Champ d'application, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 3 octobre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-operation-imposable-exoneration-tribunal-gand-2008-10-03-b56e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
3 octobre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

165 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 03.10.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - TWAALFDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 03 OKTOBER 2008

Algemene rol nummers : 00/3244/A en 02/1999/A

In de zaak met AR-nummer 00/3244/A van :

NV V., met maatschappelijke zetel te …, …, voorheen ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, ondernemingsnummer …, RPR …

eiseres,

hebbende als raadsman mtr. B. C., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4

verweerder,

hebbende als raadsman mtr. E. V. A., advocaat te …, …

en :

In de zaak met AR-nummer 02/1999/A van :

NV V., met maatschappelijke zetel te …, …, voorheen ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, ondernemingsnummer …, RPR …, ,voorheen de NV V. D. S..

eiseres,

hebbende als raadsman mtr. B. C., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor Oudenaarde 1, met kantoren te 9700 Oudenaarde, Bekstraat 14

2. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen; vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoo~1 te Zottegem, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4

verweerder,

hebbende als raadsman mtr. E. V. A., advocaat te …, …

vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 5 september 2008 waarn het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

1.2. De dossiers van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift in de zaak met AR nr. 00/3244/A neergelegd op 23 oktober 2000 en de geding inleidende dagvaarding d.d. 23 juli 2001 in de zaak met AR nr. 02/1999/A, de onderscheiden conclusies van de partijen, evenals de neergelegde bundels.

2. DE VORDERING

2.1. De vordering in de zaak met AR nummer 00/3244/A zoals laatst verwoord in conclusies strekt er toe :

"De vordering in rechte van (... ) (eiseres) ontvankelijk en gegrond te verklaren;

In hoofdorde

Het dwangbevel met referentie REG 127/00/35, uitgevaardigd op 9 mei 2000 door de heer W H., E.a. Inspecteur, Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer F. D. B., E.a. Inspecteur Diensthoofd daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW. Registratie en Domeinen te Gent op 15 mei 2000, te vernietigen en de teruggaaf te bevelen van de aan de voornoemde Administratie betaalde sommen, meer de interesten.

In ondergeschikte orde

Te oordelen dat verweerster ten onrechte een bedrag van … BEF aan BTW heeft verworpen m.b.t. de eerste verdieping van het gebouw en … BEF aan BTW m.b.t. het gelijkvloers van het gebouw minstens te oordelen dat m.b.t. de kosten van de eerste verdieping 11,8564 % (i.p.v. 5,9282 %) hiervan een beroepsmatig karakter heeft;

Te oordelen dat de BTW m.b.t. de ontvangen facturen van de NV V. D. S. aftrekbaar zijn ten belope van … BEF en de BTW navordering nietig is.

In meer ondergeschikte orde

In elk geval te oordelen dat de geldboete onverschuldigd is.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding[ met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten beloop van … EUR (gelet op de complexiteit van de zaak, op de menigvuldigheid van samenhangende procedures. op de , ingewikkelde wetgeving en gelet op het feit dat de vordering een bedrag betreft van … EUR zonder interesten).

Het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement"

2.2. De vordering in de zaak met AR nummer 02/1999/A zoals laatst verwoord in conclusies strekt er toe :

De vordering van (…) (eiseres) ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Rechtdoende over de vordering van (…) (eiseres), over te gaan tot de vernietiging van het dwangbevel met referentie REG 127/00.35, RCIV-nummer … jegens de NV V. uitgevaardigd op 9 mei 2000 door de heer W. H., E.a. Inspecteur a.i., Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 mei 2000 door de heer F. D. B., E.a. Inspecter, Diensthoofd daartoe aangewezen door de Gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent.

Alsmede de vernietiging te bevelen van het proces-verbaal van 17 december 1999, opgesteld door de heer E. V., Verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum te Oudenaarde.

• In de eerste hypothese

De teruggave te bevelen van alle aan de BTW-Ontvanger betaalde BTW ten bedrage van in totaal … BEF (hetzij … EUR) voor de periode van juli 1996 tot en met december 1997, meer de intresten, deze bedragen zoals betrekking hebbende op de facturen van (...) (eiseres) uitgereikt aan de NV V. in voormelde periode.

Indien Uw Rechtbank in de zaak met AR 00/3244/A zou stellen dat NV V. geen volledig, doch slechts een gedeeltelijk recht op aftrek heeft, dient het recht op teruggaaf van die doorgestorte BTW in hoofde van (...) (eiseres) in overeenkomstige mate te worden toegekend.

• In de tweede hypothese : verzoek om teruggaaf is zonder voorwerp

In het geval dat Uw Rechtbank in de zaak met AR 00/3244/A zou oordelen dat NV V. de desbetreffende BTW terecht in aftrek heeft gebracht is het verzoek tot teruggaaf van de door V. D. S. doorgestorte BTW uiteraard zonder voorwerp (cf. supra).

In dat geval vraagt (... ) (eiseres) dat U van het voormelde akte neemt en dienvolgens ook akte neemt van de afstand van vordering tot teruggaaf door (... ) (eiseres).

In beide hypotheses de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten beloop van … EUR (gelet op de complexiteit van de zaak, op de menigvuldigheid van samenhangende procedures, op de ingewikkelde wetgeving en gelet op het bedrag van de vordering).

Het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement"

3. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

3.1. De NV V. heeft als voornaamste activiteit de productie en installatie van kabelkanalen en is sinds 1 september 1982 als belastingplichtige geïdentificeerd onder het BTW-nummer BE ….

De NV V. heeft, bij akte van 15 november 2001, het hele vermogen, met zowel de rechten als de verplichtingen overgenomen van de NV V. D. S., met BTW-nummer BE … (stuk 1 eiseres in de zaak AR 02/1999/A).

3.2. Op 28 oktober 1999 verzond de heer E. V., verificateur verbonden aan het controlecentrum te Oudenaarde, een minnelijke inregelstelling opgesteld op 14 oktober 1999 (stuk 1 verweerder in de zaak AR 00/3244/A).

De gecontroleerde periode betrof de periode tussen 1 januari 1996 en 31 december 1997.

De minnelijke inregelstelling maakte melding van inbreuken op de BTW-wetgeving met betrekking tot :

• de oprichting van gebouw gelegen te …

• facturen uitgereikt door NV V. D. S. aan NV V. in de periode juli 1996 tot december 19997

• Kosten betreffende personenwagen PORSCHE

(stuk 1 verweerder in de zaak AR 00/3244/A).

3.3. Bij brief van 30 november 1999 verklaarde NV V. zich niet-akkoord met de voorgestelde regularisatie (stuk 2 verweerder in de zaak AR. 00/3244/A).

3.4. Op 17 december 1999 werd door de administratie een proces-verbaal opgesteld (stuk 3 verweerder in de zaak AR 00/3244/A). Hierin werd, niettegenstaande het niet-akkoord d.d. 30 november 1999, het standpunt bevestigd dat werd opgenomen in de minnelijke inregelstelling d.d. 14 oktober 1999. Naar luid van dit proces-verbaal d.d. 17 december 1999 zou NV V. de hierna vermelde sommen verschuldigd zijn :

• … BEF als BTW

• … BEF als geldboete

• intresten over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1998 : pro memorie.

3.5. Overeenkomstig artikel 84 van het BTW-Wetboek diende eiseres bezwaar in tegen voormeld proces-verbaal d.d. 17 december 1999 met aangetekende brieven d.d. 31 december 1999 en 1 februari 2000 (stukken 1 en 2 eiseres in de zaak AR 00/3244/A) :

Het bezwaarschrift werd door verweerder afgewezen respectievelijk op 10 januari 2000 en op 29 maart 2000 (stukken 3 en 4 eiseres in de zaak AR 00/3244/A). Het standpunt opgenomen in het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 werd behouden.

3.6. Op grond van het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 werd een dwangbevel met referentie REG 127/00/35, RCIV-nummer … uitgevaardigd op 9 mei 2000 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 mei 2000. Het dwangbevel werd bij aangetekende brief ter kennis gebracht aan eiseres op 16 mei 2000.

3.7. Op 20 oktober 2000 diende de NV V. een verzoekschrift in bij de fiscale kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, in verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel reg. 127/00/35. Deze zaak is gekend onder nummer AR 00/3244/A.

3.8. Met dagvaarding d.d. 21 juli 2001 verzocht eiseres (V. D. S. NV) aan de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde om teruggaaf van de doorgestorte BTW in de mate dat de weigering van aftrek van deze BTW in hoofde van de NV V. rechterlijk zou worden bevestigd.

Bij akkoordconclusie d.d. 26 maart 2002 vroegen beide partijen aan de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde om de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, waar de zaak betreffende het recht op aftrek in hoofde van de NV V., hangende was.

Op 14 mei 2002 verwees de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde de zaak naar onderhavige rechtbank. alwaar deze gekend is onder AR 02/1999/A

4. BESPREKING

4.1. SAMENVOEGING

4.1.1. Eiseres verzoekt de rechtbank de zaken gekend onder AR nrs. 00/3244/A en 02/1999/A samen te voegen wegens samenhang (art. 30 Ger.W.).

Wat betreft de zaak met AR 04/4793/A werd in conclusie oorspronkelijk eveneens de samenvoeging gevraagd, doch ter openbare terechtzitting d.d. 5 september 2008 dringt eiseres ter zake niet langer aan.

4.1.2. Aangezien de uitspraak over het recht op aftrek van de BTW in hoofde van NV V. op de facturen uitgereikt door NV V. D. S. (AR nr. 00/3244/A) beslissend is voor de vraag of eiseres (V. D. S. NV) terecht verzocht heeft om teruggaaf van dezelfde BTW (zaak met AR nr. 02/1999/A), is het wenselijk beide zaken samen te behandelen en te berechten.

De samenvoeging zich dringt op.

4.2. DE ZAAK MET AR NR. 00/3244/A

4.2.1. Voorafgaand

Uit de besluiten van verweerder neergelegd ter griffie op 22 oktober 2004 blijkt dat verweerder de beslissing d.d. 3 mei 2004 van de gewestelijke directeur inzake inkomstenbelastingen overneemt op het vlak van de BTW. Bijgevolg vervalt punt 3 van het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 voor een bedrag aan BTW van … BEF.

De discussie over de aftrek van de BTW op de kosten met betrekking tot de personenwagen Porsche heeft derhalve geen voorwerp meer.

Er resteren aldus nog twee twistpunten :

• de aftrek van de BTW op de kosten met betrekking tot de oprichting van het gebouw gelegen te ….

• de aftrek van de BTW op de facturen uitgereikt door NV V. D. S. aan NV V. in de periode juli 1996 tot december 1997.

4.2.2. Vermeende nietigheid van het dwangbevel wegens gebrekkige motivering

4.2.2.1. Eiseres laat gelden dat het litigieuze dwangbevel niet voldoet aan de uitdrukkelijke motiveringsplicht voorzien in de wet van 29 juli 1991.

Daartoe wijst eiseres er op dat in het proces-verbaal d.d. 17 december 1999, dat als bijlage bij het dwangbevel d.d. 16 mei 2000 werd gevoegd, uitdrukkelijk werd verwezen naar een proces-verbaal d.d. 6 september 1999 en naar een proces-verbaal d.d. 20 september 1999, terwijl deze processen-verbaal niet als bijlage werden toegevoegd, en evenmin werden mee betekend met het bestreden dwangbevel. Het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 zou op zich geen afdoende melding maken van de juridische en feitelijke overwegingen, ook niet in samenlezing met het desbetreffende dwangbevel.

4.2.2.2. De wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen vereist dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn.

Voor wat betreft de motivering kan in het dwangbevel verwezen worden naar een proces-verbaal dat samen met het dwangbevel betekend wordt. Het proces-verbaal vormt dan de wettelijke basis van de vervolging ingesteld door de administratie.

In casu werd in het dwangbevel verwezen naar het proces-verbaal d.d. 17 december 1999.

Het feit dat het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 verwijst naar de processen-verbaal d.d. 6 september 1999 en 20 september 1999, en deze stukken niet mee werden betekend, is op zich niet voldoende om te besluiten tot een gebrekkige motivering van het proces-verbaal en dus van het dwangbevel. De rechtbank stelt immers vast dat het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 de essentie van de inhoud weergeeft van de processen-verbaal van vaststelling d.d. 6 september 1999 en 20 september 1999 (stukken 13, 14 verweerder).

Op grond van de feitelijke en juridische overwegingen in het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 kon eiseres zich rekenschap geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie.

De vordering tot nietigverklaring van het dwangbevel op grond van schending van de wet van 29 juli 1991 is ongegrond.

Eiseres kan wel worden bijgetreden waar zij stelt dat de juridische grondslag van de vordering na het betekenen van het dwangbevel niet meer kan worden gewijzigd. Met de door verweerder voor het eerst in besluiten opgeworpen schending van artikel 3 KB nr. 3 en artikel 5, § 1, 5° en 6° van het KB nr. 1, als bijkomende motivering van het dwangbevel, kan dan ook geen rekening worden gehouden.

4.2.3. Aftrek van de BTW op de kosten met betrekking tot de oprichting van het gebouw gelegen te … (…)

4.2.3.1. In 1991 werd door de NV V. een hofstede gekocht te …, ….

De BTW betaald in het kader van de kosten gemaakt voor deze verbouwingswerken werd door eiseres voor 30 % opgenomen in de BTW-aangifte. Eiseres was immers van mening dat 30 % van de totale oppervlakte van het gebouw professioneel zou worden aangewend.

Dit pand werd omstreeks november 1996 na renovatie ter beschikking gesteld aan dhr. en mevr. S. V. – V. M. respectievelijk afgevaardigd bestuurder en bestuurder in de NV V.. Er werd geen huurovereenkomst gesloten tussen eiseres en het echtpaar V. – V. M. en evenmin werd een huurprijs bepaald.

4.2.3.2. In het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 wordt de BTW-aftrek met betrekking tot de oprichtingskosten van de eerste verdieping slechts toegestaan ten belope van 5,9282 %. Enkel een ruimte van 14,6652 m2 wordt als bedrijfsmatig aanvaard. De administratie beschouwt de terbeschikkingstelling van de woning door de NV V. aan het echtpaar V. – V. M. als een dienst die bedoeld is bij artikel 44, § 3, 2° van het BTW-wetboek, en waarvoor bij toepassing van artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek geen recht op aftrek mogelijk is.

Wat betreft het gelijkvloers werd de volledige aftrek van BTW verworpen. De administratie beschouwt de gemaakte kosten als kosten van onthaal ter zake waarvan de BTW krachtens artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek niet voor aftrek in aanmerking komt.

4.2.3.3. Met betrekking tot de eerste verdieping van het pand te …

4.2.3.3.1. Eiseres laat gelden dat zij in principe overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub a van de zesde BTW richtlijn en artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek de BTW die zij verschuldigd was naar aanleiding van de oprichting van het gebouw onmiddellijk en integraal in mindering mocht brengen (vermoede bestemming van het pand voor BTW doeleinden). Mocht naderhand blijken dat de oorspronkelijke (vermoede) bestemming van de BTW-activiteit niet gerealiseerd wordt of de investeringen gebruikt worden voor andere doeleinden dan de BTW activiteit, dan zou de BTW-aftrek geheel of gedeeltelijk moeten worden herzien. Volgens eiseres is dit in casu echter geenszins het geval. Het gebouw werd immers (gedeeltelijk) ter beschikking gesteld van de bestuurders van eiseres zonder dat hierbij sprake was van de betaling van huur noch van enige overeenstemming inzake de duur van het genot en het recht om de woning te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten.

Volgens eiseres heeft het hof van Justitie in het arrest Seeling (H.v.J., 8 mei 2003, zaak C-269/00, Jur. H.v.J., 21003, I, 4101, nr. 035007311) uitdrukkelijk bevestigd dat deze gratis terbeschikkingstelling buiten elke huurovereenkomst een belastbare BTW-handeling uitmaakt, zodat eiseres wel degelijk recht op aftrek heeft van de betaalde BTW. Eiseres wijst er nog op dat artikel 19, § 1 van het BTW-wetboek geen enkele invloed heeft op het ontstaan noch de uitoefening van het recht op aftrek; het is immers een correctiemechanisme op de aftrek. Bijgevolg kan een BTW belastingplichtige de BTW volledig aftrekken op een onroerend goed dat hij gemengd gebruikt in de mate dat hij dit onroerend goed bestemt voor zijn ondernemingsvermogen.

4.2.3.3.2. Volgens verweerder beoogt het Hof in het arrest Seeling de situatie waarbij een belastingplichtige een woning die volledig tot zijn bedrijf behoort, gedeeltelijk gebruikt voor privé-doeleinden. Het Hof zou veronderstellen dat de belastingplichtige twee duidelijke gescheiden vermogens heeft : een privé-gedeelte en een beroepsgedeelte. Dit kan in de visie van verweerder enkel het geval zijn wanneer die belastingplichtige de hoedanigheid heeft van een natuurlijk persoon. Aangezien een belastingplichtige rechtspersoon (in casu de NV V.) slechts kan handelen ten behoeve van de uitoefening van zijn economische activiteit en bovendien slechts beschikt over een beroepspatrimonium dat hij daartoe bestemt, is het voor verweerder duidelijk dat het door eiseres aangehaalde arrest in onderhavige betwisting niet van toepassing is.

Verweerder stelt dat wanneer een belastingplichtige rechtspersoon een gedeelte van een tot zijn bedrijf behorend gebouwd onroerend goed aanwendt voor de privé-doeleinden van zijn personeel, of meer algemeen voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit, die terbeschikkingstelling dient aangemerkt te worden als een verpachting of verhuur van een onroerend goed, vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek. Hieruit zou dan volgen dat op basis van art. 45 § 1 W.BTW er geen recht op aftrek van BTW kan worden toegestaan.

4.2.3.3.3. De stelling van verweerder kan niet worden bijgetreden.

Het begrip "onroerende verhuur" is een autonoom begrip van communautair recht. Het Hof van Justitie heeft reeds verscheidene malen gesteld dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd (H.v.J., 12 februari 1998, C-346/95, Jur. H.v.J. 1998, I, 481; H.v.J. 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831).

Volgens het Hof van Justitie is er sprake van onroerende verhuur wanneer aan de huurder : "voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten" (H.v.J. 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831). In casu zijn de voormelde vereiste kenmerken niet aanwezig (zie supra 4.2.3.3.1) en is er derhalve geen sprake van onroerende verhuur zoals dit in artikel 13 B sub b van de zesde BTW richtlijn (omgezet in artikel 44, § 3, 2° wetboek BTW) wordt beoogd.

De terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw voor privé-doeleinden van de bestuurder van eiseres en diens echtgenote, is een dienst in de zin van artikel 6, lid 2 eerste alinea sub a van de zesde BTW-richtlijn waarvoor de volgens het Hof van Justitie strikt te interpreteren vrijstelling van artikel 13 B sub b van de zesde BTW-richtlijn voor onroerende verhuur niet geldt.

Artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek schendt artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn, nu dit laatste artikel enkel spreekt van onroerende verhuur terwijl artikel 44 van het BTW-wetboek ook een gebruik onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 als een onroerende verhuur vrijstelt. De hiërarchie der rechtsnormen gebiedt in dit geval artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn te laten primeren.

In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, zijn er geen redenen om de lering van het Hof van Justitie in de zaak Seeling te beperken tot de situatie waarin de woning wordt ter beschikking gesteld door een belastingplichtige natuurlijk persoon. Artikel 19, § 1 van het BTW-wetboek maakt geen onderscheid tussen enerzijds belastingplichtigen "natuurlijke personen" en anderzijds belastingplichtigen "rechtspersonen", doch is van toepassing op alle belastingplichtigen zonder onderscheid. Eiseres had even goed als een natuurlijke persoon de vrije keuze om het onroerend goed al dan niet te bestemmen als ondernemingsactief.

Gelet op wat voorafgaat heeft eiseres bijgevolg terecht de BTW op de gemaakte kosten met betrekking tot de eerste verdieping van het gebouw te … in aftrek gebracht. Een bedrag van … BEF aan BTW werd ten onrechte verworpen.

4.2.3.4. Met betrekking tot het gelijkvloers van het pand te …

4.2.3.4.1. Voor 18 facturen met betrekking tot het gelijkvloers werd de volledige aftrek van BTW door de administratie verworpen om reden dat de kwestieuze facturen "kosten van onthaal" zouden betreffen en volgens artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek de BTW ter zake van kosten van onthaal niet voor aftrek in aanmerking komt.

In het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 verwijst de administratie naar de processen-verbaal van vaststelling d.d. 6 september 1999 en d.d. 20 september 1999 waaruit blijkt dat het gelijkvloers “(...) naast het privégebruik volgens de verklaringen van M. V. eveneens gebruikt wordt voor ontvangst van klanten".

4.2.3.4.2. Artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is.

Artikel 45, § 3, 4° dat de aftrek verbiedt van de BTW ter zake van kosten van onthaal houdt hierop een uitzondering in, en moet daarom restrictief worden geïnterpreteerd.

Bij gebreke aan wettelijke omschrijving van het begrip 'kosten van onthaal' moet deze bepaling, die het recht op aftrek beperkt, worden geïnterpreteerd conform aan de zesde richtlijn. In artikel 17.6 bepaalt de richtlijn onder meer dat de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben zoals weelde-uitgaven voor ontspanning of representatie, in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn. Gelet op het onderscheid dat in de richtlijn wordt gemaakt tussen uitgaven met een professioneel karakter en uitgaven voor ontspanning en representatie, moet het toepassingsveld van het begrip 'kosten van onthaal' worden beperkt tot die kosten die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt, zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming. (Cass. 8 april 2005. rolnr. C02.041.9.N, www.cass.be ).

Verweerder brengt echter geen elementen aan die verantwoorden waarom de gedane uitgaven worden aangemerkt als kosten van onthaal die alleen het creëren van een algemene gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming nastreven. Uit de feitelijke indeling of inrichting van het pand valt zulks niet af te leiden.

Dat de exploitatiezetel van eiseres gevestigd is te … (…), …, zijnde volgens verweerder de gewone omgeving waarin de professionele en commerciële contacten normaal plaatsvinden, is in voorliggend geval - in tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt (cfr. syntheseconclusie verweerder neergelegd ter griffie op 24 juni 2008, blz. 4) - niet determinerend om te bepalen of de gedane uitgaven kosten van onthaal uitmaken. Dit geldt des te meer daar verweerder niet tegenspreekt dat eiseres gedurende een bepaalde periode enkel in het gebouw te ... over een degelijke vergaderruimte beschikte.

Het bedrag van … BEF aan BTW werd ten onrechte verworpen.

4.2.4. De aftrek van de BTW op de facturen van de NV V. D. S.

4.2.4.1. In het proces-verbaal d.d. 17 december 1999 haalt de administratie een reeks van 11 feiten aan die zouden staven dat de aftrek van BTW met betrekking tot de facturen van NV V. D. S. terecht zou zijn verworpen. De gefactureerde bedragen voor de maanden juli 1996 tot en met september 1996 (… BEF) zouden fictief zijn zodat … BEF aan BTW ten onrechte werd afgetrokken; de gefactureerde bedragen vanaf oktober 1996 tot december 1997 (… BEF) zouden niet overeenstemmen met effectieve tegenprestaties zodat … BEF aan BTW ten onrechte werd afgetrokken.

4.2.4.2. Met reden beroept eiseres zich op het gezag van gewijsde waarmee het vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 7 december 2007 in de zaak met AR 04/2830/A is bekleed (stuk 49 eiseres).

In de voormelde procedure met AR 04/2830/A inzake vennootschapsbelasting (aanslagjaar 1997 en 1998) was de administratie van oordeel dat de bedragen die NV V. D. S. aan eiseres had gefactureerd voor computerprestaties niet in verhouding stonden tot de door NV V. D. S. de geleverde prestaties. De betwisting handelde over identiek dezelfde facturen als deze die thans ter discussie staan.

Eiseres haalt in de thans voorliggende zaak dezelfde reeks van 11 feiten aan als in de procedure inzake vennootschapsbelasting, waaruit zou moeten blijken dat de bedragen die de NV V. D. S. aan eiseres heeft aangerekend, ofwel fictief zijn ofwel niet overeenstemmen met de effectieve tegenprestaties. In beide gevallen wordt het onderscheid gemaakt tussen enerzijds de volledig fictieve facturen in de periode juli tot september 1996 en anderzijds de niet volledig door tegenprestaties verantwoorde facturen van de periode nadien.

De rechtbank heeft in het vonnis d.d. 7 december 2007 vastgesteld dat de administratie toepassing heeft gemaakt van artikel 50, § 1 WIB 92 en heeft geoordeeld dat de toepassing van dit wetsartikel veronderstelt dat de echtheid van de kosten of lasten is aangetoond (dat de administratie er m.a.w. is van uitgegaan dat er daadwerkelijk prestaties werden geleverd), maar dat het bedrag ervan niet kan worden verantwoord door bewijsstukken of andere bewijsmiddelen. Uit deze vaststelling volgt impliciet maar zeker dat op grond van de reeks van 11 feiten (die ook in de thans voorliggende procedure de grondslag vormen voor de argumentatie van verweerder) niet kan worden besloten dat de prestaties die aan eiseres werden gefactureerd fictief zouden zijn.

Verweerder heeft in dit vonnis uitdrukkelijk berust (zoals blijkt uit stuk 50 van eiseres), zodat het definitief is. Het gezag van gewijsde van voormeld vonnis verzet zich er tegen dat dezelfde betwisting over het beweerde fictieve karakter van de geleverde prestaties thans opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd.

Gelet op wat voorafgaat werd de BTW-aftrek met betrekking tot de ontvangen facturen van de NV V. D. S. ten onrechte verworpen.

4.3. DE ZAAK MET AR NR. 02/1999/A

De betwisting in de zaak met AR nr. 02/1999/A betreft de vordering tot teruggaaf vanwege NV V. D. S. teneinde haar rechten te vrijwaren in geval zou geoordeeld worden in de zaak met AR nr. 00/3244/A dat NV V. de BTW op de facturen van NV. V. D. S. ten onrechte in aftrek heeft genomen.

Nu vast is komen te staan dat NV V. de desbetreffende BTW terecht in aftrek heeft gebracht, is het verzoek tot teruggaaf van de door V. D. S. doorgestorte BTW zonder voorwerp.

Eiseres zet in de conclusie neergelegd ter griffie op 16 mei 2008 uiteen dat zij in dat geval afstand doet van de vordering tot teruggaaf.

4.4. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

4.4.1. Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De kosten omvatten in de onderhavige zaak de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt in de schijf van 250.000,01 tot 500.000 euro. In die omstandigheden is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan … euro (art. 2 K.B. 26 oktober 2007).

Eiseres verzoekt om een hogere rechtsplegingsvergoeding dan het basisbedrag. De complexiteit van de zaak zou rechtvaardigen dat een hogere rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend dan het basisbedrag, en zelfs een vergoeding van … € (wat gezien de waarde van de vordering meer is dan het voorziene maximumbedrag van … euro). Eiseres wijst er op dat de concrete betwisting een veelheid van rechtsvragen en twistpunten omvat, wat de zaak complexer zou maken dan een doorsnee fiscaal geschil.

4.4.2. Verweerder verzoekt om toekenning van het basisbedrag.

4.4.3. Artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 31 mei 2007) voorziet dat de rechter op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen of verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij de beoordeling moet onder meer rekening worden gehouden met de complexiteit van de zaak.

In casu werden door de partijen inderdaad uitvoerige conclusies opgesteld waarin een veelheid aan rechtsvragen en twistpunten werden behandeld.

Daartegenover staat dat onderhavig geschil zich in belangrijke mate in meerdere door de partijen gevoerde procedures voordoet en de door de partijen ontwikkelde argumenten in de onderscheiden procedures grotendeels gelijkluidend zijn.

Er is derhalve geen reden om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op TEGENSPRAAK,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Voegt de zaken gekend onder AR nrs. 00/3244/A en 02/1999/A samen.

Verklaart de vordering van eiseres in de zaak met AR 00/3244/A ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het litigieuze dwangbevel met referte REG 127/00/35 en beveelt de teruggaaf van de eventueel betaalde sommen, meer de interesten.

Stelt vast dat de vordering tot teruggaaf in de zaak met AR nr. 02/1999/A zonder voorwerp is en verleent akte van de afstand door eiseres van de vordering tot teruggaaf.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding,

Begroot de kosten als volgt :

- aan de zijde van de eiseres

rechtsplegingsvergoeding : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vrijdag drie oktober tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :

• mevrouw J. D. B., rechter, voorzitter van deze kamer,

• de heer J. V. d. F., rechter,

• de heer S. R., rechter

• mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R. J. V. d. F. J. D B.

Textes cités

11

Décisions similaires

8