Parcours procédural
2 étapes · 3 ans 7 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Hasselt18.10.2006
- Décision affichéeCour d'appel d'Anvers18.05.2010
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 18.05.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
Zitting van : 18/5/2010
In zake : 2006/AR/3217
A. G. S. P., met zetel te …, …;
appelIante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 oktober 2006;
vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …;
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der directe belastingen, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de Directe Belastingen te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47;
3. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur BTW-controlekantoor BREE, waarvan de kantoren gevestigd is te 3960 Bree, Grauwe Torenwal 2;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 oktober 2006, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 1 december 2006, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.
Gelet op het tussenarrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, zesde kamer, van 30 september 2008.
Gelet dat partijen ter terechtzitting van 23 november 2009 zich akkoord verklaren om de kwestieuze zaak te hernemen voor de gewijzigde samenstelling van de Zesde Kamer.
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies
1. Feiten en voorafgaandelijke procedure
1.1. Het autonoom gemeentebedrijf "S. P." is geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer BE …) voor de activiteit van projectontwikkeling en handel in onroerende goederen.
1.2. Op 1 juni 2004 heeft de Administratie van de BTW, registratie en domeinen een controle doorgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten. De controle had in het bijzonder betrekking op twee contracten van onroerende leasing die het A. G. S. P. had afgesloten met de VZW D. en de VZW G. B.G.J.G Limburg, respectievelijk op 20 juni 2002 en 15 oktober 2002.
Na controle van de overeenkomsten van onroerende financieringshuur kwam de fiscale administratie tot het besluit dat de contracten niet beantwoordden aan de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, b W.BTW en dus niet konden aangemerkt worden als een met BTW belastbare overeenkomst van onroerende financieringshuur. Daaruit volgde dat appellante met betrekking tot deze verrichtingen, volgens de fiscale administratie, de BTW ten onrechte in aftrek had gebracht. Concreet ging het om de BTW die aangerekend was op facturen die opgesteld waren in 2002 en 2003 en die opgenomen zijn in het inkomend factuurboek van appellante van 2002 respectievelijk 2003 (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 1, blz. 3). De BTW met betrekking tot deze inkomende facturen werd in aftrek gebracht in de BTW-aangifte betreffende het eerste kwartaal van 2004.
1.3. De controle resulteerde in een correctie-opgave die werd opgesteld op 3 juni 2004 en waarin de fiscale administratie appellante uitnodigde om over te gaan tot de betaling van :
- … EUR als BTW
- … EUR proportionele fiscale geldboete, verminderd overeenkomstig de bepalingen van het K.B. nr. 41 (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 1, blz. 2).
1.4. Op 7 juni 2004 laat appellante weten dat zij niet akkoord gaat met de voorgestelde regularisatie (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 2). Volgens haar betreffen de afgesloten contracten wel met BTW belastbare verrichtingen.
1.5. Op 24 juni 2004 wordt aan het A. G. S. P. kennisgeving gedaan van een akte van inhouding, op grond van artikel 8/1, § 3, al. 4 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 3). De inhouding heeft betrekking op een bedrag van … EUR en stemt overeen met het saldo van de rekening-courant, in het voordeel van appellante, op 30 april 2004. Het saldo in het voordeel van appellante vloeit voort uit de periodieke BTW-aangifte die appellante heeft gedaan met betrekking tot het eerste kwartaal van het jaar 2004 (bijlage nr. 1 bij de conclusies van appellante en stuk nr. 3 van de bundel met stukken van geïntimeerde, blz. 2, nr. 5). Op 25 juni 2004 bevestigt de bevoegde ambtenaar van de BTW-controle te Bree, in een verklaring van derde beslagene, dat de administratie van de BTW, registratie en domeinen schuldenaar is, ten aanzien van appellante, van een bedrag van … EUR (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 4).
1.6. Op 12 juli 2004 dagvaardt appellante de Belgische Staat voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt met het verzoek de Belgische Staat te veroordelen tot de teruggave van het BTW-tegoed van … EUR, te vermeerderen met de interesten (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 5).
1.7. Op 13 oktober 2004 stelde de bevoegde ambtenaar, verbonden aan het BTW-controlekantoor te Bree een proces-verbaal op waarin de bevindingen van de fiscale administratie over de afgesloten onroerende financieringshuurcontracten werden opgenomen en appellante verplicht wordt om aan de Belgische Staat de volgende sommen te betalen :
- … EUR als BTW
- … EUR verminderde proportionele geldboete
- de wettelijke interest over … EUR, berekend tegen 0,8 % per maand, vanaf 21 april 2004 (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 7).
1.8. Op 18 oktober 2004 wordt door de bevoegde ambtenaar van het tweede BTW-ontvangkantoor van Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 oktober 2004 uitvoerbaar wordt verklaard door de ambtenaar daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 8).
Van het dwangbevel wordt op 7 maart 2005, bij aangetekende brief, kennis gegeven aan appellante. Met het dwangbevel vordert de fiscale administratie van appellante de belasting (… EUR), de verminderde proportionele geldboete (… EUR) en de wettelijke interesten (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 9).
1.9. Op 18 maart 2005 legt appellante een verzoekschrift neer waarmee zij verzet aantekent tegen het uitgevaardigde dwangbevel.
1.10. De eerste rechter heeft de twee vorderingen van het A. G. S. P. samengevoegd en vervolgens ontvankelijk maar ongegrond verklaard.
1.11. Op 1 december 2006 heeft appellante een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd op de griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen met het verzoek om het vonnis van de eerste rechter te vernietigen, het dwangbevel nietig te verklaren en de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die de Belgische Staat uit hoofde van de betwiste vordering reeds heeft geïnd of ingehouden.
1.12. Op 30 september 2008 heeft het Hof een tussenarrest geveld. Het Hof besliste dat de betwiste leasingcontracten niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als met BTW belastbare overeenkomsten van onroerende financieringshuur. Volgens het Hof heeft appellante niet aangetoond dat het totale bedrag van de sommen die de leasingnemer op grond van de respectievelijke overeenkomsten moet betalen tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de optie, haar in staat stellen het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen (punt 2.6 van het tussenarrest van 30 september 2008).
Hieruit volgt dat appellante in haar periodieke aangifte ten onrechte een bedrag van … EUR onder de aftrekbare BTW heeft gebracht.
Met betrekking tot de door de Belgische Staat gevorderde interesten stelde het Hof vast dat de partijen hieromtrent "al te veel verspreid" en "over verschillende elkaar opvolgende conclusies" argumenten hebben ontwikkeld. Het Hof besliste daarom dat de zaak niet volledig in staat was en nodigde partijen uit hierover duidelijkheid te verschaffen, "gelet op het feit dat er nu moet vanuit gegaan worden dat appellante ten. onrechte BTW in aftrok heeft gebracht en dat de Belgische Staat - al of niet volledig - de door haar geclaimde sommen heeft ingehouden."
Het Hof verzond de zaak naar de bijzondere rol om partijen toe te laten de zaak verder in staat te stellen. De beslissing over de kosten werd aangehouden.
2. Standpunten van de partijen
2.1. Appellante
In haar conclusies na het tussenarrest van 30 september 2008 wijst appellante erop dat de fiscale administratie ten onrechte een dwangbevel heeft uitgevaardigd met het oog op de invordering van een bedrag van … EUR, vermeerderd met boete en interest. Een dwangbevel mag volgens haar enkel uitgevaardigd worden voor de verschuldigde BTW en niet voor een weigering van een door de belastingplichtige gevraagde teruggaaf.
Voor het eerste kwartaal van 2004 is volgens appellante een BTW verschuldigd van … EUR. Alleen in functie van dat bedrag mag de BTW-administratie interest en boete heffen.
Appellante verzoekt het Hof het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen, het dwangbevel nietig te verklaren en de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel zijn betaald.
2.2. Geïntimeerde
Geïntimeerde verwijst naar de, weliswaar door appellante betwiste, correctieopgave van 3 juni 2004, waaruit "duidelijk blijkt dat er door appellante overtredingen werden begaan welke resulteerden in een bedrag aan te betalen BTW van … €". Om die reden "was de administratie volkomen gerechtigd, conform artikel 8/1, § 3, 4de lid van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969. het belastingtegoed van appellante in te houden".
Geïntimeerde wijst erop dat de procedure die het K.B. nr. 4 voorschrijft met betrekking tot de inhouding van het belastingkrediet, correct werd nageleefd : een akte van inhouding werd opgesteld en appellante werd van de inhouding in kennis gesteld.
Wegens het uitblijven van een minnelijke regeling heeft de fiscale administratie later een proces-verbaal opgesteld en een dwangbevel uitgevaardigd. Volgens geïntimeerde heeft de administratie "enkel gebruik gemaakt van de wettelijk ter beschikking staande middelen om enerzijds de inhouding lastens appellante te verrichten en anderzijds de vordering die de administratie lastens haar had kenbaar te maken".
In de laatste besluiten na het tussenarrest van 30 september 2008 vordert geïntimeerde van appellante nog een bedrag als BTW van … EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 21 mei 2004.
Geïntimeerde redeneert hierbij als volgt :
(1) uit het proces-verbaal van 13 oktober 2004 blijkt dat appellante verschuldigd is :
- als BTW : … EUR, te vermeerderen met een interest van … EUR voor de periode van 21 april 2004 tot en met 20 mei 2004;
- als geldboete : … EUR. (op grond van artikel 70, § 1 W.BTW).
(2) aangezien het Hof van Beroep van Antwerpen in zijn tussenarrest van 30 september 2008 de vordering van de administratie gegrond heeft verklaard, wordt het ingehouden belastingkrediet van … EUR toegerekend op de openstaande schuld en bij voorrang op de interesten en de administratieve geldboete;
(3) na deze toerekening blijft er nog een te betalen saldo over van … EUR als BTW.
3. Beoordeling
3.1. Het Hof verwijst naar het tussenarrest van 30 september 2008 waarin het tot het besluit komt dat de betwiste leasingcontracten niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als met BTW belastbare overeenkomsten van onroerende financieringshuur. Daaruit volgt dat appellante uit hoofde van deze contracten ten onrechte een bedrag van … EUR BTW heeft afgetrokken. Na het tussenarrest vordert geïntimeerde nog een bedrag van … EUR als BTW, te vermeerderen met de interesten vanaf 21 mei 2004.
Appellante is van oordeel dat het niet aanvaarden van een gedeelte van de afgetrokken BTW tot gevolg heeft dat zij voor het eerste kwartaal van het jaar 2004 aan de Schatkist een BTW verschuldigd is van … EUR (i.p.v. … EUR) waarop zij erkent interesten verschuldigd te zijn.
3.2. Op grond van artikel 91, § 1, 1° W.BTW is van rechtswege een interest van 0,8 % per maand verschuldigd wanneer de belasting niet is voldaan binnen de wettelijke termijn. De uiterste datum voor de betaling van de belasting met betrekking tot de handelingen van het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2004 was 20 april 2004. Daaruit volgt dat interesten verschuldigd zijn vanaf 21 april 2004.
3.3. De wet bepaalt dat interest verschuldigd is over de verschuldigde belasting. Er moet onderzocht worden of, en eventueel in welke mate, de vordering van geïntimeerde betrekking heeft op 'verschuldigde belasting'.
3.4. Uit het artikel 51, § 1, 1° W.BTW volgt dat een BTW-belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht, de belasting verschuldigd is. Onder de verschuldigde belasting is in principe te verstaan, de BTW die wettelijk verschuldigd is over de maatstaf van heffing van de verrichte belastbare leveringen en diensten (WILLE, P., BORGER, F. en GOVERS, M., Handboek BTW 2009-2010, uitgeverij Intersentia, nr. 10.1, blz. 393). Daarnaast is er het artikel 45, § 1 W.BTW dat elke BTW-belastingplichtige het recht geeft om op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek te brengen die geheven is van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen. Artikel 47 W.BTW specifieert dat de aftrek wordt toegepast op de belasting over de toegevoegde waarde die door de belastingplichtige verschuldigd is over het tijdvak waarin het recht op aftrek is ontstaan (alinea 1). Indien het af te trekken bedrag meer bedraagt dan dat van de belasting terzake van de door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten, dan wordt het overschot overgebracht naar het volgende tijdvak (alinea 2).
Artikel 76 W.BTW, zoals het van toepassing was ten tijde van de indiening van de aangifte, bepaalt het volgende :
“§ 1. Wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige (...), dan wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige ".
Alinea 2 van artikel 76 geeft de Koning de bevoegdheid om het overschot reeds terug te geven vóór het einde van het kalenderjaar.
3.5. Uit de aangehaalde wetteksten blijkt dat de verschuldigde belasting die een BTW-belastingplichtige moet voldoen, de BTW is die hij verschuldigd is over de belastbare handelingen waarvoor de wet hem als schuldenaar van de BTW aanduidt.
Op de verschuldigde belasting mag de belasting aangerekend worden die op grond van de artikelen 45 tot 48 W.BTW voor aftrek in aanmerking komt.
Als de fiscale administratie tijdens een controle vaststelt dat de belastingplichtige de verschuldigde belasting heeft verminderd met bedragen die op grond van de artikelen 45 tot 48 W.BTW niet voor aftrek in aanmerking komen zodat de belastingplichtige niet alle belasting die hij verschuldigd is aan de Schatkist heeft overgemaakt, dan heeft zij het recht om van de BTW-belastingplichtige de ontbrekende belasting te vorderen. Indien de fiscale administratie tot de vaststelling komt dat de belastingplichtige niet op alle belastbare handelingen die hij gesteld heeft, de wettelijk verschuldigde BTW heeft voldaan, dan heeft zij eveneens het recht om de ontbrekende BTW te vorderen. Het aldus gevorderde bedrag heeft dan telkens betrekking op de BTW waarvan de BTW-belastingplichtige wettelijk schuldenaar is, maar die hij als gevolg van een overtreding van de' BTW-wetgeving niet heeft voldaan.
3.6. In het voorliggend geval wordt vanaf de opstelling van de correctie-opgave op 3 juni 2004 van appellante een som gevorderd van … EUR "als belasting over de toegevoegde waarde". De fiscale administratie herhaalt deze kwalificatie in de akte van inhouding (op 24 juni 2004), in het proces-verbaal (van 13 oktober 2004) en in het uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel (van 29 oktober 2004).
Volgens het Hof kwalificeert de fiscale administratie het totale bedrag van … EUR ten onrechte als belasting over de toegevoegde waarde. Zoals reeds aangehaald, stemt het litigieuze bedrag overeen met het bedrag waarvan zowel de fiscale administratie als dit Hof in zijn tussenarrest van 30 september 2008, de aftrek niet aanvaarden.
Aangezien het bedrag van … EUR niet voor aftrek in aanmerking komt, is appellante, op grond van haar tijdig ingediende aangifte voor het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2004 een belasting verschuldigd van … EUR. Deze belasting is verschuldigd wegens door haar verrichte leveringen van goederen of dienstprestaties. Op grond van de artikelen 45tot 48 W.BTW mag appellante daarvan de BTW aftrekken die geheven is van de aan haar geleverde goederen en verleende diensten. In haar aangifte heeft appellante een bedrag van … EUR afgetrokken. Zoals gezegd komt daarvan … EUR niet voor aftrek in aanmerking. De verschuldigde belasting voor het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2004 bedraagt bijgevolg … EUR.
Het Hof besluit dan ook dat de Belgische Staat enkel dit bedrag van … EUR kan vorderen van appellante. Het saldo van de vordering van geïntimeerde, zijnde het verschil tussen … EUR en … EUR, d.w.z. … EUR stemt overeen met het bedrag waarvan appellante de teruggaaf wel uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar terecht niet heeft verkregen. Appellante heeft dit bedrag nooit ontvangen en de Belgische Staat heeft geen recht om de (terug)betaling van dit bedrag te vorderen van appellante. De Belgische Staat toont ook niet aan dat dit bedrag betrekking heeft op BTW die appellante verschuldigd zou zijn als gevolg van door haar verrichte belastbare leveringen of diensten of als gevolg van handelingen waarvoor het wetboek haar als schuldenaar van de BTW aanduidt.
3.7. In verband met de discussie over de rechtsgeldigheid van het uitgevaardigd dwangbevel, wijst het Hof op artikel 85, § 1 W.BTW. Deze wettelijke bepaling geeft de met invordering belaste ambtenaar het recht, en tevens de verplichting, om een dwangbevel uit te vaardigen "bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren".
Het Hof verwijst naar de hogervermelde overwegingen en herhaalt dat in het voorliggend geval, appellante een belasting verschuldigd is van … EUR met betrekking tot de handelingen van het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2004. Bij gebrek aan betaling· kon de fiscale administratie enkel voor dit bedrag een dwangbevel uitvaardigen. De administratie toont, zoals gezegd, niet aan dat een·bedrag van … EUR als belasting verschuldigd is.
In het raam van de belasting over de toegevoegde waarde is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting; anderzijds is het dwangbevel ook een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld (Cass. 20 maart 2008, R.W. 2009-2010, afl. 31, blz. 1306, verkorte weergave).
Aangezien het Hof van oordeel is dat de fiscale administratie slechts het recht heeft om in casu een belasting in te vorderen van … EUR, volgt daaruit dat de administratie niet mag beschikken over een uitvoerbare titel die haar toelaat een bedrag van … EUR in te vorderen. Het bestaande uitgevaardigde dwangbevel moet dan ook vernietigd worden.
3.8. Wat de opgelegde boete betreft, stelt het Hof vast dat de beide partijen bet erover eens zijn dat de boete bepaald wordt op grond van art. 70, § 1 W.BTW wegens het overtreden van de verplichting om de belasting te voldoen; deze boete wordt rechtsgeldig verminderd conform het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987.
4. Rechtsplegingsvergoeding
Het Hof stelt vast dat appellante in de conclusies van 22 mei 2008 en 24 juni 2008 de gevorderde rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep bepaalt op … EUR. In haar conclusies van 15 januari 2009 vordert appellante een rechtsplegingsvergoeding van … EUR. Het Hof gaat er van uit dat deze laatst gevorderde vergoeding berust op een schrijffout van appellante (zoals dat ook al het geval was in de conclusies van 22 mei 2008) en dat appellante effectief een rechtsplegingsvergoeding van … EUR vordert.
Geïntimeerde vorderde aanvankelijk een rechtsplegingsvergoeding van … EUR (synthesebesluiten van 8 augustus 2007). In de laatste besluiten (van 1 december 2008) wordt, naar het oordeel van het Hof, definitief een rechtsplegingsvergoeding gevorderd van … EUR.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak en na herneming van de zaak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, elfde kamer, van 18 oktober 2006, voor zover het beslist dat de contracten van onroerende financieringshuur die het A. G. "S. P." heeft afgesloten met de VZW D. (op 20 juni 2002) en met de VZW G. B.G.J.G. Limburg (op 15 oktober 2002) niet kunnen aangemerkt worden als met BTW belaste overeenkomsten en dat het A. G. uit hoofde van deze contracten bijgevolg geen recht op aftrek heeft van de betaalde BTW en dus ook niet op de teruggaaf van een som van … EUR.
Zegt voor recht dat het A. G. voor het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2004 aan de Staat BTW verschuldigd is voor een bedrag van … EUR, te vermeerderen met de verminderde boete ( op grond van artikel 70, § 1 W.BTW en het K.B. nr. 41) en met de interesten (op grond van artikel 91, § 1 W.BTW).
Hervormt het bestreden vonnis, voor zover het beslist dat het dwangbevel terecht is uitgevaardigd.
Verklaart het dwangbevel nietig en beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel werden geïnd.
Veroordeelt iedere partij tot zijn kosten van het geding, en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ACHTTIEN MEI TWEEDUIZENDENTIEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. G., Raadsheer;
L. M., plaatsvervangend Raadsheer;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. L. M. M. G. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.