Cour d'appel d'Anvers, 9 janvier 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 9 janvier 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 9 janvier 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2002-01-09-c7c9

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
9 janvier 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

110 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 09.01.2002

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, TIENDE Kamer, rechtdoende in correctionele zaken, verleent het volgende arrest :

Inzake van het Openbaar Ministerie

556 P 2001 EN DE BURGERLIJKE PARTIJEN :

1. HET MINISTERIE VAN FINANCIEN - Administratie van de BTW, Directie Hasselt, Voorstraat 41-43-45; de heer R. C., Gewestelijk Directeur.

2. DE BELGISCHE STAAT, het Ministerie van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, Hasselt, Voorstraat 41-43-45; de heer R C., Gewestelijk Directeur.

Beiden vertegenwoordigd door Mr. J. D. loco Mr F. R., advocaat bij de balie van Tongeren.

tegen·:

C. J. L. M. A., architect, geboren te Sint-Truiden op …, wonende te …, ….

verwezene,

vertegenwoordigd door Mr. G. L., advocaat bij de balie van Hasselt.

VERDACHT VAN : te … op niet nader te bepalen data tussen 31 juli 1985 en 31 juli 1998 :

bij inbreuk op artikel 73 BTW-wetboek met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de hiernavolgende bepaling van het Wetboek van de belasting op de Toegevoegde Waarde of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden te hebben, met name artikel 53, 3° en 4° - .nieuw artikel 50, § 1, + 3 + 4·van het BTW-wetboek. door als zijnde een BTW-belastingplichtige architect geen periodieke BTW-aangiften te hebben ingediend in de periode van 31 juli 1985 tot en met 31 juli 1998 en door het niet voldaan te hebben van de verschuldigd geworden belasting t.b.v.·…;

Gelet op het hoger beroep ingesteld op 18 APRIL 2001 door de burgerlijke partijen,

tegen het vonnis op tegenspraak gewezen door 1 rechter op 4 APRIL 2001 door de correctionele rechtbank te HASSELT, 15° kamer, waarbij als volgt werd beslist :

na uitspraak op strafrechtelijk gebied,

EN UITSPRAAK DOENDE op BURGERLIJK GEBIED :

Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de burgerlijke partij onontvankelijk en verwijst haar tot de kosten van haar stelling.

Gehoord de burgerlijke partij het Ministerie van Financiën - Administratie van de BTW, Directie Hasselt, en de Belgische Staat, het Ministerie van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke Directeur van de Administratie der BTW, registratie en Domeinen in haar middelen, ontwikkeld door Mr. J. D. loco Mr. F. R., advocaat bij de balie van …;

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn advies;

Gehoord verwezene C. J. in zijn middelen van verdediging, ontwikkeld door Mr. G. L., advocaat bij de balie van Hasselt;

Gelet op het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt d.d. 4 april 2001;

Gelet op de ter terechtzitting van dit Hof d.d. 12 december 2001 neergelegde stukken;

Overwegende dat het naar vorm en termijn regelmatig ingestelde hoger beroep ontvankelijk is;

Dat middels dit hoger beroep, enkel de voor de eerste rechter ingestelde burgerrechtelijke vordering ter beoordeling van dit Hof voorligt;

Overwegende dat de aldus door de Belgische Staat, het Ministerie van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de administratie der BTW, registratie en domeinen, de heer R. C. voor de eerste rechter ingestelde vordering ertoe strekte verwezene C. te horen veroordelen tot betaling van de tegoeden welke deze laatste, volgens de stelling van voornoemde burgerlijke partij, nog verschuldigd is hoofdens BTW in hoofdsom, boetes wegens laattijdigheid en verschuldigde intresten en welke in het totaal worden begroot op … fr.;

Overwegende dat bij bestreden vonnis ten onrechte werd beslist dat deze vordering niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang om reden dat de burgerlijke partij reeds over een titel met betrekking tot het door haar gevorderde bedrag beschikt;

Dat inderdaad de omstandigheid dat reeds een uitvoerbare titel met betrekking tot de thans gevorderde bedragen voorhanden is als dusdanig het belang in hoofde van de burgerlijke partij om daarvan in het kader van strafprocedure -door middel van een burgerlijke partijstelling- de betaling te vorderen, niet uitsluit;

Overwegende dat de vordering wel ontvankelijk is, doch niet gegrond, nu voormelde beweerdelijk verschuldigde tegoeden -nl. BTW-schuld met aanhorigheden- geen schade betreft, welke in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met het misdrijf en waarvan, overeenkomstig art. 3 V.T. S.V., het herstel voor de strafrechter kan worden gevorderd;

Dispositif

OM DIE REDENEN

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op de artikelen :

2, 11 tot 14, 16, 24, 31 tot 37 en 41 wet 15 juni 1935,

162, 190, 194, 210, 211 wetboek strafvordering,

3 en 4 wet 17 april 1878,

Ontvangt het hoger beroep en erop recht doende ten gronde;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart de voor de eerste rechter ingestelde burgerrechtelijke vordering ontvankelijk, doch ongegrond;

Verwijst de burgerlijke partij in de kosten van haar burgerlijke vordering in beide aanleggen, deze voorgeschoten door de Openbare Partij begroot op … EUR.

Aldus gedaan .en uitgesproken in openbare terechtzitting van de TIENDE KAMER van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN op NEGEN JANUARI TWEEDUIZEND EN TWEE.

waar aanwezig waren :

V. L., Voorzitter,

M. J., Raadsheer,

M. S., Raadsheer,

C. G., Advocaat-generaal,

W. V., Griffier

W. V. M. S. M. J. V. L.

Parketnummer : …

Décision jointe par le SPF

Vonnis : 4 APRIL 2001

PRO JUSTITIA

De correctionele rechtbank van het arrondissement HASSELT, VIJFTIENDEDE KAMER, heeft het volgende vonnis gedragen :

INZAKE :

I.HET OPENBAAR MINISTERIE,

II.DE BURGERLIJKE PARTIJ :

HET MINISTERIE VAN FINANCIEN - Administratie van de BTW Directie Hasselt, Voorstraat, 41-43-45.

Burgerlijke partij, gesteld d.d. 6 mei 1999 voor de T. H., onderzoeksrechter te Hasselt, door de heer W. W., e.a. Inspecteur hiertoe gemachtigd door de heer R. C., Gewestelijk Directeur;

DE BELGISCHE STAAT, het Ministerie van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de Administratie der BTW, Registratie- en Domeinen, de Heer R. C..

Burgerlijke partij zoals gesteld ter zitting van 14.3.2001 door Mter D., loco Mter R., advocaat te …, …;

TEGEN :

C. J. L. M. A., geboren te … op …, architect, wonende te …, …

VERDACHT VAN : te … op niet nader te bepalen dat tussen 31 juli 1985 en “1 juli 1998 :

bij inbreuk op artikel 73 BTW-wetboek met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de hiernavolgende bepaling van het Wetboek van de belasting op de Toegevoegde Waarde of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden te hebben, met name artikel 53, 3° en 4° - nieuw artikel 50, § 1° + 3° + 4° van het BTW-Wetboek, door als zijnde een BTW-belastingplichtige architect geen periodieke BTW-aangiften te hebben ingediend in de periode van 31 juli 1985 tot en met 31 juli 1998 e door het niet voldaan te hebben van de verschuldigd geworden belasting t.b.v. … fr.;

Gezien de stukken van het rechtsgeding.

Gehoord, in openbare zitting :

- Het openbaar Ministerie in zijn vordering.

- Beklaagde in zijn gezegden en middelen van verdediging, bijgestaan door Mter L., advocaat te …, …, pleitende in het Nederlands.

- Mter D., voornoemd, pleitende in het Nederlands namens de burgerlijke partij.


Ter zitting van 14.03.2001 werd de zaak in haar geheel hernomen voor de thans anders samengestelde zetel.


OP STRAFGEBIED

De plichtigheid van beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten, zoals in de dagvaarding omschreven, wordt naar eis van recht bewezen door de onderzoeksresultaten verzameld tijdens het gerechtelijk onderzoek en tijdens het ter zitting gevoerde onderzoek.

Beklaagde betwist overigens deze plichtigheid niet.

Aan beklaagde wordt de hierna vermelde bestraffing opgelegd, die aangepast is :

- aan de aard en de zwaarwichtigheid van de lastens hem bewezen verklaarde feiten;

- aan het gegeven dat hij inmiddels nog steeds geen enkele inspanning opgebracht heeft tot betaling van de verschuldigde belasting;

- aan het feit dat hij door de aanhangige feiten de belangen van de schatkist en van de gemeenschap heeft geschonden;

- aan zijn gunstig strafrechtelijk verleden.

Aangezien beklaagde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, en aangezien beklaagde hoofdens de bewezen feiten veroordeeld wordt tot een of meer straffen van niet meer dan vijf jaar, wordt hem de hierna vermelde genademaatregel van het uitstel van de strafuitvoering toegekend, gezien dit voordeel voor hem een bijkomende aansporing zal zijn om in de toekomst de wet stipt na te leven, daar hij moet weten dat bij een volgende veroordeling het thans verleende uitstel kan verloren gaan.

OP BURGERLTJK GEBIED

De burgerlijke partij vordert een bedrag van … frank te vermeerderen met de intresten, vanaf … en de kosten.

Deze vordering heeft als voorwerp de verschuldigde BTW, boeten, intresten en kosten.

Deze vordering is onontvankelijk bij gebrek aan belang gezien de burgerlijke partij reeds over een uitvoerbare titel beschikt met betrekking. tot de thans gevorderde bedragen.


Gezien de hiernavolgende artikelen :

- Wetboek van strafvordering, artikel 185, 194, 197,

- Wetboek van strafrecht, artikel 38, 40, 44, 45,

- BTW-wetboek artikel 50, § 1° + 3° + 4°, 73,

- Burgerlijk Wetboek, artikel 1382,

- Wet 17 april 1878, artikel 3 en 4,

- Wet 24 december 1993, artikel 1 en 3,

- Wet 15 juni 1935, artikel 2, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 37, 41,

- Wet 1.8.1985, artikel 28 en 29,

- KB 18.12.1986, artikel 58,

- KB 28.12.1950.

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, statuerende OP TEGENSPRAAK, verklaart beklaagde schuldig aan de feiten hem ten laste geleid, zoals in de dagvaarding omschreven.

Dienvolgens, veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van ZES MAANDEN en een geldboete van TWINTIGDUIZEND FRANK, subsidiair ZESTIEN DAGEN gevangenisstraf.

Zegt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis wordt uitgesteld gedurende een termijn van DRIE jaar voor wat de hoofdgevangenisstraf alleen betreft.

Verwijst hem tot de kosten van de publieke vordering, begroot op de som van … FRANK.

(… FRANK).

Legt aan de veroordeelde tevens een vergoeding op van … frank overeenkomstig het artikel 91 van het Koninklijk Besluit van·28 december 1950, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 23 december 1993.

Spreekt bovendien de verplichting uit een bijdrage te betalen van een bedrag van … FRANK, ·gebracht op … FRANK, door verhoging met 1.990 decimen.


EN UITSPRAAK DOENDE OP BURGERLIJK GEBIED :

Verklaart de vordering tot schadevergoeding van de burgerlijke partij onontvankelijk en verwijst haar tot de kosten van haar stelling.

Aldus gevonnist in openbare zitting van de VIJFTIENDE KAMER, de 4de APRIL 2001, alwaar zetelden :

de heer K. G., rechter, enige rechter,

mevrouw K. S., substituut procureur des konings,

de heer A. L., griffier.

A. L. K. G.

Textes cités

1
CTVA art. 732 occurrences

Décisions similaires

8