Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division Gand du 04.052020
WF 503-15-15/017373
[Défavorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Mesures de contrôle – Visite sur place
Disposition légal
Résumé
Il résulte de l’interrelation entre l’article 61, § 1er, alinéa 1er, et l’article 63, alinéa 1er, 1°, CTVA que la mesure de contrôle visée à l’article 63, alinéa 1er, °1, CTVA est distincte de la mesure de contrôle visée à l’article 61, § 1er, alinéa 1er, CTVA et que l’article 63, alinéa 1er, 1°, CTVA vise à conférer aux agents compétents un pouvoir d’investigation qu’ils ne tirent pas de l’article 61, § 1er, alinéa 1er, CTVA. Il s’ensuit que les agents compétents ont le droit, conformément à l’article 63, alinéa 1er, 1°, CTVA, de vérifier quels livres et documents se trouvent dans les locaux où l’activité est exercée, ainsi que de contrôler les livres et documents qu’ils y trouvent, sans devoir préalablement en demander la production (Cass. 16 décembre 2003, P.03.1087.N).
Lorsque les agents contrôleurs se sont fait présenter pour consultation les « documents » concernés, qui étaient (uniquement) disponibles sous forme numérique, en consultant les ordinateurs, ils ont uniquement utilisé la compétence prévue à l’article 61, § 1er, alinéa 3, VV, CTVA. Ils pouvaient faire la copie conformément à l’article 61, § 2, CTVA, pour la simple raison qu’ils estimaient que les données trouvées les amenaient à conclure à l’exigibilité d’une taxe ou d’une amende.
Le tribunal ne suit pas l’avis du demandeur, qui invoque une violation de son droit à la vie privée parce que les ordinateurs, ainsi que les fichiers qui ont été consultés et copiés, contiennent des données privées. Dès lors que, comme dans le présent litige, il s’avère que le contribuable dispose de données sur des ordinateurs qui relèvent du droit de contrôle des articles 60, 61 et 63, CTVA, il ne peut invoquer le fait que les ordinateurs ne sont pas exclusivement utilisés pour l’activité économique en question, mais contiennent également des données privées. Cela rendrait toute enquête fiscale totalement impossible.
À cet égard, le tribunal renvoie également à un arrêt du 14 mars 2013 de la Cour européenne des droits de l’homme dans lequel une affaire similaire à certains égards (Bernh Larsen c. Norvège, affaire n° 24117/08) estime que le droit du fisc de faire une copie de fichiers informatiques dans le cadre et aux fins d’un contrôle est conforme au droit au respect de la vie privée, familiale (article 8 CEDH).
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 04.05.2020
Rol: 15/980/A
In de zaak van:
E.L.S., vennootschap naar Lets recht, ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer LV- 401035..., met maatschappelijke zetel te ... Riga (Letland), woonstkeuze doende op het kantoor van haar raadsman hierna nader vermeld, EISENDE PARTIJ, schriftelijk vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, KBO nr. 0252.796.351, in de persoon van de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-generaal van de bijzondere belastinginspectie, met kantoren te 9050 Gent (Ledeberg), Gasten Crommenlaan 6 bus 801, VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur, welke zich akkoord heeft verklaard mei de schriftelijke behandeling van de zaak.
Beslist de rechtbank als volgt :
I. DE RECHTSPLEGING.
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2016, 11 december 2017, 31 januari 2019 en 12 maart 2020. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad mei toestemming van alle partijen zonder mondelinge toelichting op de openbare terechtzitting van 30 maart 2020. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 10 maart 2015, het dwangbevel met RCIV nummer 500/.../...566, de conclusies en stavingsstukken van de partijen.
ll. DE VORDERING
Eiseres vordert in 'syntheseconclusie genomen na de zitting van 11 december 2017', de 'aanvullende besluiten genomen na de zitting van 31 januari 2019' en de 'aanvullende besluiten genomen na de zitting van 12 maart 2020' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en vervolgens:
In hoofdorde:
Het dwangbevel met artikelnummer 500/.../...566, uitgevaardigd door de heer Steven Contreras, adviseur, ontvanger van het ontvangkantoor btw Zottegem te 9620 Zottegem, Gustaaf Schockaertstraat op 1B februari 2015 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Frank De Bock, adviseur-gewestelijk directeur a.i., op 18 februari 2015, volledig te vernietigen en de gestelde vordering van de BTW-administratie ongegrond te verklaren wegens afwezigheid van rechtsgeldige kennisgeving in het dwangbevel (eerste middel), minstens wegens gebrek aan bewijs (tweede en derde middel);
In eerste ondergeschikte orde:
Het dwangbevel met artikelnummer 500/.../...566, uitgevaardigd door de heer Steven Contreras, adviseur, ontvanger van het ontvangkantoor btw Zottegem te 9620 Zottegem, Gustaaf Schockaertstraat op 1B februari 2015 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Frank De Bock, adviseur-gewestelijk directeur a.i., op 1B februari 2015, volledig te vernietigen en de gestelde vordering van de BTW-administratie ongegrond te verklaren, aangezien de Belgische btw reeds werd afgedragen door de Belgische afnemers van de dienst, zodat het 'substance over form-principe' en het evenredigheidsbeginsel zich verzetten tegen de nutteloze invordering bij eiseres zelve (vierde middel);
In tweede ondergeschikte orde:
De gevorderde proportionele geldboete te vernietigen dan wel ongegrond te verklaren, minstens volledig kwijt te schelden, minstens te verminderen tot 20% overeenkomstig tabel G, IV KB nr. 41, minstens haar bedrag te herleiden tot redelijke proporties (vijfde middel).
De gevorderde niet-proportionele geldboete te verminderen tot 50 EUR per overtreding.
Tevens de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de door [eiseres] betaalde bedragen en de ten onrechte ingehouden tegoeden, met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, §4 WBTW.·
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan 18.000 EUR, en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, §4 WBTIN, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan [eiseres] aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten."
Verweerster vordert in 'syntheseconclusie genomen na de zitting van 11 december 2017', de 'aanvullende besluiten genomen na de zitting van 31 januari 2019' en de 'besluiten genomen na de zitting van 12 maart 2020':
"In hoofdorde, de vordering van [eiseres] op hoofdeis / verweerster op tegenvordering onontvankelijk te verklaren en ongegrond wegens verlies van procesbekwaamheid. Tevens in rechte vast te stellen dat de fiscale navordering neergelegd in het proces-verbal van 12 februari 2015 met dwangbevel uitgevaardigd op 18 februari 2015 (RCIV-nr. 500/.../...566) terecht werd opgelegd en correspondeert met hetgeen wettelijk is verschuldigd;
In ondergeschikte orde, in geval Uw rechtbank besluit tot de ontvankelijkheid van de vordering van [eiseres] op hoofdeis 1 verweerster op tegenvordering, deze vordering ongegrond te verklaren en in rechte vast te stellen dat de fiscale navordering neergelegd in het proces-verbaal van 12 februari 2015 met dwangbevel uitgevaardigd op 18 februari 2015 (RCIV-nr.500/.../...566) terecht werd opgelegd en correspondeert met hetgeen wettelijk is verschuldigd;
In meer ondergeschikte orde, in geval Uw Rechtbank besluit tot de nietigheid van het dwangbevel (RCIV-nr.500/.../...566) wegens gebrek aan rechtsgeldige kennisgeving, [eiseres] op hoofdeis tevens verweerster op tegenvordering, te veroordelen tot het bedrag aan btw, boeten en interesten zoals bepaald in het proces-verbaal van 12 februari 2015;
In uiterst ondergeschikte orde, in geval Uw Rechtbank de door concluant geformuleerde tegeneis afwijst, in rechte te bevestigen dat de fiscale schuld ten titel van btw, boeten en interesten zoals geformaliseerd in het proces-verbaal van 12 februari 2015, gegrond is en een wettige basis vormt tot invordering lastens [eiseres] op hoofdeis,
In de vier hypotheses : [eiseres] op hoofdvordering tevens verweerster op tegeneis, te veroordelen tot de gerechtskosten."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. Eiseres, E.L.S., is een vennootschap naar Lets recht en maakt deel uit van de "KDS-groep". Naast E.L.S. behoren tot deze groep ook de vennootschappen Cool Traffic bvba (failliet verklaard), KDS Logistics bvba, K&E Trucking bvba, De heer K.D.S. nv, M-Trading nv en Bra-Doprava s.r.o. (vennootschap naar Slowaaks recht). Deze vennootschappen hebben rechtstreeks of onrechtstreeks dezelfde officiële of feitelijke leiding en/of aandeelhouderschap, meer bepaald De heer K.D.S. en/of De heer D.M..
De groep is werkzaam in de transportsector, namelijk het verrichten van koel en vriestransporten binnen West-Europa met als afzetgebieden België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Portugal, Italië, Spanje en Groot-Brittannië.
De operationele activiteiten van de groep zijn via onderlinge facturatiestromen gestructureerd. H.et bedrijfsgebouw, de truckwash en het wagenpark samen met de leasecontracten worden beheerd door KDS Logistics bvba en K&E Trucking bvba. Het gebruik hiervan werd door gefactureerd aan Cool ,:raffic bvba in faillissement. Vóór de oprichting van de buitenlandse vennootschappen voerde Cool Traffic bvba de transportopdrachten die ze binnenhaalde zelf uit en deed ze de facturatie aan de eindklanten, hoofdzakelijk Belgische en Franse klanten. Daarnaast ook aan enkele Spaanse, Duitse en Italiaanse klanten.
In 2008 en 2012 besloot de groep uit te breiden en werden respectievelijk de vennootschappen Bra-Doprava s.r.o. (Slovakije) en E.L.S. (Letland) opgericht. Volgens eiseres "zouden zij mee instaan voor de transportopdrachten en vervulde Cool Traffic bvba vanaf dat moment (tijdelijk) een dubbele functie: enerzijds stond zij in voor de afhandeling van een deel van de vervoersopdrachten die zij binnen kreeg, anderzijds opereerde zij tegenover de buitenlandse vennootschappen als vervoerscommissionair, m.a.w. als tussenpersoon tussen de klanten en de vervoerder aan wie zij de opdrachten in onderaanneming uitbesteedde".
Beide buitenlandse vennootschappen factureerden aanzienlijke bedragen aan prestaties van onderaanneming aan Cool Traffic bvba. Aanvankelijk gebeurt de facturatie naar de (externe) eindklanten van de groep nog steeds alleen via de vennootschap Cool Traffic bvba.
Vanaf 2013 factureert eiseres ook koeltransporten aan diverse eindklanten.
2. De klanten werden door bvba Cool traffic op de hoogte gebracht dat ze vanaf
15 februari 2013 facturen zullen ontvangen van eiseres, E.L.S., en Bra-Doprava s.r.o in plaats van facturen van Cool Traffic bvba. Er werd specifiek vermeld dat er twee facturatie-entiteiten opgericht zijn binnen de groep namelijk Bra-Doprava s.r.o. (Slovakije) en eiseres, E.L.S. (Letland).
Het klantenbestand van de koeltransporten is hetzelfde gebleven. De facturatie van de transporten naar de (externe) eindklanten van de groep gebeurde aanvankelijk alleen via de vennootschap Cool Traffic bvba. Sinds hel eerste kwartaal van 2013 is een wijziging opgetreden en ontvangen klanten van de groep soms facturen van Cool Traffic bvba, en soms van E.L.S.. Vanaf het derde kwartaal 2014 komen daar nog een aantal andere klanten van Cool Traffic bvba bij. Doorheen de 'facturatiewissels' blijven de contactpersonen voor de Belgische klanten dezelfde.
3. Op hel adres van eiseres, Kronvalda Bulvaris, 10/47 1010 Riga, Letland, zijn volgens de Letse administratie nog vijf andere firma's gevestigd. Hieronder ook
H.C.I Human Capital (LV40103557040). Deze firma werd opgericht door dhr. De heer M.R., Belgische werknemer bij de bvba Cool Traffic.
Volgens de Letse administratie, houden twee personen in Letland zich bezig met de dagelijkse activiteiten van eiseres, met name 'Director, head clerk' De heer V.O. en 'accountant' Nalalja Sennikova. De officiële zaakvoerder is De heer V.O.. Deze persoon mailt aan dhr. De heer D.M. dat hij geen bevoegdheid heeft om stukken te tekenen. De Belgische klanten hebben blijkbaar wel contact met dhr.De heer D.M., De heer K.D.S. of De heer M.R., Belgische werknemer bij de bvba Cool Traffic.
4. Op 17 december 2013 werd te Oudenaarde een visitatie (art. 63 WBTW) uitgevoerd in de bedrijfslokalen van de Belgische ondernemingen van de groep Cool Traffic bvba, KDS Logistics bvba en K&E Trucking bvba gelegen te Bedrijvenpark Coupure 10, 9700 Oudenaarde. Eiseres geeft aan dat de fiscale administratie deze visitatie meer dan een jaar zonder gevolg liet, waardoor men er binnen de groep op vertrouwde dat de gehanteerde werkwijze de juiste was.
5. Eind 2014, begin 2015 werden verschillende sommen aan teruggaaf van btw van eiseres geblokkeerd bij het CKBB (Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen). Aangezien zij hierdoor in liquiditeitsproblemen geraakte, zag eiseres zich genoodzaakt tegen deze blokkering op 28 januari 2015 een voorziening in kort geding in te stellen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
In een corrigerende beslissing van 3 februari 2015 werden de op 15 november 2014 en 2 december 2014 toegestuurde beslissingen herroepen en werden de aanvragen tot teruggaaf niet aanvaard (stuk 4 verweerder). De beslissing tot het verwerpen van de aanvragen werd gemotiveerd doordat eiseres in België een zetel van economische activiteit heeft en zo buiten het toepassingsgebied valt van de procedure met betrekking tot de richtlijn 2008/9 (artikel 2 KB 56). De rechter heeft in deze zaak bovendien beslist dat eiseres de door haar beweerde geldnood niet heeft aangetoond en dat op basis van de voorgelegde stukken de betwisting van de Belgische Staat over de zetel van economische activiteit niet onredelijk lijkt (stuk 5 verweerder). Middels derdenbeslag heeft de ontvanger in totaal voor een bedrag van 65.478,53 EUR beslag gelegd.
6. Verweerster stelt dat er in Letland geen daden van bestuur en werkelijke beleids- of bestuursbeslissingen worden verricht. Hierdoor kan de zetel van economische activiteit niet in Letland worden gesitueerd. In het proces-verbaal van taxatie van 12 februari 2015 en het proces-verbaal van vaststellingen van 16 januari 2015 worden tal van elementen aangehaald die samen gelezen aantonen dat de zetel van economische activiteit van eiseres niet in Letland kan worden gesitueerd.
Eiseres argumenteert daarentegen dat de verschillende beleidsbeslissingen in Letland worden genomen en dat zij effectief vanuit Letland wordt geleid.
7. Eiseres heeft verzet aangetekend tegen het dwangbevel met RCIV-nummer 500/.../...566, uitgevaardigd op 18 februari 2015 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18 februari 2015. Bij dwangbevel wordt door de fiscale administratie de betaling gevorderd van:
- belasting over de toegevoegde waarde voor een bedrag van 516.327,42 EUR;
- proportionele geldboeten voor een bedrag van 1.032.650,00 EUR;
- niet-proportionele geldboeten voor een bedrag van 19.500 EUR;
- nalatigheidsinteresten op de verschuldigde BTW vanaf 21 februari 2015;
- moratoire interesten op de geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel;
- vervolgingskosten, gerechtskosten en kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.
De vordering van eiseres heeft tot voorwerp de vernietiging van het dwangbevel en de terugbetaling met moratoire intresten van de eventueel inmiddels reeds betaalde of ingehouden bedragen.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
1. Verweerster voert redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Verweerster argumenteert dat eiseres op hoofdvordering / verweerster op tegeneis lopende de procedure vereffend werd op datum van 21 mei 2018. Dit blijkt uit de officiële informatie van de republiek Letland zoals deze online beschikbaar is (aanvullend stuk 25 met officieuze vertaling).
Verder stelt verweerster dat na de sluiting van de vereffening een vennootschap geen rechtspersoonlijkheid meer heeft en zij verdwenen is als afzonderlijk rechtssubject zodat eiseres op hoofdvordering / verweerster op tegeneis haar procesbekwaamheid is verloren, en zij onderhavige procedure dus niet meer kan verderzetten. Haar vordering is onontvankelijk.
2. De rechtbank stelt vast dat uit de voorgelegde stukken blijkt, hetgeen niet wordt betwist door eiseres, dat zij vereffend werd op datum van 21 mei 2018.
De rechtbank deelt niet de zienswijze van verweerster dat het verlies van de rechtspersoonlijkheid absoluut is.
3. De rechtbank merkt op dat een vereffende vennootschap nog wel degelijk beschikt over een passieve rechtspersoonlijkheid. Op basis van deze rechtspersoonlijkheid zijn enerzijds de schuldeisers nog in staat om een vordering in te stellen tegen een reeds vereffende vennootschap en anderzijds kan de vereffende vennootschap zich hiertegen verweren.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, vermits het een geschil in fiscale zaken betreft waarbij de belastingplichtige de eisende partij is, zich materieelrechtelijk verweert tegen de fiscale administratie. Daar eiseres zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel blijft eiseres zich optreden binnen het kader van deze passieve rechtspersoonlijkheid. Bovendien wordt eiseres door de fiscale administratie aanzien als verweerder op tegeneis, hetgeen duidelijk kadert binnen de procesrechtelijke hoedanigheid.
5. De rechtbank besluit op grond van de hierboven gemaakte overwegingen dat eiseres zowel beschikt over een procesrechtelijke als over een materieelrechtelijke hoedanigheid.
De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.
Ten gronde
1. Inzake het eerste middel: kennisgeving van het dwangbevel
1.1.
Eiseres argumenteert dat de zending nooit werd aangeboden op haar adres te Letland. Eiseres heeft pas op 17 maart 2015 een afschrift van het dwangbevel bekomen naar aanleiding van de inzage van het administratief dossier op diezelfde datum. Van een rechtsgeldige kennisgeving van het dwangbevel is geen sprake, waardoor het dwangbevel nietig is en het niet als titel kan gelden van de gestelde vordering, bij gebreke aan identificatie van de schuldenaar van de belasting.
1.2.
Verweerster stelt dat de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de kennisgeving van het dwangbevel rechtstreeks afhangt van de vraag of de werkelijke zetel van economische activiteit te Oudenaarde, België is. Het adres te Letland betreft dan enkel een postbusadres.
1.3.
Overeenkomstig artikel 85, §1, 2d• lid W.BTW gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk per post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Die kennisgeving stelt de belastingplichtige eveneens in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
1.4.
De rechtbank merkt op dat uil het voorgelegde afgiftebewijs van de aangetekende zending van 25 februari 2015 blijkt dat het dwangbevel is verzonden naar "SIA EUROTRAFFIC LATVIA, Bedrijvenpark 10, 9700 Oudenaarde".
Niettegenstaande de maatschappelijke zetel van eiseres is gelegen in Letland, te 1010 Riga, Kronvalda bulvaris 10/47, blijkt dat de maatschappelijke zetels van de gelieerde vennootschappen van de KDS-groep, bvba KDS Logistics en de bvba K&E Trucking zich eveneens bevonden te 9700 Oudenaarde, Bedrijvenpark Coupure 10. Op deze maatschappelijke zetels heeft de fiscale administratie zelfs een visitatie uitgevoerd (m.n. op 17 december 2013).
Uit deze feiten kan de rechtbank afleiden dat het dwangbevel in het voorliggende geschil wel degelijk is toegekomen bij eiseres. Zeker nu verweerster het afgiftebewijs heeft voorgelegd en eiseres een fiscaal verzoekschrift heeft neergelegd op 10 maart 2015 houdende verzet tegen het proces-verbaal d.d. 12 februari 2015 en het "hierop gebaseerde dwangbevel". De bewering van eiseres dat zij op een andere wijze in het bezit is gekomen van het dwangbevel en dat zij hiervan pas op 17 maart 2015 heeft kennis gekregen is dan ook ongeloofwaardig.
De grief van eiseres tot nietigheid omwille van een ontbrekende 'rechtsgeldige' kennisgeving kan dan ook niet worden gevolgd.
2. Inzake het tweede middel: onderzoeksbevoegdheden
2.1. Algemeen
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een bedrijfsvisitatie en een visitatie in de privéwoning (na machtiging door de politierechter) op het bedrijfsterrein.
De onderzoeksmogelijkheden waarover de controle-ambtenaren beschikken zijn voorzien in de artikelen 60, 61 en 63 W.BTW waarvan hieronder de relevante tekst wordt weergegeven.
Artikel 60:
“§1. De boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid.
Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn tot die verplichting . ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.
§2. In afwijking van § 1, begint de daar bedoelde termijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma's en de uitbating van geïnformatiseerde systemen, te lopen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het in deze gegevens omschreven systeem werd gebruikt.
Daarenboven kan de Koning de in §1 bedoelde bewaringstermijn verlengen, teneinde de controle van de ter uitvoering van artikel 49, 2' en 3', verrichte herzieningen van de aftrek te verzekeren.
§3.
(... )
De authenticiteit van de herkomst en integriteit van de inhoud van de facturen, alsmede de leesbaarheid ervan, moeten gedurende de volledige bewaringstermijn worden gewaarborgd. De facturen die elektronisch werden ontvangen worden in hun oorspronkelijke vorm bewaard, met inbegrip van de gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van elke factuur waarborgen. Onder het elektronisch bewaren van een factuur wordt verstaan de bewaring via elektronische apparatuur voor het bewaren van gegevens met inbegrip van digitale compressie.
De facturen die in papieren vorm werden ontvangen worden ofwel in hun oorspronkelijke vorm ofwel digitaal bewaard. In geval van digitale bewaring moeten de gebruikte technologieën of procesmatige middelen de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van de facturen waarborgen.
§4. (... ).”
Artikel 61
“§1. Eenieder is gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
(... )
Wanneer de boeken, facturen en andere stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene in het eerste lid bedoeld verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kepies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.
(... ).
§2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig §1, tweede lid, gemaakte kepies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kepies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kepies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.”
Artikel 63
“Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen:
1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;
2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;
3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen.
Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.
Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.”
2.2. Visitatie: prejudiciële vraag, aanstellingsbewijs en toegang verlenen
2.2.1.
Op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2016 heeft de rechtbank aan de partijen gevraagd standpunt in te nemen over de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake een prejudiciële vraag omtrent het fiscaal visitatierecht op het voorliggende geschil. Deze prejudiciële vraag werd beantwoord bij arrest van 12 oktober 2017 (GwH 12 oktober 2017, rolnr. 116/2017, www.grondwetteliikhof.be) zodat de partijen konden ingaan op de vraag van de rechtbank.
Aan het Grondwettelijk Hof werd de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Schenden de artikelen 319, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 63, eerste lid van het btw-Wetboek de in de artikelen 15 en 22 van de Belgische Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde rechten van onschendbaarheid van de woning en de eerbiediging van het privéleven, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bevoegde fiscale ambtenaren een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht verlenen tot vrije toegang van de in die artikelen vermelde bedrijfslokalen, waarbij deze ambtenaren deze lokalen zonder voorafgaandelijke toestemming mogen doorzoeken en onderzoeken en andere daden stellen die aan een strafrechtelijke huiszoeking doen denken met het oog op het onderzoeken van de boeken en de stukken die zich aldaar bevinden, ongeacht of dit gebeurt met het oog op de controle van de toepassing van de fiscale wetgeving of met het oog op het vaststellen van strafrechtelijk gesanctioneerde fiscale inbreuken ?".
Volgens het Grondwettelijk Hof gaat de fiscale visitatie inzake de inkomstenbelastingen en de BTW gepaard met voldoende waarborgen tegen misbruik. De wetgever heeft een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken belastingplichtigen en, anderzijds, de noodzaak om op een doeltreffende manier een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen of de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen verrichten.
De fiscale visitatie is doelgebonden. De administratieve onderzoeksbevoegdheid, die doelgebonden is, kan enkel worden uitgeoefend met het oog op het vaststellen van de regelmatigheid van de belastingaangifte in de inkomstenbelastingen of in de BTW. Er dient geen vermoeden van fraude te zijn om een fiscale visitatie te verantwoorden.
Voor zover de finaliteit van de fiscale visitatie enkel gericht is op de juiste belastingheffing, kan de belastingplichtige zich niet beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking aan de visitatie (EHRM, besl. 16 juni 2015, Van Weerelt 1. Nederland, § 56).
De ambtenaren die de fiscale visitatie uitvoeren, moeten evenwel in het bezit zijn van een aanstellingsbewijs, dat hen toelaat zich te legitimeren en dal zij op verzoek van de belastingplichtige moeten voorleggen (Cass., 12 september 2008, Arr. Cass., 2008, nr. 469).
Wanneer de bevoegde fiscale ambtenaren de grenzen van hun onderzoeksbevoegdheid overschrijden, maken zij zich schuldig aan machtafwending of machtsoverschrijding, wat kan leiden tot de nietigheid van de visitatie.
Het is de bodemrechter die dient na te gaan of de voorwaarden vervat in de in het geding zijnde bepalingen zijn nageleefd en of de uitgevoerde visitatie evenredig was met het nagestreefde doel. Aldus is een effectieve rechterlijke controle. van de regelmatigheid van een fiscale visitatie en het verkregen bewijs mogelijk.
2.2.2.
Eiseres werpt op dat het proces-verbaal van vaststelling, noch de administratie zelf, aantoont dalelke ambtenaar die deelnam aan de visitatie in hel bezit was van zijn aanstellingsbewijs zodat de opgespoorde stukken naar aanleiding van de visitatie niet als bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt.
Vervolgens werpt eiseres op dat geen toegang werd verleend door de belastingplichtige zelf zodat de bedrijfsvisitatie vanaf het begin onwettelijk is.
2.2.3.
Verweerster stelt dat er geen machtiging van de politierechter nodig is voor een 'bedrijfs'visitatie en dat de controle niet onregelmatig is omdat één enkele controleambtenaar niet kan aantonen in het bezit te zijn geweest van zijn aanstellingsbewijs.
Vervolgens stelt verweerster dat de vrije toegang niet door de belastingplichtige zelf dient te worden gegeven. In casu heeft de heer De heer D.M. telefonisch contact genomen met de raadsman van eiseres nadat de heer Dierickx, e.a. diensthoofd, hem op de hoogte heeft gebracht betreffende het hoe en het waarom van deze visitatie. De heer De heer D.M. laat daarop weten dat zijn raadsman niet ter plaatse zou komen.
2.2.4.
Overeenkomstig art. 63 W.BTW, moeten de BTW-belastingplichtigen de fiscale ambtenaren, die in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend. Op grond van dezelfde bepaling mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die hogerstaand niet bedoeld werden en waar in het W. BTW bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot de particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.
Overeenkomstig artikel 319 WIB92, zijn de natuurlijke personen gehouden aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun beroepslokalen, ten einde aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen onder meer om de aard en de belangrijkheid van bedoelde werkzaamheden vast te stellen.
2.2.5.
Een bevoegde ambtenaar, die belast is met een controle of onderzoek kan dus onaangekondigd een visitatie afleggen, aangezien geen enkele wettelijke bepaling hem voorschrijft dat zijn komst moet worden aangekondigd. De ambtenaar is niet verplicht zijn aanstellingsbewijs voor te leggen alvorens een controle bij te wonen.
De betrokken ambtenaar dient wel in hel bezit te zijn van zijn aanstellingsbewijs. Een machtiging van de politierechter is niet nodig voor een bedrijfsvisitatie.
2.2.6.
De rechtbank stelt vast dat een visitatie plaats vond op 17 december 2013 in de bedrijfslokalen van de bvba Cool Traffic, bvba K & E Trucking en bvba KDS Logistics.
De toestemming tot deze visitatie werd verleend door dhr. Maxim De heer M.R.. De rechtbank deelt niet de zienswijze van eiseres dat deze persoon niet gemachtigd zou zijn om hiervoor toestemming te geven. De fiscale administratie heeft voldoende aangetoond dat deze persoon niet louter als een werknemer (van bvba Cool Traffic) kan worden beschouwd. Zo blijkt o.m. dat op hel adres van eiseres (volgens de Letse administratie) nog vijf andere firma's zijn gevestigd, waaronder H.C.!. Human Capita! opgericht door dhr. Maxim De heer M.R., dat Belgische klanten contact hebben met de heren De heer D.M., De heer K.D.S. doch ook met Maxim De heer M.R.. Dhr. De heer V.O., officieel zaakvoerder van eiseres, zou zelfs geen bevoegdheid hebben niettegenstaande zijn directeurschap om bepaalde documenten te tekenen (stuk 2 verwerende partij, bijlage 5) zodat wel degelijk een gevolmachtigde een rechtsgeldige toestemming kan geven. Uit de feitelijke omstandigheden kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat de rol van werknemer die wordt toegekend aan dhr. Maxim De heer M.R. niet strookt met de werkelijkheid, doch dat hij eerder een 'feitelijke' zaakvoerder blijkt te zijn, minstens een gevolmachtigde van eiseres.
Daarenboven dient te worden opgemerkt dat dhr. Maxim De heer M.R. omstreeks 9u30 toegang verleende tot de bedrijfslokalen én dat de heren De heer D.M. en De heer K.D.S. om 9h35 blijkbaar eveneens hun toestemming gaven. Zij arriveerden met hun wagens omstreeks 9h45. Bovendien staat ook vast dat er een telefonisch onderhoud heeft plaatsgevonden tussen De heer D.M. en zijn raadsman. Dhr. Dirk Dierickx, e.a. Inspecteur diensthoofd, heeft De heer D.M. toelichting gegeven omtrent de visitatie, waarna de visitatie uiteindelijk is gestart.
2.2.7.
De rechtbank merkt op dat wanneer de belastingplichtige aan de fiscale ambtenaren toegang hebben verleend tot de bedrijfslokalen zonder dat de voorlegging wordt gevraagd van het aanstellingsbewijs dit niet tot gevolg kan hebben dat de plaatsbezichtiging onregelmatig is, indien de fiscale ambtenaren hun aanstellingsbewijs niet spontaan zouden hebben getoond (Cass. 12 september 2008, TFR, 301-302).
In het voorliggende geschil staat echter vast dat de fiscale ambtenaren daarentegen wel degelijk hun aanstellingsbewijs hebben getoond (proces verbaal van 19 december 2013) en zich hebben geïdentificeerd aan dhr. Maxim De heer M.R..
De rechtbank merkt op dal eiseres tijdens de fiscale procedure blijkbaar verschillende malen heeft gevraagd naar de 24 aanstellingsbewijzen. Nu, een kopie voorligt van de 24 aanstellingsbewijzen (onherkenbaar gemaakte foto) is de rechtbank van oordeel dat deze fiscale ambtenaren wel degelijk op een rechtsgeldige wijze hebben deelgenomen aan de fiscale visitatie van 17 december 2013.
2.2.8.
De rechtbank stelt verder vast dat uit het proces-verbaal van 19 december 2013 (stuk 27 verwerende partij, p. 3-4) blijkt dat, op het moment dat de gevolmachtigde van eiseres de heer Maxim De heer M.R. de toegang verleende, alle ambtenaren zich toen kort hebben voorgesteld en aan hem spontaan hun aanstellingsbewijs hebben getoond. Hieruit blijkt duidelijk dat de gevolmachtigde heeft ingestemd met de visitatie.
Vervolgens blijkt ook uit dit proces-verbaal dat de bedrijfsvisitatie pas is aangevat nadat ook de heer De heer D.M., zaakvoerder (van Bra-doprava sro) ter plaatse was en er contact was genomen met de raadsman van eiser.
De rechtbank verwijst in dit verband ook nog naar een arrest van het Hof van Cassatie van 17 februari 2005 (F.04.0010.F) inzake de toepassing van artikel
319 WIB92. Wanneer de ambtenaren van de administratie der directe belastingen niet voorzien zijn van hun aanstellingsbewijs, is het plaatsbezoek niet onregelmatig indien de belastingplichtige uitdrukkelijk met de bezichtiging van de lokalen instemt. Daar de rechtbank heeft vastgesteld dat de ambtenaren van de administratie hun identiteit en hun functie kenbaar hebben gemaakt en daar ze aanneemt dat uiteindelijk, op aanraden van haar gevolmachtigde, toegang werd verleend, is het door de ambtenaren verrichte plaatsbezoek regelmatig.
Ten slotte staat vast dat er een voorafgaandelijke machtiging aan de politierechter te Oudenaarde werd gevraagd voor de visitatie van "de huizen, erven en panden gelegen te 9700 Oudenaarde - Bedrijvenpark 'Coupure' 10 (bus 5), met inbegrip van de kamers en/of woninggedeelten die zogenaamd privaat worden aangewend, gebruikt of (onderverhuurd), alsmede de bedrijfswagens en privé voertuigen te controleren die daar aanwezig zijn" (stuk
29 verweerster). Mevrouw K. Couliez heeft vrije toegang verleend tot de privéwoning van D. Cantré (chauffeur van de NV Cool Traffic) en K. Couliez (beiden waren hier gedomicilieerd).
2.2.9.
Uit deze vaststellingen staat vast dat de vereiste toestemming werd gegeven en toegang werd verleend zodat zowel de 'bedrijfs'visitatie als de visitatie in de privéwoning rechtsgeldig zijn.
Dat het optreden van een groot aantal fiscale ambtenaren, zelfs mits aanwezigheid van de lokale politie, ervaren wordt als "imposant" betekent nog niet dat het disproportioneel karakter is bewezen. Tevens werden bepaalde handelingen gesteld, bijvoorbeeld het parkeren van het dienstvoertuig van de BBI voor de inrijpoort, die bijzonder "imposant" waren. Uit de betreffende processen-verbaal kan echter niet uitgemaakt worden dat er personen werden achtervolgd of werden geschaduwd. Het blijft bij loutere beweringen. Volgens de rechtbank is het disproportioneel karakter dan ook net niet overschreden of net niet genoeg bewezen.
Volgens de rechtbank is het opgeworpen argument van het disproportioneel karakter niet afdoende aangetoond, nu vaststaat dat er een voorafgaande machtiging van de politierechter voorligt evenals de 24 aanstellingsbewijzen. Bovendien merkt de rechtbank op dat er in totaal 27 fiscale ambtenaren, evenals bijstand van de lokale politie werd gevorderd om aanwezig te zijn bij zowel de 'bedrijfs'visitatie als de visitatie in de panden die privaat worden aangewend.
2.3. Visitatie: onderzoeksmogelijkheden 2.3.1.
Eiseres argumenteert dat de controle-ambtenaren bij de visitatie niet beschikken over een actief zoekrecht, zij mogen enkel die boeken en stukken onderzoeken die "binnen haar gezichtsveld vallen (bijvoorbeeld een map die op een bureau ligt of in een open kast staat)". Indien zij de bepalingen van de artikelen 319 WIB92 en 63 W. BTW in de zin van een 'actief zoekrecht' interpreteren dan is er een schending van artikel 8 EVRM.
Vervolgens werpt eiseres op dat de controle-ambtenaar ten onrechte eigenhandig en zonder uitdrukkelijke toestemming zich installeerde achter zeven computers om computerbestanden te kopiëren.
Ten slotte zouden de controle-ambtenaren hierdoor op een onwettige wijze de rechten van eiseres geschonden hebben, alsook zou de visitatie disproportioneel zijn geweest (visitatie door 24 ambtenaren). Ook om deze reden argumenteert eiseres dat de gegevens die naar aanleiding van de visitatie werden verkregen, niet kunnen worden aangewend voor enige taxatie.
2.3.2.
Verweerster argumenteert dat zij haar onderzoeksbevoegdheden niet heeft uitgebreid tot een actief zoekrecht en dat haar optreden niet disproportioneel is geweest.
2.3.3.
Zoals reeds gezegd door de rechtbank staat uit de feitelijke elementen vast dat eiseres de vereiste toestemming heeft gegeven en toegang heeft verleend aan de controle-ambtenaren zodat zowel de 'bedrijfs'visitatie als de visitatie in de privéwoning rechtsgeldig zijn.
De controle-ambtenaren hebben overeenkomstig artikel 63 W. BTW het recht na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken.
Over de controle, het hoe en het waarom en het verloop van de bedrijfsvisitatie werd de heer De heer D.M., zaakvoerder, ingelicht door een controle-ambtenaar. Tevens werd de raadsman van eiseres op de hoogte gebracht. Verder kan uit de voorliggende stukken niet worden opgemaakt dat eiseres bezwaren heeft geuit over de visitatie en de wijze waarop deze zou zijn verlopen.
Uit het proces-verbaal van 19 december 2013 (stuk 27 verwerende partij) blijkt dat de dossierkasten, gesitueerd op het einde van kantoor tegen de muur, werden gecontroleerd evenals drie dossierkasten achter het bureau van de heer De heer D.M. overeenkomstig de bepalingen van artikel 63 W.BTW inzake het boekenonderzoek (zie ook nr. 2.3.6.).
Eiseres heeft onbetwistbaar de toestemming gegeven tot de visitatie waarbij de controle-ambtenaren hun onderzoeksbevoegdheden op een wettige manier hebben uitgeoefend en deze zeker niet hebben uitgebreid. Uit het proces verbaal van 19 december 2013 valt niet afdoende af te leiden dat de controle ambtenaren hun onderzoeksbevoegdheid te buiten zijn gegaan.
2.3.4.
Het Grondwettelijk Hof stelt verder in haar arrest van 12 oktober 2017 inzake de onderzoeksbevoegdheden dat de bevoegde ambtenaren over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikken, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, en het recht hebben om tijdens de visitatie na te gaan welke boeken en stukken of bescheiden zich in de lokalen bevinden en ze te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging ervan te moeten verzoeken. Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen. De in het geding zijnde bepalingen laten de bevoegde ambtenaren evenwel niet toe om de inzage van de bedoelde boeken en stukken of bescheiden eigenmachtig af te dwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet.
Het Grondwettelijk Hof merkt op dat de bevoegde ambtenaren bij een fiscale visitatie niet over een algemeen, onvoorwaardelijk en onbeperkt recht van vrije toegang tot de beroepslokalen beschikken. De in het geding zijnde bepalingen vermelden de personen die ertoe gehouden zijn de belastingadministratie vrije toegang tot beroepslokalen te verlenen, zij preciseren waar, wanneer en door wie de visitatie kan worden uitgevoerd en wat het voorwerp ervan is.
Het Grondwettelijk Hof besluit dat de fiscale visitatie inzake de inkomstenbelastingen en de belasting over de toegevoegde waarde gepaard gaat met voldoende waarborgen tegen misbruik. Daardoor heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken belastingplichtigen en, anderzijds, de noodzaak om op een doeltreffende manier een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen of de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen verrichten.
2N.u3,.5v.olgens de gegevens van het dossier, de dossierkasten gewoon konden worden geopend, en dus niet slotvast waren, ziet de rechtbank geen schending van de uitoefening van het visitatierecht en de hiermee gepaard gaande onderzoekshandelingen. De fiscale ambtenaren konden de documenten en de classeurs die zich bevonden in de dossierkasten, aanwezig in .de bedrijfslokalen, dan ook rechtsgeldig raadplegen en kennis nemen van de inhoud ervan.
2.3.6
Het is, zowel gelet op de machtiging van de politierechter als op grond van de vaststelling dat de visitatie plaats vond in de bedrijfslokalen, waarbij computers werden gebruikt (dit gelet op de ruime onderzoeksmogelijkheden voorzien in de hierboven geciteerde artikelen 60, 61 en 63 W. BTW), dan ook geen beletsel dat de controle-ambtenaren gevraagd hebben om gegevens op die computers te mogen inzien en een kopie hebben gemaakt van de e-mailbestanden en de map 'mijn bestanden' (zie stuk 16 van verwerende partij: hard copy van de tijdens de bedrijfsvisitatie gekopieerde bestanden).
Het is onbetwistbaar dat de bewaarplicht bestaat voor de professionele stukken
in de brede zin van het woord. Naast de boeken en facturen die in artikel 60, 1st• lid W.BTW worden genoemd, zijn immers ook de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid uit het tweede lid van datzelfde artikel geviseerd. Daar behoort ook de 'handelscorrespondentie' toe. Waar dat vroeger slechts briefwisseling op papier betrof, is ook het e-mailverkeer van de belastingplichtige of zijn medewerker(s) daar tegenwoordig in begrepen. Uit de aard zelf van de activiteiten, internationale transporten waarbij de computers een logistieke ondersteuning zijn, lag een onderzoek van de computers voor de hand, zodat de controle-ambtenaren er met toepassing van artikel 61, 3de lid W. BTW inzage konden van vragen. De digitale gegevens van die verrichtingen behoren onmiskenbaar tot de ruim omschreven stukken uit artikel 60, 2d• lid W. BTW.
2.3.7.
Eiseres leidt (ook) ten onrechte een onregelmatigheid af uit het feit dat, zoals in het proces-verbaal (betreffende informaticahandelingen) van 17 december 2013 werd weergegeven, dhr. Dirk Dierckx de bestanden op de computers heeft gekopieerd, aan haar niet de keuze werd gelaten om -met het oog op het nemen van een kopie van betreffende bestanden -ofwel de nodige informaticabewerkingen zelf (of via zijn aangestelde) te verrichten, ofwel dat aan de ambtenaren over te laten.
Volgens de rechtbank ligt er geen schending voor van artikel 63, 1'10 lid, 2° W. BTW. Die bepaling heeft specifiek betrekking op de betrouwbaarheid van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen. Er wordt verduidelijkt dat ze onder andere slaat op de omzetting van gegevens die op de informatiedragers (zoals harde schijven, usb-sticks, ... ) staan maar die, omdat ze op zich niet leesbaar zijn, in een leesbare of verstaanbare vorm zouden kunnen worden omgezet. Uit niets blijkt dat zich voor het lezen van de gegevens van eiseres op de desbetreffende computers moeilijkheden hebben voorgedaan inzake betrouwbaarheid (bijvoorbeeld omdat ze niet normaal leesbaar waren).
Overigens blijkt uit de beschrijving in het proces-verbaal dat de controle ambtenaren geen paswoorden hebben gebruikt en dat eiseres zich tijdens de visitatie blijkbaar nooit heeft verzet tegen de gedane verrichtingen. De controle ambtenaren hebben de nodige kepies van de computerbestanden genomen zonder gebruik te moeten maken van paswoorden. Dit laatste wordt trouwens op de openbare terechtzitting niet betwist door eiseres.
2.3.8.
Uit het onderlinge verband van de artikelen 61, §1, 1'10 lid, en 63, 1'10 lid, 1° W. BTW volgt dat de in artikel 63, 1'10 lid, 1° W.BTW bedoelde controlemaatregel te onderscheiden is van de in artikel 61, §1, 1 '10 lid W.BTW bedoelde controlemaatregel en dat artikel 63, 1'10 lid, 1°, W.BTW aan de bevoegde ambtenaren een onderzoeksbevoegdheid wil verlenen die zij niet uit artikel 61, §1, 1'10 lid W.BTW putten. Hieruit vloeit voort dat de bevoegde ambtenaren, overeenkomstig artikel 63, 1'10 lid, 1 ° W.BTW het recht hebben nà te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken (Cass. 16 december 2003, P.03.1087.N)
Waar de controle-ambtenaren zich de desbetreffende 'stukken', die (slechts) digitaal beschikbaar waren, hebben laten voorleggen ter inzage door de computers in te kijken, hebben zij slechts gebruik gemaakt van de bij artikel 61,
§1, 3° lid W. BlW voorziene bevoegdheid. De kopie name konden zij, om de enkele reden dat ze meenden dat de aangetroffen gegevens tot de verschuldigdheid van een belasting of een boete deden besluiten, doen overeenkomstig artikel 61, §2 W. BTW.
2.3.9.
Eiseres argumenteert ten onrechte dat er een schending van het privéleven zou voorliggen. Zowel de bedrijfsvisitatie als de visitatie in de privéwoning is uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen (zie hierboven) zodat ook de hieruit voortkomende gegevens en bewijzen niet behept zijn met een onrechtmatigheid, die zou voortspruiten uit een inbreuk op het privéleven (art. 8 EVRM).
De rechtbank volgt de zienswijze van eiseres niet, eiseres die zich beroept op een schending van zijn recht op privacy omdat de computers, en ook de ingekeken en gekopieerde mappen, privégegevens bevatten. Eenmaal, zoals in het voorliggende geschil, blijkt dat de belastingplichtige op computers gegevens heeft staan die onder het controlerecht van de artikelen 60, 61 en 63 WBTW vallen, kan hij er zich niet op beroepen dat de computers niet exclusief voor de betreffende economische werkzaamheid wordt gebruikt maar ook privégegevens bevat. Op die manier zou elk fiscaal onderzoek totaal onmogelijk worden.
Des te meer omdat er geen enkel stuk voorligt waaruit blijkt dat eiseres zich tegen de inzage en de kopiename heeft verzet tijdens de (bedrijfs)visitatie. Op de openbare terechtzitting verklaart verweerster dat er geen zoeking in de computers is geweest met trefwoorden, ook in de processen-verbaal van 17 en 19 december 2013 wordt hiervan geen melding gemaakt.
De rechtbank verwijst in dit verband ook nog naar een arrest van 14 maart 2013 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin een op bepaalde vlakken vergelijkbare zaak (Berhn Larsen vs. Noorwegen, zaak nr. 24117/08) het recht van de fiscus om een kopie te maken van computerbestanden in het kader van en met het oog op een controle in overeenstemming is met het recht op eerbiediging van het privé-, familie-en gezinsleven (artikel 8 EVRM).
2.4. Besluit
Ingevolge de verleende machtiging, de specifieke aard van de onderzochte activiteit, operationele internationale transporten van de groep, via onderlinge facturatiestromen en de door eiseres verleende toestemming, zijn de door de fiscale administratie eigenhandig uitgevoerde onderzoeksverrichtingen bij de visitatie en op de computers van eiseres regelmatig uitgevoerd en kunnen de verkregen gegevens worden aangewend met het oog op de vestiging van de verschuldigde belasting. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een disproportionaliteit rekening houdend het aantal vennootschappen, de internationale context en de aard van de activiteiten van deze vennootschappen. De argumentatie inzake de Antigoon-doctrine is in deze dan ook niet meer ter zake dienend.
Deze grieven zijn alle ongegrond.
3. Inzake het derde middel: zetel van economische activiteit
3.1.
Eiseres argumenteert dat er een zekere aanwezigheid is in België, die noodzakelijk voortvloeit uit haar transportactiviteiten, zoals er ook een zekere aanwezigheid is in andere Europese landen waar eiseres transportopdrachten uitvoert. Dit rechtvaardigt evenwel niet dat de fiscale administratie uit de door haar vastgestelde elementen afleidt dat ook de beleidsbeslissingen van de vennootschap in België zouden worden genomen. Uit de vaststellingen van de fiscale administratie kan hoogstens worden afgeleid dat in België beperkte voorbereidende handelingen worden gesteld, die zuivere uitvoerende taken zijn en niets te maken hebben met het algemeen bestuur van de vennootschap.
Eiseres is er dan ook steeds van uitgegaan dat zij als buitenlandse vennootschap geen Belgische btw op haar facturen diende te vermelden. Volgens haar kan zij dan ook niet worden aangesproken voor de btw-schuld en de geldboeten die de fiscale administratie oplegt.
3.2.
Verweerster stelt dat eiseres haar zetel van economische activiteit niet in Letland heeft, maar in België, aangezien alle beslissingen binnen de vennootschap in België worden genomen. Deze statutaire zetel stemt volgens de door de controle-ambtenaren gedane vaststellingen echter niet overeen met de plaats van waaruit de vennootschap werkelijk wordt bestuurd of beheerd. Het centrum van algemeen beheer van deze vennootschap blijkt, volgens de vaststellingen, gelegen te Oudenaarde.
De voor de wegvervoersonderneming noodzakelijke infrastructuur, de nodige administratieve uitrusting en de adequate technische voorzieningen en faciliteiten bevinden zich niet in Letland maar in België waar ook door de heer De heer K.D.S. en de heer De heer D.M. het beleid wordt uitgestippeld. De constructie die los staat van de economische realiteit is er, volgens verweerder, enkel op gericht om goedkope arbeidskrachten te bekomen.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat er geen geschil bestaat over het feit dat de statutaire zetel van eiseres is gelegen te Letland. Het geschil behelst de vraag of de plaats van waaruit de vennootschap, eiseres, werkelijk wordt bestuurd of wordt beheerd zich al of niet in België bevindt.
In dit verband stelt de rechtbank vast dat:
Dhr. De heer K.D.S. en dhr. De heer D.M. aandeelhouder zijn van Bra Doprava s.r.o. (welke 100% aandeelhouder is van eiseres);
Dhr. De heer K.D.S. en dhr. De heer D.M. zijn gedomicilieerd in België;
In de bedrijfslokalen te 9700 Oudenaarde documenten gevonden werden die betrekking hebben op de administratie en de boekhouding van eiseres;
CMR vrachtbrieven worden aangetroffen bij de opdrachtgever van de transporten, met name bij E.L.S.. Op de CMR vrachtbrieven staat E.L.S. vermeld als transporteur. Op 13 CMR vrachtbrieven staat Cool Traffic bvba vermeld als transporteur; Evenals verkoopfacturen uitgereikt aan een derde (niet behorend tot de KDS-groep);
- Stempels van Cool Traffic bvba, KDS Logistics bvba en K&E Trucking
bvba alsook stempels van E.L.S. werden aangetroffen te 9700 Oudenaarde;
Dispachting van alle bedrijven van de transportgroep wordt gecentraliseerd te Oudenaarde;
Een verkoopcontract tussen nv Scania Belgium en E.L.S. is opgesteld in de Nederlandse taal en getekend door dhr. De heer K.D.S. voorzien van een stempel van eiseres;
De brandstofcontracten van eiseres (volgens informatie van de Letse administratie) zijn afgesloten met Belgische leveranciers (nv Belgian Shell en bvba Dejap);
De onderhoudscontracten (van de vrachtwagens) zijn afgesloten met Belgische dienstverrichters (bijvoorbeeld nv Cofely Axima Refrigeration en nv Scania Belgium);
- Drie Belgische klanten van bvba Cool Traffic verklaren facturen te hebben ontvangen van eiseres waarbij het transport wordt georganiseerd door dhr. De heer K.D.S. (of Maxim De heer M.R.) vanuit België;
Verschillende emails wijzen uit dat dhr. De heer D.M. uitleg geeft over de
3.4.
bedoeling van de nieuw opgerichte firma Eurotrafic Latvia sia betreffende de facturatie;
Klanten verklaren dat zij contact opnemen met de 'Belgische zetel' van de transportgroep, die bepaalt vanuit welke vennootschap er zal worden gefactureerd (bijvoorbeeld transport wordt verricht door de Letse firma doch worden rechtstreeks gefactureerd vanuit eiseres, waarbij de facturen worden betaald aan een Belgische financiële instelling);
De infrastructuur in Letland zeer beperkt van aard is (gehuurd kantoor met een halftijdse bediende).
Verder stelt de rechtbank vast dat er geen stukken werden gevonden die betrekking hebben op eiseres zoals: loonbriefjes, loonoverzichten, overzicht van de uit te betalen lonen en de ontvangen bedragen door de vrachtwagenbestuurders, ondertekende verklaringen van de activiteiten van de vrachtwagenbestuurders, agenda's inzake de aankomst - en vertrektijden van de vrachtwagenbestuurders.
3.5.
De rechtbank deelt de zienswijze van eiseres, op basis van de hierboven gedane vaststellingen, dat in België slechts "beperkte voorbereidende handelingen worden gesteld" die geen verband houden met het algemeen bestuur van eiseres. De rechtbank kan uit deze vaststellingen niet afdoende afleiden dat de beslissingen, voor wat betreft eiseres, worden beslist in België. De rechtbank is niet overtuigd dat het beleid inzake internationale transporten, wordt bepaald in België en tevens ook praktisch wordt uitgestippeld in België.
Volgens de rechtbank worden er wel degelijk voorbereidende handelingen gesteld, doch hieruit afleiden dat eiseres haar zetel van economische activiteit heeft gelokaliseerd in België, is een brug te ver. Dit staat niet met voldoende zekerheid vast. Des te meer daar niet afdoende vast staat dat de vrachtwagenchauffeurs meestal vertrekken vanuit België.
4. Algemeen besluit
De rechtbank besluit dan ook dat het dwangbevel inzake BTW met RCIV nr. 500/.../...566 van 18 februari 2015 volledig dient te worden vernietigd.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres gegrond in de mate dat het dwangbevel wordt vernietigd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet meer ter zake dienend.
V. GERECHTSKOSTEN
1. In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
De kosten omvatten in de onderliggende zaak enkel de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 1022, lid 1 Ger. W.).
2. Eiseres is de partij die in het gelijk werd gesteld. Aangezien zij wordt vertegenwoordigd door een advocaat, heeft zij recht op een rechtsplegingsvergoeding.
De vordering is in geld waardeerbaar. De waarde van het fiscale geschil bedraagt meer dan 1.000.000,00 EUR zodat overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, sinds 1 juni 2016, wordt vastgesteld op 18.000,00 EUR.
DEZE RECHTBANK beslist:
recht doende op tegenspraak;
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend.
- de vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate te verklaren;
- het BTW-dwangbevel met nummer 500/.../...566 van 18 februari 2015 jegens eiseres te vernietigen;
- de terugbetaling te bevelen van alle eventueel op grond van dit dwangbevel ten onrechte geinde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;
- verweerster te veroordelen tot het betalen aan eiseres van een rechtsplegingsvergoeding van 18.000,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag vier mei tweeduizend twintig, waar aanwezig waren:
- de heer Thierry LOQUET, rechter, voorzitter van deze kamer,
- mevrouw Mia COCQUYT, griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.