Liste annuelle des clients assujettis à la TVA (listing clients) · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 9 janvier 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Liste annuelle des clients assujettis à la TVA (listing clients)

https://juriel.be/fr/jurisprudence/liste-annuelle-clients-assujettis-tva-cour-appel-anvers-2018-01-09-8a3b

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
9 janvier 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

116 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 09.01.2018

[Favorable à l’administration]

WF 711-15-15/028732

Taxe sur la valeur ajoutée - Liste annuelle des clients assujettis à la TVA (listing clients) – Non-dépôt et dépôt tardif – Amendes fiscales

Dispositions légales

Article 53quinquies du Code de la TVA

Article 70, § 4, du Code de la TVA

Section 1, IV, A et B, sous c, de l’annexe à l’arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012 fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

1. Faits pertinents et antécédents de la procédure

L’assujetti n’a pas déposé de liste annuelle des clients assujettis à la TVA pour l’année 2013. Conformément à l’article 70, § 4, du Code de la TVA et à l’arrêté royal n° 44, une amende d’un montant de 3.000.00 € lui a été infligée. L’assujetti a introduit une requête contre la contrainte décernée par l’administration devant le greffe du tribunal de première instance d’Hasselt.

Le juge d’Hasselt a estimé que l’amende avait été infligée pour une faute commise non intentionnellement, que cette faute était imputable à la négligence de l’assujetti, qu’il fallait tenir compte des circonstances et de la situation financière de l’assujetti et que, dès lors, cette amende devait être réduite à 1000,00 €. L’Etat belge a interjeté appel de cette décision.

2. Synthèse de l’arrêt

La cour considère que l’infraction commise n’est nullement consécutive à des raisons indépendantes de la volonté de l’assujetti et qu’elle n’est pas imputable uniquement à sa négligence. Il ressort du procès-verbal que la liste annuelle des clients assujettis n’a pas été déposée, bien que l’assujetti ait été préalablement invité à la déposer. Le listing clients a finalement été déposé avec plus d’un an de retard et après que l’amende pour non-dépôt a déjà été infligée. La liste annuelle a également été déposée en retard pour les années 2009, 2010, 2011 et 2012. Dès lors, l’assujetti était parfaitement au courant de ses obligations fiscales et de la circonstance que ces dernières n’avaient pas été correctement remplies par son mandataire.

L’obligation de déposer cette liste résulte de la nécessité de protéger les finances de l’Etat contre ceux qui pourraient les ébranler par leur négligence ou par leur abus. Le listing clients fournit des informations importantes concernant les relations qu’entretient un assujetti avec les autres assujettis.

L’assujetti avait une connaissance explicite de l’existence de l’obligation qu’il a enfreinte et n’y a pas apporté une réponse appropriée, de sorte que l’infraction présente un caractère grave qui justifie raisonnablement l’infliction de cette amende.

De même, la situation financière de l’assujetti ne peut justifier le non-respect de ses obligations fiscales.

La cour considère que l’amende est légale, suffisamment motivée et proportionnée à la nature et à la gravité des faits.

Position de l’assujetti

L’assujetti est tombé en faillite. Le curateur n’a pas encore transmis à l’administration sa position.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 09.01.2018

Rol: 2017/AR/353

DE BELGISCHESTAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal - Directeur te KMO Centrum Hasselt, met kantoor te Voorstraat 43 bus 106, 3500 HASSELT eiser In hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr.V.L.D.J, advocaat te … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 17 november 2016, met rolnummer AR15/1457/A

tegen

F. BVBA, met maatschappelijke zetel te H. …, met ondernemingsnummer … verweerster in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. T. loco Mr. S. , advocaat te B. …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 17 november 2016, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 21 februari 2017, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil betreft het verzet tegen het dwangbevel op 17/03/2015 uitgevaardigd en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24/03/2015.

1.2. Voorgaande feiten.

Verweerster in hoger beroep is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer BE … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Verweerster in hoger beroep diende geen jaarlijkse opgave van afnemers-belastingplichtigen (klantenlisting) betreffende het jaar 2013 in. Die diende te worden ingediend uiterlijk op 31/03/2014.

Van deze overtreding werd op 19/02/2015 een proces-verbaal opgesteld.

Overeenkomstig de bijlagen bij het KB.nr. 44 van 09/07/2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, afdeling 1, rubriek IV.1 genomen ter uitvoering van artikel 70 § 40 WBTW, is er wegens het niet indienen van deze opgave, een geldboete van 3.000 euro per lijst verschuldigd.

Aangezien verweerster in hoger beroep in gebreke bleef de verschuldigde som te betalen werd er op 17/03/2015 door de ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd, dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 24/03/2015.

In dit dwangbevel worden volgende bedragen gevorderd:

- 3.000 euro als geldboete

- - de moratoire interesten over de geldboete vanaf de kennisgeving van het Dwangbevel overeenkomstig artikel 91 §4 WBTW

- de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan een hypothecaire inschrijving.

Op 02/04/2015 werd dit dwangbevel samen met het voormelde proces-verbaal bij deurwaarders-exploot aan verweerster in hoger beroep betekend.

Er werd op 31/01/20~5 een bedrag ten belope van 1.886,77 euro betaald.

Door middel van een betaling t.b.v. 1.756,04 euro is de schuld thans volledig betaald.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg

Limburg, afdeling Hasselt, op 26/05/2015 stelde verweerster in hoger beroep een vordering

in rechte in.

De vordering van verweerster in hoger beroep strekte ertoe:

- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de administratieve boete ad 3.000 euro wegens het niet (tijdig) indienen van de klantenlisting voor het jaar 2013, kwijt te schelden of toch minstens substantieel te verminderen tot het minimumbedrag van 50 euro;

- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze boete zouden zijn geïnd, vermeerderd met de wettelijke intresten;

- de Belgische Staat eveneens te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, begroot op 715 euro (basisbedrag).

De bestreden beslissing verklaarde de vordering ontvankelijk en In volgende mate gegrond.

De opgelegde geldboete van 3.000 euro werd verminderd tot een geldboete van 1.000 euro.

Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot 1/3 van de kosten van het geding, begroot in hoofde van verweerster in hoger beroep op 780 euro rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde onder meer als volgt:

" …

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete onevenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt vast dat eiseres een boete werd opgelegd voor het niet tijdig indienen van de klantenlisting voor het jaar 2013 en dat dit reeds de vierde overtreding is wegens het laattijdig van de klantenlisting.

Eiseres houdt onder meer voor dat zij beroep heeft gedaan op een boekhouder, de heet F. B., die dacht dat de listing was ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat een nalatigheid van de boekhouder in hoofde van de belastingplichtige geen geval van overmacht kan uitmaken. De belastingplichtige staat zelf in voor de keuze van zijn boekhouder en dient ten aanzien van de administratie zelf de gevolgen te dragen van eventuele fouten of nalatigheden van deze laatste (zie Antwerpen, 27 mei 2008, Fisc.Koer. 2008/550).

Eiseres heeft evenwel zeer onnauwkeurig gehandeld door na reeds voorgaande overtredingen begaan te hebben, al dan niet te wijten aan haar boekhouder, niet zelf de nodige stappen ondernomen heeft om zich in regel te stellen.

Verder blijkt uit de overgelegde stukken o.a. de jaarrekening van eiseres dat het een kleine onderneming betreft met een negatief eigen vermogen.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden en gelet op de financiële draagkracht van eiseres het opleggen van een zware financiële geldboete van 3.000,00 euro niet aan bij de feiten.

De boete dient dan ook te worden verminderd tot 1.000,00 euro. De vordering van eiseres is dan ook in die mate gegrond. "

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te

Antwerpen op 21/02/2017 hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiser in hoger beroep vordert:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het vonnis van de 11A kamer (AR 15/1457/A) dd. 17/11/2016 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ongegrond te verklaren;

- verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 780 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Verweerster in hoger beroep verzoekt het hoger beroep van de Belgische Staat af te wijzen als ongegrond en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van de beroepsprocedure, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, heden begroot op 780 euro (basisbedrag).

2. Bespreking

2.1 De boete

De boete die de administratie oplegt in toepassing van art. 70 WBTW is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter In de zin van art. 6 EVRM.

De rechter moet kunnen nagaan of de sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen eerbiedigt die de Administratie in acht moet nemen (Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr. 22/99, Fisc. Nr. 697, 5).

Art. 6 EVRM verschaft aan de rechter de bevoegdheid het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (RHRM,4 maart 2004, Fiscoloog 2004, editie 928,1).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag aldus de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. Nr. F.06.0108.N, 13 februari 2009, www.cass.be).

Krachtens artikel 70, §4 W.BTW worden de niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn de bedragen van de niet-proportionele fiscale geldboeten voor de overtredingen beoogd in artikel 70, § 4, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, opgenomen In de bijlage bij dit besluit.

Overeenkomstig de bijlage van het KB nr. 44 van 9 juli 2012, eerste afdeling, IV, A. wordt de boete bij niet indiening van de klantenlisting bepaald op 3.000 euro.

Het hof is te dezen van oordeel dat de inbreuk geenszins buiten de willigt van verweerster in hoger beroep en niet louter te wijten is aan onvoorzichtigheid. Uit het proces-verbaal dd. 19/02/2015 blijkt dat de klantenlisting voor het jaar 2013 niet werd Ingediend, ondanks voorafgaande uitnodiging tot indiening.

Verweerster In hoger beroep stelt dit schrijven overgemaakt te hebben aan haar externe accountant, dhr. F. B., die ervan overtuigd zou geweest zijn dat de klantenlisting was ingediend.

Uiteindelijk werd de klantenlisting voor het jaar 2013 pas ingediend op 13 mei 2015, zijnde meer dan een jaar te laat en nadat de boete wegens niet-indiening reeds opgelegd werd door de belastingadministratie.

Voor de jaren 2009,2010,2011 en 2012 werd de klantenlisting laattijdig ingediend. Voor het jaar 2011 en 2012 werd door de belastingadministratie hiervoor een boete opgelegd van respectievelijk 125 euro en 150 euro wegens het laattijdig indienen van de klantenlisting.

Verweerster in hoger beroep is dan ook goed op de hoogte van haar fiscale verplichtingen, alsook van het niet correct vervullen van haar fiscale verplichtingen door haar gevolmachtigde.

Verweerster in hoger beroep is zelf verantwoordelijk voor de keuze van haar mandataris en diende desgevallend zelf de nodige maatregelen te nemen om haar fiscale verplichtingen vooralsnog (tijdig) te kunnen voldoen. Uit geen enkel gegeven blijkt dat verweerster in hoger beroep haar mandataris zou aangemaand hebben het nodige te doen, noch dat zij hierop nauwgezet heeft toegezien.

De verplichting tot het indienen van de klantenlijst, gaat uit van de noodzaak om de financiën van de Staat te beschermen tegen diegenen die deze zouden kunnen ontwrichten door hun onachtzaamheid of misbruik. De klantenlisting geeft belangrijke informatie over de relaties die men onderhoudt met ander belastingplichtigen.

Zelfs wanneer dit een nihil- klantenlisting betreft diende verweerster in hoger beroep deze toch in te dienen voor het jaar 2013.

Er is dan ook gezien de concrete omstandigheden geen sprake van een louter onachtzame belastingplichtige.

Verweerster in hoger beroep werd expliciet gewezen op het bestaan van de door haar overtreden verplichting en liet na het nodige te doen zodat de inbreuk een ernstig karakter vertoont die het opleggen van een boete van 3.000 euro in alle redelijkheid rechtvaardigt.

Rekening houdende met de concrete gegevens van onderhavige zaak maakt de omvang van de boete geen buitensporige last uit, die het verder bestaan van de meeste bedrijven in het gedrang zou brengen. De financiële toestand van verweerster in hoger beroep is niet dermate dat ze een dergelijke financiële last niet zou kunnen dragen. De financiële toestand van verweerster in hoger beroep is evenmin een rechtvaardiging voor het niet voldoen van haar fiscale verplichtingen. De boete werd te dezen zelfs al volledig betaald.

Het hof is te dezen van oordeel dat er onvoldoende elementen worden aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete van 3.000 euro onevenredig zou zijn met de aard en de ernst van de begane inbreuken en de concrete gegevens van de zaak.

De gepleegde inbreuk (niet-indiening klantenlijst 2013) ligt niet buiten de wil van verweerster in hoger beroep en is haar volledig toerekenbaar.

Het hof oordeelt dat de boete .van 3.000 euro wettelijk is, voldoende gemotiveerd is en evenredig Is met de aard en de ernst van de feiten en dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet In die maatregel zou hebben voorzien.

2.2 De rechtspleqinqsverqoedinq

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient verweerster in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

De Belgische Staat was In eerste aanleg niet vertegenwoordigd door een advocaat.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 780 euro.

De kosten worden In hoofde van eiser in hoger beroep vereffend zoals bepaald in het beschikkend gedeelte.

Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep In overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van de Belgische Staat op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op 780 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken In de openbare zitting van 09 januari 2018 door

Ondertekeningen

Textes cités

4
CTVA art. 706 occurrences
AR no 44 art. 11 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8