Axe sur la valeur ajoutée · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 17 février 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Axe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/axe-valeur-ajoutee-droit-deduction-tribunal-gand-2010-02-17-b6f1

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
17 février 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

98 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 17.02.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 FEBRUARI 2010

De BVBA C. I., met zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….

eiseres,

hebbende als raadsman A. ADVOCATEN CVBA, voor wie optreedt meester F. V., kantoorhoudende te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Sint-Niklaas, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 5 en de Administratie van Invordering, BTW-ontvangkantoor Sint-Niklaas, gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2;

verweerder,

voor wie als raadsman optreedt mter. E. V. A. met kantoor te …, …;

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 25 november 2009 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding d.d. 23 december 2008 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

II. DE VORDERING

Bij eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel … (reg. 127/12- 2005) van 7 februari 2005, dat op 8 februari 2005 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, Sector BTW te Antwerpen en op 18 februari 2005 werd betekend door gerechtsdeurwaarder J. A..

De eiseres vordert dat dit dwangbevel van nul en generlei waarde wordt verklaard. In ondergeschikte orde vordert de eiseres de vermindering dan wel kwijtschelding van de in het dwangbevel opgenomen boete van 200 %.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

3.1.

De eiseres werd opgericht middels notariële akte d.d. 14 april 1997. Het doel van de eiseres betreft ondermeer het uitoefenen van management- en bestuursfuncties in vennootschappen. In deze context bekleedt de eiseres de functie van gedelegeerd bestuurder binnen de vennootschap B. C. CVBA. Voorts bepaalt het doel van de eiseres dat het haar toegelaten is om een patrimonium, bestaande uit roerende en onroerende goederen te verwerven, te behouden en in de meest uitgebreide zin van het woord te beheren en oordeelkundig uit te breiden.

In november 1997 begon de eiseres met de oprichting van een onroerend goed. Dit onroerend goed is gelegen aan de … te … vlak naast de B. C. CVBA.

Aanvankelijk had de eiseres 75 % van de BTW welke op het onroerend goed rustte, in aftrek genomen. Ingevolge een BTW-controle d.d. 11 december 1998, werd dit uitgeoefende recht op aftrek evenwel teruggebracht van 75 % naar 60 % en aldus een regularisatie doorgevoerd van 15 %. De regularisatie werd als volgt verwoord :

"Toepassing artikel 45 51 W.BTW - toegepaste aftrek 75 %. In samenspraak met gevolmachtigde boekhouder aftrek voorlopig bepaald op procentueel 60 % aftrekbaar en 40 % niet-aftrekbaar, met plan".

Op 1 juli 2003 werd het gebouw in gebruik genomen als woning door de zaakvoerder van eiseres.

Op 20 februari 2004 werd een controle verricht ter plaatse en heeft de administratie de volgende vaststellingen gemaakt in verband met het gelijkvloers van het gebouw. In de ruimte links van de inkomhal stond bureelmeubilair en bevond zich een volledig ingerichte open keuken. In de rechtervleugel stonden eveneens bureelmeubelen waarop het logo was aangebracht van A. K.. Deze meubelen stonden op een tapijt. Onder dit tapijt bevond zich een zwembad, afgedekt met planken. Een deel van de boekhouding bevond zich in het gebouw. Sommige stukken die werden opgevraagd waren niet aanwezig en werden met de auto elders opgehaald. Uit navraag bij BVBA A. K. en uit de op verzoek bezorgde offerte, bestelbon en factuur, blijkt dat de meubelen enkel werden gehuurd voor gebruik op de dag van de controle.

Op 30 maart 2004 werd een correctieopgave toegezonden aan de eiseres waarin de oorspronkelijk toegestane aftrek wordt herzien. In totaal werd van de eiseres een bedrag van … EUR aan BTW teruggevorderd

Op 7 mei 2004 deelt de eiseres mee bij haar standpunt te blijven dat de benedenverdieping als kantoorruimte wordt aangewend.

Op 19 mei 2004 werd nogmaals ter plaatse gegaan, ditmaal onaangekondigd. De zaakvoerders waren echter niet aanwezig. De controleagenten legitimeerden zich met hun aanstellingsbewijs bij de aanwezige poetsvrouw, maar ze werden niet binnengelaten. De administratie stelt dat de controleagenten van door het raam echter duidelijk konden vaststellen dat de ruimte waarin op 20 februari 2004 de controle had plaatsgevonden, en waar toen bureelmeubilair stond, thans bemeubeld was met salon- en eetkamermeubelen en dat ze voor het overige ingericht was op een wijze die gebruikelijk is voor een woonkamer, met schilderijen, verlichting en dergelijke.

Op 4 juni 2004 verzette de eiseres zich tegen de voorgenomen herziening van de aftrek van BTW.

Op 28 september 2004 werden de gedane vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal en werd aan eiseres een kopie ervan medegedeeld.

De administratie licht toe dat op 27 oktober 2004 een aangifte werd gedaan lastens eiseres bij de procureur des Konings te Dendermonde. dossier aldaar bekend onder nr. …. Op 22 april 2005 werd dit strafdossier geseponeerd met de motivering "zonder prioriteit".

Op 7 februari 2005 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Sint-Niklaas, dat op 8 februari 2005 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens bij deurwaardersexploot werd betekend op 18 februari 2005. Overeenkomstig het dwangbevel, vordert de administratie vanwege de eiseres de volgende bedragen :

- … EUR aan BTW,

- … EUR aan boete,

- … EUR aan interesten.

Er werd aldus een totaalbedrag van … EUR nagevorderd, te vermeerderen met interesten vanaf 21 februari 2005.

3.2.

Het geschil handelt omtrent de al dan niet terecht uitgevoerde herziening van de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot het oprichten van de woning.

IV. BEOORDELING

4.1.

Artikel 45 van het BTW-wetboek voorziet :

§ 1. 0p de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwerving en van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

Artikel 1 van het KB nummer 2 van 10 december 1996 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt het volgende :

§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.

Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.

§ 2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie.

Artikel 48 W.BTW het volgende :

§ 1. In geval van gedeeltelijke aftrek wordt een voorlopig af te trekken bedrag bepaald. Dat bedrag wordt herzien na het verstrijken van het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan.

§ 2. De aftrek van de belasting geheven op bedrijfsmiddelen is onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar. De herziening heeft plaats, elk jaar tot beloop van een vijfde van het bedrag van die belasting, wanneer enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen. Wat evenwel de belasting geheven van door Hem aan te wijzen onroerende goederen uit hun aard en zakelijke rechten betreft, kan de Koning bepalen dat het herzieningstijdperk vijftien jaar beloopt en dat de herziening plaatsheeft elk jaar tot beloop van een vijftiende van het bedrag van die belasting.

Artikel 6 van het voormelde KB nr. 3 bepaalt :

Onder bedrijfsmiddelen, waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48, 5 2, van het Wetboek, moet worden verstaan, de lichamelijke goederen, de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek en de diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen.

De artikelen 10 en 11 van KB nr. 3 bepalen :

Artikel 10.

De in vorige artikel bedoelde herziening moet worden verricht wanneer gedurende het in dat artikel bedoelde tijdvak :

1° het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, of die recht of aftrek verlenen in een andere verhouding (dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek : deze bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2° van het Wetboek.

Artikel 11.

§ 1. De bij artikel 10, 1, bedoelde herziening, die wordt berekend op de wijze bepaald in artikel 1, § 2, wordt verricht tot beloop van een vijfde of een tiende, volgens het onderscheid gemaakt in artikel 9, §, naargelang de aard van het goed, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting, voor ieder jaar waarin een wijziging in het gebruik intreedt.

Wanneer het bedrijfsmiddel geheel wordt gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, wordt de herziening in eenmaal verricht, voor het jaar waarin de wijziging in het gebruik intreedt en voor de nog te lopen jaren.

4.2.

Uit de gedane vaststellingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de eiseres een villa met binnenzwembad liet oprichten, waarvan achteraf bleek dat ze bestemd was om te worden gebruikt als woning door haar zaakvoerder. Op de bouwplannen werd de ruimte voor het binnenzwembad en de rest van het gelijkvloers getekend als kantoorruimte waardoor werd gesimuleerd dat het bedrijfslokalen betrof. Vervolgens trok eiseres 75 % (later gecorrigeerd naar 60 %) van de BTW af op grond van artikel 45, 1 van het W.BTW en artikel 1, § 1 van het KB nr. 3.

De rechtbank treedt de stelling van de administratie bij dat de beweringen van de eiseres, namelijk dat niet kan worden betwist dat de intentie bestond om 60 % van het onroerend goed aan te merken als een bedrijfsmiddel, ongeloofwaardig zijn.

In werkelijkheid echter was het gebouw bestemd om geheel te worden gebruikt als privé-woning van de zaakvoerder van de eiseres, hetgeen geen recht op aftrek van BTW verleent.

4.3.

Wegens hun duurzaamheid kunnen bedrijfsmiddelen tijdens hun gebruiksduur veranderende of verschillende bestemmingen krijgen. In die zin merkt de administratie correct op dat het mogelijk is dat een bedrijfsmiddel oorspronkelijk uitsluitend voor een belastbare economische activiteit met recht op aftrek werd aangewend en nadien gebruikt wordt voor een economische activiteit waarvoor geen aftrek wordt aanvaard of waarvoor slechts gedeeltelijk recht op aftrek bestaat of nog, het geheel of gedeeltelijk voor privé-doeleinden worden aangewend. Gelet op de vaststellingen van de administratie heeft de eiseres. naar het oordeel van de rechtbank, het gedeeltelijk gebruik van de woning voor de belastbare economische activiteit met recht op aftrek en aldus als bedrijfsmiddel, wetens en willens voorgewend met het opzet de belasting te ontduiken. Het gegeven dat de procureur des Konings te Dendermonde de klacht van de fiscale administratie heeft geseponeerd wegens "zonder prioriteit” houdt niet in dat geen misdrijf zou zijn gepleegd.

4.4.

De administratie beroept zich evenwel op artikel 48, § 2 W.BTW en meer in het bijzonder op artikel 11 KB nr. 3.

Artikel 11 KB nr. 3 bepaalt dat wanneer het bedrijfsmiddel geheel wordt gebruikt voor privé doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, de herziening in eenmaal wordt verricht voor het jaar waarin de wijziging in het gebruik intreedt en voor de nog te lopen jaren.

Dit artikel veronderstelt dat een wijziging optreedt in het gebruik, waardoor het actief niet langer geheel of gedeeltelijk als een bedrijfsmiddel kan worden beschouwd.

Deze bepaling vereist dat het actief daadwerkelijk ooit terecht als een bedrijfsmiddel werd aangewend. De beide partijen zijn het erover eens dat de door de eiseres aanvankelijke aangenomen aftrek van de voorbelasting ten belope van 75 %, gecorrigeerd naar 60 %, voorlopig was. De administratie heeft nadien op grond van uitgevoerde controles geoordeeld dat de woning in het geheel niet en nooit als een bedrijfsmiddel werd aangewend. De administratie wenst immers een herziening door te voeren van alle in aftrek gebrachte BTW.

Naar het oordeel van de rechtbank laat de eiseres terecht gelden dat de administratie daartoe verkeerdelijk artikel 48, § 2 W.BTW en artikel 11 KB nr. 3 toepast.

De administratie is verkeerd in de toegepaste juridische grondslag van de weigering van de aftrek van de BTW.

De herziening veronderstelt dat het actief ook ooit daadwerkelijk als een bedrijfsmiddel werd aangewend, hetgeen niet strookt met de redenering van de administratie, ongeacht het gegeven dat zij aanvankelijk voorlopig een gedeeltelijke aftrek ervan als een bedrijfsmiddel heeft aanvaard. Door thans naar aanleiding van een controle te oordelen dat dit onterecht was, kon de administratie de in aftrek gebrachte BTW niet recupereren middels de toepassing van artikel 43, § 2 W.BTW en artikel 11 KB nr. 3. De rechtbank besluit dat het proces-verbaal van de administratie en het dwangbevel in rechte niet afdoende zijn gemotiveerd om de integrale aftrek van de BTW met betrekking tot het nieuw opgerichte gebouw te weigeren. Het dwangbevel en het proces-verbaal zijn behept met een gebrek in de motivering die deze akten in hun essentie dermate aantasten dat het leidt tot de nietigheid ervan.

4.5.

De Belgische Staat dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De partijen vragen beide de toepassing van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierboven is bepaald.

Verklaart het bestreden dwangbevel, alsook het bijhorende proces-verbaal 28 september 2004 nietig, meer bepaald het dwangbevel nr. … (reg. 127/12-2005) van 7 februari 2005, dat op 8 februari 2005 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW te Antwerpen, dat op 18 februari 2005 werd betekend door gerechtsdeurwaarder J. A..

Beveelt de terugbetaling van de sommen die ter aanzuivering van het voornoemde dwangbevel zijn betaald of die daartoe werden ingehouden, vermeerderd met de moratoriuminteresten.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

aan de zijde van de eiseres :

- de dagvaardingskosten : … EUR

- de rechtsplegingsvergoeding : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op zeventien februari tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G.L. S. R.

Textes cités

8
AR no 3 art. 115 occurrences
CTVA art. 453 occurrences
AR no 3 art. 11 occurrence
AR no 3 art. 101 occurrence
CTVA art. 121 occurrence
CTVA art. 461 occurrence
CTVA art. 481 occurrence
CTVA art. 91 occurrence

Décisions similaires

8