Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 19.01.2006
Compte-courant – Prescription – Restitution de la taxe
Dispositions légales
Articles 75 et 81 du Code de la TVA
Article 2248 du Code civil
Résumé
L’assujetti (le requérant) est identifié à la TVA pour une activité économique exercée dans le commerce des combustibles et des carburants.
A la date du 31 octobre 1995, son compte-courant présentait un solde créditeur qui résultait des opérations effectuées durant le troisième trimestre de l’année 1995.
Dans sa déclaration concernant les opérations effectuées durant le troisième trimestre, l’assujetti n’avait pas demandé la restitution de la taxe.
Dans les déclarations relatives aux périodes ultérieures, soit l’Etat belge était redevable à l’assujetti de faibles montants soit l’assujetti était redevable à l’Etat belge de faibles montants. A partir du premier trimestre 1999, l’assujetti a encore déposé quelques déclarations reprenant la mention « néant ». Dans ses déclarations, l’assujetti n’avait également pas demandé la restitution de son crédit d’impôt.
Dans sa déclaration relative au deuxième trimestre de l’année 2001, l’assujetti a demandé la restitution du crédit d’impôt résultant de la déclaration concernant le troisième trimestre 1995.
Par après, l’administration a adressé à l’assujetti un relevé de régularisation dans lequel elle communiquait que la demande de restitution de la taxe était prescrite.
Le tribunal constate comme le défendeur (l’administration) que l’action de la requérante est prescrite conformément à l’article 82 du Code de la TVA.
Les simples mentions reprises sur les extraits du compte-courant ne peuvent pas être considérées en tant que tel comme une reconnaissance de dette (au sens de l’article 2248 du Code civil) par l’Etat belge.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Décision jointe par le SPF
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 19.01.2005
Nr. A.R. 01/3703/A
Rechtbank van Eerste aanleg Gent – Zesde Kamer
Openbare Terechtzetting van 19 januari 2005
In de zaak van :
De heer M. S., handelaar, wonende te …, … EISER, niet verschijnend noch iemand voor hem,
Tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is aan de Wetstraat 14 te 1000 Brussel. VERWEERDER : raadsman : meester D. M., advocaat te … (…), …
vonnist de rechtbank als volgt :
1. PROCEDURE
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzetting van deze rechtbank en kamer van 22 december 2004; Het debat werd gesloten en de zaak werd in beraad genomen;
1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;
2. DE VORDERING
De vordering van eiser zoals laatst gelibelleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
“…
De vordering van concludent ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Vervolgens verweerder te veroordelen tot betaling aan concludent van de som van … BEF (… EUR), meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het verzoek tot terugbetaling, zijnde 1 april 2001;
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (…);
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement;
3. FEITEN EN GESCHIL
3.1. De heer M. S. is wegens zijn economische activiteit van handelaar brandstoffen als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … en is als dusdanig onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;
De rekening-courant van eiser vertoonde op datum van 31 oktober 1995 een tegoed van … BEF; Dit tegoed was afkomstig uit de handelingen die door eiser werden verricht gedurende het derde kwartaal 1995;
3.2. De aangifte m.b.t. de handelingen verricht gedurende het derde kwartaal 1995 werd door eiser niet getekend voor teruggaaf;
Eiser diende vervolgens aangiften in voor de daaropvolgende periodes; Deze aangiften vertegenwoordigden hetzij een klein bedrag door de Staat verschuldigd aan eiser, hetzij een klein bedrag door eiser aan de Staat verschuldigd; Sedert het eerste kwartaal 1999 werden door eiser enkel nihilaangiften ingediend;
Geen van deze aangiften werd voor teruggaaf getekend;
3.3. In de aangiften van het tweede kwartaal 2001 werd door eiser teruggaaf gevraagd van het krediet voortvloeiende uit de aangifte m.b.t. het derde kwartaal 1995;
Dit tegoed bedroeg ondertussen nog … BEF ten gevolge van de inboeking van de verschillende latere aangiften op de rekening-courant, waarbij voortdurend compensatie gebeurt tussen aan en door de belastingplichtige verschuldigde bedragen;
Op 28 augustus 2001 werd aan eiser een correctieopgave toegezonden, waarin werd vastgesteld dat de vorderinng tot teruggaaf in hoofde van eiser grotendeels (nl. ten belope van een bedrag van …. BEF) verjaard was (stuk 1 verweerder);
Deze correctieopgave werd door eiser middels een schrijven van 7 september 2001 betwist (stuk 2 verweerder);
Op 11 september 2001 werd het standpunt van de BTW-administratie schriftelijk aan eiser bevestigd door het BTW-controlekantoor ZELZATE (stuk 3 verweerder);
Aangezien de vordering van de BTW-administratie door eiser schriftelijk werd betwist, werd op 2 oktober 2001 door het BTW-ontvangkantoor te Gent II een akte van inhouding opgemaakt; Ingevolge deze akte van inhouding werd het krediet van … BEF ten bewarende titel geblokkeerd (stuk 4 verweerder);
Op 5 oktober 2001 werd eiser van deze inhouding in kennis gesteld (stuk 5 verweerder);
Op 12 oktober 2001 ging eiser over tot dagvaarding teneinde terugbetaling te verkrijgen van … BEF meer de gerechtelijke interesten vanaf de datum van de aanvraag tot teruggaaf, zijnde 1 april 2001 (stuk 6 verweerder);
3.4. Bij vonnis dd. 29 november 2002 heeft de Rechtbank van Koophandel te Gent de heer M. S. in faling verklaard; Als curator werd Mter G. W. aangesteld, welke krachtens de wet het geding verder zette;
Bij vonnis dd. 18 juni 2003 werd de faling van de heer M. S. wegens ontoereikend actief afgesloten door de Rechtbank van Koophandel te Gent; De gefailleerde werd niet verschoonbaar verklaard (stuk 10 verweerder);
Het geding werd door verweerder lastens de heer S. persoonlijk geactiveerd door verweerder;
Op de zitting van 29 september 2004 werd het verstek van eiser geacteerd nadat Mter V. H. reeds in 2003 liet weten niet langer op te treden voor eiser;
De zaak werd alsdan uitgesteld naar de zitting van 22 december 2004 teneinde verweerder toe te laten nog toelichting te verschaffen, waarna de zaak in beraad werd genomen;
4. BESPREKING
1.De rechtbank stelt met verweerder vast dat de vordering van eiser inderdaad verjaard is overeenkomstig artikel 82 BTW-Wetboek;
2.Terecht stelt verweerder dat er in casu geen sprake kan zijn van schulderkenning in hoofde van verweerder door het toezenden van uittreksels van de rekening-courant van de belastingplichtige;
Het systeem van rekening-courant inzake BTW is gebaseerd op de (eenzijdige) aangiftes van de belastingplichtige;
Zolang de belastingplichtige geen uitdrukkelijke aanvraag tot teruggave doet (welke mogelijkheid de belastingplichtige heeft door een uitdrukkelijke vermelding in de BTW-aangifte op het einde van elk kwartaal en in ieder geval op het einde van elk kalenderjaar) bestaat er voor de BTW-administratie in principe geen aanleiding om tot een controle over te gaan;
Aldus is het mogelijk dat de belastingplichtige (door foutieve aangiftes) een louter virtueel krediet opbouwt in zijn rekening-courant;
De loutere vermeldingen op de uittreksels in rekening-courant kunnen derhalve als dusdanig niet beschouwd worden als een valabele (overeenkomstig art. 2248 BW verjaringsstuitende) (schulderkenning vanwege de Belgische Staat.
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende BIJ VERSTEKT.
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;
Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond;
Wijst eiser af van zijn vordering en veroordeelt hem tot de kosten;
Begroot de kosten :
- in hoofde van eiser op …. EURO rechtsplegingsvergoeding + …. EURO (… BEF) dagvaardingskosten;
- in hoofde van verweerder op … EURO (… BEF) rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde (fiscale) kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van woensdag 19 januari 2005, waar aanwezig waren :
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.