Livraison de biens, lieu de livraison, exonération, exportation · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 8 octobre 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Livraison de biens, lieu de livraison, exonération, exportationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-biens-lieu-exoneration-exportation-tribunal-bruxelles-2007-10-08-d86a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
8 octobre 2007

Parcours procédural

2 étapes · 3 ans 3 mois
  1. Décision affichéeTribunal de première instance de Bruxelles08.10.2007
  2. Décision sur appelCour d'appel de Bruxelles13.01.2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

68 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 08.10.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2006/642/A

- Fiscale zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De BVBA A. D., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. H., advocaat te …, … (ref. …),

tegen :

BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, Ontvangkantoor Vilvoorde, met burelen gevestigd te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : ),


De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 17 september 2007 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

- het verzoekschrift dat namens eiseres op 12 januari 2006 in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek ter griffie is neergelegd;

- de conclusie en aanvullende conclusie voor verweerder neergelegd respectievelijk ter griffie op 4 december 2006 en 8 juni 2007.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.


1. FEITEN

Eiseres is geregistreerd onder het BTW-nummer voor de activiteit van groothandel in loodgieter materiaal en verwarmingsinstallatiemateriaal en ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen onder het nummer ….

Na voorafgaande aankondiging voert de heer M., fiscaal deskundige, verbonden aan de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus, op 31 oktober 2004 een controle uit inzake de naleving van de BTW-wetgeving en reglementering voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003.

De heer M. stelt in het proces-verbaal van 24 november 2005 een aantal inbreuken op de BTW-reglementering vast. Voor de in het proces-verbaal opgesomde leveringen van goederen werden, volgens de BTW-administratie, de in het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstelling van intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook de betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, opgelegde bewijzen niet voorgelegd (zie stuk 1, administratief dossier).

Volgens het proces-verbaal is eiseres verschuldigd :

- 231.022,65 euro BTW;

- 23.100 euro proportionele boete overeenkomstig artikel 70, §§ 1 en 1bis van het BTW-wetboek en verminderd conform het Koninklijk besluit nr. 41, tabel G, Eerste afdeling, VII, 2 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW;

- de wettelijke interesten over de verschuldigde BTW in toepassing van artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek vanaf 21 januari 2004.

Bij brief van 17 februari 2005 verklaart mevrouw D. S., zaakvoerster van eiseres dat zij de vereiste documenten heeft opgevraagd bij de betrokken firma's (zie stuk 6, administratief dossier). De controleambtenaar verleent eiseres uitstel tot 10 maart 2005 om deze stukken voor te leggen (zie stuk 7, administratief dossier).

Op 12 december 2005 vaardigt de BTW-administratie een dwangbevel uit dat op 14 december 2005 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de waarnemend Eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Zaventem aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen en dat op 15 december 2005 aangetekend ter kennis werd gebracht van eiseres (stuk 1, administratief dossier).

2. VORDERING

Eiseres verzoekt de rechtbank het dwangbevel te vernietigen.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

Luidens artikel 59, § 1 van het BTW-wetboek kunnen overtredingen van de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Op grond van artikel 15, § 7 van het BTW-wetboek wordt behoudens tegenbewijs de levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Artikel 39bis, 1° van het BTW-wetboek bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld: de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, par. 2 van dit BTW­wetboek door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig kan optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan belasting te onderwerpen.

Ingevolge artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstelling betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwerving van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde zijn de in artikel 39bis van het BTW-wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de gemeenschap.

Luidens artikel 2 van voornoemd Koninklijk Besluit nr. 52 is de in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het BTW-wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Artikel 3 van hetzelfde Koninklijk Besluit bepaalt dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of van het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de BTW belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingstukken. Overeenkomstig het tweede lid van dat artikel kan door of vanwege de Minister van Financiën eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen. Ingevolge artikel 3 is de bewijsvoering vrij in die zin dat alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, voor de bewijsvoering in aanmerking komen. Dit kan onder meer door overlegging van contracten, bestelbons, vervoerdocumenten en betalingsstukken. De term ondermeer wijst erop dat ook nog andere bewijsstukken mogelijk zijn. De goede trouw wordt desbetreffend niet vermoed. (Hof van Beroep, Gent, 5e Kamer, 1 april 2003, stuk 2 van het administratief dossier.)

Krachtens artikel 4, § 2 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 moet voor de onder de voorwaarden van artikel 39bis van het BTW-wetboek verrichte leveringen van goederen de in artikel 1 van hetzelfde Koninklijk Besluit bedoelde facturen en de in het artikel 2 bedoelde stukken worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de levering werd verricht.

Indien de Belgische verkoper niet overtuigd is door de elementen die door de koper worden verstrekt en twijfelt of aan de voorwaarde van vervoerd of verzending van de goederen buiten België is voldaan, kan hij steeds de BTW aanreken aan zijn medecontractant.

In het proces-verbaal van 24 november 2005 wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden van het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992 niet werd voldaan.

Eiseres brengt ter zitting een aantal stukken bij.

De documenten waar de handelsbenaming "S." op voorkomt als geadresseerde verwijzen zonder andere bewijskrachtige documenten niet naar handelingen van de BVBA A. D. maar in eerste instantie naar handelingen van "S." of mevrouw D. S.. Deze stukken bewijzen geen intracommunautaire levering voor eiseres.

De vervoerdocumenten (vrachtbrieven CMR) vermelden meestal geen data van de transporten noch een aanduiding over de aard der vervoerde goederen. Deze vervoerdocumenten vermelden als vervoerbedrijf : ofwel het expeditiebedrijf C. V. D. H. & Z. BV uit … in Nederland, ofwel BVBA V. H..

Voor de documenten uitgaande van het expeditiebedrijf C. V. D. H. & Z. BV laat de aanduiding van de gebruikte munteenheid "f' (gulden) vermoeden dat de documenten opgesteld werden voor de invoering van de euro, hetzij voor 1 januari 2002, en dus geen betrekking hebben op de gecontroleerde periode.

Uit stuk nr. 11 van het administratief dossier blijkt dat de BVBA V. H. failliet werd verklaard op 11 juli 2001. Hieruit volgt dat deze BVBA in 2002 of 2003 niet meer kon worden belast met vervoeropdrachten. Bovendien bevatten sommige van de neergelegde documenten een datum die buiten de gecontroleerde periode valt.

Een ander document (bewijsstuk 10.1 bundel eiseres) betreft een overzicht van stukken, (kranen ?), en werd opgesteld op papier met de hoofding van E., die nog moeten gefactureerd worden ('quantity tot be invoiced'). De data die erbij worden vermeld liggen tussen 10 december 1997 en 7 maart 1998. Rechts bovenaan dit overzicht, wordt vermeld dat deze kranen nog in garantie zijn. Het is niet duidelijk wat eiseres hiermee poogt aan te tonen.

De stukken die eiseres voorlegt leveren dan ook geen bewijs over de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen vermeld op de facturen die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal van 24 november 2005.

De vordering is ongegrond.


Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € 371,84 rechtsplegingsvergoeding.

Verwijst eiseres tot de eigen gedingkosten, begroot op € 371,84 rechtsplegingsvergoeding en € 61,97 aanvullende rechtsplegingvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 8 oktober 2007

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N. S., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. N. S.

Textes cités

7
CTVA art. 39bis4 occurrences
AR no 1 art. 41 occurrence
AR no 52 art. 11 occurrence
CTVA art. 151 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8