Location immobilière exemptée, Première occupation d’un bien d’investissement, Procès-verbal · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 15/3767/A 22 septembre 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

Location immobilière exemptée, Première occupation d’un bien d’investissement, Procès-verbalTVA - Location immobilière exemptée - Première occupation d’un bien d’investissement - Procès-verbal - Force probante d’un procès-verbal - Amendes fiscales - Réduction d’une amende fiscale - Sursis

https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-immobiliere-exemptee-premiere-occupation-tribunal-gand-2016-09-22-8150

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Numéro de rôle
15/3767/A
Date
22 septembre 2016

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

105 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand dd. 22.09.2016 (15/3767/A)

WF 710-15-15/050646

[Favorable à l’administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Location immobilière exemptée – Première occupation d’un bien d’investissement – Procès-verbal – Force probante d’un procès-verbal – Amendes fiscales – Réduction d’une amende fiscale – Sursis

Législation

Article 12, § 1er, 3°, du Code de la TVA

Article 44, § 3, 2°, du Code de la TVA

Article 59, § 1er, alinéa 2, du Code de la TVA

Article 70, § 1er, du Code de la TVA

Tableau G, Rubrique V, de l’annexe à l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987

Synthèse

L’assujetti est une société de management qui joue également un rôle d’intermédiaire dans l’achat, la vente et la location de biens immobiliers. Une maison clé sur porte utilisée en tant que bâtiment-témoin avait été acquise aux fins de favoriser les ventes. La TVA avait été déduite. Il ressort du contrôle de la facture d’achat que cette habitation aurait pu être habitée au printemps de l’an 2010.

En matière de TVA, la question de déterminer si un bien immobilier a été occupé ou utilisé est une question de fait. En se référant à un certain nombre d’éléments, l’administration a apporté la preuve que la nouvelle habitation avait été utilisée comme maison de vacances à partir du 31 juillet 2010. Le revenu cadastral a été fixé en 2010. Il y a eu consommation d’électricité et achat de mobilier. Ces constatations ont été consignées dans un procès-verbal. L’assujetti, qui a utilisé en effet la nouvelle habitation comme un bien d’investissement aux fins d’être mise en location, s’est acquitté de la TVA mais ne pouvait évidemment pas la déduire (article 44, § 3, 2°, du Code de la TVA).

Le juge rappelle que la force probante d’un procès-verbal s'étend à tous les actes que les fonctionnaires verbalisants déclarent avoir accomplis et à tous les faits dont ils déclarent avoir été témoins, mais que les déductions que les agents verbalisateurs tirent de leurs constatations restent soumises au contrôle du tribunal. Ce sont ces déductions qui font l’objet du présent litige. Il est établi que la maison témoin est occupée comme immeuble d’habitation depuis le 31 juillet 2010. L’assujetti a signé la déclaration d’occupation le 15 octobre 2010. Le tribunal déclare que l’administration a correctement déterminé la date du prélèvement et calculé la TVA due.

L’assujetti sollicite l’annulation de l’amende fiscale proportionnelle de 20% infligée ou l’obtention du sursis en invoquant le contrôle d’opportunité que le tribunal doit exercer (CEDH, art. 6). Le juge constate que l’amende litigieuse a été infligée sur la base de l’article 70, § 1er, du Code de la TVA et qu’elle a été réduite sur pied des dispositions de l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987. Au vu des faits, l’amende de 20% a été infligée à juste titre.

Le tribunal considère que dans le présent litige l’amende de 20% infligée est proportionnelle à la gravité de l’infraction et qu’il n’y a pas de raison d’accorder le sursis à l’assujetti et ce même si la loi avait prévu cette mesure. Pour ces raisons, le tribunal ne peut pas octroyer à l’assujetti le bénéfice du sursis.

Remarque

L’assujetti a acquiescé à la décision du juge.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank eerste aanleg te Gent

dd. 22.09.2016

(15/3767/A)

In de zaak van: NV, ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …, …,EISENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door mr. K. V. D. B., advocaat te …, …;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën -Stafdienst Logistiek Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, in de persoon van de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-generaal -Gewestelijk directeur van de BlW te Gent, met kantoren te 9050 Gent, Gasten Crommenlaan 6/107, VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt de heer D. D. G., attaché verbonden aan de algemene administratie van de fiscaliteit KMO Gent -Expertise 2, Gasten Crommenlaan 6/304, 9050 Gent.

Beslist de rechtbank als volgt

I. DE RECHTSPLEGING.

De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 26 mei en 16 juni 2016. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 23 september 2015 en de conclusies van partijen.

II.DE VORDERING

Eiseres vordert de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, vervolgens:

"- Het Proces-verbaal en Betalingsbevel nietig te horen verklaren en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te horen verklaren voor wat betreft de boete en interesten,

- Verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle sommen die zij aan verweerder heeft betaald of die te haren laste werden ingehouden ter aanzuivering van de boete en interesten die in het Proces-verbaal en Betalingsbevel gevorderd worden, vermeerderd met de moratoire interesten verschuldigd met toepassing van artikel 91 § 3 en 4 W.B.T.W;

- (Minstens) te zeggen voor recht dat de ingebruikname ten vroegste kan plaatsgevonden hebben van zodra de beslissing tot verhuring genomen werd dd. 12 september 2014;

- (Minstens) de boete kwijt te schelden of uitstel te verlenen op basis van toetsing door uw zetel naar opportuniteit cfr. Art. 6 EVRM;

- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, heden begroot op … Euro

Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande borgstelling noch kantonnement."

Verweerster vordert het verzet van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren, eiseres in al haar eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot alle kosten van het geding.

In ondergeschikte orde: te horen dat de BTW en aanhorigheden verschuldigd zijn vanaf 21 oktober 2014 en niet dienen terug gegeven te worden;

In uiterst ondergeschikte orde: gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van beide partijen elke partij te veroordelen tot de eigen kosten.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1. Eiseres, nv A., is sedert 1 september 1990 btw-belastingplichtige voor de activiteit van managementvennootschap en bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed.

2. Eiseres heeft samen met de nv G. C. een nieuwbouwwoning opgericht te …, …. De bouwgrond en de woning zijn voor 50% eigendom van eiseres voor 50 % eigendom van de nv G. C..

3. Eiseres stelt dat het de betrachting is de woning detaillistisch af te werken opdat deze als instapklare woning verkocht zou kunnen worden. Met het oog op de verkoop werd de woning aangewend als kijkwoning.

Deze woning is nooit bewoond/betrokken geweest tussen de oprichting en het moment van de beslissing tot verhuring.

4. Verweerster voert aan dat op 15 oktober 2010 de heer B. V. V., zaakvoerder van de nv A., een spontane aangifte (het formulier 43 NB, dossiernummer …) van ingebruikneming heeft ingediend. Dit stuk bevat bovenaan de vermelding: ''Aangifteformulier in te vullen wanneer het gebouw wordt in gebruik genomen of verhuurd en binnen de dertig dagen toe te zenden aan de controle van het kadaster". De heer B. V. V. vermeldt in deze aangifte dat de woning in gebruik is genomen op 31 juli 2010. Het kadastraal inkomen van deze woning is in 2010 bepaald op … EUR.

Uit de controle van de aankoopfacturatie blijkt dat de woning in het voorjaar van 2010 kon bewoond worden. In de loop van 2011 hebben de eigenaars besloten om de vakantiebewoning stop te zetten omdat de woning enkele tekortkomingen vertoonde (waterlek en geurhinder). Op 22 september 2011 wordt de woning, één jaar na de ingebruikneming, te koop aangeboden door diverse immobiliënmakelaars (verkoopprijs: … EUR exclusief BTW en kosten).

5. Eiseres kan zich niet akkoord verklaren met de overtredingen die de controleagent heeft vastgesteld. Deze overtredingen, vaststellingen en de aan haar gedane verklaringen werden opgenomen in het proces-verbaal van 24 september 2014. Het bevat eveneens een becijfering van de verschuldigde bedragen.

6. Op basis van dit proces-verbaal is het betaalbericht van 29 september 2014 opgemaakt en verzonden (ref. R.C.I.V.-nr. …) naar eiseres voor de volgende bedragen:

- BTW: … EUR

- fiscale geldboeten (… EUR) gecorrigeerd naar … EUR te vermeerderen met de interesten vanaf 21.01.2013 à rato van 0,8% per maand over de verschuldigde btw afgerond op … EUR, overeenkomstig artikel 91, § 1, W. BTW.

7. Op 23 september 2015 legt eiseres een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank om zich te verzetten tegen het betalingsbericht.

III. BEOORDELING

Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

Ten gronde

Inzake de bewijskracht van het proces-verbaal

1. Het proces-verbaal is een akte waarin een bevoegd ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.

2. De bewijskracht van het proces-verbaal geldt echter niet voor de gevolgtrekkingen die de ambtenaar uit zijn vaststellingen afleidt. Deze gevolgtrekkingen blijven onderworpen aan de controle van de rechtbank en maken het voorwerp uit van het voorliggende geschil.

Inzake de ingebruikneming

3. Eiseres argumenteert dat de ingebruikname niet langer op absolute wijze kan worden afgeleid uit de spontane aangifte vereist bij artikel 473 WIB92. Deze aangifte biedt volgens haar hoogstens een vermoeden van ingebruikname en in bezitname.

Verder stelt zij dat de in bezitname als kijkwoning de termijn niet doet lopen, zodat de termijn geen einde nam op 31 december 2012, zoals verweerster argumenteert.

De aangifte van ingebruikneming is een materiële vergissing in het kader van de afwerking. van de woning. De feitelijkheden tonen aan dat er nog geen sprake was van inbezitneming/ingebruikneming en dat de woning te koop werd aangeboden door verschillende plaatselijke immobiliënmakelaars.

Eiseres voert aan dat de ingebruikneming zich ten vroegste voorgedaan heeft van zodra eiseres op 12 september 2014 beslist heeft te verhuren.

4. Volgende wetsbepalingen zijn van toepassing op het voorliggende geschil inzake de ingebruikneming, de onttrekking van het onroerend goed en de nieuwbouwtermijn.

Overeenkomstig artikel 12, §1, 3° en § 2 W. BTW wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld:

"3° de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2° , werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of weder overgedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

(...)

§ 2. De belastingplichtige die geregeld de gebouwen die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het gebouw dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften aan zijn bedrijf te onttrekken, wanneer dit gebouw op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in § 1, 3°. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld".

Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W. BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun onroerende goederen.

5. De vraag of er al of niet een ingebruikneming of inbezitneming is geweest van een onroerend goed inzake de BTW is een feitenkwestie. De fiscale administratie heeft naar een aantal elementen verwezen die het bewijs opleveren dat de nieuwbouwwoning in gebruik is genomen vanaf 31 juli 2010.

Zo is het kadastraal inkomen in 2010 bepaald, betaalde eiseres onroerende voorheffing en heeft ze geen vermindering van de onroerende voorheffing gevraagd.

Uit de ,stukken van het dossier blijkt dat in de periode 2009-2010 eiseres niet enkel meubilair heeft gekocht doch ook eet- en drinkservies, bestek, kookpotten, diverse elektrische apparaten, donsdekens, donsovertrekken, handdoeken, een barbecue, sierkussens, buitenmeubilair en buitenkussens, een homecinema en gordijnen.

Daarnaast blijkt uit de facturen dat er in de nieuwbouwwoning vanaf 31 juli 2010 een gemiddeld gas-en elektriciteitsverbruik is, dat er een aanzienlijk waterverbruik is en dat de tuin regelmatig is onderhouden. Tevens zijn er regelmatig betalingen geweest voor een internet-, digitale televisie- en telefoonabonnement. Deze facturen wijzen op een bewoning, dus een ingebruikneming, en hebben niets te maken met een kijkwoning.

Uit de hierboven gemaakte overwegingen staat vast dat de 'kijk'woning sinds 31 juli 2010 in gebruik is genomen als woning. Eiseres kan niet ernstig volhouden dat de kijkwoning pas in gebruik is genomen op 12 september 2014. Dat de eigenaars besloten om de bewoning te beëindigen ongeveer een jaar na de bewoning doet geen afbreuk aan het feit dat de woning op dat moment reeds in gebruik was genomen.

Dat de woning in gebruik is genomen als woning (ongeveer een jaar, periode 2010-2011) en dat ze daarna als kijkwoning fungeerde (totdat ze verhuurd werd omdat ze niet verkocht geraakte) doet geen afbreuk aan het feit dat er voordien wel degelijk ingebruikneming is geweest.

Bovendien kan de rechtbank zich niet vinden in de argumentatie betreffende de 'materriële vergissing' vanwege de zaakvoerder van de nv A.. De nv A. heeft een bouwaanvraag ingediend en zij heeft dan ook een aangifteformulier ontvangen. De zaakvoerder heeft de aangifte van ingebruikneming ondertekend op 15 oktober 2010, hij heeft gespecifieerd dat de ingebruikneming is gebeurd op 31 juli 2010 en dat de woning niet is verhuurd.

De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerster op een correcte wijze de datum van onttrekking heeft vastgesteld en de BTW heeft berekend.

Inzake de geldboete

6. Eiseres vordert om de opgelegde geldboete van 20% kwijt te schelden of uitstel te verlenen op basis van toetsing door de rechtbank rekening houdende met de opportuniteit (artikel 6 EVRM).

7. Artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W. BTW bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegd tabellen A tot J.

Tabel H betreft de geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in artikel 70 §1 bis W. BTW. Tabel G betreft de geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in artikel 70 § 1 W. BTW.

In het proces-verbaal van 24 september 2014 is vermeld dat de boete vermeld in artikel 70 §1 W. BTW wordt verminderd tot … EUR (dit is 20%), overeenkomstig de tabellen G, eerste afdeling, rubrlek V, van de bijlage bij het KB nr. 41.

De opgelegde boete is niet disproportioneel met de inbreuken en met het doel van een administratieve boete. Daarom beslist de rechtbank om de boete niet te herleiden.

Gelet op de overtreding begaan door eiseres, werd de boete van 20% dan ook terecht opgelegd.

8. Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest van 21 februari 2013 (nr. 13/2013, op http://www.const-court.be/public/n/2013/2013-013n.pdf) dat artikel 70 §2, eerste lid WBTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in dit artikel voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel. Het preciseert dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Cass. 20 juni 2013, F.11.0007.F, www.cass.be).

De rechtbank stelt in voorliggend geschil vast dat de opgelegde geldboete van 20% evenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest eiseres uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

De rechtbank kent om die redenen het voordeel van het uitstel niet toe.

Besluit

9. De vordering van eiseres is ongegrond. De overige opgeworpen argumenten zijn niet terzake dienend.

IV. GERECHTSKOSTEN

Eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4 ° van het Wetboek der registratie-, hypotheek-en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

De kosten van het geding beperken zich tot de rechtsplegingsvergoeding.

Gezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook over overbodig tot begroting ervan over te gaan.

DEZE RECHTBANK beslist:

recht doende op tegenspraak;

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

- de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren;

- dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag tweeëntwintig september tweeduizend zestien, waar aanwezig waren

de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw M. C., griffier

Ondertekeningen

Textes cités

5
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 442 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 121 occurrence
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8