Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 15 avril 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-kortrijk-2002-04-15-66a5

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
15 avril 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

187 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 15.04.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRlJK, PROVINCIE WEST-VLA.ANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJK ZAKEN

Vonnis 15/04/2002

In de zaak : 96/58463/A

bvba L.,

met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …;

eiseres

vertegenwoordigd door en pleitend Meester C. D'H., advocaat te …, … (ref. 944/LV/145);

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen; op vervolging van de heer Ontvanger van het BTW­ontvangkantoor Roeselare, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 22;

woonst kiezende bij zijn ambtsgenoot te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4;

verweerder

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, … (ref. 1552/G);

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting. De besluiten en stukken werden ingezien.

Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak op 2 april 2001 waarin reeds de feiten, antecedenten en vordering werden uiteengezet.

Alvorens in enige mate recht te doen werden door dit vonnis de debatten ambtshalve heropend (artikel 774 Ger. W.) opdat partijen gevolg zouden geven aan de door de rechtbank onder de overwegingen a), b), c) en d) van het vonnis gestelde vragen, met recht van weerwoord voor de tegenpartij.

Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak op 21 januari 2002 waarin de betwisting tussen partijen in verband met de posten I.A en I.B van het proces-verbaal van 3 januari 1995 werd beslecht.

In verband met de post I.C, de post II en de omrekening in euro van de bedragen àie in het dwangbevel nog in frank werden vermeld, werden de debatten andermaal ambtshalve heropend (artikel 774 Ger. W.).

Voor wat post I.C. met betrekking de balans 1992 betreft, moet de rechtbank vaststellen dat eiseres daar geen aanvaardbare, steekhoudende uitleg voor naar voor brengt nadat zij daartoe ruimschoots de tijd en de mogelijkheid kreeg.

In besluiten neergelegd ter griffie op 22 januari 1999, bladzijde 5, gaf eiseres reeds toe dat door materiële vergissingen, verlies of onvrijwillige vergetelheden, bepaalde aankoopfacturen niet werden geboekt (hetgeen volgens eiseres niets zou veranderen aan het feit dat principieel een volledige boekhouding werd gevoerd).

Post I.C komt gegrond voor (inclusief de daartoe gehanteerde brutowinstmarge).

Eiseres stelt anderzijds nogmaals uitdrukkelijk dat zij post II van het proces-verbaal niet betwist.

Ook deze post komt gegrond voor.

De berekening in euro door verweerster in besluiten neergelegd ter griffie op 18 februari 2002 op de eerste vier bladzijden komt, mede bij ontstentenis van opmerkingen door eiseres, gegrond voor.

Deze berekening omvat niet de posten I.A en I.B. van het proces-verbaal die door de rechtbank als ongegrond werden afgewezen.

Het dwangbevel komt gegrond voor :

- wat betreft post I.C ten bedrage van … euro aan BTW;

- wat betreft post II ten bedrage van … euro aan BTW;

- dit maakt in totaal : … euro + … euro = … euro aan BTW.

Wat betreft de boete :

Verweerster rekent in toepassing van de artikelen 70, § 1 en 1bis van het BTW-Wetboek de dubbele BTW-boete aan (200 %).

Deze boete wordt betwist door eiseres.

Een administratieve fiscale boete kan als een strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en van artikel 14 van het B.U.P.O. dienen beschouwd te worden wanneer zij :

1.zonder onderscheid elke belastingplichtige (en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut) betreft;

2.een bepaald gedrag voorschrijft en op de niet-naleving een sanctie stelt;

3. niet alleen een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om herhaling te voorkomen;

4. stoelt op een norm met een algemeen karakter waarvan het oogmerk tegelijk preventief en repressief is;

5. zeer zwaar is, gelet op bedrag ervan.

De rechtbank is van oordeel dat een BTW-boete van 200 % aan deze criteria voldoet en dus een strafkarakter heeft.

De rechtbank is bevoegd om een administratieve boete die het karakter heeft van een straf, volledig te toetsen.

Zij kan de boete herleiden tot een aan de feiten aangepast niveau.

De rechtbank is van oordeel dat er in hoofde van eiseres geen sprake is van echt bewezen fraudogene handelingen; er dient aangenomen te worden dat het hier veeleer gaat om oncorrect handelen uit slordigheid, desinteresse en tijdsgebrek.

De rechtbank is van oordeel dat in casu een boete van … euro kan volstaan.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

Wijzende op tegenspraak;

Doet het bestreden dwangbevel dd. 10 februari 1995 (ref. RCIV-nr. …) teniet wat de posten I.A en I.B betreft;

Zegt voor recht dat op dit punt het verzet reeds bij vonnis van 21 januari 2002 tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond werd verklaard;

Verklaart het verzet verder deels gegrond op het vlak van de boete die herleid wordt tot … euro en zegt voor recht dat voor de initieel meergevorderde boete het bestreden dwangbevel eveneens teniet gedaan wordt;

Wijst het verzet verder af als toelaatbaar, ontvankelijk, maar ongegrond;

Zegt voor recht dat uit hoofde van post I.C en II eiseres aan verweerder verschuldigd blijft de som van … euro aan BTW;

Zegt verder voor recht dat de intresten en vervolgingskosten verschuldigd zijn zoals gesteld in het bestreden dwangbevel, doch voortaan dienen gerekend op een bedrag aan BTW van … euro en op een boete van … euro;

Gelet op het feit dat eiseres slechts deels gelijk krijgt;

Laat de kosten van dagvaarding ten laste van eiseres en compenseert de rechtsplegingvergoedingen van partijen;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling;

Zegt dat er geen redenen worden opgegeven of aangetoond die zouden toelaten het vermogen tot kantonnement uit te sluiten.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortijk, in de openbare terechtzitting op VIJFTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter,

A. D., adjunct-griffier.

A.D. M. B.

Décision jointe par le SPF

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT

KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN

RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

Vonnis dd. 21/01/2002

In de zaak : A.R.96/58463/A

bvba L.,

met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …;

eiseres

vertegenwoordigd door en pleitend Meester C. D'H., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van dhr Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging. van de heer Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Roeselare, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat, 22; woonst kiezende bij zijn ambtsgenoot te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat, 4;

verweerder

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak op 2 april 2001 waarin reeds de feiten, antecedenten en vordering werden uiteengezet.

Verwezen wordt naar de overwegingen van dit vonnis dat alvorens in enige mate recht te doen, de ambtshalve heropening der debatten heeft bevolen (artikel 774 Ger.W.) opdat partijen gevolg zouden geven aan de door de rechtbank onder de overwegingen a), b), c) en d) van het vonnis gestelde vragen, met recht van weerwoord voor de tegenpartij.

A) Voorafgaandelijk wenst de rechtbank te vermelden dat artikel 84 BTW-Wetboek de procedure van minnelijke regeling inzake BTW niet verplicht stelt.

De administratie is derhalve niet verplicht om een minnelijke regeling voo te stellen en dit aanbod tot minnelijke regeling te handhaven (zeker wanneer zij ondervindt dat een minnelijke regeling - gezien de gevoerde betwistingen - moeilijk haalbaar zal zijn).

B) lnzake de door verweerder lastens eiseres voorgehouden BTW-fraude in verband met leveringen door roomijsleverancier L. die niet in de boekhouding zouden zijn opgenomen - wat de balansjaren 1990 en 1991 betreft.

De rechtbank moet vaststellen dat het arrest van 30 november 1995 van het Hof van Beroep te Gent, derde kamer, rechtdoende in correctionele zaken enkel strafbare feiten betreft van H.R., D.R., L. A. en H. M..

Deze 4 voornoemden hebben allen Cassatieberoep ingesteld, dat evenwel werd verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 28 januari 1997 (stuk 27 verweerder).

De feiten lastens A. L. en M. H. van de roomijsleverancier nv Brugse Roomcentrale A. L., hebben dan nog uitsluitend betrekking op de periode van 1 januari 1990 tot 31 december 1990.

In het arrest van 30 november 1995 voormeld van het Hof van Beroep te Gent is er geen sprake van andere klanten-afnemers van de Roomijscentrale L. dan H.R. en D.R. voormeld.

De bvba L. komt in het arrest niet ter sprake.

Van een algemeen fraudesysteem bij Roomijscentrale L. is in het arrest van 30 november 1995 voormeld geen sprake.

Zelfs zo er al een veralgemeend fraudesysteem zou hebben bestaan bij de Roomijscentrale L., dan nog acht de rechtbank het onvoldoende bewezen dat de bvba L. daar deel zou van uitgemaakt hebben.

Wat het jaar 1990 betreft en het jaar 1991 tot en met 15 januari 1991

Verweerder beroept zich ten aanzien van eiseres, de bvba L., op 3 commissienota’s dd. 15 december 1990, dd. 31 december 1990 en dd. 15 januari 1991.

Volgens verweerder wordt in handschrift op deze commissienota's telkens verwezen naar een corresponderende factuur.

De rechtbank moet vaststellen dat indien deze bewering zou kloppen, het telkens om hogere factuurbedragen zou gaan dan het bedrag der commissienota's.

De 3 zogezegde corresponderende facturen in kwestie worden evenwel niet voorgelegd aan de rechtbank.

De bvba L. ontkent ooit de commissienota's te hebben ontvangen en stelt dat al de goederen in alle geval moeten vervat zitten in de facturen (wat het jaar 1990 betreft alvast).

Wat het jaar 1991 betreft (na 15 januari 1991)

Verweerder beroept zich ten aanzien van eiseres bvba L. op een (vierde) commissienota dd. 31 januari 1991 ad … Bef, thans … euro, BTW inclusief en voegt hier de zogezegde corresponderende factuur dd. 31 januari 1991 nummer 70.370 aan toe voor een hoger bedrag van … Bef, thans … euro.

Dat slechts een 4-tal goederen in iets kleinere hoeveelheden voorkomen op de factuur dan op de commissienota is niet voldoende om tot een grootschalige fraude in hoofde van de bvba L. te moeten concluderen.

Het proces-verbaal dd. 3 januari 1995 vermeldt ten andere dat er een rechtzetting van … Bef, thans … euro, gebeurd is door de bvba L. op het einde van 1991, die integraal bestemd was voor gelden die in de loop van dat jaar uit de kas werden gehaald om leverancier L. te betalen.

Dat er bovenop deze boekhoudkundige rechtszitting en met inachtname van de boekhoudkundig verwerkte facturen nog meer leveringen zouden zijn voor 1991 is niet bewezen.

Conclusie

De door verweerder voorgehouden meeraankoop door de bvba L. bij roomijsleverancier L. voor de balansjaren 1990 en 1991 komt niet voldoende bewezen voor.

C) Inzake de door verweerder lastens eiseres voorgehouden BTW-fraude in verband met leveringen van bloem door de nv C., Afdeling D. N. M. Gent en Brugge, die niet in de boekhouding zouden zijn opgenomen - wat het balansjaar 1991 betreft

Eiseres legt een correctioneel arrest voor van het Hof van Beroep te Brussel, 13de kamer, dd. 22 november 1993 waarin de bvba L. niet ter sprake komt (stuk 28 verweerder.)

Het blijkt niet of dit arrest ooit wel kracht van gewijsde bekwam (en dus niet werd verbroken in cassatie).

Bovendien heeft dit arrest betrekking op feiten die teruggaan tot de jaren 1982 tot en met 1987 en is dus niet zomaar transponeerbaar en toepasbaar op het jaar 1990.

Verweerder legt betreffende het jaar 1990 twee onleesbare facturen voor met eraan vastgehecht telkens een vervoerdocument.

Op deze twee vervoerdocumenten staat in handschrift dat een gedeelte van de vracht niet werd geleverd of gelost omdat de silo van de bvba L. "vol" zou zijn geweest.

Op 27 juni 1990 ging het om 500 kg en op 26 juli 1990 om 1.460 kg die alzo niet konden worden geleverd.

Deze twee facturen en corresponderende vervoerdocumenten met de handgeschreven vermeldingen er op zijn alleszins onvoldoende om zomaar aan te nemen dat de bvba L. van een C. zwarte leveringscircuit van de jaren 90 deel zou hebben uitgemaakt en dat deze 500 kg en 1.460 kg vermeld als niet geleverd dan wel in het zwart zouden zijn geleverd.

De door verweerder voorgehouden meeraankoop door de bvba L. bij de nv C., Afdeling D. N. M. Gent en Brugge, over het balansjaar 1990 komt niet voldoende bewezen voor.

D) Wat betreft het balansjaar 1992

Bij vonnis van 21 april 2001 vroeg de rechtbank partijen, vooral eiseres, wat voor verweer zij had op de vermeldingen van post 1, vierde blad van het proces-verbaal (en de corresponderende berekening op het vijfde blad van het proces-verbaal).

Verweerder heeft vastgesteld uit de vergelijking van de leverancierslistings en de boekhouding van eiseres dat een aantal bedragen van aankopen niet werden geboekt, noch in 1992 noch in 1993.

Eiseres is hier niet op ingegaan.

Nochtans beroept verweerder zich op het (wettelijk) vermoeden dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. (artikel 64, § 1 BTW-Wetboek)

Ook zou er voor 1992 een brutowinstpercentage aangegeven zijn van 240,27 % (daar waar dit voor 1991 nog 190,8 % en voor 1990 nog 181,5 % was...).

Anderzijds moet vastgesteld dat eiseres post II niet betwist tot op heden.

Afhankelijk van het verweer dat eiseres nog naar voor zou kunnen brengen betreffende de punten I.C en II zal het zo zijn dat het dwangbevel enkel in meerdere of mindere mate gegrond voorkomt wat de punten I.C en II van het proces-verbaal van 3 januari 1995 betreft.

Aangezien alle rechtsinstrumenten voortaan sinds 1 januari 2001 in de Euro-munt moeten uitgedrukt worden, verzoekt de rechtbank de administratie om de posten I.C en II van het proces-verbaal van 3 januari 1995 evenals de ermee corresponderende boetes in Euro te herberekenen, desgevallend rekening houdend met het door eiseres nog aangebrachte verweer terzake.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart het verzet tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar, ontvankelijk en reeds deels gegrond, met name wat de post I,A en I,B vermeld in het proces-verbaal van 3 januari 1995 betreft.

Alvorens verder te oordelen, beveelt ambtshalve de heropening der debatten (artikel 774 Ger.W.) opdat partijen eerst gevolg zouden geven aan het hen in de overwegingen onder punt D) van het vonnis gevraagde.

Stelt de zaak daartoe op de terechtzitting van MAANDAG 18 FEBRUARI 2002 te 10,30 uur van de tweede kamer (fiscaal), zetelend in het Gerechtsgebouw te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat, 10 A, zaal 102 tweede verdieping vooraan.

Kosten aangehouden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op EENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter;

G. H., griffier

G. H. M. B.

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK,

PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER,

RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN

Vonnis 02/04/2001

In de zaak : A.R.96/58463/A

bvba L.,

met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …;

eiseres

vertegenwoordigd door en pleitend Meester A. B., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van dhr Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging. van de heer Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Roeselare, wiens burelen gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat, 22; woonst kiezende bij zijn ambtsgenoot te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat, 4;

verweerder

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Bij dagvaarding (verzetsdagvaarding genoemd) betekent op 20 maart 1995 door gerechtsdeurwaarder E. V. met standplaats te Brugge, heeft eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 10 februari 1995 door J. V., Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 februari 1995 door J. P., inspecteur te Brugge en betekend bij exploot van het ambts van gerechtsdeurwaarder P. D. S. met standplaats te Brugge op 21 februari 1995.

Het dwangbevel in kwestie vordert :

- … fr. aan BTW;

- … fr. (of het dubbel aan boete in toepassing van artikel 70, § 1 en 70, § 1bis BTW-Wetboek);

- Een intrest krachtens artikel 91, § 1 BTW-Wetboek van 0,80 % per maand over de niet-tijdig betaalde BTW, te rekenen vanaf 21 januari 1993.

Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer … voor het uittesten van een kleinhandel in brood en banket.

Na lezing van het dossier en vooral de stukkenbundels van partijen stelt de rechtbank zich nog volgende vragen, ter beantwoording waarvan zich een ambtshalve heropening der debatten opdringt (artikel 774 Ger. W.).

a) Er werd herhaaldelijk reeds beslist op basis van gegevens aangetroffen bij een derde (vb. een leverancier) er geen meeromzet en dus ook geen meertaxatie aan BTW kan worden weerhouden.

Deze gegevens dienen minstens vergezeld te gaan van andere overeenstemmende, bepaalde en gewichtige vermoedens.

Door de Procureur-generaal van het Hof van Beroep te Gent werd op 13 mei 1991 aan de gewestelijke directeur van de BBI Administratie-Directie A. St. Lazaruslaan, 10 bus 3-4 te Brussel, de toelating verleend tot inzage en afschrift van de stukken van het strafdossier ten laste van H. R. en anderen (notitienummer … van het parket te Brugge).

Het gaat hier om het strafdossier waar de leverancier L. van eiseres is in betrokken.

Uit dit strafdossier legt verweerder 2 processen-verbaal voor waarop hij zich beroept.

Eiseres van haar kant wijst er op dat de commissienota’s waarover verweerder het heeft, telkens correspondenderen met een officiële, in de boekhouding opgenomen factuur voor een hoger bedrag; dat de commissienota vervat moet zijn in de ruimere factuur die zeker betrekking heeft of moet hebben op dezelfde goederen, zo stelt eiseres.

De rechtbank stelt vast uit de voorgelegde processen-verbaal dat zij niet kan uitmaken of er een vaste zwartcircuit-systeem bestond bij de roomijsleverancier L., hoe dit werkte en valt te weerhouden uit het strafdossier.

Welke andere gegevens of vermoedens zijn er die lijken te ondersteunen dat eiseres in dit zwartcircuit zat en leveringen ontving die ze niet opnam in haar boekhouding ?

Wat is het strafrechtelijk gevolg gegeven aan het strafdossier in kwestie (wat de hoofdtenoren in de fraudezaak betreft – veroordeling met kracht van gewijsde) ?

b) Wat de leverancier N. M. Gent en Brugge betreft.

De documenten die verweerder desbetreffend naar voor brengt zijn veelal niet leesbare stukken.

Kadert ook dit in een strafdossier, zo ja, dan rijzen hier dezelfde vragen terzake als onder a) (andere vermoedens – fraudesysteem – strafrechtelijk gevolg).

Waar werden de vervoerdocumenten en corresponderende facturen aangetroffen – in de boekhouding van eiseres of na inzage in een strafdossier – toelating tot inzage ?

De vervoerdocumenten bevatten wel de vermelding “- 500, silo vol, 1460 niet gelost, silo vol.”.

Hoe komt verweerder er toe te stellen dat deze 500 kg en 1460 kg niet officieel zijn geleverd geweest ?

c) De rechtbank neemt er akte van dat eiseres de post 11 op blz. 6 van het proces-verbaal niet betwist doch graag zou vernemen welke specifieke opmerkingen en verweer eiseres te maken heeft bij hetgeen wordt vermeld onder post I op blz. 4 van het proces-verbaal (uit de leverancierslisting heeft verweerder blijkbaar vastgesteld dat een aantal beroepen niet werden geboekt door eiseres, noch in 1992, noch in 1993).

d) Partijen gelieven eveneens te motiveren omtrent de boete voor het dubbele van de rechten.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Alvorens in enige mate recht te doen, beveelt de ambtshalve heropening der debatten (artikel 774 Ger. W.) opdat partijen vooreerst gevolg zouden geven aan de door de Rechtbank onder de overwegingen a), b), c) en d) van het vonnis gestelde vragen, met recht van weerwoord voor de tegenpartij.

Stelt de zaak daartoe op de terechtzitting van MAANDAG 3 SEPTEMBER 2001 te 10u30, op tweede kamer fiscaal, zetelend in het Gerechtsgebouw te 8500 Kortrijk, Bgm. Nolfstraat 10 A, zaal 102, tweede verdieping vooraan.

Kosten aangehouden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig :

H. B., alleenzetelend rechter,

G. H., griffier.

G. H. H. B.

Textes cités

4
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 641 occurrence
CTVA art. 841 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8