Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 21 avril 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-preuve-cour-appel-bruxelles-2005-04-21-a54e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
21 avril 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

120 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 21.04.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 118/AR/2607

Openbare terechtzitting van 21.04.2005

INZAKE VAN :

De heer S. J., wonende te …, …,

appellant,

vertegenwoordigd door Mter J. loco L. V., advocaat …, …

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het 4de BTW-ontvangkantoor te Brussel, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat 7,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. D., advocaat, …, …


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. 2005/2632 EINDARREST - gedeeltelijk gegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel na tegenspraak gewezen op 28 november 1997 (AR 12460/96), dat bij gerechtsdeurwaarderexploot van 3 augustus 1998 werd betekend en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof van beroep op 2 september 1998;

De feiten en retroacten

Appellant werd geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer … voor zijn activiteit van leurhandel in textiel.

Op 20 maart 1995 vond een controle plaats door mevrouw D. V. S., adjunct-controleur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW­controlekantoor van Geraardsbergen, betreffende de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1994.

Appellant verklaarde de boekhouding voor de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1992 te hebben vernietigd.

Evenwel vierden op 30 april 1996 door bemiddeling van de heer B., niet-gevolmachtigde accountant van appellant, aankoopfacturen voor de jaren 1991 en 1992 ter inzage op het BTW­controlekantoor voorgelegd.

Tijdens deze controle werden, volgens de adjunct-contoleur, in de toepassing van de BTW onjuistheden vastgesteld, die werden opgenomen in een proces-verbaal van 8 juli 1996.

Volgens dit proces-verbaal is appellant aan de Belgische Staat verschuldigd :

- de som van … BEF als BTW;

- de som van … BEF als verminderde fiscale geldboete op grond van artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek;

- de som van … BEF als geldboete op grond van artikel 70, § 4 van het BTW-Wetboek;

- de intresten van rechtswege verschuldigd aan 0,80 % per maand vertraging vanaf 21 januari 1995 op het bedrag van de verschuldigde belasting.

Op 10 juli 1996 werd door de heer Ontvanger van het vierde BTW-Ontvangkantoor te Brussel een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 10 september 1996 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer E. S., gedelegeerde inspecteur van de Gewestelijke Directie van de BTW, Brussel II.

In het dwangbevel werd gesteld dat door de belastingplichtige een bedrag van aftrekbare BTW ten belope van … BEF opgenomen werd in vak 21 van de BTW-aangifte van het tweede kwartaal 1991 en dat deze aangifte ingediend werd op 10 juli 1991, zodat dit bedrag niet meer kan teruggevorderd worden gezien de verjaring als bedoeld in artikel 81 van het BTW-Wetboek ervan op 20 juli 1996.

Verder stelt het dwangbevel dat aangezien in die mate de verschuldigde bedragen, opgenomen in het proces-verbaal van 8 juli 1996, moeten verminderd worden, de belastingplichtige verschuldigd is :

- de som van … BEF als BTW;

- de som van … BEF als geldboete op grond van artikel 70, § 1 en 1bis van het BTW-Wetboek (verhoogd ingeval van kennisgeving van dit dwangbevel);

- de som van … BEF als geldboete op grond van artikel 70, § 4 van het BTW-Wetboek (verhoogd ingeval van kennisgeving van dit dwangbevel);

- de verschuldigde intresten van 0,80 % per maand op de niet tijdig betaalde BTW vanaf 21 januari 1995.

De procedure in eerste aanleg

Bij dagvaardingsexploot van 5 november 1996 stelde huidig appellant een inleidende vordering in tegen huidig geïntimeerde teneinde het op 10 juli 1996 uitgevaardigde dwangbevel nietig en zonder gevolg te horen verklaren, geïntimeerde verbod te horen opleggen om dit dwangbevel verder uit te voeren en laatstgenoemde te horen veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde concludeerde tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van de vordering.

In het bestreden vonnis-van 28 november 1997 oordeelde de eerste rechter als volgt :

- appellant betwist dat de vermeldingen op de facturen onvolledig of onjuist zouden zijn, doch legt geen enkele factuur voor zodat elk nazicht van de gegrondheid van dit argument onmogelijk is;

- de uitoefening van het recht van aftrek wordt enkel onderworpen aan de vorm die ertoe strekt de juiste inning van de belasting en een doelmatige controle door de administratie mogelijk te maken; elkeen, ook appellant, dient zich te schikken naar dergelijke vormvereisten indien hij wenst zijn recht op aftrek uit te oefenen;

- ook nopens de factuur van de NV K. M. van 6 juli 1994 ontbreken de door het KB nr. 1 vereiste vermeldingen;

- de diefstal van koopwaar en materiaal uit het voertuig van appellant op 8 juli 1994 wordt niet bewezen;

en verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond; veroordeelde appellant tot de kosten van het geding.

De procedure in hoger beroep

Ter beoordeling door het hof ligt voor :

- het door appellant op 2 september 1998 ingestelde principaal hoger beroep, dat er toe strekt het op 10 juli 1996 uitgevaardigde dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, boeten en intresten, niet verschuldigd zijn en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op zijn vordering zijn aangerekend door inhouding of anderszins, verhoogd met de intresten.

Geïntimeerde concludeert tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het hoger beroep.

De beoordeling

1. Het op 10 juli 1996 uitgevaardigde dwangbevel verwijst, voor wat betreft de verschuldigdheid van de BTW, naar het proces­verbaal van 8 juli 1996.

Dit proces-verbaal vermeldt :

"1 ° Ingevolge KB 3, artikel 3, § 1, 1°, moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 ( artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992).

Ingevolge KB 1, artikel 5, 8° en 9°, dient bedoelde factuur te vermelden :

- per tarief de maatstaf van heffing en de elementen waaruit hij is samengesteld;

- de tarieven van de verschuldigde belasting en, per tarief, het bedrag van de verschuldigde belasting.

- Aftrekbare BTW voor het 2°, 3° en 4° kwartaal 1991 volgens de voorgelegde

Aankoopfacturen : …

Afgetrokken BTW 2°,3° en 4° kwartaal : …

Teveel afgetrokken BTW : …

- Aftrekbare BTW voor het jaar 1992 volgens de voorgelegde

aankoopfacturen : …

Afgetrokken BTW : …

Teveel afgetrokken BTW : …

Uit de voornoemde bewoordingen kan worden afgeleid dat geïntimeerde van oordeel is dat slechts een gedeelte van de voorgelegde facturen de door artikel 5 van het KB nr. 1 vereiste vermeldingen bevatten. Indien daarentegen met de bewoordingen "aftrekbare BTW volgens de voorgelegde aankoopfacturen" zou zijn bedoeld dat slechts een gedeelte van de facturen werd voorgelegd en dat die facturen weliswaar aan de vermeldingen van het KB nr. 1 beantwoorden, is het onbegrijpelijk dat alsdan uitdrukkelijk naar de verplichte vermeldingen van artikel 5 van dit KB nr. 1 wordt verwezen. Reeds op dit punt is de motivering van het proces-verbaal evenwel niet geheel duidelijk en ondubbelzinnig.

Terecht laat appellant in zijn beroepsconclusie gelden dat nergens gespecificeerd werd wat per factuur juist wordt verweten en dat uit het proces-verbaal zelfs niet blijkt welke facturen door de administratie als conform worden aanvaard en welke niet.

Geïntimeerde stelt in zijn beroepsconclusie dat de vaststellingen van het proces-verbaal door de bijzondere wettelijke bewijswaarde gedekt zijn. Te dezen blijkt uit het proces-verbaal van 8 juli 1996 evenwel niet duidelijk welke materiële vaststellingen door de adjunct-controleur werden verricht, met name welke facturen ter inzage werden voorgelegd en door haar werden onderzocht en welke van deze voorgelegde facturen alle door artikel 5 van het KB nr. 1 vereiste vermeldingen bevatten en welke niet. Bij gebrek aan duidelijke vermeldingen in het proces-verbaal nopens de verrichte materiële vaststellingen en uitgevoerde controles, is het voor de belastingplichtige niet mogelijk te weten welk tegenbewijs hij precies moet leveren.

Een dwangbevel is een eenzijdige rechtshandeling - met individuele strekking - die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een belastingplichtige, precies omdat het dwangbevel de administratie toelaat over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging of tot het nemen van bewarende maatregelen.

Aldus is een dwangbevel onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de uitdrukkelijke motivatie van bestuurshandelingen.

Artikel 3 van voornoemde wet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn.

Aldus moet het dwangbevel - of het aangehechte stuk - de juridische en feitelijke overwegingen bevatten die de schuld moeten verantwoorden. Het volstaat niet dat een dwangbevel verwijst naar de toepasselijke rechtsregels. Het dwangbevel moet tevens een motivering inhouden waarom deze rechtsregels van toepassing zijn.

Terecht stelt geïntimeerde in zijn beroepsconclusie dat de motiveringsplicht er slechts toe strekt te garanderen dat de betrokkene weet welke elementen hij in voorkomend geval dient aan te vechten om de gegrondheid van de beslissing in vraag te stellen.

Precies op dit punt schiet de motivering van het litigieuze dwangbevel en het aangehechte proces-verbaal tekort, vermits, zoals hiervoor werd uiteengezet, appellant op grond van deze motivering niet kan weten welke van de voorgelegde facturen door· de administratie om welke precieze reden werden verworpen.

Ten overvloede moet worden vastgesteld dat zulks in onderhavige procedure evenmin wordt gepreciseerd door geïntimeerde, die zich beperkt tot het geven van voorbeelden.

Bij gebrek aan afdoende motivering in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 is het dwangbevel niet nietig, vermits de wet deze sanctie niet voorziet, maar, althans wat dit bestreden onderdeel betreft, onregelmatig.

In zoverre is het verzet van appellant tegen dit dwangbevel gegrond.

2. Het proces-verbaal van 8 juli 1996 vermeldt verder onder 1° :

“De aankoopfactuur d.d. 6 juli 1994 van SA K. M. voor een bedrag van … BEF BTW inbegrepen, voldoet niet aan de vormvoorwaarden.

Meer bepaald maakt ze geen melding van :

- de datum waarop ze werd uitgereikt;

- de datum van levering van het goed;

- de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en hun hoeveelheid;

- de vermelding van de maatstaf van heffing en de elementen waaruit hij is samengesteld;

De BTW van … BEF werd dan ook ten onrechte afgetrokken".

In strijd met hetgeen appellant voorhoudt, bevat dit onderdeel van het proces-verbaal, waarnaar het litigieuze dwangbevel verwijst, wel degelijk een afdoende motivering die de juridische (de toepasselijke rechtsregels werden reeds hoger vermeld) en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen, zodanig dat de belastingplichtige weet welke elementen hij in voorkomend geval moet aanvechten om de gegrondheid van deze beslissing in vraag te stellen.

Het hof stelt vast dat de datum van levering van de goederen, de hoeveelheid van de geleverde goederen, de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen, de maatstaf van heffing en het BTW­tarief inderdaad op de voormelde factuur ontbreken.

De leveringsnota, waarnaar appellant verwijst, bevat geen datum van levering, noch het BTW-tarief en bevat bijgevolg evenmin alle wettelijk voorgeschreven vermeldingen.

Deze vereiste vermeldingen op de factuur, die nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren, zijn niet zo talrijk en technisch dat zij de uitoefening van het recht op aftrek onmogelijk of overdreven moeilijk maken.

Het bewijs van het recht op aftrek moet op een welbepaalde wijze geleverd worden, namelijk door middel van een factuur die aan alle wettelijke vormvereisten voldoet. Aan deze vormvoorwaarden om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen werd in casu niet voldaan.

Het door appellant aangevoerde feit dat de gefactureerde handeling met de werkelijkheid overeenstemt is derhalve niet relevant. Overigens is vast te stellen dat appellant nalaat enig bewijsstuk voor te leggen dat het bedrag van de belasting aan zijn leverancier werd betaald en dat deze dit heeft doorgestort, zodat zijn stelling dienaangaande het niveau van een loutere bewering niet overstijgt.

De vordering van appellant dient derhalve, voor wat dit onderdeel betreft, ongegrond te worden verklaard.

3. Het proces-verbaal van 8 juli 1996 vermeldt verder onder 3 ° :

"Ingevolge artikel 64, § 1, van het BTW-Wetboek wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Het tegenbewijs moet tegelijk slaan op het bestaan van de bijzondere omstandigheden die de goederen hebben doen verdwijnen en op de juiste omvang van het verlies dat er het gevolg van was.

In 1994 werden voor … BEF goederen aangekocht, waarvoor het bewijs van diefstal niet werd geleverd.

In 1993 werd een bruto-winst aangegeven van 62 % (aankopen … BEF, omzet : … BEF).

Belastbare omzet 1994 : … x 162 % = …

Verschuldigde BTW : … x 20,5 % = … BEF".

Appellant legt kopie over van een zonder gevolg gerangschikt strafdossier, waaruit blijkt dat hij op 8 juli 1994 om 17.40 uur bij de politie te Anderlecht klacht neerlegde wegens diefstal van zijn voertuig Toyota. Hij verklaarde bovendien dat zich in zijn voertuig voor … BEF klederen (koopwaar) en voor … BEF marktmateriaal bevond. Uit het voornoemde strafdossier blijkt tevens dat dit voertuig dezelfde dag nog, omstreeks 22.20 uur, te Anderlecht werd teruggevonden. De verbalisant verklaarde dat de klederen gestolen waren. Betreffende het marktmateriaal werden geen vaststellingen verricht. Er werden geen sporen van braak of van beschadiging teruggevonden.

De verbalisant vermeldde tevens dat de eigenaar van het voertuig, huidig appellant, zo spoedig mogelijk een inventaris van de gestolen klederen aan de diensten van de politie zou overmaken. Het overgelegde strafdossier bevat echter geen enkele door appellant opgestelde inventaris van goederen die uit het voertuig zouden zijn verdwenen.

Benevens het strafdossier brengt appellant nog twee vrijwel identieke voorgetypte verklaringen bij. In deze niet gedateerde verklaringen zetten twee getuigen, de genaamden Z. en T., uiteen dat zij eind juli 1994 in aanwezigheid waren van appellant, die bij toeval zijn gestolen koopwaar herkende als zijnde in het bezit van een zekere heer K., die deze klederen trachtte te verkopen in de winkel van Z. en vervolgens toegaf dat hij deze koopwaar had gestolen. Beide getuigen verklaren tevens dat zij zich samen met appellant hebben begeven naar de politie van Anderlecht om de identiteit en het adres van de heer K. te melden.

Het overgelegde strafdossier bevat evenwel geen enkel navolgend proces-verbaal nopens de verklaringen van deze personen aangaande de beweerde identiteit van de dief, waarna de waarachtigheid van deze verklaringen door de politie had kunnen onderzocht worden.

Nog afgezien van deze eigenaardigheden, moet worden vastgesteld dat, vermits niet wordt bewezen dat appellant onmiddellijk na de aangifte van de diefstal een lijst van gestolen goederen heeft opgesteld en overgemaakt, het niet wordt aangetoond dat de goederen van de aankoopfacturen van 5 juli 1994 en 6 juli 1994 - die evenmin in dit geding worden voorgelegd - op 8 juli 1994 in-het voertuig van appellant gestolen werden.

Aldus moet worden besloten dat appellant het tegenbewijs niet levert van het bestaan van bijzondere omstandigheden die de goederen hebben doen verdwijnen en van de juiste omvang van het verlies dat er het gevolg van was.

De vordering van appellant is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond;

Hervormt deels het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekend;

Verklaart de oorspronkelijke vordering deels gegrond;

Verklaart het op 10 juli 1996 uitgevaardigde dwangbevel onregelmatig, in zoverre werd beslist dat voor het 2°, 3° en 4° kwartaal 1991 een bedrag van … BEF (… EUR) teveel BTW werd afgetrokken en voor het jaar 1992 een bedrag van … BEF (… EUR) teveel BTW werd afgetrokken;

Ontzegt in zoverre aan geïntimeerde de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel voor de voormelde bedragen als BTW, de overeenkomstige boeten en de hierop aangerekende intresten;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van de voormelde sommen, die in voorkomend geval reeds zouden zijn betaald of door inhouding zouden zijn aangerekend, vermeerderd met de wettelijke intresten;

Veroordeelt partijen ieder tot de helft van de gerechtskosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21.04.2005

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K. V. H., voorzitter

B. V., raadsheer

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer

C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. c. B. V. K. V. H.

Textes cités

4
CTVA art. 704 occurrences
AR no 1 art. 53 occurrences
CTVA art. 641 occurrence
CTVA art. 811 occurrence

Décisions similaires

8