vooreerst stelt het hof vast dat deze regeling voorziet in een specifieke vrijstelling voor de "levering, de intracommunautaire verwering en de invoer van beleggingsgoud".

Overeenkomstig artikel 5, § 1, 10°, van het koninklijk beslult.nr, 1 dienen de facturen met betrekking tot de leveringen van beleggingsgoud en de prestaties van makelaars en lasthebbers bij zulke handelingen die vrijgesteld zijn krachtens artikel 44bis van het Wetboek, de vermelding "Handeling vrijgesteld -door artikel 44bis van het Wetboek" te bevatten. Op de factuur wordt niet vermeld dat de handeling vrijgesteld was door artlkel44 bis W.BTW.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep op de uitgaande factuur van 23/08/2011 uitdrukkelijk vermeldde "Vrij van BTW bestemd voor export. Levering intracommunautair".

Dit wijst er eerder op dat er geen sprake is van beleggingsgoud in de zin van artikel 1 §8 WBTW.

Verder wordt op de factuur enkel melding gemaakt van "fijn goud" "24 Karaat" met een totaal gewicht van "4,70 kg".

Er worden echter geen nummers van goudstaven vermeld op de verkoopfactuur.

Er zijn geen onderliggende objectief controleerbare gegevens voorhanden.

Eiseres in hoger beroep verwijst naar een verklaring van leverancier NV B. I.. Doch het blijkt geenszins dat deze NV B. effectief ook de leverancier is geweest van het goud waarvan sprake op de kwestieuze factuur.

Er wordt bovendien op basis van de overgelegde stukken (stukken S, 6, 7 en 8 bundel eiseres in hoger beroep) geen enkel gegeven verstrekt over het aantal gram per goudstaaf.

Hoger werd reeds geoordeeld dat de verklaring van de heer KUBI5 Ulrich dd. 29/09/2016 ongeloofwaardig is en dan ook bezwaarlijk als objectief kan beschouwd worden.

Alhoewel “fijn goud" van 24 karaats puur goud is, aangeduid met 999 duizendsten, hangt de zwaarte van een goudstaaf af van de afmetingen van de goudstaaf en artikel 1 § 8 WBTW voorziet uitdrukkelijk dat de kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram evenwel niet worden aangemerkt als beleggingsgoud.

Het is dan ook onmogelijk om na te gaan of te dezen aan de voorwaarden van artikel 44 bis WBTW voldaan is. Er is desbetreffend geen controle mogelijk.

Eiseres ,in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast en toont niet aan dat het hier effectief beleggingsgoud betreft in de zin van artikel 1 §8 WBTW.

Bijgevolg valt de handeling van eiseres 'in hoger beroep onder de normale vrijstellingsregeling van artikel 39 bis WBTW. Het hof oordeelde hoger reeds dat eiseres in hoger beroep niet bewijst dat aan de grondvoorwaarden voldaan werd, van artikel 39 bis WBTW. Door de belastingadministratie werd dan ook terecht een inbreuk vastgesteld op artikel 39 bis WBTW. Eiseres in hoger beroep is dan ook BTW verschuldigd aan de Belgische Staat, op deze handeling.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen desbetreffende af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.3 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007).

Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 6.000 euro.

Eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep (art.1017 Ger.W.).

De kosten in hoger beroep worden in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op 6.000 euro rechtsplegingsvergoeding.


Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep, toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op

6.000 euro rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 december 2017 door

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

12

Vergelijkbare beslissingen

8