Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 21.01.2025
WF 711-15-20/067252 - Finality 54500352
[ Arrêt mixte ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit de déduction – Renonciation au temps écoulé de la prescription
Dispositions légales
Articles 45, § 1, art. 45, §1quinquies et art. 83 CTVA
Article 1, § 2 de l’arrêté royal n°3 du 10 décembre 1969
Résumé du jugement / de l’arrêt
1. Faits et antécédents de procédure
Le contribuable est enregistré comme assujetti à la TVA pour son activité de « conseil informatique ». En réalité, il exerce l'activité d'expert indépendant dans le domaine des expertises judiciaires et se consacre également à l'achat, la vente, la rénovation et la location de biens immobiliers. À cet effet, la société recherche des projets de constructions neuves ou de rénovations dans le but de les louer ou de les revendre après rénovation. Un contrôle a été entamé le 4 janvier 2018 tant en matière d'impôt des sociétés que de TVA. Le volet TVA concernait la période allant du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2016.
Une première visite sur place a été effectuée le 29 janvier 2018. Le 31 août 2018, un relevé de régularisation a été transmis à la requérante. Le contribuable a alors introduit un recours administratif. Le 29 octobre 2018, conformément à l'article 83 du Code de la TVA, une déclaration de renonciation au temps couru de la prescription a été signée par le gérant. Le 8 novembre 2018, l'administration a effectué une deuxième visite au siège social, suite auquel un procès-verbal de constatation a été établi le 12 novembre 2018. Le 25 août 2020, l'administration a procédé à l'établissement d'un procès-verbal. Ce procès-verbal a été signifié le 25 août 2020. Un avis de paiement a été envoyé le 1er septembre 2020, suivi d'un paiement le 11 septembre 2020. Le contribuable a déposé une requête auprès du tribunal de première instance de Hasselt.
Le juge de première instance a estimé que, pour les frais liés au jardin et à l'étang, il n'avait pas été démontré qu'ils avaient été utilisés dans le cadre de l'exécution d'une opération visée à l'article 45, § 1, 1° à 5° du Code de la TVA et que, par conséquent, la TVA avait été indûment déduite. En ce qui concerne les factures relatives à l'aménagement de l'allée et des places de parking, l'administration a accepté une déduction de 20 %, mais le juge a estimé que celle-ci devait être corrigée à 50,5 %.
2. Arrêt
En ce qui concerne la prescription de la dette fiscale, le juge estime que, malgré l'absence initiale de registre de perception et recouvrement, il lui appartient, en raison du caractère d'ordre public de la loi fiscale, de statuer en fait et en droit sur l'existence de la dette fiscale lorsqu'il y est invité par les prétentions des parties. Il estime que la dette TVA n'est pas prescrite, car le contribuable a signé une déclaration de renonciation au délai de prescription écoulé, conformément à l'article 83, § 2, du Code de la TVA. Cela interrompt la prescription de la créance en temps utile.
En ce qui concerne la TVA déduite, le juge estime qu'il n'a pas été démontré que les frais liés au jardin et à l'étang ont été utilisés dans le cadre de l'exécution d'une opération visée à l'article 45, § 1, 1° à 5° du Code de la TVA et que la TVA a donc été indûment déduite. En ce qui concerne les factures relatives à l'aménagement de l'allée et des places de parking, le droit à déduction est fixé à 50,5 %.
Texte intégral
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 21.01.2025
(2022/AR/1665)
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0252.796.351, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159,
met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,
eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. K.B. loco mr. M.K., advocaat te…
tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 23 juni 2022, gekend onder rolnummers 20/2064/A en 20/2066/A
tegen
X., ON .., met zetel te …,
verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. D.H., advocaat te …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 23 juni 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 11 oktober 2022, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.
Gelet op het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 april 2024.
1. Voorafgaande feiten en procedure
Bij tussenarrest van 30 april 2024 werd een uiteenzetting gegeven van de feiten en voorgaanden die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd met dien verstande dat verweerster in hoger beroep thans preciseert dat het onroerend goed te Knokke-Heist werd aangekocht middels een lening aangegaan bij KBC ten bedrag van 250.000 euro (de lening van mevrouw R. is geen nieuwe lening doch louter een herfinanciering) en een inleg van eigen middelen ten bedrage van 194.005,51 euro.
Bij tussenarrest van 30 april 2024 werd alvorens recht te doen een heropening der debatten bevolen ter vrijwaring van de rechten van verdediging en teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over het ontbreken van het innings- en invorderingsregister en de mogelijke gevolgen ervan op onderhavig geding.
Partijen hebben ondertussen standpunt ingenomen.
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Eiser in hoger beroep vordert:
Inzake de vennootschapsbelasting
•het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en te horen intrekken en te hervormen en opnieuw rechtdoende, doende wat de eerste rechter had dienen te doen;
•de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
•derhalve het vonnis van de eerste rechter te hervormen in de mate dat de kosten met betrekking tot het appartement en de garagebox te Knokke-Heist niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in art. 49 WIB92;
Inzake BTW
•het incidenteel beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
•derhalve het vonnis van de eerste rechter te hervormen in de mate dat de kosten met betrekking tot het appartement en de garagebox te Knokke-Heist niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in art. 49 WIB92 (te lezen als artikel 45 §1 WBTW). Inzake de kosten van de procedure
•verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiser in hoger beroep begroot op 24 euro bijdrage tot het Fonds en 3.750 euro rechtsplegingsvergoeding (verder te indexeren).
Verweerster in hoger beroep vordert:
•het hoger beroep van eiser in hoger beroep onontvankelijk te verklaren in de mate het gericht is tegen het vonnis a quo in zoverre hierin wordt geoordeeld dat de BTW op de kosten met betrekking tot de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist aftrekbaar is, minstens ongegrond te verklaren;
•akte te nemen van het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep en dit incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; in hoofdorde
•de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting integraal te vernietigen wegens willekeur en terugbetaling te bevelen van alle heden betwiste sommen die op grond van de vernietigde aanslagen werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in art. 418 WIB92;
In ondergeschikte orde
•de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting gedeeltelijk te ontheffen gelet op het feit dat de betwiste facturen volledig beroepsmatig zijn en terugbetaling te bevelen van alle heden betwiste sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in art. 418 WIB92;
•de gedeeltelijke teruggaaf te bevelen van de onder voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis betaalde of ingehouden bedragen met betrekking tot de belastingschuld met artikelnummer 500.2298.54711 ingevorderd krachtens het betaalbericht van 01/09/2020, ten belope van een bedrag van 15.560,74 euro verhoogd met de daarop betaalde proportionele boete en de nalatigheidsinteresten vanaf 21/01/2017, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van betaling of inhouding, en dit gelet op het feit dat de betwiste facturen volledig beroepsmatig zijn;
in meer ondergeschikte orde
•de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting gedeeltelijk te ontheffen gelet op het feit dat de betwiste facturen voor 50,50% beroepsmatig zijn en terugbetaling te bevelen van alle heden betwiste sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in art. 418 WIB92;
•de teruggaaf te bevelen van de onder voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis betaalde of ingehouden bedragen met betrekking tot de belastingschuld met artikelnummer 500.2298.54711 ingevorderd krachtens het betaalbericht van 01/09/2020, ten belope van een bedrag van 6.404,05 euro verhoogd met de daarop betaalde proportionele boete en de nalatigheidsinteresten vanaf 21/01/2017, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van betaling of inhouding, en dit gelet op het feit dat de betwiste facturen voor 50,50 % beroepsmatig zijn; in meest ondergeschikte orde
•de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting gedeeltelijk te ontheffen gelet op het feit dat de betwiste facturen voor 20 % beroepsmatig zijn en terugbetaling te bevelen van alle heden betwiste sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in art. 418 WIB92;
•dienvolgens eiser in hoger beroep te verwijzen in de kosten van het geding, te weten 40 euro bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand, evenals de rechtsplegingsvergoeding begroot op 4.200 euro in eerste aanleg en 3.750 euro in hoger beroep.
2. Bespreking
2.1 Ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep
Verweerster in hoger beroep stelt dat het hoger beroep van eiser in hoger beroep onontvankelijk is in de mate het gericht is tegen het vonnis a quo in zoverre hierin wordt geoordeeld dat de BTW op de kosten met betrekking tot de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist aftrekbaar is, minstens ongegrond te verklaren.
Verweerster in hoger beroep stelt dat eiser in hoger beroep indien hij op dit punt incidenteel beroep wenste aan te tekenen, hij dit had moeten doen in zijn eerste conclusie, hetgeen tot ontvankelijkheid zou leiden van het hoger beroep op dit punt.
In het tussenarrest werd nochtans uitdrukkelijk vastgesteld dat partijen het ter zitting van 18/03/2024 eens waren dat ingevolge het ingesteld hoofdberoep door de Belgische Staat en het ingesteld incidenteel beroep door verweerster in hoger beroep, het hoger beroep zowel handelt over de vennootschapsbelasting als de BTW-vordering zowel voor het onroerend goed gelegen te Sint-Truiden, als de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist.
Ter zitting van 17/12/2024 bevestigt de raadsman van verweerster in hoger beroep op voormeld standpunt niet te willen terugkomen en preciseert nogmaals dat ingevolge het navolgend hoofdberoep de aftrek van de BTW met betrekking tot het onroerend goed te Knokke-Heist wel degelijk hangt in hoger beroep.
Volledig ten overvloede merkt het hof dan ook op dat verweerster in hoger beroep bij haar aanvoeringen in conclusies, ondanks voormeld uitdrukkelijk standpunt ter zitting uiteengezet, uit het oog verliest dat principaal beroep tevens kan ingesteld worden bij conclusies (art. 1056 Ger.W.). Het instellen van hoger beroep bij conclusie heeft niet alleen betrekking op het incidenteel beroep. Aangenomen wordt immers dat ook een principaal hoger beroep kan worden ingesteld bij conclusie.
Indien eiser in hoger beroep, zoals te dezen, reeds een beperkt principaal hoger beroep heeft ingesteld, dan kan eiser in hoger beroep bij conclusie zijn principaal hoger beroep uitbreiden, hetgeen te dezen is gebeurd middels de vordering van eiser in hoger beroep zoals gesteld in de conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 09/05/2023. Middels deze conclusie van eiser in hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 09/05/2023 vorderde eiser in hoger beroep om het vonnis van de eerste rechter te hervormen in de mate de kosten met betrekking tot het appartement en de garagebox te Knokke-Heist niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 45 §1 WBTW. Dit betreft geen incidenteel beroep maar een nakomend hoger beroep. Een dergelijk nakomend hoger beroep dient evenwel te geschieden binnen de beroepstermijn.
Het hof stelt te dezen vast dat het bestreden vonnis niet werd betekend, bijgevolg was de termijn om hoger beroep in te stellen op 09/05/2023 nog niet verstreken.
Het hof stelt ook vast dat uit het initieel verzoekschrift hoger beroep niet kan afgeleid worden dat eiser in hoger beroep stilzwijgend heeft berust in de overige beslissingen die aanvankelijk niet bestreden werden door het initieel hoger beroep. Eiser in hoger beroep heeft in het initieel verzoekschrift tot hoger beroep zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden om vooralsnog beroep aan te tekenen, mocht de gedaagde in hoger beroep ter zake incidenteel beroep aantekenen, alsook het recht voorbehouden om de vorderingen nog uit te breiden. In het beschikkend gedeelte heeft eiser in hoger beroep uitdrukkelijk gevraagd akte te verlenen aan eiser in hoger beroep van het geformuleerde voorbehoud de vorderingen nog uit te breiden.
Het hof is dan ook van oordeel dat het voorbehoud in het verzoekschrift tot hoger beroep zeer ruim werd geformuleerd en niet enkel afhankelijk werd gemaakt van het instellen van incidenteel beroep door verweerster in hoger beroep. Er is dan ook geen sprake van uitdrukkelijke noch stilzwijgende berusting in de overige beslissingen die aanvankelijk niet bestreden werden door het initieel hoger beroep.
Het hof is dan ook van oordeel dat zowel het initieel beperkt principaal hoger beroep, als het nakomend hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk is.
Het hof dient dan ook ten gronde uitspraak te doen over de discussie betreffende de BTW-aftrek gelieerd aan de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist. Verweerster in hoger beroep heeft in conclusies ten gronde ook standpunt ingenomen desbetreffend.
Er is dan ook geen sprake van een schending van de rechten van verdediging.
2.2 De vennootschapsbelasting
Overeenkomstig artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken, of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Het hof oordeelt vooreerst dat het feit dat de kosten werden gemaakt door een handelsvennootschap, niet automatisch de aftrekbaarheid ervan impliceert, ondanks het feit dat dergelijke vennootschappen uitsluitend met een winstgevend doel zijn opgericht. Vennootschappen dienen, zoals andere belastingplichtigen aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan en meer bepaald dat de kosten een noodzakelijk verband hebben met de beroepswerkzaamheid (Cass., 18 januari 2001, F.J.F., nr.2001/220; Cass., 19 juni 2003, T.F.R., 2004, nr.257, p.256; Cass., 12 juni 2009, F.07.0083.N/19; Cass., 10 december 2010, F.09.0129.N/3, zie website van het Hof van Cassatie; Grondwettelijk Hof, 26 november 2009, nr.191/2009, www.const-court.be).
Voor de aftrekbaarheid van kosten als beroepskosten in toepassing van artikel 49 WIB92 is niet vereist dat de operatie, waaraan de kost is verbonden werkelijk winstgevend is geweest.
Er mag dienaangaande ook geen opportuniteitsbeoordeling worden doorgevoerd door de fiscale administratie.
Anderzijds vereist artikel 49 WIB92 wel dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het Hof van Cassatie heeft zijn eerder, in het hogervermeld arrest van 10 december 2010 aanvaarde standpunt dat uitgaven van een rechtspersoon slechts beschouwd kunnen worden als aftrekbare beroepskosten wanneer ze noodzakelijkerwijs betrekking hebben op de maatschappelijke activiteit van de vennootschap in latere arresten verlaten. In een aantal recente arresten van 12 juni 2015 (onder meer F.14.0080.N) oordeelde het Hof van Cassatie immers dat uit artikel 49 WIB92, dat ook van toepassing is op handelsvennootschappen niet volgt dat de aftrek van bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel: "De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichting verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt".
Het Hof van Cassatie komt hierbij dus uitdrukkelijk terug op zijn eerdere rechtspraak dat er een verband moet bestaan tussen de gemaakte kosten en de maatschappelijke activiteit/statutair doel van de vennootschap, doch het nieuwe standpunt van het Hof van Cassatie kan geen afbreuk doen aan de vereiste van artikel 49 WIB92 dat de kosten gedaan of gedragen moeten zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (zie ook procureur-generaal D. Thijs, conclusies voor Cass., 14 oktober 2016, F.15.0103.N, www.cass.be).
Dat de belastingplichtige de betrokken kosten heeft gedaan of gedragen tijdens de betrokken belastbare tijdperken wordt niet betwist. De echtheid en het bedrag van de kosten staat aldus vast.
De betwisting betreft de vraag of de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
2.2.1 Willekeur?
Uit de artikelen 339, lid 1 en 340 WIB92 dient te worden afgeleid dat de aangegeven inkomsten en andere gegevens vermoed worden juist te zijn. Indien de administratie der directe belastingen de aangegeven inkomsten en andere gegevens onjuist bevindt, moet zij dat bewijzen. Om het bewijs te leveren van het bestaan en het bedrag van de belastingschuld mag de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed.
De belastingplichtige die het brutobedrag van de inkomsten van een beroepswerkzaamheid wenst te verminderen met de beroepskosten die op die inkomsten betrekking hebben, moet het bestaan en het bedrag van die beroepskosten bewijzen.
Het al dan niet willekeurig karakter kan enkel getoetst worden aan de gegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van de aanslag beschikt of kan beschikken.
Er is sprake van willekeur indien de administratie geen rekening houdt met een categorie van bepaalde beroepskosten waarvan ze het bestaan kende en die ze redelijkerwijze kon beoordelen op basis van objectieve en voldoende bewijskrachtige gegevens.
Op 29/01/2018 werd een fiscale controle uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van verweerster in hoger beroep, waarbij enkel bijgebouw B en de tuin achter bijgebouw B werd bezocht. Hoofdgebouw A en de twee andere bijgebouwen werden niet bezocht.
De belastingadministratie was aanvankelijk in het eerste bericht van wijziging van mening dat slechts 20% van de kosten met betrekking tot het onroerend goed gelegen te … in Sint-Truiden beroepsmatig werden gebruikt door verweerster in hoger beroep. 80% van de kosten met betrekking tot het onroerend goed in Sint-Truiden waren aldus niet aftrekbaar, volgens de belastingadministratie. Deze kosten dienden volgens de belastingadministratie voornamelijk het belang van de eigenaar, zijnde de echtgenote van de zaakvoerder van de vennootschap en waren volgens de belastingadministratie dan ook fiscaal niet aftrekbaar.
In het antwoord op het bericht van wijziging werd onder meer gesteld dat er een bruikleenovereenkomst was voor diverse delen van het onroerend goed gelegen … in Sint-Truiden.
Van deze bruikleenovereenkomst was de belastingadministratie bij de eerste controle ter plaatse niet op de hoogte. Dit betrof dan ook een volledig nieuw element.
Op 08/11/2018 werd aan de controleambtenaren geen toegang verleend en konden er geen vaststellingen worden gedaan door de belastingadministratie.
Op 12/11/2018 werd een nieuw bericht van wijziging verzonden dat het vorige bericht verving, waarbij de belastingadministratie van mening was dat de kosten met betrekking tot het onroerend goed gelegen te Sint-Truiden …, volledig aan te merken waren als niet beroepsmatige kosten en aldus niet aftrekbaar waren.
In tegenstelling tot hetgeen verweerster in hoger beroep voorhoudt is de weigering van de aftrek van de kwestieuze beroepskosten niet louter ingegeven om de enkele reden dat de toegang aan de ambtenaren op 08/11/2018 werd geweigerd.
Uit de concrete gegevens van het dossier kan afgeleid worden dat de administratie van mening was dat de inhoud van het eerste bericht van wijziging niet correct was als gevolg van het antwoord van de belastingplichtige op het aanvankelijk bericht van wijziging waarbij voor het eerst kennis werd gegeven van het bestaan van een bruikleenovereenkomst. De administratie was van mening dat het eerste bericht van wijziging gesteund was op onvolledige gegevens en foute informatie.
Vervolgens werd verwezen naar de onmogelijkheid om het beroepsmatig karakter ter plaatse te kunnen controleren. De bewijslast van de beroepskosten rust nochtans op de belastingplichtige.
De belastingadministratie kon in de gegeven concrete omstandigheden van onderhavige zaak niet redelijkerwijze deze beroepskosten beoordelen op basis van objectieve en voldoende bewijskrachtige gegevens in het kader van artikel 49 WIB92.
De verwerping van de kwestieuze beroepskosten is in het vervangend bericht van wijziging dus het gevolg van een gebrek aan bewijs dat aan de voorwaarden van art. 49 WIB92 is voldaan. In casu werden de aanslagen dan ook gevestigd rekening houdende met de elementen die op dat ogenblik door de administratie gekend waren en de belastingadministratie heeft haar standpunt telkens gemotiveerd en onderbouwd. Het louter gegeven dat de taxatieambtenaar in de loop van de procedure er een andere mening op nahoudt die respectievelijk ook gesteund is op andere beschikbare gegevens, impliceert op zich geen willekeur.
Het gegeven dat in het kader van de BTW geen nieuwe correctieopgave werd verzonden en men daar klaarblijkelijk een andere mening had, kan op zich de vernietiging van aanslagen in de vennootschapsbelasting niet verantwoorden. BTW en directe belastingen zijn bovendien onderworpen aan onderscheiden wettelijke regels.
Van enige willekeur is er te dezen dan ook geen sprake.
2.2.2 De onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist
De belastingadministratie verwierp de kosten die betrekking hebben op de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist.
Volgens verweerster in hoger beroep beantwoorden de kosten m.b.t. de onroerend goederen, gelegen te Knokke-Heist aan de voorwaarden van art. 49 WIB92.
Het is aan verweerster in hoger beroep om aan te tonen dat de kosten van het onroerend goed zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te behouden of te verwerven (art. 49 WIB92).
Dat de aankoop in voile eigendom van het appartement (50%) en de garagebox (100%) niet in strijd is met de statuten van verweerster in hoger beroep neemt niet weg dat de vennootschap, verweerster in hoger beroep, moet aantonen dat de voorwaarden van artikel 49 WIB92 voldaan zijn.
Verweerster in hoger beroep stelt dat de projecten in Knokke-Heist als doel hebben het creëren van een meerwaarde. Zij stelt dat de onroerende goederen gelegen te … en … in Knokke-Heist waarvoor de betwiste kosten in de vennootschapsbelasting werden verworpen, werden aangekocht met een dubbel beroepsmatig oogmerk. Zij houdt voor dat deze onroerende goederen in afwachting van de verkoop beroepsmatig worden gebruikt (hetzij door de vennootschap zelf, hetzij door de zaakvoerder van de vennootschap als onderdeel van zijn verloning).
Het blijkt niet dat de onroerende goederen werden gebruikt in het kader van de bedrijfsexploitatie/beroepsactiviteit van verweerster in hoger beroep. Verweerster in hoger beroep komt desbetreffend niet verder dan loutere beweringen.
Het louter voorleggen van een zelf opgestelde lijst van data, samen met gerechtelijke uitspraken waaruit de aanstelling van de heer B.P. blijkt toont op zich nog niet aan dat het appartement in Knokke-Heist effectief beroepsmatig werd gebruikt als uitvalsbasis in het kader van de uitvoering van deze gerechtelijke deskundigenonderzoeken noch dat het appartement zou gebruikt worden voor verzoenings- en bemiddelingsvergaderingen met betrekking tot dossiers waarin klanten in die regio wonen. Uit de voorgelegde gerechtelijke uitspraken blijkt dat de gerechtsdeskundige zich ter plaatse diende te begeven en dat deze plaatsen minstens ongeveer een uur rijden met de auto verwijderd liggen van Knokke-Heist. Dat Knokke-Heist een betere uitvalsbasis zou zijn dan Sint-Truiden wat betreft deze gerechtelijke uitspraken wordt ook niet aannemelijk gemaakt. De aangevoerde plaatsen liggen totaal niet in de buurt/regio van Knokke-Heist. De aanvoeringen van verweerster in hoger beroep desbetreffend komen het hof ongeloofwaardig voor.
Verder blijkt uit geen enkel objectief gegeven dat de garagebox gebruikt werd om 'materialen die de deskundige nodig had op de werf Zeebrugge' te stockeren.
Ook de aanvoering dat de garage momenteel te huur zou worden aangeboden toont nog niet aan dat verweerster in hoger beroep in de belastbare tijdperken voor aanslagjaar 2016 en 2017 de intentie had belastbare inkomsten te verkrijgen of behouden met de garage. Ter staving van de huidige intentie wordt stuk 15 door verweerster in hoger beroep voorgelegd. Dit betreft een foto waarop een (niet nader bepaalde) garagepoort te zien is met de vermelding te huur (op een naar schatting A4-formaat affiche), zonder meer. Louter op basis van een dergelijke vage foto kan het hof niet afleiden dat de garage waarover thans discussie bestaat in werkelijkheid te huur gesteld werd/wordt op de huurmarkt aan marktconforme huurprijzen. De bedoeling om met de garage gelegen te ... belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden blijkt evenmin uit stuk 16 van verweerster in hoger beroep dat een betaling betreft aan een zekere F. J. voor de huur van een niet nader bepaalde garage. Noch blijkt deze intentie uit stuk 17 van verweerster in hoger beroep, namelijk de aankoop voor 2016 van een parkeerkaart Knokke-Heist. Deze parkeerkaart is bovendien slechts gekoppeld aan 1 bepaald voertuig namelijk een voertuig met nummerplaat …. Nochtans heeft het echtpaar P.-R. de beschikking over meerdere voertuigen, die ook privé worden gebruikt.
Er ligt geen bewijs voor dat de onroerende goederen te huur worden aangeboden op de huurmarkt aan marktconforme huurprijzen.
Uit geen enkel gegeven blijkt dat de vennootschap de onroerende goederen wenste te rentabiliseren gedurende het bezit ervan.
Er is een duidelijke discrepantie aangezien de kostprijs voor de vennootschap zeer groot is ten opzichte van de voordelen. Er wordt niet aangetoond dat ooit de bedoeling werd nagestreefd om in de toekomst inkomsten te verwerven die de kosten zouden overstijgen.
De vennootschap neemt de volledige kosten ten laste terwijl de onroerende goederen in werkelijkheid klaarblijkelijk volledig privé worden gebruikt door de bedrijfsleider.
Er is een duidelijk gebrek aan bewijs van beroepsmatige aanwending van de onroerend goederen.
Het blijkt dan ook niet dat de vennootschap getracht heeft belastbare inkomsten te verwerven of te behouden en dus is niet voldaan aan de centrale aftrekvoorwaarde van artikel 49 WIB 92 (vgl. GwH 14 oktober 2021, 139/2021, B.16.3).
Het enkel gegeven dat er bij latere realisatie van de onroerende goederen een belastbare meerwaarde mogelijks zou kunnen worden gerealiseerd is onvoldoende als bewijs dat aan de voorwaarden van art. 49 WIB92 is voldaan. Dat de intentie, om met de onroerende goederen een meerwaarde te realiseren, bestond op het ogenblik van de aankoop van de onroerende goederen blijkt geenszins uit de door verweerster in hoger beroep voorgelegde stukken. Het blijkt geenszins dat deze goederen aangekocht werden in het kader van de vastgoedactiviteit van verweerster in hoger beroep met de bedoeling hierop een meerwaarde te realiseren. Dit geldt des te meer aangezien het appartement slechts voor 50% voile eigendom werd aangekocht door verweerster in hoger beroep. De overige 50% in voile eigendom behoort toe aan mevrouw Renard Kathleen.
Een algemene stijgende trend van de prijzen op de vastgoedmarkt volstaat niet voor de vennootschap om al haar kosten met betrekking tot de onroerende goederen als aftrekbare beroepskost te beschouwen.
Stuk 7 betreft enkele voorstellen van appartementen die een vastgoedmakelaar te koop aanbiedt. Dit stuk heeft geen betrekking op de onroerende goederen die thans ter betwisting staan. Het schattingsverslag van 22/04/2011 dateert van na de aankoop van het kwestieuze appartement in 30/09/2010 en toont geenszins aan dat verweerster in hoger beroep bij de aankoop van 50% volle eigendom van het appartement de intentie had om met het appartement belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Het schattingsverslag van 2021 (stuk 11 van verweerster in hoger beroep) dateert van minstens 10 jaar na de aankoop van het appartement. De intentie in hoofde van verweerster in hoger beroep bij de aankoop in 2010 kan bezwaarlijk bewezen worden op basis van een algemene tendens, noch op basis van stukken die betrekking hebben op andere onroerende goederen en die dateren van ruim na de aankoop van de thans ter discussie staande onroerende goederen.
Het blijkt niet dat er op het ogenblik van de aankoop van de onroerende goederen (appartement in 2010 en garage in 2011) een berekening werd gemaakt van een mogelijk (toekomstig) netto-rendement.
Dat in 2011 navraag gedaan werd bij een architect over de mogelijkheid van een gevelrenovatie en dat uiteindelijk pas in 2021 beslist werd door de algemene vergadering van mede-eigenaars over te gaan tot een gevelrenovatie, vult evenmin de bewijslast in die op verweerster in hoger beroep rust. Een dergelijke gevelrenovatie kan evengoed gebeuren in het kader van een niet-beroepsmatige aanwending van het appartement.
Verweerster in hoger beroep toont niet aan dat zij bij de aankoop van de onroerende goederen de bedoeling had belastbare inkomsten te verkrijgen of behouden.
De vennootschap heeft deels beroep gedaan op een externe financiering voor de aankoop van het appartement. Het gaat niet om een belegging van uitsluitend eigen middelen, evenmin om een vorm van beheer van vermogen van de vennootschap.
Dit alles geldt des te meer daar het appartement in onverdeeldheid toebehoort aan enerzijds verweerster in hoger beroep voor 50 % in voile eigendom en anderzijds mevrouw R.K. 50% in volle eigendom, hetgeen een eventuele verkoop aanzienlijk bemoeilijkt.
Op basis van voormelde gegevens toont verweerster in hoger beroep niet aan dat zij de bedoeling had om met het appartement en de garage een meerwaarde na te streven.
Voormelde elementen volstaan ook om te besluiten dat de kosten met betrekking tot de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist voor de betwiste aanslagjaren geenszins kunnen beschouwd worden als een investering/belegging van liquiditeiten, doch eerder neerkomt op het toekennen van een vrijgevigheid ten gunste van de bedrijfsleider en geenszins bedoeld zijn om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden.
Verweerster in hoger beroep beroept zich verder op de bezoldigingstheorie en stelt dat de aankoop van de onroerende goederen gericht is op de bezoldiging van de bedrijfsleider.
Weliswaar rekent de wetgever de bezoldigingen van personeelsleden in beginsel tot de aftrekbare beroepskosten (art. 52,3° WIB92) en worden bedrijfsleiders voor de toepassing van de bepalingen inzake beroepskosten met werknemers gelijkgesteld (art. 195 §1,1id1 WIB92). Waaruit volgt dat bedrijfsleidersbezoldigingen in principe ook tot de aftrekbare beroepskosten behoren en dat hetzelfde geldt voor alles wat onder de notie bedrijfsleidersbezoldigingen valt, inbegrepen dus de voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid (art. 32 WIB92).
Hieruit volgt niet dat de kosten gemaakt om aan bedrijfsleiders voordelen van alle aard toe te kennen, automatisch als aftrekbaar kunnen worden beschouwd. Voor de aftrekbaarheid is bovendien vereist, dat de kosten voldoen aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van art. 49 WIB92. Wat inhoudt dat de kosten gedaan of gedragen moeten zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Dit betekent dat kosten van voordelen van alle aard slechts aftrekbaar zijn wanneer die kosten aan werkelijke prestaties beantwoorden.
Er bestaat bovendien geen wettelijke bepaling die het verband tussen de aftrekbaarheid van de kosten in hoofde van de vennootschap vaststelt op basis van de mogelijke belastbaarheid van een corresponderend voordeel in hoofde van haar bedrijfsleider (Gent, 20 december 2016, Fiscoloog, nr.1504, p.3).
De belastingadministratie of de rechter kan nagaan of tegenover die kosten werkelijke prestaties staan.
Uit geen enkel gegeven blijkt te dezen dat het specifieke voordeel, de terbeschikkingstelling van het appartement en garage, ertoe strekt werkelijke prestaties verricht voor de vennootschap te vergoeden (vgl. Cass. 14 oktober 2016, F.15.0103.N, www.cass.be).
Het feit alleen dat de bedrijfsleider wel prestaties levert voor de vennootschap, zijnde verweerster in hoger beroep, is immers onvoldoende.
Er is te dezen geen duidelijke en consequente loonpolitiek.
Louter een algemene verwijzing naar geleverde prestaties volstaat niet als bewijs daarvan.
Er wordt geen enkel document ter staving van de verloningspolitiek bijgebracht (geen verslagen algemene vergadering enz.). Dat specifiek het voordeel werd toegekend aan de bedrijfsleider als bezoldiging blijkt niet.
Uit de loutere goedkeuring van de jaarrekening kan niet afgeleid worden dat aan het voordeel van alle aard werkelijke prestaties beantwoorden.
Er wordt niet verwezen naar enige aanwijsbare economische oorzaak of noodzaak voor het ter beschikking stellen van de onroerende goederen.
De evolutie van de inkomsten van verweerster in hoger beroep en van de verloning van haar bedrijfsleider laten op zich evenmin toe te besluiten dat werkelijke prestaties van de bedrijfsleider aan de oorsprong liggen van het voordeel van alle aard.
Uit geen enkel gegeven blijkt te dezen dat het specifieke voordeel, de terbeschikkingstelling van de onroerend goederen voor privégebruik, ertoe strekt werkelijke prestaties verricht voor de vennootschap te vergoeden (vgl. Cass. 14 oktober 2016, F.15.0103.N, www.cass.be).
Het blijkt dan ook niet dat het toekennen van het specifieke voordeel van alle aard kadert binnen een bezoldigingspolitiek van de vennootschap, zodat te dezen zonder enige tegenprestatie in de betwiste aanslagjaren een voordeel aan de bedrijfsleider werd toegekend.
Gelet op deze concrete omstandigheden is het niet aangetoond dat de kosten verband hielden met het vergoeden van werkelijke prestaties geleverd door de bedrijfsleider voor de vennootschap en voldoet de vermelding van een voordeel van alle aard bestaande uit de terbeschikkingstelling gratis woonst op een inkomstenfiche niet als bewijs.
Uit voormelde blijkt dan ook dat het enkel de bedoeling was van verweerster in hoger beroep om de onroerende goederen in de betwiste aanslagjaren aan haar bedrijfsleider ter beschikking te stellen om de persoonlijke belangen van deze Iaatste te dienen. Aldus heeft de vennootschap kosten van persoonlijke aard van de bedrijfsleider ten laste genomen.
De bezoldigingstheorie laat niet toe onder het mom van geleverde prestaties van de bedrijfsleider zonder meer allerhande uitgaven van persoonlijke aard af te wentelen op de vennootschap.
Voormelde elementen volstaan om te besluiten dat de kosten met betrekking tot de onroerend goederen te Knokke-Heist geenszins bedoeld zijn om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden voor de betwiste aanslagjaren doch neerkomen op het toekennen van een liberaliteit ten gunste van haar bedrijfsleider.
De betrokken kosten met betrekking tot de kwestieuze onroerende goederen gelegen te Knokke voldoen dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92.
Het betreft aldus geen beroepskosten van de vennootschap in de zin van artikel 49 WIB92, zodat de aftrek ervan terecht werd verworpen.
De verwijzing naar rechtspraak waarvan de feitelijkheden niet volledig in overeenstemming zijn met onderhavige zaak is ter zake irrelevant.
Het hof wijst de overige argumenten gelet op het voorgaande af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
2.2.3 De onroerende goederen gelegen te Sint-Truiden
Verweerster in hoger beroep meent dat de kosten die verband houden met het onroerend goed gelegen te Sint-Truiden, Hasseltsesteenweg 32 in totaliteit een beroepsmatig karakter hebben van minstens 50,5%, meer ondergeschikt 20% en dat deze kosten ingevolge artikel 49 WIB92 aftrekbaar zijn als beroepskost.
De kostenaftrek die zich voortdoet tijdens de duur van de bruikleenovereenkomst zal getoetst moeten worden aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB 92 (zijn de kosten gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden).
Het louter gegeven dat in de bruikleenovereenkomst afgesloten op 15 juni 2004 bepaald wordt dat het bijgebouw B, de toegangsweg, de parkeerplaatsen en de tuin (met uitzondering van het privégedeelte) en dat later in het addendum wordt overeengekomen dat eveneens de rechtervleugel van het hoofdgebouw A, voor onbepaalde duur ter beschikking van de vennootschap worden gesteld, bewijst nog niet dat de thans nog in betwisting zijnde kosten voldoen aan de voorwaarden van art. 49 WIB92.
Dat verweerster in hoger beroep het goed in het kader van de bruikleenovereenkomst als een goede huisvader dient te gebruiken en in goede staat dient te onderhouden, dat verweerster in hoger beroep instaat voor de door haar gebruikte nutsvoorzieningen en gemachtigd is om aanpassings- of veranderingswerken uit te voeren, waarvan ze zelf de kosten moet dragen impliceren evenmin dat de kosten die verweerster in hoger beroep in dat verband maakte aftrekbare beroepskosten zijn in de zin van artikel 49 WIB92. Er kan immers niet afgeweken worden van artikel 49 WIB92, volgens hetwelk deze kosten enkel fiscaal aftrekbaar zijn wanneer ze door de belastingplichtige worden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Louter op basis van de bruikleenovereenkomst staat het geenszins vast dat de facturen die betrekking hebben op deze onroerende goederen die aan verweerster in hoger beroep gratis ter beschikking worden gesteld ingevolge de bruikleenovereenkomst allemaal voor 100% aftrekbare beroepskosten zouden zijn.
De aanvoering over de al of niet buitensporigheid van de kosten en het marktconform karakter van de overeenkomst ontslaat verweerster in hoger beroep geenszins van de bewijslast die op haar rust in het kader van artikel 49 WIB92.
Het is in dit kader, namelijk het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92, dat een deel van de kosten door de belastingadministratie (tijdens de administratieve fase: volledig beroepsmatig karakter van de facturen verbonden aan bijgebouw B en de in bruikleen gegeven delen van hoofdgebouw A) en door de eerste rechter (50,5% van de kosten met betrekking tot de oprijlaan, parkeerplaatsen, waterverbruik en waterverzachter, beslissing waartegen geen hoger beroep werd ingesteld door de belastingadministratie) werden aanvaard als aftrekbare beroepskosten.
Verweerster in hoger beroep toont geenszins aan dat zij recht heeft op meer aftrek van kosten in toepassing van artikel 49 WIB92 dan hetgeen reeds door de belastingadministratie werd aanvaard (in de administratieve fase) en waarin deze laatste heeft berust (in de gerechtelijke fase). Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. De beroepsmatigheid voor de vennootschap van deze overige kosten blijkt niet. Het betreft louter privékosten die door de vennootschap ten laste werden genomen.
Dat de toegangsweg en de parkeerplaatsen aanzienlijke gebruiksslijtage hadden, die niet aanwezig zou geweest zijn bij een normaal privégebruik, wordt geenszins aannemelijk gemaakt. Ingevolge het aanvaarde gemengd gebruik van de oprijlaan en de parkeerplaatsen (privé-beroepsmatig) werd de aftrek van een deel van de kosten met betrekking tot de oprijlaan, parkeerplaatsen reeds aanvaard en bij gebreke aan meer concrete gegevens in alle redelijkheid bepaald op 50,5 %. Verweerster in hoger beroep toont niet aan dat het beroepsgedeelte meer zou bedragen.
Factuur 160360 heeft betrekking op diverse elektriciteitswerken. Het blijkt niet dat deze factuur betrekking heeft op de bekabeling van de parlofoon en de camera's. Het blijkt niet dat deze factuur specifiek betrekking heeft op kosten die nodig zijn om het onroerend goed geschikt te maken voor het beroepsmatig gebruik. Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. Hetzelfde geldt voor de kosten gemaakt met betrekking tot het hekwerk en toegangspoort. Verweerster in hoger beroep toont evenmin aan dat wat betreft deze kosten voldaan is aan de voorwaarden van art. 49 WIB92. Het is bovendien volstrekt onduidelijk hoe verweerster in hoger beroep met betrekking tot deze laatste kosten de verhouding tussen het totaal van de kosten en het beroepsmatig gedeelte heeft bepaald.
Wat betreft de verlichtingsarmaturen (factuur 150334, 160359, 170001 en 170002) blijkt uit de voorgelegde facturen op zich niet dat dit specifiek de tuinverlichting betreft, geplaatst langs de toegangsweg en de parkeerplaatsen. Dat deze kosten betrekking hebben op de toegangsweg en de parking die deels beroepsmatig wordt gebruikt blijkt niet uit de aan het hof voorgelegde stukken.
Het loutere gegeven dat de vergaderruimtes uitkijken op een deel van de tuin, maakt nog niet dat de kosten met betrekking tot de tuin en de vijver gemaakt werden met de bedoeling belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het beroepsmatig gebruik van de tuin en de vijver wordt niet aangetoond door het louter feit dat de tuin en de vijver ter beschikking werd gesteld aan verweerster in hoger beroep in de bruikleenovereenkomst, zoals hoger reeds geoordeeld. Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. In de mate de kosten betrekking hebben op de tuin en de vijver is het hof van oordeel dat deze niet aftrekbaar zijn aangezien niet bewezen is dat aan de voorwaarden van art. 49 WIB92 is voldaan.
De aftrek van de kosten met betrekking tot de gas en elektriciteit werden tijdens de bezwaarfase in het kader van de vennootschapsbelasting reeds aanvaard wegens aanrekening van een voordeel van alle aard.
Het principe van rechtszekerheid verzet er zich bovendien niet tegen dat de bestemmeling van de facturen het recht op aftrek als beroepskost wordt geweigerd, wanneer het aanvankelijk bericht van wijziging gesteund was op onjuiste en onvolledige gegevens (zie ook hoger onder 2.2.1). De aanslagen moeten gevestigd worden op basis van de werkelijkheid. In dergelijk geval kan de belastingadministratie opnieuw nagaan of de voorwaarden voldaan zijn opdat de belastingplichtige recht heeft op aftrek van de kosten in de zin van artikel 49 WIB92. In die gevallen kan er immers geen sprake zijn van gewettigd vertrouwen in hoofde van de belastingplichtige.
Gelet op voorgaande dient het hof niet verder in te gaan op de overige argumentatie van partijen en de in (meest) ondergeschikte orde bepaalde beroepsmatige percentages.
2.3 De BTW
De aftrek inzake btw dient te beantwoorden aan het bestemmings- en gebruiksprincipe (art. 45, §1 W.BTW, art. 45, §lquinquies W.BTW en art. 1 van KB nr. 3).
Krachtens artikel 45 van het WBTW mag de belastingplichtige de btw in aftrek brengen die geheven werd op aan hem geleverde goederen of diensten indien hij deze goederen of diensten bestemd voor zijn economische activiteit.
Het recht van aftrek van voorbelasting kan aldus slechts worden toegestaan ten aanzien van geleverde goederen en ontvangen diensten die bestemd worden voor de btw-activiteit van de belastingplichtige. Dat betekent dat geen recht van aftrek van voorbelasting bestaat wanneer en in de mate dat de geleverde goederen en ontvangen diensten gebruikt worden voor privédoeleinden en/of voor andere dan de economische activiteiten waarvoor de belastingplicht bestaat. De bewijslast van de bestemming voor de economische activiteit die de belastingplicht meebrengt, rust op de belastingplichtige.
2.3.1 Het innings- en invorderingsregister
In geval van niet-betaling van een btw-schuld, wordt deze voortaan opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat - in de plaats van het administratief dwangbevel inzake btw — de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de btw-schuld en deze concretiseert (art. 85 § 1, eerste lid, nieuw, WBTW).
Onder betaling dient te worden begrepen een vrijwillige betaling ter kwijting van een erkende schuld. Een opname in het innings- en invorderingsregister is bijgevolg verplicht wanneer de belastingschuldige de verschuldigde BTW niet spontaan en onvoorwaardelijk voldoet.
Verweerster in hoger beroep betaalde de BTW-schuld onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis en de betaling onder voorbehoud kan dan ook niet aangemerkt worden als een betaling in de zin van artikel 85 §1 WBTW. De plicht van de administratie tot uitvoering van de wet, en dus tot invordering van de verschuldigde belasting blijft dan ook bestaan. Er diende dan ook te dezen te worden overgegaan tot de opname in het innings- en invorderingsregister, hetgeen niet gebeurde.
Het hof merkt op dat ondertussen de belastingadministratie op 31/05/2024 de BTW-schuld met artikelnummer 500.2298.54711 alsnog heeft opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Middels het innings- en invorderingsbericht werd verweerster in hoger beroep vervolgens in kennis gesteld van de opname de BTW-schuld in het innings- en invorderingsregister.
Ondanks het aanvankelijk ontbreken van het innings- en invorderingsregister moet de rechter, omwille van het openbare orde karakter van de fiscale wet, zelf in feite en in rechte beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld.
Dit houdt in dat wanneer de btw-plichtige zoals te dezen de terugbetaling van de reeds door hem onder voorbehoud betaalde bedragen vordert, de rechter sowieso moet oordelen over het bestaan van de belastingschuld en hij de terugbetaling niet kan bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is.
De BTW-vordering (periode 01/01/2015-31/12/2016) van de belastingadministratie is te dezen geenszins verjaard aangezien op 29/10/2018 overeenkomstig artikel 83 §2 WBTW een verklaring tot afstand van de verlopen tijd van verjaring werd getekend door de heer P., bedrijfsleider van verweerster in hoger beroep. Deze stuit tijdig de verjaring van de vordering (voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgende op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan). Een nieuwe verjaring wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is (art. 83 §1 WBTW).
Op 12/11/2020 werd de vordering in rechte ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Het rechtsgeding met betrekking tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de interesten en administratieve geldboeten, dat te dezen wordt ingesteld door de schuldenaar van deze belasting, deze interesten en deze geldboeten, schorst de verjaring overeenkomstig artikel 83 §1 lid 2 WBTW. De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan (art. 83 §1, lid 3 WBTW).
Nu er geen sprake is van verjaring van de BTW-vordering, zal het hof sowieso hierna moeten oordelen over het al dan niet bestaan van de belastingschuld in hoofde van verweerster in hoger beroep en het voldaan zijn aan de wettelijke voorwaarden teneinde recht te hebben op aftrek van BTW.
2.3.2 De onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist
Het recht op aftrek wordt uitgeoefend op basis van het bestemmingsbeginsel (art. 45, § 1 WBTW/art. 45 § 1quinquies WBTW). Dit houdt in dat de belastingplichtige de btw op goederen of diensten slechts mag recupereren indien hij deze goederen of diensten daadwerkelijk gebruikt/bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit.
Niet aftrekbaar is derhalve de btw geheven van uitgaven voor privédoeleinden of andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
Verweerster in hoger beroep bewijst geenszins dat de onroerende goederen gelegen te Knokke-Heist bestemd zijn voor beroepsdoeleinden van verweerster in hoger beroep. Het hof verwijst naar hetgeen desbetreffend reeds geoordeeld werd onder 2.2.2.
Verweerster in hoger beroep komt desbetreffend niet verder dan loutere beweringen.
Het louter voorleggen van een zelf opgestelde lijst van data, samen met gerechtelijke uitspraken waaruit de aanstelling van de heer B.P. blijkt, toont op zich nog niet aan dat het appartement in Knokke effectief beroepsmatig werd gebruikt in het kader van de uitvoering van deze gerechtelijke deskundigonderzoeken noch dat het appartement zou gebruikt worden voor verzoenings- en bemiddelingsvergaderingen met betrekking tot dossiers waarin klanten in die regio wonen. De aanvoeringen van verweerster in hoger beroep desbetreffend komen het hof ongeloofwaardig voor.
Het beroepsmatig gebruik van het appartement wordt niet aangetoond.
Verweerster in hoger beroep toont niet aan dat zij recht heeft op meer aftrek van BTW dan hetgeen reeds door de belastingadministratie werd aanvaard.
2.3.3 De onroerende goederen gelegen te Sint-Truiden
De betwisting betreft het al dan niet bestemd zijn voor de economische activiteit van verweerster in hoger beroep van een aantal door verweerster in hoger beroep gemaakte kosten.
Verweerster in hoger beroep meent dat de kosten die verband houden met het onroerend goed gelegen te Sint-Truiden… in totaliteit een beroepsmatig karakter hebben en dat zij recht heeft op aftrek van de BTW.
Verweerster in hoger beroep dient te bewijzen dat de kwestieuze kosten van omvorming en verbetering in werkelijkheid betrekking hebben op het door haar gebruikte onroerend goed dat zij voor haar belastbare werkzaamheid gebruikt.
Het louter gegeven dat in de bruikleenovereenkomst afgesloten op 15 juni 2004 bepaald wordt dat het bijgebouw B, de toegangsweg, de parkeerplaatsen en de tuin (met uitzondering van het privégedeelte) en later in het addendum wordt overeengekomen dat eveneens de rechtervleugel van het hoofdgebouw A, voor onbepaalde duur ter beschikking van de vennootschap worden gesteld, bewijst nog niet dat dit volledig in bruikleen gegeven onroerend goed gebruikt wordt voor haar belastbare werkzaamheid. De BTW geheven van goederen en diensten is slechts aftrekbaar wanneer deze goederen en diensten gebruikt worden voor de doeleinden van de economische activiteit.
Dat verweerster in hoger beroep het goed in het kader van de bruikleenovereenkomst als een goede huisvader dient te gebruiken en in goede staat dient te onderhouden, dat zij instaat voor de door haar gebruikte nutsvoorzieningen en gemachtigd is om aanpassings- of veranderingswerken uit te voeren, waarvan ze zelf de kosten moet dragen impliceert evenmin dat voldaan is aan de aftrekvoorwaarden van artikel 45 WBTW.
Louter op basis van de bruikleenovereenkomst staat het geenszins vast dat de BTW aangerekend op de facturen die betrekking hebben op deze onroerende goederen die aan verweerster in hoger beroep gratis ter beschikking worden gesteld voor 100% aftrekbaar is.
De aanvoering over de al of niet buitensporigheid van de kosten en het marktconform karakter van de overeenkomst ontslaat verweerster in hoger beroep geenszins van de bewijslast die op haar rust in het kader van artikel 45 WBTW.
Het is in dit kader, namelijk het bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45 WBTW, dat de aftrek van de BTW van een deel van de facturen door de belastingadministratie (tijdens de administratieve fase: volledig beroepsmatig karakter van de facturen verbonden aan bijgebouw B en de in bruikleen gegeven delen van hoofdgebouw A) en door de eerste rechter (50,5% van de kosten met betrekking tot de oprijlaan, parkeerplaatsen, waterverbruik en waterverzachter, beslissing waartegen geen hoger beroep werd ingesteld door de belastingadministratie) werden aanvaard.
Verweerster in hoger beroep toont geenszins aan dat zij recht heeft op meer aftrek van BTW in toepassing van art. 45 WBTW dan hetgeen reeds door de belastingadministratie werd aanvaard (in de administratieve fase) en waarin deze laatste heeft berust (in de gerechtelijke fase). Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. De beroepsmatigheid voor de vennootschap van deze overige kosten blijkt niet. Het betreft louter privékosten die door de vennootschap ten laste werden genomen.
Dat de toegangsweg en de parkeerplaatsen aanzienlijke gebruiksslijtage hadden, die niet aanwezig zou geweest zijn bij een normaal privégebruik, wordt geenszins aannemelijk gemaakt. Ingevolge het aanvaarde gemengd gebruik van de oprijlaan en de parkeerplaatsen (privé-beroepsmatig) werd de BTW-aftrek deels aanvaard met betrekking tot de oprijlaan, parkeerplaatsen en bij gebreke aan meer concrete gegevens in alle redelijkheid bepaald op 50,5 %. Verweerster in hoger beroep toont niet aan dat het beroepsgedeelte meer zou bedragen.
Factuur 160360 heeft betrekking op diverse elektriciteitswerken. Het blijkt niet dat deze factuur betrekking heeft op de bekabeling van de parlofoon en de camera's. Het blijkt niet dat deze factuur bestemd was om het onroerend goed geschikt te maken voor de economische activiteit. Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat de geleverde goederen en diensten betrekking hebben op de economische activiteit van verweerster in hoger beroep die recht op aftrek verleend op grond van artikel 45 §1 WBTW. Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. Hetzelfde geldt voor de kosten gemaakt met betrekking tot het hekwerk en toegangspoort. Verweerster in hoger beroep toont evenmin aan dat deze geleverde goederen en diensten betrekking hebben op de economische activiteit van verweerster in hoger beroep die recht op aftrek verleend op grond van artikel 45 §1 WBTW. Het is bovendien volstrekt onduidelijk hoe verweerster in hoger beroep met betrekking tot deze laatste kosten de verhouding tussen het totaal van de kosten en het beroepsmatig gedeelte heeft bepaald.
Wat betreft de verlichtingsarmaturen (factuur 150334, 160359, 170001 en 170002), blijkt uit de voorgelegde facturen op zich niet dat dit specifiek de tuinverlichting betreft geplaatst langs de toegangsweg en de parkeerplaatsen. Dat deze facturen betrekking hebben op de toegangsweg en de parking die deels beroepsmatig wordt gebruikt, blijkt niet uit de aan het hof voorgelegde stukken. Verweerster in hoger beroep toont dan ook niet aan dat deze verlichtingsarmaturen gebruikt worden voor de doeleinden van de economische activiteit, Iaat staan in welke verhouding dit zou zijn.
Het loutere gegeven dat de vergaderruimtes uitkijken op een deel van de tuin, maakt nog niet dat de tuin en de vijver gebruikt wordt voor de doeleinden van de economische activiteit. Verweerster in hoger beroep komt desbetreffend niet verder dan loutere beweringen. Ondanks de bruikleenovereenkomst, blijkt in werkelijkheid niet dat verweerster in hoger beroep de tuin en de vijver voor haar economische activiteit heeft bestemd. In werkelijkheid hebben de leveringen en diensten betrekking op de aanleg en onderhoud van de tuin van de privéwoning. In de mate de kosten betrekking hebben op de tuin en de vijver, waarvan het beroepsmatig karakter niet wordt aangetoond, is niet voldaan aan de voorwaarden van art. 45 WBTW.
Terecht stelt de belastingadministratie dat wat betreft de elektriciteit en gas de aftrekbeperking niet kan bepaald worden aan de hand van de oppervlakte van het beroepsgedeelte ten opzichte van de totale oppervlakte vermits er geen gas wordt gebruikt in bijgebouw B. De kantoren in hoofdgebouw A worden eerder sporadisch gebruik. Verweerster in hoger beroep verklaarde zelf: "De bemiddeling tussen de verschillende partijen (vb. betrokkenen met hun advocaten, verzekeringsadviseurs, architecten, technisch adviseurs...) verloopt als volgt. De bemiddeling vindt plaats op de burelen van X., meestal in grote groep in het bijgebouw B waar dan de plenaire (iedereen samen) vergadering plaatsvindt. Deze gesprekken zijn vertrouwelijk en kunnen niet worden gebruikt voor de Rechtbank. Tijdens de plenaire vergadering kan het zijn dat er een aparte vergadering noodzakelijk is met een van de partijen die dan dubbel vertrouwelijk is. Hiervoor maakt de heer Pl. gebruik van de burelen in de rechtervleugel van hoofdgebouw A." Wat betreft de gas en elektriciteit is het hof van oordeel dat verweerster in hoger beroep geenszins bewijst dat het beroepsmatig gebruik meer bedraagt dan hetgeen door de belastingadministratie reeds aanvaard werd en bij gebreke aan meer concrete gegevens in alle redelijkheid bepaald werd op 20 %. De diverse aanvoeringen van verweerster in hoger beroep zijn niet van aard afbreuk te doen aan de berekening van de belastingadministratie.
De bestemming voor de economische activiteit wat betreft deze leveringen van goederen en diensten, in de mate die thans nog ter betwisting staan, blijkt niet. Het betreft louter privékosten die door de vennootschap ten laste werden genomen.
Gelet op voorgaande dient het hof niet verder in te gaan op de overige argumentatie van partijen en de in (meer) ondergeschikte orde bepaalde beroepsmatige percentages.
2.4 De rechtsplegingsvergoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Aangezien partijen in eerste aanleg onderscheidenlijk omtrent enig punt van het geschil in het ongelijk werden gesteld dienen de kosten in eerste aanleg tussen hen te worden omgeslagen in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.
Partijen zijn het eens over een rechtsplegingsvergoeding 4.200 euro in eerste aanleg, met dien verstande dat de Belgische staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd of bijgestaan werd door een advocaat.
Wat betreft de kosten in hoger beroep dient verweerster in hoger beroep beschouwd te worden als de in het ongelijk gestelde partij en tot de kosten van het hoger beroep veroordeeld te worden.
Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 3.750 euro.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof werkt het tussenarrest van 30 april 2024 verder uit.
Het hof verklaart het initieel principaal beroep ingesteld op 11/10/2022 en het nakomend principaal hoger beroep ingesteld op 09/05/2023 door eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.
Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Het hof hervormt het bestreden vonnis, binnen de perken van het hoger beroep, voor zover: de eerste rechter ontheffing verleende van de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2016, kohierartikel 8013101 en aanslagjaar 2017, kohierartikel 890001784 in de mate wat betreft het appartement en garagebox te Knokke-Heist de kosten volledig beroepsmatig en aftrekbaar zijn en in die mate terugbetaling bevolen heeft meer moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 WIB92
de eerste rechter de teruggave inzake BTW bevolen heeft van de betaalde of ingehouden bedragen met betrekking tot de belastingschuld met artikelnummer 500.2298.54711 in de mate wat betreft het appartement en garagebox te Knokke-Heist de kosten volledig beroepsmatig zijn en
de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over de kosten van het geding.
Het hof verklaart de vordering van verweerster in hoger beroep in de mate ze strekt tot het bekomen van meer aftrek van kosten in toepassing van artikel 49 WIB92 en meer aftrek van BTW in toepassing van artikel 45 WBTW dan hetgeen reeds aanvaard werd door de belastingadministratie in de taxatiefase en dan hetgeen definitief bevolen werd door de eerste rechter (50,5% van de kosten voor de oprijlaan en parkeerplaatsen en de gemeenschappelijke kosten voor waterverbruik en onderhoud wasverzachter, lees waterverzachter, betreffende het onroerend goed gelegen te Sint-Truiden, …), ongegrond.
Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot 1/3de en verweerster in hoger beroep tot 2/3 de van de kosten van het geding in eerste aanleg begroot:
- in hoofde van eiser in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg
- in hoofde van verweerster in hoger beroep op 4.200 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 40 euro bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in eerste aanleg.
Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep begroot in hoofde van eiser in hoger beroep op 3.750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 24 euro bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 21 januari 2025 door
C. P. Raadsheer dd. voorzitter
E. D. Raadsheer
K. L. Raadsheer
E. C. Griffier
Note du SPF Finances
Référence WF
WF 711-15-20/067252 - Finality 54500352
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.