Droit à restitution, Conditions générales du droit à restitution · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 8 juin 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à restitution, Conditions générales du droit à restitution

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-conditions-generales-document-cour-appel-gand-2021-06-08-a3da

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
8 juin 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

170 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 08.06.2021

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée - Droit à restitution – Conditions générales du droit à restitution - Document rectificatif –Apurement du déficit – Liquidation du passif - Faillite - Principe de neutralité

Dispositions légales

Article 79, § 1er du Code de la TVA

Article 4, § 1er de l’arrêté royal n° 4

Résumé

1) Les faits et le jugement rendu en première instance (Lien vers le jugement)

L’assujettie a été identifiée à la TVA pour des activités économiques d'intermédiaire commercial actif dans le domaine du textile, de l'habillement, de la fourrure, des chaussures et des articles en cuir, ainsi que pour la location et l'exploitation de biens immobiliers résidentiels propres ou loués.

Initialement, l’assujettie déposait des déclarations-TVA trimestrielles. Par la suite et jusqu'au 31 mars 2017, elle a bénéficié du régime de franchise de la taxe prévu à l'article 56bis du Code de la TVA. Au 1er avril 2017, l’assujettie a définitivement cessé ses activités.

Lors d'un contrôle TVA portant sur la période courant du 1er janvier 2015 au 31 mars 2016, l'administration a notamment constaté qu'une restitution de la TVA avait été effectué à tort car l’assujettie n'avait pas établi et délivré un document rectificatif à son cocontractant conformément à l'article 79, § 1er, du Code de la TVA et à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal n° 4.

L’assujettie n'a pas été pas d'accord avec la position prise par l'administration fiscale dans le relevé de régularisation, dans le procès-verbal et dans la contrainte et elle a déposé une requête contradictoire au du greffe du tribunal de première instance de Bruges. Selon l’assujettie, la situation de la liquidation du passif est comparable à une faillite dans laquelle l'administration accepte qu’un document rectificatif ne doit pas être émis.

Le juge siégeant au tribunal de première instance a jugé que, comme dans le cas d'une faillite, il n'est pas nécessaire d'établir un document rectificatif parce qu'il a été établi que la créance a été définitivement perdue et que le document n'est qu'une simple et pure formalité dont la nature consiste en une vérification technique qui ne porte pas atteinte au droit à restitution de la TVA.

Dans le jugement du 3 mars 2020, le tribunal a jugé que l’assujettie avait droit à la restitution de la TVA et a ordonné le remboursement de la TVA indûment payée, de l’amende et des intérêts de retard, y compris les intérêts moratoires.

2) l’Arrêt de la Cour d’appel

Dans ce litige, l'administration rappelle à juste titre l'importance des principes fondamentaux de la neutralité fiscale du système TVA. Quelle que soit la longueur de la chaîne de production et de distribution, les biens seront soumis à la même charge fiscale. Les assujettis ne supportent pas eux-mêmes la TVA, ils sont seulement les collecteurs et les redevables de la taxe. Seuls les assujettis ont le droit de déduire la TVA. La délivrance du document rectificatif est pour le respect de ce principe de base d’une importance essentielle. Le document vise à éviter, d'une part, que la TVA soit remboursée à un assujetti et, d'autre part, que la TVA initialement déduite par le cocontractant ne soit pas remboursée.

L’ensemble de ces formalités et conditions relatives à la facturation aux assujettis à la TVA vise à assurer le respect du principe de neutralité. Les formalités et conditions imposées ne vont pas au-delà de ce qui est nécessaire pour atteindre les objectifs de la loi. La circulaire administrative n° 26 du 31 août 1978 précise que « en cas de perte partielle ou totale de la créance du prix résultant d’une faillite, le fournisseur ou le prestataire de services n'est pas tenu de délivrer à son cocontractant un document rectificatif tel que prévu à l'article 79, § 1er, du Code de la TVA et à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal n° 4 ».

Dans une situation très spécifique, l'administration, en ce qui concerne le curateur d'une faillite, renonce à la récupération de la TVA. La dispense de l'obligation dans le chef du failli de rembourser la taxe qu'il a déduit n'a pas de base légale et n'est qu'une tolérance administrative. Le juge siégeant en première instance ne peut pas étendre la tolérance administrative à d'autres situations sans violer la loi.

Cette tolérance administrative spécifique permet une pratique factuelle qui s’appuie sur un principe déterminé dans un contexte spécifique. Aucune obligation ou base juridique ne peut être établie ou tirée de celle-ci pour pouvoir appliquer cette pratique à d'autres situations (apurement du déficit). Pour cette raison et compte tenu également de la jurisprudence de la Cour de justice, la cour n'estime pas nécessaire de poser une question préjudicielle relative à cette question à la Cour de justice.

Le recours en appel est fondé.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Gent, vijfde kamer

Rol: 2020/AR/994

In de zaak van:

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANClEN. ON 0308.357.159, Minister van Financiën, met burelen te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door KMO Centrum Brugge, Expertise 1, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vlncke- Dujardlnstraat 4, BELGIË, appellant, vertegenwoordigd door X, attaché

tegen

D.I. N.V. ON 044...74, met maatschappelijke zetel te ..., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. D..., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 16 juni 2020 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 3 maart 2020, werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/1956/A.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 mei 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik In gerechtszaken.

2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde was btw-belastingplichtige ingevolge de uitoefening van de volgende economische activiteiten:

- In de periode van 1 Januari 2008 tot 31 maart 2016: handelsbemiddeling in textiel, kleding, bont, schoeisel en lederwaren

- in de periode van 1 april 2016 tot 1 april 2017: verhuur en exploitatie van eigen of geleased residentieel onroerend goed, exclusief sociale woningen.

De geïntimeerde was btw-belastingplichtig, Haar maatschappelijk zetel is gevestigd In .... Van 1 juli 1997 tot 31 maart 2016 viel de geïntimeerde onder het regime van btw-kwartaalaangiften. Nadien en tot 31 maart 2017 was de geïntimeerde onderworpen aan de vrijstellingsregeling van artikel 56bis W.btw. Vanaf 1 april 2017 is het btw-nummer van de geïntimeerde stopgezet.

PM NV IN VEREFFENING was btw-belastingplichtige ingevolge de uitoefening van de economische activiteit van "vervaardiging van andere bovenkleding". Ze diende btw-maandaangiften In. Op 17 april 2014 ging PM NV in vereffening.

De geïntimeerde en PM NV IN VEREFFENING hadden hetzelfde adres en dezelfde aandeelhouders namelijk de heer SAC en mevrouw SM en de heer SAW. Het betroffen klaarblijkelijk verboden vennootschappen.

De geïntimeerde had een schuldvordering op de PM NV IN VEREFFENING en heeft via de btw-aangifte teruggaaf gevraagd van de btw op die vordering. Het gaat om een bedrag aan btw van 48.930,00 EUR.

Op 27.07.2018 hebben de vereffenaars van PM NV IN VEREFFENING geattesteerd dat de vereffening deficitair is en de geïntimeerde haar vordering als verloren moet aanzien. Op 18 oktober 2019 heeft de ondernemingsrechtbank het verdeelplan goedgekeurd met het oog op het afsluiten van de vereffening. Dit plan toont onder meer aan dat de geïntimeerde geen betaling ontvangt van haar facturen als dienstverstrekker.

De geïntimeerde maakte het voorwerp uit van een btw-controle over de periode van 1 januari 2015 tot 31 maart 2016. De administratie oordeelde dat de teruggaaf van btw ten onrechte Is doorgevoerd omdat de geïntimeerde geen verbeterend stuk heeft opgemaakt en uitgereikt aan de medecontractant in de zin van artikel 79, §1 W.btw. en van art. 4, § 1, van het KB nr. 4. Op 22 december 2016 maakte de administratie aan de geïntimeerde een correctieopgave over waarin de teruggaaf wordt gecorrigeerd.

Met een aangetekende brief van 24 januari 2017 heeft de geïntimeerde via haar raadsman geantwoord dat zij het niet eens Is met het standpunt van de administratie.

Per e-mail van 13 maart 2017 heeft de administratie een afschrift gevraagd van de achterliggende facturen, samen met het bewijs dat die werden opgenomen in de verkoopdag-boeken en de resultatenrekening. De geïntimeerde maakte die stukken over per e-mail van 24 maart 2017.

Op 8 september 2017 heeft de administratie een proces-verbaal uitgevaardigd en aangetekend verzonden. Ze blijft bij haar standpunt uit de correctieopgave van 22 december 2016. In het proces-verbaal vordert de administratie van de geïntimeerde de volgende bedragen:

- btw-bedrag € 48.930,00

- boete € 4.890,00

- intresten vanaf 21 april 2016

Bij aangetekende brief van 13 oktober 2017 heeft geïntimeerde via haar raadsman een administratief bezwaarschrift ingediend.

Bij beslissing van 5 april 7018 heeft de administratie het bezwaarschrift afgewezen.

Bij gebrek aan betaling werd op 12 april 2018 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel met referte 500...04, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 april 2018 voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 8 september 2017 en vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde btw en de geldboete.

Met een verzoekschrift van 28 juni 2018 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge,

In het vonnis van 3 maart 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

A/Je verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat eiseres recht heeft op teruggaaf van de BTW op de vordering t.a.v. de NV PM.

Beveelt de terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW, boete en nalatigheidsinteresten met inbegrip van de moratoriuminteresten.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiseres begroet op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3 De vorderingen van de partijen

3.1 De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde

- Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Het vonnis a quo te zien vernietigen;

Opnieuw recht doende en doende wat de eerste rechter had behoren te doen derhalve,

- De vordering van de oorspronkelijke eiseres (thans gefntimeerde) ongegrond te verklaren en bijgevolg het uitgevaardigde dwangbevel geldig te verklaren;

- De geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van het geding zowel voor de rechtbank van eerste aanleg, als voor het Hof van beroep,

In ondergeschikte orde

Mocht het Hof van oordeel zijn dat appellant in het ongelijk dient te worden gesteld en dat ze daarom de kosten van het geding dient te dragen dan wordt zij verzocht de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op het basisbedrag van 3.000,00 euro per aanleg

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellant ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 maart 2020 (rolnummer 18/1956/A) te bevestigen;

Voor recht te zeggen dat concluante recht heeft op de teruggaaf van de btw op de vordering t.a.v. de nv PM en deze btw dus niet van haar kan worden teruggevorderd, vermeerderd met een belastingverhoging.

Desgevallend een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Meer concreet zou volgende vraag kunnen worden voorgelegd:

"Dienen de beginselen van de richtlijn 2006/112/EG, en meer in het bl]zander de beginselen van neutraliteit en doeltreffendheid, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een Interpretatie van een nationaalrechtelijke regeling volgens welk In geval van deficitaire vereffening van een medecontractant de uitreiking van een verbeterend stuk wordt vereist om het recht op teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde uit te oefenen terwijl in geval van faillissement van een medecontractant de uitreiking van een verbeterend stuk niet wordt vereist om het recht op teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde uit te oefenen omdat de recuperatie van de in aftrek gebrachte belasting In de meeste gevallen moel/Ijk of onmogelijk ls.”

Appellant te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor het basisbedrag van 3.000J0O EUR per aanleg1 en voor zover nodig1 tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten, met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan concluante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.

4 De betwistingen en hun beoordeling

1. De geïntimeerde steunt haar recht op teruggaaf als medecontractant In de situatie van een deficitaire vereffening op de vergelijking met de situatie van een faillissement waarin de administratie aanvaard dat er geen verbeterd stuk moet worden uitgereikt en overgemaakt. Volgens de geïntimeerde zijn deze situaties voor haar als medecontractant identiek als vaststaat dat het aanwezig actief niet volstaat om het passief van de vennootschap te vereffenen en met een attest vast staat dat de schuldvordering op de vennootschap in vereffening geheel verloren is. De geïntimeerde vraagt de bevestiging van het oordeel van de eerste rechter die overwoog dat het net zoals bij een faillissement niet vereist is om een verbeterd stuk op te maken omdat vast staat dat de vordering definitief verloren is en het stuk louter een formaliteit is van controletechnische aard dat geen afbreuk kan doen aan het recht op teruggaaf van btw.

2. Artikel 79, § 1 W.btw. en KB nr. 4, art 4, 1° en 2 en schrijven voor dat om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen, de belastingplichtige een verbeterend stuk dient op te maken en dat stuk in te schrijven in het daartoe bestemd register. Volgens artikel 13 van KB nr. 4 kan de teruggaaf niet geldig worden verkregen wanneer de formaliteiten en voorwaarden bij dit besluit niet worden nageleefd.

Het is niet betwist dat de geïntimeerde geen verbeterend stuk aan PM NV IN VEREFFENING heeft opgemaakt noch uitgereikt met betrekking tot het btw bedrag van € 48.930,00. Daarmee staat vast dat de geïntimeerde niet voldaan heeft aan de voorwaarden voor de teruggaaf van de btw.

3. Anders dan de geïntimeerde voorhoudt, houdt het opmaken en overmaken van een verbeterend stuk niet in dat daarmee afstand wordt gedaan van de schuldvordering. Bij het uitreiken van een verbeterend stuk kan de schuldvordering blijven bestaan. Artikel 79, §1, 3e lid, W.btw. bepaalt dat de schuldeiser gehouden blijft tot de betaling van de schuld. Het uitreiken van een verbeterend stuk houdt dus op zich geen kwijtschelding van de schuldvordering In.

4. De appellant wijst in dit geschil terecht op het belang van de basisbeginselen van de neutraliteit van het btw-stelsel. Ongeacht de lengte van de productie- en distributieketen zal op de goederen dezelfde belastingdruk rusten. De belastingplichtigen dragen de btw niet zelf; ze zijn slechts inner en afdrager van de belasting. Het is een basiselement van het btw­ stelsel dat bij elke transactie de btw slechts verschuldigd is onder aftrek van het bedrag van de btw waarmee de diverse elementen van de prijs van de goederen of diensten rechtstreeks zijn belast. Alleen belastingplichtigen hebben recht op aftrek van btw.

Het uitreiken van het verbeterend stuk Is voor de eerbiediging van dit basisbeginsel van essentieel belang. Het stuk is erop gericht te vermijden dat enerzijds btw wordt teruggegeven aan een belastingplichtige en anderzijds de initieel door de medecontractant in aftrek gebrachte btw niet wordt teruggestort.

De administratie wijst met reden op het arrest van 6 december 2018 van het Hof van Justitie over de toetsing van het neutraliteitsbeginsel bij de btw-teruggaaf In geval van insolvabele klanten. Een Portugeese ondernemenlng vorderde de btw-teruggaaf als gevolg van het niet­ betalen van de vordering. De teruggaaf van btw is in Portugal onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige leverancier of dienstverrlchter vóór de verlaging van de maatstaf van heffing voor de btw de insolvente schuldenaar moet Informeren. Dit moet de lidstaat in staat stellen tijdig te handelen In het kader van een lnsolventieprocedure teneinde de eventueel door deze schuldenaar afgetrokkén voorbelasting te recupereren. Het Hof van Justitie oordeeJde als volgt:

Het neutraliteitsbeginsel alsmede de artikelen 90 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een belastingplichtige de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) In geval van niet­ betaling niet kan verlagen zolang hij niet vooraf zijn voornemen om de btw geheel of gedeelte/Ijk te annuleren heeft meegedeeld aan de afnemer van het goed of de ontvanger van de dienst, Indien deze een belastingplichtige Is, met het oog op herziening van de aftrek van het btw-bedrag die laatstbedoelde belastingplichtige heeft kunnen toepassen. n

Deze regeling kan worden vergeleken met de Belgische btw wetgeving die voor de btw­ teruggaaf vereist dat een verbeterend stuk wordt opgemaakt en uitgereikt aan de medecontractant. De oorzaak daarvan ligt, net zoals in Portugal, In de mogelijkheid die de lidstaat door de mededeling van het verbeterend stuk moet verkrijgen om de btw te recupereren en zo het doel van de neutraliteit te bereiken of te kunnen herstellen.

Net zoals in België, houdt die regeling in Portugal in dat er sprake Is of moet zijn van een kwijtschelding van de vordering. Het betreft enkel de btw van de vordering (pt. 18 van voormeld arrest).

Die redenering wordt bevestigd in het arrest van 7 april 2016 van het Hof van Justitie (C- 546/14, ECLl:EU:C:2016:206). Die zaak betrof een onderneming in liquidatie -discontinuïteit die niet in faling wenste te gaan en wenst gebruikt te maken van de procedure "preventief akkoord", waarbij niet alle schuldeisers volledig zullen worden terugbetaald. De schuldeisers dienen zich akkoord te verklaren vooraleer de onderneming gebruik kan maken van de procedure "preventief akkoord". De schuldeisers aan wie de schuldenaar voorstelt om van een deel van hun vordering af te zien, worden opgeroepen om te stemmen over het voorstel voor een preventief akkoord, dat moet worden goedgekeurd door een aantal schuldeisers van wie de vorderingen tezamen de meerderheid vormen van het totale, door de tot de stemming toegelaten schuldeisers gevorderde bedrag. Indien de meerderheid wordt bereikt, homologeert de rechter ten slotte het preventief akkoord, nadat hij zich desgevallend heeft uitgesproken over het verzet van de schuldeisers die het niet eens zijn met het voorste1 voor een preventief akkoord, en opnieuw heeft getoetst of de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Het gehomologeerde preventief akkoord Is bindend voor alle schuldeisers. Die procedure bevat gelijkenissen met de Belgische procedure van de deficitaire vereffening waarin de schuldeisers inspraak hebben. In de zaak voorgelegd aan het Hof van Justitie betrof één van de schulden een btw-schuld. De Italiaanse Staat kan meedoen aan de stemming over het al dan niet toepassen van de procedure "preventief akkoord".

In de deficitaire vereffening van PM NV IN VEREFFENING was er geen btw-schuld waardoor de Belgische Staat geen schuldeiser was die kon mee instemmen in de deficitaire vereffening als schuldeiser. De reden dat de Belgische Staat geen schuldeiser was, was het rechtstreeks gevolg van het ontbreken van het uitreiken van een verbeterend stuk ten bedrage van € 48.930,00 door de geïntimeerde. PM NV IN VEREFFENING zou door het inkomende verbeterend stuk verschuldigde btw dienen door te storten naar de Belgische staat. Het nalaten van het uitreiken van het verbeterend stuk had tot gevolg dat de appellant op geen enkel moment zijn rechten kon vrijwaren en niet de mogelijkheid had om de naleving van het neutraliteitsbeginsel te doen eerbiedigen. Het komt daarbij nret de geïntimeerde toe eenzijdig een (opportuniteits)oordeel te maken over de Invorderingsmogelijkheden van de Belgische Staat. Het verbeterend stuk is In die ruimere context niet op te vatten als een loutere (overbodige) formaliteit voor controletechnische redenen maar substantieel voor vrijwaren van de rechten van de schatkist, het uitoefenen van de rechten van de Staat en het bereiken van het (doel) van de neutraliteit van het btw-stelsel.

Uit het verdeelplan van de vereffening blijkt bovendien dat de geïntimeerde (aannemelijk als verboden vennootschap) zich borg gesteld heeft voor de openstaande schulden van PM NV IN VEREFFENING ten aanzien van de banken. Door het niet opmaken van het verbeterend stuk werd aan de appellant de kans ontnomen om ook een onderhandeling of gelijkaardige regeling te kunnen bereiken met de geïntimeerde. De belastingschuld van de verschuldigde btw bij PM NV IN VEREFFENING bestond enkel als deze vennootschap in het bezit was van het verbeterend stuk. Wegens het ontbreken ervan, was er geen grond voor enige verschuldigde btw. Het niet opmaken en uitreiken van het verbeterend stuk heeft er rechtstreeks voor gezorgd dat de Belgische staat zijn rechten als schuldeiser zijn ontnomen. De Belgische Staat kon niet als schuldeiser optreden en stemmen over het al dan niet toestaan van een deficitaire vereffening. De appellant maakt hierbij een pertinente analyse van de Invorderingsmogelijkheden van de btw waarover ze kon beschikken indien het verbeterend stuk zou zijn uitgereikt ten aanzien van PM NV, zowel voor als na de beslissing tot vereffening.

Bovendien, zelfs al was de administratie (bij het aangeven van de vordering) in het passief van de vereffening van PM NV lN VEREFFENING slechts een minderheidsaandeelhouder, dan nog blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat haar inspraak wel Impact kon hebben. Ook schuldeisers met een beperkt aandeel in het passief van de vennootschap in vereffening kunnen de faillietverklaring vorderen. Het volstaat dat er aanwijzingen zijn dat een vrijwillige vereffening nadelig is voor de schuldeisers doordat die het voordeel van de actiemogelijkheden van een curator ontneemt (Cass. 5 Juni 2020, C.19.0550.F, juportal.be, ECLl:BE:CASS:2020:ARR.20200605.lF.3).

Deze analyse leidt tot de beoordeling dat de formaliteiten van het Belgisch recht in het kader van de uitoefening van het recht op btw-teruggaaf beantwoorden aan het evenredigheids­ en doeltreffendheidsbeginsel omdat ze strikt noodzakelijk zijn om de regelmatigheid en de correcte toepassing van het recht op teruggaaf te controleren, en er voor te zorgen dat de medecontractant die deze btw heeft afgetrokken, deze aftrek herstelt en de btw terugstort aan de Belgische Staat. Het geheel van deze formaliteiten en voorwaarden bij facturatie aan btw-belastingplichtigen strekt tot de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel. De gestelde formaliteiten en voorwaarden gaan niet verder dan wat voor het bereiken van de doelstellingen van de wet noodzakelijk is.

5. De geïntimeerde, daarin gevolgd door de eerste rechter, verwijst naar de gelijkenis met het faillissement. Ult de administratieve aanschrijving 26 van 31 augustus 1978 en de administratieve btw-handleiding blijkt het volgende:

''In geval van gedeelte/ijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, is de leverancier of dienstverrichter niet gehouden aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien In artikel 79i § 1, eerste lld van het Btw­ Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het KB nr. 4".

Het vervallen van de verplichting dat de gefailleerde de door hem in aftrek gebrachte belasting terugstort, heeft geen wettelijke basis, maar is enkel een administratieve tolerantie. De administratieve tolerantie die in strijd is met het neutraliteitsbeginsel. De rechter kan de administratieve tolerantie niet zonder schending van de wet uitbreiden naar andere situaties.

De administratie verklaart dat deze tolerantie een zeer specifieke situatie voorziet die verantwoord wordt door de visie van de administratie om ten aanzien van de curator van een faillissement af te zien van de recuperatie van de btw. Het middel van de geïntimeerde gaat uit van een andere, namelijk omgekeerde redenering van oorzaak en gevolg. De geïntimeerde neemt aan dat geen verbeterend stuk moet worden opgemaakt omdat (net zoals bij een faillissement) de vordering verloren is. De administratie verklaart de tolerantie evenwel vanuit het niet vorderen van de btw vanwege de curator, waardoor vervolgens geen verbeterend stuk verwacht wordt. die tolerantie kan niet zonder meer worden uitgebreid naar andere situaties. De administratie wijst er trouwens op dat de btw­ handleiding uitdrukkelijk vermeldt dat dit gedogen niet geldt voor gerechtelijke reorganisaties. De administratie heeft dit gedoogbeleid uitdrukkelijk beperkt tot het faillissement en niet tot andere situaties van insolvabiliteit, reorganisaties of de (deficitaire) vereffening. Daaruit volgt dat de geïntimeerde zich niet kan beroepen op een gerechtvaardigde toepassing van het vertrouwensbeginsel.

De administratie wijst bovendien terecht naar de specifieke context van faillissementen en de administratieve btw-verplichtingen van curatoren die beschreven zijn in de aanschrijving 26 van 31 augustus 1978. De administratie maakt een grondige vergelijking tussen een faillissement en een (deficitaire) vereffening. De voorwaarden waaraan de administratie de tolerantie koppelt in de situatie van een faillissement zijn pertinent en In deze context niet zonder meer over te dragen naar de situatie van een deficitaire vereffening. De aanschrijving bevestigt overigens dat de (al dan niet) invorderbaarheid van btw niet de reden is van het bestaan van aangepaste administratieve verplichtingen. De aanschrijving is niet toepasselijk ten aanzien van de deficitaire vereffening en PM NV IN VEREFFENING heeft er ook geen toepassing van gemaakt. Deze vennootschap heeft periodieke btw-aangiften blijven indienen en bijvoorbeeld niet gewerkt met de jaarlijkse verzamelaangiften. De specifieke administratieve tolerantie omvat een feitelijke handelswijze die gesteund Is op een bepaald uitgangspunt in een specifieke context. Daaruit kan er geen gehoudenheid of rechtsgrond worden vastgesteld of geput om die praktijk te kunnen toepassen op andere situaties. Om die reden en mede gelet op de vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie> acht het hof het niet nodig om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.

Het hoger beroep Is gegrond.

5 De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de belde Instanties dragen.

De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtspleglngsvergoedlng.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;

• het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

• het hof doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de geïntimeerde ongegrond en bevestigt het bestreden dwangbevel met referte 500...04;

• Het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide Instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 8 Juni 2021.

Aanwezig: Stijn Ravyse, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend Jenny Dammekens, griffier

Ondertekeningen

Décision jointe par le SPF

Texte du jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van eerste aanleg, West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 03/03/2020

Rol: 18/1956/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak:

D.I. nv (KBO 044...74), met maatschappelijke zetel te ..., eisende partij, voor wie is opgetreden meester ... advocaat te ....

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 BRUSSEL, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie is opgetreden de heer X, attaché bij de FOD FINANCIËN, Algemene administratie van de Fiscaliteit, verbonden aan het KMO Centrum Brugge, Expertise 1, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4.

I. RECHTSPLEGING.

Geled op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 28.06.2018.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 4.02.2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Op 8.09.2017 is er een proces-verbaal van taxatie naar eiseres verzonden. Bij aangetekend schrijven van 13.10.2017 werd administratief beroep ingediend.

Bij beslissing van 5.04.2018 werd het administratief beroep verworpen. Op 12.04.2018 werd aan eiseres een dwangbevel betekend.

Op 28.06.2018 werd verhaal aangetekend tegen de beslissing van 5.04.2018.

2.2. Eiseres vraagt dat:

Het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

Voor recht wordt gezegd dat eiseres recht heeft op teruggaaf van de BTW op de vordering t.a v. de NV PM.

De terugbetaling wordt bevolen van de ten onrechte betaalde BTW, boete n nalatigheidsinteresten met inbegrip van de moratoriuminteresten.

Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van onderhavige procedure, in haar hoofde begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsverg9eding.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wor t veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu e rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3;2: nopens de grond.·

3.2.1. De NV PM is in vereffening en de vereffenaars hebben op 27.07.2018 geattesteerd dat e vereffening deficitair is en dat eiseres haar vorderingen als verloren moet aanzien. Op 18.10.2019 he ft de ondernemingsrechtbank het verdeelplan goedgekeurd met het oog op het afsluiten van de vereffening. Dit plan toont o.m. aan dat eiseres geen betaling krijgt als dienstverstrekker met onbetaalde facturen.

Eiseres heeft een schuldvordering op de NV PM en heeft via de aangifte teruggaaf gevraagd v n de BTW (48.930,00 EUR) op die vordering.

3.2.2. Volgens verweerder zou de teruggaaf van BTW ten onrechte zijn doorgevoerd aangezien eis rs geen verbeterend stuk zou hebben voorgelegd in de zin van artikel 79, par. 1 WBTW en van artikel 4, p r. 1KB nr 4.

Volgens verweerder verschilt een deficitaire vereffening wezenlijk van een faillissement zodat eiseres zich niet kan beroepen op de administratieve tolerantie.

3.2.3. Artikel 77, § 1 7° WBTW voorziet in een BTW-teruggaaf wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

Artikel 79, § 1 WBTW verwijst naar artikel 77, § 1 7° WBTW waarbij de leverancier door de fiscale wet verplicht is om aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.

In de administratieve BTW-handleiding nr. 549 wordt gesteld dat in geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, de leverancier of dienstverrichter niet gehouden is aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79,

§ 1 eerste lid WBTW en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het KB nr. 4.

3.2.4. Het opmaken van een verbeterend stuk heeft een controle-technische reden. Aangezien de in aftrek gebrachte BTW niet kan worden gerecupereerd bij een faillissement, vervalt de reden voor de opmaak van een verbeterend stuk.

Bij een deficitaire vereffening staat het vast dat de vennootschap niet al haar schulden zal kunnen betalen. In casu hebben de vereffenaars op 27.07.2018 geattesteerd dat de vereffening deficitair is en dat eiseres haar vorderingen als verloren moet aanzien. De ondernemingsrechtbank heeft op 18.10.2019 het verdeelplan goedgekeurd met het oog op het afsluiten van de vereffening. Dit plan toont o.m. aan dat eiseres geen betaling krijgt als dienstverstrekker met onbetaalde facturen. In casu zijn de gevolgen van de deficitaire vereffening dus nagenoeg dezelfde als deze van een faillissement. Net zoals bij een faillissement is er bij een deficitaire vereffening de onmogelijkheid om de in aftrek gebrachte BTW te recupereren. De controle-technische reden voor de opmaak van een verbeterend stuk vervalt dan ook.

De ontheffing van de verplichting om een verbeterend stuk op te stellen en de BTW terug te vorderen van de schuldenaar wordt dus verantwoord door het feit dat de recuperatie van de in aftrek gebrachte belasting in de meeste gevallen moeilijk of zelfs onmogelijk is. Dit is dus ook het geval bij een deficitaire vereffening zoals in casu.

3.2.5. De verschillen tussen een faillissement en de deficitaire vereffening zijn niet van die aard dat ze de vereiste van een verbeterend stuk in het laatste geval verantwoorden. Het is onredelijk om van de leverancier te verwachten dat hij, terwijl zijn schuldvordering verloren is, toch nog een dergelijk stuk zou moeten opmaken t.a.v. zijn afnemer, die zal worden vereffend zonder dat alle schulden zijn betaald en ook de Belgische Staat dus niet in staat zal zijn om BTW te recupereren.

Bovendien is er geen gevaar voor een frauduleuze aftrek van BTW aangezien de vennootschap enkel nog bestaat in functie van de vereffening en onder controle staat van de vereffenaars die op hun beurt verantwoording moeten afleggen aan de rechter, de vennoten en alle betrokken derden, de schuldeisers in het bijzonder.

Dit verschil in behandeling is niet evenredig en daarom in strijd met het neutraliteits- en doeltreffendheidsbeginsel.

3.2.6. De vordering is dan ook gegrond.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoeding van eiseres wordt bepaald a n de hand van de omvang van het voorwerp van de vordering. Met inbegrip van de (ambtshalve inbegrepen intresten, moet de vordering cijfermatig tussen de 40.000,01 EUR en de 60.000,00 EUR geschat warde 1, zodat een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 EUR gepast is.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat eiseres recht heeft op teruggaaf van de BTW op de vordering t.a.v. de NV PM.

Beveelt de terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW, boete en nalatigheidsinteresten m t inbegrip van de moratoriuminteresten.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten las e blijven, aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EU.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg We L­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DRIE MAART TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden: ...

Ondertekeningen

Textes cités

8

Décisions similaires

8