Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 02.02.2001
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSEL, 25ste KAMER
AR 97/995/A
VERZET TEGEN DWANGBEVEL INZARE BTW
EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK
In de zaak :
de NV M., met maatschappelijke zetel te …, …, H.R.·… : …;
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. H. V., advocaat te …, …;
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de heer R. S., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57;
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. J. D. loco mr. J. H., advocaat te …, …;
In deze zaak, in beraad genomen op 3 januari 2001, spreekt de Rechtbank volgend vonnis uit :
Gelet op de door de wet vereiste procedure stukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder :
- de geding inleidende dagvaarding op 13 januari 1997 op verzoek van de NV M., hierna genoemd 'eiseres', betekend aan de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer R. S., Ontvanger van het BTWontvangkantoor te Vilvoorde, hierna genoemd 'verweerder',
- de conclusies en de aanvullende conclusies ter griffie neergelegd door eiseres op respectievelijk 30 december 1997 en 1 september 2000,
- de conclusies en de aanvullende conclusies ter griffie neergelegd door verweerder op respectievelijk 4 november 1997 en 23 januari 1998,
Gehoord de raadslieden der partijen in hun pleidooien ter zitting van 3 januari 2001, datum waarop de overtuigingsstukken van appellant neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd;
1. Feiten en procedurevoorgaanden
1.1. Eiseres kocht hij notariële akte van 28 december 1994 een gedeelte van een hotel- en kantorencomplex, hierna genoemd "MP C.", gelegen te …, …, met toepassing van de BTW.
De verschuldigde BTW bedroeg 24.587.700 fr.
Het MP C. werd aangekocht op de gespecificeerde aanwijzingen van de BVBA E. C., met wie eiseres op 27 december 1994 een overeenkomst van onroerende financieringshuur afsloot.
Deze onroerende financieringshuur werd overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b van het BTW-wetboek aan de BTW onderworpen.
De BVBA E. C. werd op 20 juli 1995 failliet verklaard. De curatoren zetten de activiteit van de vennootschap verder tot 31 oktober 1995.
Op 28 oktober 1995 sloot eiseres met de NV B. P. een overeenkomst waarbij overeengekomen werd de onroerende leasing van 27 december 1994 verder te zetten vanaf 1 november 1995.
Eiseres nam de BTW die zij verschuldigd was op de aankoop van het MP C. bijgevolg op in haar eerste periodieke BTW-aangifte die betrekking had op het vierde kwartaal van 1995. De door eiseres aan de Schatkist verschuldigde BTW volstond niet om de volledige compensatie te bekomen van de voormelde in aftrek genomen BTW, zodat eiseres om teruggaaf van het resterend saldo van 22.268.023 fr. verzocht in haar periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 1996. Dit belastingkrediet maakte het voorwerp uit van een inhouding op grond van artikel 81, § 3, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over toegevoegde waarde. Deze inhouding werd gedaan op 18 juni 1996 ingevolge een proces-verbaal van 14 juni 1996, opgemaakt door mevrouw H. D. W., hoofdcontroleur bij de BTW-administratie, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld door de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, vierde Inspectie Gent.
Het proces-verbaal voorziet een totaal aan BTW te betalen som van 22.128.930 fr., gebaseerd op een herberekening van de afgetrokken BTW : 9/10 voor de jaren 1995 tot en met 2003, zijnde 24.587.700 fr. x 9/10 = 22.128.930 fr.
De heer R. S., Ontvanger van het BTWontvangkantoor te Vilvoorde, vaardigde op 22 oktober 1996 een dwangbevel uit, dat uitvoerbaar verklaard werd op 28 oktober 1996 en waarvan een afschrift aan eiseres betekend werd op 28 november 1996, ter invordering van de volgende bedragen :
als belasting over de toegevoegde waarde : 22.128.390 fr.
als geldboete krachtens artikelen 70 en 71 van het BTW-wetboek : 4.424.000 fr.
bedragen te vermeerderen met de moratoire interesten en de vervolgingskosten
1.2. Eiseres tekende op 13 januari 1997 tegen dit dwangbevel verzet aan.
2. De standpunten van partijen
2.1. Verweerster is van oordeel dat eiseres de in aftrek gebrachte BTW geheven op de aankoop van het MP C. ten belope van 9/10, hetzij voor een bedrag van 22.128.390 fr., moet herzien, aangezien het MP C. sedert 1 november 1995 door eiseres niet langer aangewend wordt voor de aan de BTW onderworpen activiteit.
De overeenkomst die eiseres op 28 oktober 1995 met de NV B. P. afsloot en genoemd "overname leasingovereenkomst" is volgens verweerster in werkelijkheid een overeenkomst van onroerende verhuur, die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° van het BTW-wetboek vrijgesteld is van BTW.
Verweerster besluit tot de toepassing van artikel 45 van het BTW-wetboek betreffende voorwaarden voor het recht op aftrek van de BTW, en de bepalingen betreffende het stelsel van de herziening van de aftrek van BTW op bedrijfsmiddelen (artikel 48, § 2 van het BTW-wetboek, artikelen 10 en 11 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).
2.2. Eiseres steunt haar verzet op de overeenkomst van 28 oktober 1995, die volgens haar bevestigt dat de onroerende financieringshuur van 27 december 1994 tussen haar en de BVBA E. C. met ingang van 1 november 1995 verder gezet wordt tussen haar als leasinggever en de NV B. P. als nieuwe leasingnemer, overeenkomstig dezelfde modaliteiten en met inachtname van de reeds verlopen huurtermijn.
Eiseres verwijst naar de Aanschrijving 10/1973 van 15 maart 1973 inzake de financieringshuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden, nrs. 57-59, op grond waarvan een onroerende financieringshuur ingeval van overdracht ervan door de oude leasingnemer aan een nieuwe leasingnemer geacht wordt voortgezet te worden onder dezelfde modaliteiten.
3. Beoordeling
3.1. De overeenkomst van 28 oktober 1995 getiteld "overname leasingovereenkomst".
Deze overeenkomst die eiseres afsloot met de NV B. P. bepaalt : "Partij 1 en partij 2 komen overeen deze onroerende leasingovereenkomst (de overeenkomst van onroerende financieringshuur van 27 december 1994) verder te zetten volledig conform de modaliteiten van de overeenkomst tussen BVBA E. C. en partij 1. Deze overeenkomst gaat in op 1.11.1995 en zal de duurtijd van de oorspronkelijke overeenkomst volledig volgen".
De curator van het faillissement van de BVBA E. C. bevestigde in een schrijven van 21 februari 1997 gericht aan de NV B. P. dat "de overeenkomst van onroerende leasing onder voorwaarde van akkoord van de NV M. en met subrogatie van de NV B. P. in alle verplichtingen van de BVBA E. C. werd overgedragen aan de NV B. P.".
3.2. De vaste datum
Verweerder merkt op dat de overeenkomst van onroerende financieringshuur van 27 december 1994 noch de overeenkomst van "overname leasingovereenkomst" van 28 oktober 1995 ter registratie aangeboden werd en besluit hieruit dat deze akten ten overstaan van de administratie geen vaste dagtekening gekregen hebben.
Verweerder merkt op dat daarenboven aan de controleagent mevrouw H. D. W. eerst een overeenkomst van onroerende financieringshuur zonder datum overgemaakt werd, en op 22 mei 1996 een overeenkomst van onroerende financieringshuur op datum van 27 december 1994.
Eiseres antwoordt op goede gronden dat verweerder in haar hoedanigheid van openbare macht die een belasting vestigt niet kan beschouwd worden als een privaatrechtelijke derde.
De notie "derde" is immers eigen aan het privaatrecht, daar waar het fiscaal recht in wezen tot het publiek recht behoort. De fiscus oefent geen rechten uit, hij is enkel gehouden tot een wettelijke taak belastingen te heffen op basis van belastbare elementen zoals die door de belastingplichtige werkelijk tot stand gebracht werden. Het is de fiscus niet toegestaan, vanuit een positie van beschermde derde, bepaalde bestaande elementen te negeren of anders te interpreteren. De fiscus is integendeel verplicht alles in het werk te stellen om de werkelijkheid te achterhalen zoals die voor de belastingplichtige zelf bestaat (M. GHYSELEN, Fiscale gevolgen van nietige rechtshandelingen, Kalmthout, Biblo, 1996, nr. 228). Zo kan de fiscus geen aanspraak maken op de toepassing van artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt onder welke voorwaarden een overeenkomst vaste datum heeft ten opzichte van derden. De werkelijke datum van een rechtshandeling kan zowel door de belastingplichtige als door de administratie door alle middelen van recht bewezen worden (ibid., nr. 231, en rechtspraak aldaar).
Te dezen wordt de werkelijke datum van zowel de overeenkomst van onroerende financieringshuur als van de overeenkomst van "overname leasingovereenkomst" aangetoond door de facturen die eiseres aan haar medecontractanten uitreikte, te weten de BVBA E. C. van januari 1995 tot 31 oktober 1995, en vervolgens de NV B. P. sedert 1 november 1995. Die facturen omschrijven het voorwerp van de prestatie als "leasingtermijn (maand) E. C.. Ligging : …, …". Verweerder stelt niet dat het fictieve facturen betreft en dat er dan ook geen dienst is geweest.
Verder merkt eiseres terecht op dat verweerder zelf zich beroept op de beide overeenkomsten en dan ook die akten in hun geheel moet aanvaarden : artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek beschermt enkel de derden tegen dewelke een onderhandse akte, zonder vaste datum, ingeroepen wordt; derden die zich op de akte beroepen moeten de akte in haar geheel aanvaarden en het behoort eventueel aan hen het bewijs te leveren van de valsheid van de datum (F. WERDEFROY, Registratierechten, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1991, nr. 252).
Dat er een onderhandse verkoopovereenkomst van 1 december 1994 bestaat, die door verweerder overgelegd wordt, die vaststelt dat zij dateert van vóór de overeenkomst van onroerende financieringshuur van 27 december 1994, is niet terzake dienend, aangezien de authentieke verkoopakte dateert van 28 december 1994 die dateert van na de overeenkomst van onroerende financieringshuur.
3.3. De aanschrijving nr. 10/1973 van 15 maart 1973 inzake de financieringshuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden.
Deze aanschrijving bepaalt onder·nummer 57 dat de overdracht van huur door de leasingnemer niet tot gevolg heeft dat de handeling buiten de werkingssfeer van artikel 44, § 3, 2°, b, van het BTW-wetboek komt te staan op voorwaarde dat :
de leasingnemer het geheel van zijn rechten overdraagt
de overnemer gesubrogeerd wordt in al de verplichtingen van de oorspronkelijke leasingnemer, onder voorbehoud dat de leasinggever de mogelijkheid heeft verhaal uit te oefenen op de oorspronkelijke leasingnemer indien de overnemer in gebreke blijft.
de overnemer de goederen bestemt voor zijn economische activiteit.
Eiseres voert aan dat de leasingnemer het geheel van zijn rechten overdroeg aan de NV B. P..
3.4. De huuroverdracht met volledige subrogatie van de overnemer in al de verplichtingen van de oorspronkelijke leasingnemer.
Eiseres voert aan dat de BVBA E. C. H. haar rechten en verplichtingen onder de overeenkomst van onroerende financieringshuur van 27 december 1994 overdroeg aan de NV B. P..
Zij stelt "dat deze overname zonder bijzonder geschrift plaatsvond. Dat de overdracht van een huurcontract tussen partijen evenwel niet aan enige formaliteit onderworpen is" (conclusie, blz. 6).
De contractoverdracht mag dan wel aan geen vormvereiste onderworpen zijn, zij moet wel bewezen worden. Aangezien de contractoverdracht ingrijpt in de rechtspositie van zowel de overnemer, de overdrager als de wederpartij, is de toestemming van alle betrokken partijen vereist (E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, nr. 69).
De overeenkomst van 28 oktober 1995 van "overname leasingovereenkomst" is ondertekend door eiseres en de NV B. P., respectievelijk wederpartij en overnemer, en bewijst zodoende de toestemming van deze partijen. De BVBA E. C., overdrager, is geen partij bij die overeenkomst, die zij overigens niet ondertekende.
In die overeenkomst van 28 oktober 1995 wordt niet eens verwezen naar de door eiseres aangevoerde overeenkomst van huuroverdracht, die de BVBA E. C. met de NV B. P. zou afgesloten hebben.
De overeenkomst van 28 oktober 1995 bewijst niet de aangevoerde overeenkomst van overdracht van huur die de BVBA E. C. zou afgesloten hebben.
Het schrijven van 21 februari 1997 van de curator van het faillissement van de BVBA E. C. bewijst evenmin de toestemming van de overdrager. De curator mag dan wel een gerechtelijk mandataris zijn, dit volstaat niet om aan zijn verklaring bewijswaarde te hechten.
Overigens duidt de curator niet eens de datum van de aangevoerde overeenkomst, de overnameprijs en andere modaliteiten aan, zoals onder meer de door de aanschrijving nr. 10.1973 gestelde voorwaarde van het voorbehoud dat de leasinggever de mogelijkheid heeft verhaal uit te oefenen op de oorspronkelijke leasingnemer indien de overnemer in gebreke blijft.
De door eiseres aangevoerde contractoverdracht is niet bewezen.
3.5. De herziening
Verweerder verdedigt op goede gronden het standpunt, dat door eiseres subsidiair niet betwist wordt, dat de overeenkomst van 28 oktober 1995 een overeenkomst van onroerende verhuur is, die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek vrijgesteld is van BTW.
Eiseres en de NV B. P. beoogden met hun overeenkomst van 25 oktober 1995 wel verbintenissen van een overeenkomst van onroerende financieringshuur aan te gaan “conform de modaliteiten van de overeenkomst tussen de BVBA E. C. en partij 1 (eiseres)". Bij ontstentenis van een bewezen contractoverdracht is hun overeenkomst, voor BTW-doeleinden, geen overeenkomst van onroerende financieringshuur : het voorwerp van de overeenkomst, het MP C., werd immers niet verkregen op de gespecificeerde aanwijzingen van de leasingnemer, de NV B. P., wat één van de voorwaarden is gesteld in het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 opdat de overeenkomst van onroerende financieringshuur zou onderworpen zijn aan de BTW.
De overeenkomst van 28 oktober 1995 is voor BTW-doeleinden geen overeenkomst van onroerende financieringshuur (Beslissing nr. ET 27.331, 8 februari 1979, BTW-Rev., nr. 40, 477, nr. 691), maar een overeenkomst van onroerende verhuur (M. MORIS, Le leasing immobilier, R.G.F., 1999, 56).
Het bedrijfsmiddel wordt gebruikt ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, zodat overeenkomstig artikel 10, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 een herziening moet verricht worden.
Het verzet is ongegrond.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd,
Rechtsprekend na tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,
Verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond,
Wijst eiseres ervan af,
Veroordeelt eiseres tot de kosten, in hare hoofde 'begroot op het bedrag van 22.207 fr. (akte van verzet : 9.307 fr. rechtsplegingsvergoeding : 12.900 fr.) en in hoofde van verweerder op het bedrag van 18.515 fr. (rechtsplegingsvergoeding : 12.900 fr.; betekening dwangbevel : 5.615 fr.).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 25ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 2 februari 2001,
waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer A. V., kamervoorzitter,
de heer J.G. P., rechter,
de heer F. G., rechter,
mevrouw T. C., afgevaardigd adjunct-griffier;
nietige lijnen en nietige woorden
T. C. E. G. J.G. P. A. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.