Construction de bâtiments résidentiels, Facture invalide, construction résidentielle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 17 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Construction de bâtiments résidentiels, Facture invalide, construction résidentielle

https://juriel.be/fr/jurisprudence/construction-batiments-residentiels-facture-invalide-cour-appel-anvers-2025-06-17-59e5

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
17 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

122 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt du cour d’appel d' Anvers du 17.06.2025

[ Arrêt infavorable ]

TVA - Construction de bâtiments résidentiels - Facture invalide

Résumé

Pas disponible

Texte intégral

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 17.06.2025

2023/AR/1885

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL - DIRECTEUR KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43, bus 106

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. B.B., advocaat te …

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 17 augustus 2023, gekend onder rolnummer 22/506/A

tegen

X., ON …, met zetel te …, doch volgens de KBO …

Verweerster in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer J.C., bestuurder vertegenwoordigd door mr. R.P., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 17 augustus 2023, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 11 december 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwistinq.

Het geschil heeft betrekking op de geldboete, onder schuldnummer 500.2477.94354, op 27/12/2021 opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat op 28/12/2021 uitvoerbaar werd verklaard en waaraan ten grondslag ligt het proces-verbaal van 04/11/2021.

1.2. Feiten en voorgaanden.

Verweerster in hoger beroep is sinds 09/12/2014 geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige met als BTW identificatienummer BE0505.825.801 voor de activiteit van algemene bouw van residentiele gebouwen.

Op 09/12/2020 werd een eerste controle uitgevoerd op de toepassing van de BTW-wetgeving voor de periode van 01/01/2018 tot en met 31/12/2019.

Op 04/11/2021 werd er een proces-verbaal opgesteld waarin overtredingen werden vastgesteld betreffende de vermeldingen op de facturen uitgereikt door haar belangrijkste leverancier. De werkelijke identiteit van de uitreiker van de facturen kon volgens de belastingadministratie niet worden achterhaald. Er werd een geldboete opgelegd van 100%.

Op 17/11/2021 werd een betaalbericht verzonden.

Op 03/12/2021 werd er namens verweerster in hoger beroep bezwaar ingediend tegen de gestelde vordering en werd verzocht om kwijtschelding of vermindering van de boete.

Op 27/12/2021 werd de belastingschuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat op 28/12/2021 uitvoerbaar werd verklaard.

Op 10/03/2022 werd het bezwaar afgewezen, alsook het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg , afdeling Hasselt, op 23/03/2022 stelde verweerster in hoger beroep een vordering in rechte in.

Verweerster in hoger beroep vorderde:

het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond te verklaren;

te zeggen voor recht dat de gevorderde sommen zoals gekend onder artikelnummer 500.2477.94354, zijnde de geldboeten van in totaal 38.050 euro, meer interesten niet verschuldigd zijn, minstens dienen te worden ontheven of verminderd dan wel dat ervoor uitstel moet worden verleend;

te zeggen voor recht dat de aldus ten onrechte betaalde bedragen moeten worden terugbetaald aan verweerster in hoger beroep, te verhogen met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 91 WBTW;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (2.800 euro) en de rechten verschuldigd bij het aanhangig maken van de zaak ten bedrage van 22 euro.

De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en zei voor recht dat de geldboete, zoals opgenomen in het betaalbericht van 17/11/2021 onder artikelnummer 500.2477.94354 ten bedrage van 38.050 euro niet verschuldigd was. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot terugbetaling aan verweerster in hoger beroep van de reeds betaalde sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 91 WBTW meer de gerechtelijke interesten. Eiser in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten en deze werden aan de zijde van verweerster in hoger beroep begroot op 1.650 euro rechtsplegingsvergoeding en 22 euro bijdrage voor het Fonds voor kosteloze rechtsbijstand.

De eerste rechter stelde vast dat in het betaalbericht van 17/11/2021 de Belgische Staat aan verweerster in hoger beroep het bedrag van de opgelegde boete had meegedeeld, doch niet had uiteengezet welke voor hem de redenen waren die het opleggen van de boete rechtvaardigden, noch hoe het bedrag werd samengesteld. De eerste rechter oordeelde dat het feit dat er voorafgaandelijk een proces-verbaal op 04/11/2021 werd opgesteld waarin gesteld werd dat het bedrag van de proportionele geldboete verminderd werd tot 100% van de verschuldigde belasting: 38.054,63 euro x 100% = 28.054,63 euro (tabel C, II van de bijlage bij het KB nr. 41) geen afdoende motivering kon zijn nu duidelijk uit dit proces-verbaal bleek dat de verschuldigde BTW 0,00 euro bedroeg. De eerste rechter stelde dat een van eiser in hoger beroep uitgaande schriftelijke motivering, voorafgaand aan het opleggen van de geldboete bij brief van 17/11/2021, niet werd voorgelegd.

Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 11/12/2023, hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiser in hoger beroep vordert:

het hoger beroep ontvankelijk maar gegrond te verklaren;

het bestreden vonnis te hervormen en voor recht te zeggen dat de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ongegrond is; de door eiser in hoger beroep gevestigde geldboete opgelegd via artikelnummer 500.2477.94354 integraal te bevestigen;

verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 3.000 euro en de bijdrage aan het Fonds van 24 euro.

Verweerster in hoger beroep vordert:

- het bestreden vonnis te bevestigen en derhalve;

het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond te verklaren als volgt:

te zeggen voor recht dat de gevorderde sommen zoals gekend onder artikelnummer

500.2477.94354, zijnde de geldboeten van in totaal 38.050 euro, meer interesten,

niet verschuldigd zijn, minstens dienen te worden ontheven of verminderd, dan wel dat ervoor uitstel moet worden verleend;

te zeggen voor recht dat de aldus ten onrechte betaalde bedragen moeten worden terugbetaald aan verweerster in hoger beroep, te verhogen met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 91 WBTW;

de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerster in hoger beroep begroot op 3.000 euro in eerste aanleg en 3.000 euro in beroep en de rechten verschuldigd bij het aanhangig maken van de zaak ten bedrage van 22 euro ten laste te leggen van de Belgische Staat.

Ter zitting van 19/05/2025 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot te worden op 3.000 euro en in hoger beroep dient begroot te worden op 3.139,53 euro.

2. Bespreking

De discussie tussen partijen beperkt zich tot de proportionele geldboete die werd opgelegd door de belastingadministratie.

De belastingadministratie heeft middels het proces-verbaal van 04/11/2021 een proportionele geldboete opgelegd van 100% wegens inbreuken ten aanzien van de vermeldingen op de factuur en dit op grond van artikel 70 §2 WBTW.

Voor de berekening houdt de fiscus rekening met de BTW die verschuldigd is en niet met de aftrekbare voorbelasting.

De navordering van de belastingadministratie op basis van het proces-verbaal heeft geen betrekking op de te betalen BTW, verschuldigd naar aanleiding van de verlegging van heffing. Evenmin heeft de navordering van de belastingadministratie op basis van het proces-verbaal betrekking op de terugbetaling van onterecht in aftrek genomen BTW.

Te dezen werd de belasting over de toegevoegde waarde aangegeven (door verweerster in hoger beroep als medecontractant in het kader van de verlegging van de heffing) en ook onmiddellijk in aftrek gebracht. Het saldo van de verschuldigde BTW bedroeg 0 euro.

Eiser in hoger beroep stelt in conclusies op p. 11 uitdrukkelijk dat de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 04/11/2021 losstaan van het feit dat de BTW als verschuldigd werd opgenomen in de periodieke BTW-aangifte.

De rechtspraak waarnaar de belastingadministratie verwijst, betreft rechtspraak gewezen in het kader van de laattijdige betaling van de belasting, die aanleiding geeft tot het opleggen van een geldboete, waarbij dan de geldboete berekend wordt op basis van de verschuldigde belasting, zonder dat van die verschuldigde belasting de voorbelasting die ingevolge de afwezigheid van aangifte niet werd afgetrokken, in mindering mag worden gebracht (zie Cass. F.12.0007.N, 21 juni 2013,https://juportal.be en H.v.J. nr. C-418/22,17 mei 2023 (SA CEZAM/Belgische Staat, http://curia.europa.eu).).

Deze rechtspraak is in casu niet van toepassing.

Te dezen gaat het niet over een laattijdige betaling van de belasting doch over beweerdelijke inbreuken ten aanzien van de vermeldingen op de factuur. Eiser in hoger beroep stelt uitdrukkelijk dat de onjuiste vermeldingen op de factuur worden beboet (zie op 11 conclusie eiser in hoger beroep). De onjuiste vermeldingen hebben betrekking op een niet bestaande onderneming, 'Machina', die op de facturen werd aangebracht.

Op grond van art. 70 §2 WBTW wordt wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro.

Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant.

In geval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in §1 als de in §2 bepaalde geldboete oploopt, is alleen deze laatste verschuldigd.

In toepassing van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete, bijiage C, II werd de verschuldigde boete voor de overtreding beoogd in artikel 70 §2 WBTW, verminderd tot 100 pct van de op de handelingen verschuldigde belasting wegens het ontbreken van of onjuiste vermeldingen aan te brengen op de facturen of op de als zodanig geldende stukken.

De in artikel 70 WBTW bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door de belastingplichtige te voorkomen en te bestraffen, zonder enig onderscheid. Zij hebben een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van art. 6 EVRM (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, 79/2008 en Grondwettelijk Hof 20 februari 2020, nr. 32/2020).

Krachtens artikel 1,3°, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, is de schaal voor de vermindering van de fiscale geldboete ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, §2, van het btw-wetboek, bepaald in de tabel C van de bijlage bij dat besluit.

Het hof stelt vast dat te dezen de proportionele fiscale geldboete met toepassing van rubriek II van de voornoemde tabel C, 100% van de verschuldigde belasting bedraagt.

Het hof stelt aldus vast dat de belastingadministratie een proportionele geldboete oplegde op basis van artikel 70 §2 WBTW. Dit artikel vereist uitdrukkelijk: "... waarvan de uitreiking van de factuur is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten...".

Ter zitting heeft het hof partijen hierop attent gemaakt en de vraag gesteld of het wel mogelijk was om in onderhavig geval een geldboete op te leggen in toepassing van art. 70 §2 WBTW. Partijen hebben desbetreffend standpunt ingenomen.

De administratie heeft bij het opleggen van de boete geen correcte toepassing gemaakt van artikel 70 §2 WBTW en het KB nr 41 van 30 januari 1987.

Uit de aan het hof voorgelegde stukken blijkt immers dat er door de RSZ-inspectie een proces-verbaal werd opgesteld op 16/09/2021, waarvan de belastingadministratie op het ogenblik van het opstellen van onderhavig proces-verbaal niet onwetend was (er wordt uitdrukkelijk naar verwezen). Op basis van de vaststellingen van de RSZ-inspectie blijkt dat de Polen onder leiding en toezicht werkten voor verweerster in hoger beroep en aldus schijnzelfstandigen betroffen. Eiser in hoger beroep stelt zelf op p. 10 van de conclusies dat verweerster in hoger beroep oneigenlijk gebruik zou gemaakt hebben van het BTW-stelsel omdat uit de pro-justitia van 16/09/2021 dient te worden afgeleid dat de Poolse arbeiders in werkelijkheid hun diensten verhuurden in het kader van een arbeidsovereenkomst. Er werd een navordering ingesteld door de diensten van de Sociale zekerheid. Verweerster in hoger beroep betwist dit niet en volgt het afbetalingsplan desbetreffend.

De belasting berust op de werkelijkheid.

Het staat dan ook vast dat het in werkelijkheid gaat over schijnzelfstandigen die factureerden onder de benaming "Machina". De Polen bevonden zich in een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van verweerster in hoger beroep. De Polen, werknemers van verweerster in hoger beroep, oefenden dan ook geen zelfstandige activiteit uit en zijn dan ook geen belastingplichtigen in de zin van het BTW-wetboek. Bij de uitvoering zelf van de handelingen bestond een band van ondergeschiktheid. Een arbeider kan nooit belastingplichtige zijn in de zin van de BTW-wetgeving ten aanzien van de handelingen die hij verricht als loontrekkende.

Bijgevolg is de uitreiking van facturen in hun hoofde geenszins voorgeschreven door de

artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Op de

handelingen verricht door de werknemers is er geen BTW verschuldigd. Evenmin is er recht

op aftrek van BTW.

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van onderhavige zaak niet voldaan

is aan de voorwaarde van artikel 70 §2 WBTW zodat er op basis van deze wettelijke bepaling

geen proportionele geldboete kon worden opgelegd.

De opgelegde boete dient dan ook vernietigd te worden aangezien ze niet wettig is.

De fiscale wet raakt de openbare orde. Behoudens wanneer de administratieve akte

noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg,

ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen

over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de

vorderingen die door de partijen worden gesteld.

De administratieve beslissing waarmee de administratieve geldboete wordt opgelegd, is

noodzakelijk voor de totstandkoming van zulke boete.

Hieruit volgt dat de rechter niet zelf kan oordelen over het verschuldigd zijn van de

administratieve geldboete (vgl. Cass. d.d. 29/01/2021, F.18.0169.N, juportal.be).

Het gaat hier over een boete. Deze schuld ontstaat niet, zoals de btw zelf, op het moment

dat handelingen worden gesteld. De schuld ontstaat pas op moment dat de boete wordt

opgelegd. Als die onwettig is opgelegd, kan of mag de rechter niet zelf de boete opleggen.

Het hof kan niet in de plaats treden van de belastingadministratie en zelf een boete

opleggen op basis van een andere wettelijke bepaling.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen of als niet ter zake

dienend en/of overbodig.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet

van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een

advocaat (B.S. 31.05.2007).

Aangezien eiser in hoger beroep in het ongelijk gesteld is, dient hij veroordeeld te worden

tot de kosten van het geding (art. 1017 Ger.W.).

Partijen zijn het ter zitting eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op

3.000 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op 3.139,53 euro

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) van 24 euro betaald in hoger beroep ten laste van eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..


Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis op basis van een andere motivering en behoudens wat betreft de uitspraak over de kosten van het geding.

Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, vereffend in hoofde van verweerster in hoger beroep op 3.000 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 22 euro bijdrage begrotingsfonds betaald in eerste aanleg en op 3.139,53 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds van 24 euro betaald in hoger beroep ten laste van eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst al het overige en/of anders gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 juni 2025 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

Textes cités

4
CTVA art. 709 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence

Décisions similaires

8