Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 16.10.2023
WF 505-15-22/006104
[Favorable à l’Etat belge]
Déduction
Dispositions légales
Article 59, §1 du Code de la TVA
Article 60, §1 du Code de la TVA
Article 60, §2 du Code de la TVA
Article 60, §5 du Code de la TVA
Article 60, §6 du Code de la TVA
Article 61, §1, premier alinéa du Code de la TVA
Article 84bis du Code de la TVA
Résumé
Durant le contrôle, le contribuable s’est abstenu de produire toute pièce probante invoquant qu’elles étaient « dans le cloud ». Soit-disant deux jours plus tard (selon le cachet de la poste sur le courrier recommandé), le contribuable transmet les pièces par courrier recommandé alors qu’elles n’auraient été réceptionnées que 3 mois plus tard. Il ressort des emails échangés avec le service client de BPost qu’il s’agit d’un cas d’antidatage car BPost scanne toutes les pièces sortantes.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Fiscaal - zesde burgerlijke kamer
Vonnis van 16.10.2023
Rol: 22/135/A
In de zaak van :
G. C.V., KBO 076...95, met zetel te ...,
eisende partij;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek — Wetstraat 12 te 1000 Brussel, KBO 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van :
- de Adviseur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie, 5 Directie, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert-II laan 33 bus 482, e
- de Adviseur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie, 5 Directie, Inspectie Gent, met kantoren te 9050 Gent-Ledeberg, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6 bus 805, in de persoon van X, attaché bij een fiscaal bestuur, en X, adviseur bij een fiscaal bestuur,
verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, adviseur bij een fiscaal bestuur;
Beslist de rechtbank als voigt:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde verweerster in haar argumenten op de openbare terechtzitting van 18 september 2023. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 14 januari 2022, de conclusies en stavingsstukken van partijen.
Eiseres is niettegenstaande behoorlijk daartoe opgeroepen niet aanwezig, noch vertegenwoordigd.
Aangezien de zaak is vastgesteld overeenkomstig artikel 747, §2, Ger. W. kan het vonnis op tegenspraak worden gewezen.
II. DE VORDERING
Eiseres vordert in haar verzoekschrift de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:
"Dienvolgens te zeggen voor recht dat eiseres recht op aftrek heeft voor een bedrag van € 2.545,64 voor het 1e kwartaal van 2021 en dat zij geen fiscale (BTW) schuld heeft voortvloeiende uit het 1 e kwartaal van 2021 en dat er geen uitvoerbaar verklaarde schuld in het innings-, en invorderingsregister van de BTW bestaat, zowel wat hoofdsom, boetes en intresten betreft;
Ondergeschikt de opgelegde boetes kwijt te schelden;
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding van € 1.170."
Verweerster vordert in syntheseconclusie de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren:
"De vorderingen vanwege eiseres, zoals geformuleerd in het verzoekschrift en navolgende besluiten, in al hun onderdelen ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.
De vorderingen van verweerder, zoals geformuleerd in het inning -en invorderingsregister dd. 28 oktober 2021 (annex het proces-verbaal dd. 9 augustus 20210) en navolgende besluiten te bevestigen. Hierbij eiseres te veroordelen tot verschuldigdheid van de gevorderde BTW, boeten en interesten."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1.De C.V. G., eiseres, is ingeschreven als btw-belastingplichtige onder het btw-nummer BE076...95 en geregistreerd onder het regime tot indiening van periodieke kwartaalaangiften, als bedoeld bij artikel 18, §2 van het Koninklijk Besluit nummer 1 van 29 december 1992 (in uitvoering van artikel 53, §1, 1ste Iid, 2° W.BTW juncto artikel 53octies, §1, 3de lid W.BTW).
De eigenlijke oprichtingsakte werd neergelegd op 5 maart 2021 ter griffie van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde (stuk 1 verwerende partij). Deze vermeldt o.m. dat op 22 februari 2021 eiseres werd opgericht door de Ltd. C. I., P. C. C O, D., Verenigd Koninkrijk en de Ltd. F. B., P. C. C. O., D., Verenigd Koninkrijk. De Ltd. C. I. bezit 100/150sten van de aandelen en de Ltd. F. B. 50/150sten. De maatschappelijke zetel van eiseres werd geplaatst te .... Als zaakvoerder wordt de Ltd. F. B. aangesteld. De Ltd. F. B. duidt de heer K. H. aan ais vaste vertegenwoordiger.
2.Het doel van de vennootschap zou volgens artikel 4 van vernoemde
oprichtingsakte bestaan uit:
§1 Aankoop en verkoop van goederen en diensten, zowel in België ais in het buitenland, zowel in eigen beheer als voor derden. Zowel via verkooppunten, online als via ambulante handel;
§2 Het optreden als handelsvertegenwoordiger zowel voor eigen goederen en diensten ais voor derden. Dit zowel ais agent, commissionair, makelaar als onder welke vorm dan ook. Dit in het bijzonder op gebied van betalingsverkeer en betalingsoplossingen en op gebied van de energie- en telecommarkt. Vrij uitbreidbaar naar andere sectoren zonder aanpassing van de statuten zolang het handeisvertegenwoordiging betreft die onder §1 valt;
§3 Het verrichten van administratief werk voor bedrijven, zelfstandigen, vrije beroepen en verenigingen;
§4 Consultancy, geven van opleidingen, geven van advies, aan bedrijven, zelfstandigen, vrije beroepen en verenigingen;
§5 Ontwerpen, uitvinden, herwerken en enig andere vorm van creatief en intellectuele werk van diensten en IT oplossingen voor bedrijven, zelfstandigen, vrije beroepen en verenigingen.
3.Volgens de bestanden van de fiscale administratie werd - ten tijde van de aangekondigde en niet aangekondigde controles in juli & augustus 2021 - enkel de btw-aangifte van het eerste kwartaal 2021 ingediend via het e-mailadres k.h@gmail.com. In deze btw-aangifte werd het vak "aanvraag tot terugbetaling" aangevinkt.
4.De fiscale vordering steunt op vaststellingen dat eiseres in gebreke is gebleven te voldoen aan haar bewijsplicht inzake het inroepen van een recht op aftrek van BTW m.b.t. de 'handelingen' van het eerste kwartaal 2021, dit overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW.
5.Eiseres liet, volgens verweerster, bewust na om de eventuele bewijsstukken inzake het door haar ingeroepen recht op aftrek aan de fiscale ambtenaar voor te leggen.
In het proces-verbaal van 9 september 2021 werd omstandig gemotiveerd dat eiseres het oogmerk had de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Tevens bleef eiseres in gebreke inzake haar wettelijk bepaalde voorleggingsplicht (conform artikel 61, §1 W.BTW) van boeken en stukken t.a.v. de fiscale ambtenaar.
6.In hoofdorde strekt de vordering van de fiscale administratie er toe eiseres te horen veroordelen tot betaling van de verschuldigde BTW, alsook de opgelegde (wettelijke) proportionele en niet-proportionele geldboeten en de wettelijk verschuldigde interesten.
De vastgestelde inbreuken hebben betrekking op de ingediende BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2021.
In het voorliggende geschil betreft dit bij eiseres de periode van 1 maart 2021 t.e.m. 31 maart 2021. De vennootschap werd namelijk pas opgericht op 22 februari 2021.
7.Door de AABBI (BBI) werd bij brief van 9 september 2021 het proces-verbaal van taxatie inzake BTW van 9 september 2021 aan eiseres betekend (procedurestuk 1 verwerende partij).
In dit proces-verbaal werden volgende vastgestelde inbreuken en verschuldigde bedragen opgenomen:
2.545,64 EUR aan BTW m.b.t. de bedragen opgenomen in het rooster 59 van de periodieke aangifte van het r te kwartaal 2021: ten onrechte inroepen van het recht op aftrek, overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW; 5.090,00 EUR aan wettelijk verschuldigde proportionele geldboeten, overeenkomstig artikel 70, §1bis W.BTW;
2.000,00 EUR aan wettelijk verschuldigde niet-proportionele geldboeten, overeenkomstig artikel 70, 54 W.BTW en uitvoeringsbesluit K.B. nr. 44;
0,8 pct. wettelijke interest vanaf 21 april 2021 over het bedrag aan verschuldigde BTW.
8.Bij gebrek aan betaling van de verschuldigde bedragen werd de schuld op 28 oktober 2021 uitvoerbaar verklaard in een innings- en invorderingsregister BTW. De schuld is gekend onder artikelnummer 500...47 met register nummer 202...21.
9.Verweerster verwijst in dit verband naar pagina 15 van het proces-verbaal van 9 september 2021 waar, onder de rubriek inzake artikel 85, §1 W.BTW werd meegedeeld: "Bij niet-betaling zal de belastingschuld bestaande uit de belasting interesten, fiscale geldboeten en toebehoren, worden opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert".
10.Eiseres is niet akkoord met de inhoud van het hoger genoemd proces-verbaal en stelt dat zij wel recht had op de aftrek van BTW voor een bedrag van 2.545,64 EUR en bijgevolg ook geen boetes of interesten is verschuldigd.
11.Eiseres verzet zich tegen deze fiscale BTW-vordering, reden waarom zij op 14 januari 2022 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Inzake bewaarplicht van stukken
2.1.
De fiscale administratie stelt dat eiseres nagelaten heeft de boekhouding voor te leggen. De boeken en stukken werden slechts voorgelegd bij 'kennisname' door verweerster van het neergelegde verzoekschrift.
2.2.
Artikel 60, §1 W. BTW bepaalt:
"ledere belastingplichtige is ertoe gehouden de kopieën te bewaren van de facturen die door hemzelf door zijn afnemer of zijn verkrijger of in zijn naam en voor zijn rekening door een derde worden uitgereikt.
Eenieder is gehouden zijn ontvangen facturen te bewaren."
Artikel 60, §2 W.BTW Iuidt:
"De belastingplichtige mag de plaats van bewaring van de in paragraaf 1 bedoelde facturen en kopieën vrij bepalen op voorwaarde dat hij deze op ieder verzoek en zonder onnodig uitstel ter beschikking stelt van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
In afwijking van het eerste lid dienen alle kopieën van facturen die door in België gevestigde belastingplichtigen werden uitgereikt hetzij door hemzelf hetzij in hun naam en voor hun rekening door hun medecontractant of door een derde, en alle door hen ontvangen facturen op het Belgische grondgebied te worden bewaard, voor zover deze bewaring niet gebeurt in een elektronisch formaat dat een volledige online toegang tot de betrokken gegevens in België waarborgt."
Artikel 60, §5 W.BTW bepaalt:
"De authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud, en de leesbaarheid van de factuur, op papier of in elektronisch formaat, moeten worden gewaarborgd vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot het einde van de bewaringstermijn.
Onder "authenticiteit van de herkomst" wordt verstaan het waarborgen van de identiteit van de leverancier of de uitreiker van de factuur.
Onder "integriteit van de inhoud" wordt verstaan het feit dat de inhoud die voorgeschreven is door de toepasselijke regels inzake de facturering geen wijzigingen heeft ondergaan.
De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. Elke bedrijfscontrole die een betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een levering van een goed of een dienst aantoont, kan worden gebruikt om deze waarborg te leveren."
Artikel 60, §6 W.BTW bepaalt:
"Facturen moeten ofwel in elektronisch formaat ofwel op papier worden bewaard.
Onder de bewaring van een factuur in een elektronisch formaat wordt verstaan de bewaring via elektronisch apparatuur voor het bewaren van gegevens met inbegrip van digitale compressie.
De bewaring moet de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van deze facturen waarborgen."
Artikel 61, §1, eerste lid W.BTW luidt:
"Eenieder is gehouden de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan."
Artikel 61, §1, vierde lid W.BTW bepaalt:
"Wanneer de boeken, facturen en andere stuken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft deze administratie het recht zich de op internetdragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen.
2.3.
Eiseres argumenteert dat op het ogenblik van de fiscale controle op 23 augustus 2021 zij wel degelijk over een boekhouding beschikte, zijnde "de gewenste stukken en boeken".
In het proces-verbaal staat dat er discussie was omtrent het voorleggen van de boekhouding en stukken waarbij de heer H. zou verklaard hebben dat er geen stukken voorhanden waren omdat de vennootschap pas was opgestart en
geen boekhouding aanwezig was en dat er wel documenten zouden bestaan in 'de cloud'.
Volgens eiseres waren op het ogenblik van de fiscale controle wel degelijk boekhoudkundige stukken aanwezig. Deze waren digitaal en bevonden zich dus op de computer (digitaal/cloud).
De heer H. zette uiteen dat het ging over enkele facturen met stukken. De heer X, fiscale ambtenaar, had geen informatiedrager mee en kon deze stukken (of kopie ervan) dan ook niet meenemen. De heer H. verklaarde zich akkoord de gevraagde documenten te zullen doormailen en de heer X was hiermee akkoord.
De bestanden waren te groot voor een e-mail dus heeft hij op 25 augustus 2021 — dus 2 dagen later — alle gewenste documenten per aangetekende post opgestuurd (stuk 2 eisende partij).
2.4.
De rechtbank dient vast te stellen, in weerwil van wat eiseres de rechtbank probeert wijs te maken, dat de bewering dat de bestanden te groot waren voor een e-mail en dus op 25 augustus 2021 — dus 2 dagen later — alle gewenste documenten per aangetekende post werden opgestuurd, totaal ongeloofwaardig is. Deze argumentatie van eiseres gaat regelrecht in tegen de gedane vaststellingen van de fiscale ambtenaar. Hieronder wordt een verduidelijking gegeven inzake de aangetekende zending van '25 augustus 2021'.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat er geen objectieve feiten voorliggen waaruit zij kan afleiden dat eiseres op 25 augustus 2021 aangetekende stukken heeft overgemaakt aan verweerster en dit omwille van volgende redenen:
"Samenvattend komt de voicemail van de klantendienst er op neer dat de exacte datum van aflevering van de aangetekende zending met dit specifiek nummer zeker en vast 26/11/2021 is, "gezien het 'systeem' dit scant". De afstempeling op 25/08/2021 klopt volgens Bpost niet, waarbij men zelfs aangeeft dat er met de stempel werd 'gefoefeld' (sic). In plaats van heel duidelijk
25-08-2021 moet men normaliter heel duidelijk 9200 DENDERMONDE op de poststempel zien. Het originele afgestempelde document zou hieromtrent duidelijkheid kunnen verstrekken, mocht er nog twijfel zijn omtrent 'gefoefel' met de poststempel.
Uit het bovenstaande blijkt aldus dat de Administratie geen op 25/08/2021 verzonden aangetekende zending vanwege eiseres heeft ontvangen. Meer nog, de verklaringen van eiseres hieromtrent stroken niet met de werkelijkheid, waarbij Bpost zelfs suggereert dat er werd 'gefoefeld' met de poststempel.
Uit de correspondentie per mail tussen de Administratie en Bpost blijkt tevens dat de heer X, na ontvangst en nazicht van de bijlage 2b aan het verzoekschrift dd. 14 januari 2022, quasi onmiddellijk de nodige stappen heeft ondernomen teneinde de waarachtigheid van de verklaringen & stukken te achterhalen. Het mailverkeer dateert van kort na de reële ontvangst van voornoemd verzoekschrift /DU de AABBI.
Als bewijsstuk 10 legt verweerder een kopie van de enveloppe van een bij de AABBI ontvangen aangetekende zending neer. De begeleide brief dd. 23/11/2021 bij de 'inhoud' van kwestieuze enveloppe gaat eveneens in bijlage 10. Het stuk vermeldt o.a.:
R 01...003;
Poststempel dd. 24-11-2021;
Betaling van € 7,27;
Linkerbovenhoek stempel van G. C. V.;
Begeleidende brief dd. 23/11/2021 inzake de vennootschap L. F. C. V, ... en ondertekend door de heer H.;
Aldus blijkt overduidelijk dat er op 26 november 2021 bij de AABBI een aangetekende zending werd ontvangen die handelde omtrent een andere aan de heer H. gelieerde vennootschap, nl. de C. V. L. F.. Met C. V. G. (eiseres) hadden deze ontvangen stukken niks te maken."
2.6.
De rechtbank besluit dat de fiscale administratie op 25 augustus 2021 geen aangetekende zending met bewijsstukken inzake het recht op aftrek van BTW in hoofde van eiseres heeft ontvangen. Het proces-verbaal van 9 september 2021 met verwerping van het recht op aftrek wegens niet voorleggen van enig stuk ter verantwoording werd dan ook terecht opgemaakt. Des te meer daar eiseres de gelegenheid heeft gehad om deze stukken voor te leggen aan de fiscale administratie ofwel digitaal ofwel op papier.
inzake de bewijskracht van het proces-verbaal (artikel 59 W.BTW)
2.7.
Eiseres argumenteert dat het proces-verbaal van 9 september 2021 onjuist is
omdat het vermeldt dat het oogmerk van eiseres is om belasting te ontduiken.
2.8.
Artikel 59, §1 W.BTW. bepaalt dat:
"ledere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."
2.9.
De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal een akte is waarin een bevoegd ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
2.10.
De rechtbank ziet geen redenen, om het standpunt van de fiscale administratie, om het opzet om de belasting te ontduiken, in twijfel te moeten trekken. Eiseres maakt zijn argumentatie ongeloofwaardig nu de fiscale administratie heeft vastgesteld, en de rechtbank deze zienswijze heeft bevestigd, dat eiseres op 25 augustus 2021 geen aangetekende zending met bewijsstukken inzake het recht op aftrek van BTW heeft verstuurd. De voorgelegde stukken van de fiscale administratie ontkrachten de argumentatie van eiseres volledig.
De fiscale administratie heeft op grond van de vaststellingen in het proces-verbaal terecht het recht op aftrek van de BTW verworpen.
Eiseres faalt in haar bewijs van het tegendeel.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake de proportionele en de niet-proportionele geldboete
2.11.
Eiseres werpt op dat er geen enkel kwaad opzet in het spel is zodat minstens de proportionele geldboete van het dubbel van het betreffende BTW-bedrag verminderd moet worden.
Bovendien is er geen reden om een niet-proportionele boete op te leggen omdat de boekhouding en stukken wel degelijk voorhanden waren en overgemaakt werden.
2.12.
De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).
Gelet op de voile rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).
2.13.
De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boeten in het voorliggende geschil verantwoord en evenredig zijn met de ernst en de omvang van de begane overtredingen, zodat er geen aanleiding bestaat tot vermindering ervan.
Deze administratieve geldboeten zijn dan ook in overeenstemming met het door de maatregel nagestreefde doel, aisook met het vergoedende en bestraffende karakter ervan.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake interesten (artike184bis W.BTW en artikel 91 W.BTW)
2.14.
Eiseres verzoekt een kwijtscheiding of vermindering van nalatigheidsinteresten.
2.15.
Art. 84bis W.BTW luidt:
"In bijzondere gevallen mag de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan."
Artikel 91 W.BTW bepaalt:
§1. Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer
de belasting niet voldaan is :
1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste lid, 3°,
53ter, 2° en 53octies, is gesteld;
2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld;
3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de
belastingplichtigen bedoeld in artikel 8.
4° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 367, eerste alinea en
369decies, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG, is gesteld.
De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde
belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. leder
begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De interest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 2,50 EUR bereikt.
§2. Wanneer de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een ontoereikende maatstaf, is van rechtswege een interest van 0,8 pct. per maand verschuldigd te rekenen vanaf de inleidende daad van de procedure; die interest wordt op de in § 1 bepaalde wijze berekend.
§3. Een interest van 0,8 pct. per maand is van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven :
1° met toepassing van artikel 76, § 1, eerste en derde lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze bepaling bepaalde termijn.
De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. leder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend.
De interest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 2,50 euro bereikt; 2° met toepassing van de bepalingen van de Richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, vanaf het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 22, paragraaf 1, van deze richtlijn. Er is evenwel geen enkele interest verschuldigd wanneer de belastingplichtige zijn verplichting de op basis van de artikelen 10 en 20, paragraaf 1, van de voornoemde richtlijn geëiste aanvullende informatie te verstrekken niet voldaan heeft binnen de termijn bepaald bij artikel 20, paragraaf 2, van deze richtlijn.
De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de terug te geven belasting, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. leder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend. De interest van een maand is slechts verschuldigd indien hij 2,50 euro bereikt.
§4. De moratoire interesten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, zijn verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.
§5. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, de in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde interestvoeten aanpassen.
2.16.
De rechtbank merkt op dat overeenkomstig artikel 91, §1 W.BTW van rechtswege een interest van 0,8 % per maand vertraging is verschuldigd over het totaal van de verschuldigde BTW. Overeenkomstig artikel 91, §4 WBTW wordt een interest van 7% aangerekend op het bedrag van de onbetaalde boete, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving of van betekening van het dwangbevel.
De rechtbank is van oordeel dat verweerster een juiste toepassing heeft gemaakt van de hierboven geciteerde wettelijke bepalingen. Artikel 84bis W.BTW voorziet immers niet in een vrijstelling van de interesten voorzien in artikel 91 §4 W.BTW.
2.17.
Overeenkomstig artikel 84bis W.BTW kan de adviseur-generaal van de BTW in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van nalatigheidsinteresten. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die tot de discretionaire bevoegdheid van de gewestelijke directeur behoort.
In materies die tot de discretionaire bevoegdheid van de adviseur-generaal behoren, mag de rechtbank de beoordelingsvrijheid van de adviseur-generaal niet ontnemen, noch kan zij in zijn plaats treden (zie onder meer Cass. 4 maart 2004 inzake roinummer C030346N, http://www.cass.be, Cass. 17 april 2000, Arr.Cass, 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).
In deze heeft de rechtbank enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de adviseur-generaal (zie onder meer Gent 12 september 2006; Fisc. nr. 1073, p. 12, Antwerpen, 27 mei 2008, Fisc., 10 september 2008, ed.1128 p.3).
2.18.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen verzoek heeft gericht aan de bevoegde adviseur-generaal tot eventuele vrijstelling van de opgelopen nalatigheidsinteresten. Althans hiervan liggen geen stukken voor.
De grief van eiseres is dan ook manifest ongegrond.
Besluit
2.19.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres ongegrond zodat bij gebrek aan betaling van de verschuldigde bedragen de schuld op 28 oktober 2021 terecht uitvoerbaar verklaard werd in een innings-en invorderingsregister BTW. De schuld, gekend onder artikelnummer 500...47 met register nummer 202...21, wordt bevestigd.
De vordering van eiseres is ongegrond.
V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2. Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taaigebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen ais niet ter zake dienend;
- de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 16 oktober 2023, waar aanwezig waren :
- T. L., rechter, voorzitter van deze kamer,
- T. D. Z., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.