Assujetti, Contrôles TVA, Observations systématiques · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation Bruxelles F.17.0003.N 18 janvier 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti, Contrôles TVA, Observations systématiques

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-controles-tva-observations-systematiques-cassation-bruxelles-2018-01-18-9337

Juridiction
Cour de cassation
Siège
Bruxelles
Numéro de rôle
F.17.0003.N
Date
18 janvier 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

64 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de cassation du 18.01.2018 (F.17.0003.N)

WF 710-15-13/006395

[Favorable à l'administration]

Assujetti – Contrôles TVA – Observations systématiques – Violation de la vie privée – Secret de l’instruction – Présomption d’innocence – Amendes fiscales - Sursis

Dispositions légales

Article 22 de la constitution

Article 8 de la CEDH

Article 47sexies du Code d’instruction criminelle

Articles 1349 et 1353 du Code civil

Article 6.2 de la CEDH

Résumé

1. Faits de la cause et antécédents de la procédure

La requérante est assujettie à la TVA pour l’exploitation d’un café. Après consultation par l’administration fiscale du dossier pénal d’un fournisseur de boissons, la requérante a fait l’objet d’un contrôle fiscal. Suite à la notification prévue à l’article 84ter du C.TVA, le délai de prescription a été étendu à 7 ans sur la base de la présomption de fraude fiscale dans le chef de la requérante.

Par le biais d’un procès-verbal de régularisation motivant une contrainte, un montant de TVA a été réclamé, majoré des intérêts et d’une amende fiscale. La requérante s’est opposée à l’exécution de la contrainte. Dans son arrêt du 9 février 2016, la cour d’appel de Gand a jugé la demande recevable mais non fondée.

L’assujetti a introduit un pourvoi.

2. Synthèse

1. La demanderesse en cassation allègue que le contrôle fiscal a commencé par une surveillance des services de recherches. Dans son premier moyen de cassation, elle invoque la violation du droit au respect de la vie privée. Selon elle, procéder à des observations systématiques devrait être réservé aux agents actifs du milieu pénal et il n’existerait pas de base légale dans la législation fiscale autorisant de telles observations. Selon la demanderesse, la cour d’appel ne pouvait pas décider qu’il n’existait pas de violation de l’article 22 de la Constitution et/ou de l’article 8 de C.E.D.H.

Sans se prononcer sur la question de savoir si des constatations anonymes constituent une infraction à l’article 8 de la C.E.D.H., les juges d’appel ont considéré que cette prétendue infraction n’a pas mené à l’établissement de la dette fiscale en matière de TVA.

Le moyen de cassation qui allègue que les juges d’appel ont décidé que des constatations anonymes ne constituent pas une violation de l’article 22 de la Constitution ou de l’article 8 de C.E.D.H. repose sur une lecture incorrecte de l’arrêt attaqué et manque par conséquent en fait.

2. Le deuxième moyen de cassation allègue la violation du principe du secret de l’instruction. Selon la demanderesse, les juges d’appel ne pouvaient déduire du fait même que la consultation du dossier pénal ait eu lieu, que cette consultation avait été effectuée par un fonctionnaire compétent. Le moyen qui allègue une méconnaissance de la notion juridique de la présomption de fait, sans citer les articles 1349 et 1353 du Code civil en tant que dispositions légales violées, n’est pas recevable.

3. En ce qui concerne le troisième moyen, la Cour de cassation considère que la présomption d’innocence ne s’oppose pas à ce qu’il soit procédé à l’exécution d’une amende fiscale avant que l'assujetti n'ait été reconnu coupable par une décision judiciaire définitive mais l’administration fiscale doit alors rechercher un équilibre équitable entre tous les intérêts en jeu. Les juges d’appel constatent qu’il n’apparait pas que l’amende fiscale infligée aurait déjà été perçue sur la base de la contrainte litigieuse avant même que les tribunaux ne se soient prononcés sur l'amende. Ils ont décidé qu’il est alors possible d’en déduire que la présomption d’innocence n’a pas été violée. Ils ont motivé en droit leur décision. Dans cette mesure, le troisième moyen ne peut être accueilli.

4. Le quatrième moyen attaque la décision des juges d’appel en ce qu’ils estiment que dans la situation actuelle de la législation il n’y a pas de motifs pour accorder un sursis et ce même si le sursis aurait pu être accordé.

Ce motif indépendant, non critiqué, motive la décision des juges d’appel qui rejette la demande.

Le moyen qui ne s’aurait entraîné la cassation est à défaut d’intérêt non recevable.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Cassatie van 18.01.2018 (F.17.0003.N)

E. R., wonende te …, …, eiseres, bijgestaan door mr. M. M., advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te …, …, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het btw-ontvangkantoor Gent 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 107, verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. d. F., advocaat bij het Hof van Cassatie en bijgestaan door mr. S. D. V., advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te …, …, waar de verweerder woonplaats kiest.

RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 februari 2016.

Advocaat-generaal met opdracht J. V. d. F. heeft op 23 oktober 2017 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer B. W. heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht J. V. d. F. heeft geconcludeerd.

CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De appelrechters oordelen: "Ook indien men abstractie maakt van de anonieme vaststellingen bij de 17 klanten van de NV C. D. komt men tot de vaststelling dat [de verweerder] stof had om strafklacht in te dienen, terwijl uit niets af te leiden is dat het anoniem onderzoek bij de 17 klanten in het strafonderzoek daadwerkelijk werd gebruikt (...). Er kan dan ook niet aangenomen worden dat het feit dat [de verweerder], voor strafklacht en tot stand komen van het strafdossier, anonieme vaststellingen deed bij 17 klanten van de NV C. D., van aard is om de geldigheid van het gevoerde strafonderzoek op losse schroeven te stellen (...). Te dezen is een beweerde schending van het artikel 8 EVRM die zou geleid hebben tot de vaststelling van de BTW-schuld van [de eiseres] niet voorhanden."

Zij oordelen aldus, zonder zich uit spreken over de vraag of de anonieme vaststellingen een inbreuk vormen op artikel 8 EVRM, dat die beweerde inbreuk niet heeft geleid tot de vaststelling van de Btw-schuld.

Het middel dat aanvoert dat de appelrechters hebben geoordeeld dat de anonieme vaststellingen geen schending van artikel 22 Grondwet of artikel 8 EVRM opleveren, steunt op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede middel

Het middel voert aan dat de appelrechters uit het feit zelf dat er inzage van het strafdossier heeft plaatsgevonden, niet konden afleiden dat de inzage heeft plaatsgevonden door een daartoe bevoegde ambtenaar.

Het middel dat aldus in wezen de miskenning aanvoert van het wettelijk begrip feitelijk vermoeden, zonder de artikelen 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek als geschonden wetsbepaling aan te wijzen, is niet ontvankelijk.

Derde middel

Het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM staat niet eraan in de weg dat aan de fiscale administratie de taak kan worden opgedragen om administratieve geldboetes op te leggen bij overtreding van de belastingwet, zelfs al zijn deze sancties zwaar, voor zover de belastingplichtige de sanctie ter beoordeling kan voorleggen aan een rechter met volle rechtsmacht. Onder dezelfde voorwaarde staat artikel 6.2 EVRM evenmin eraan in de weg dat in geval van niet-betaling interest verschuldigd is op het bedrag van de boete.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM sluit in principe ook niet uit dat wordt overgegaan tot tenuitvoerlegging van de administratieve boete vooraleer de belastingplichtige bij een definitieve rechterlijke beslissing schuldig is bevonden. Gelet op de ernstige gevolgen die de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan hebben voor de betrokkene, is de fiscale administratie ertoe gehouden om slechts binnen redelijke grenzen tot dergelijke onmiddellijke tenuitvoerlegging over te gaan, waarbij het een billijk evenwicht dient na te streven tussen alle op het spel staande belangen.

De appelrechters stellen vast dat niet blijkt dat de opgelegde administratieve boete reeds werd geïnd op grond van het bestreden dwangbevel en oordelen dat hieruit kan worden afgeleid dat het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM niet werd miskend. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

De eiseres verduidelijkt niet welke categorieën van personen ongelijk worden behandeld door artikel 91, § 4, Btw-wetboek.

De prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld.

Vierde middel

De appelrechters oordelen dat er geen redenen zijn om aan de eiseres nog eens het voordeel van het uitstel te verlenen, zelfs indien dit mogelijk zou zijn.

Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde reden, draagt de beslissing tot afwijzing van het verzoek om uitstel te verlenen.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Dispositif

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op … euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter A. S., als voorzitter, en de raadsheren K. M., F. V. V., B. W. en K. M., en in openbare rechtszitting van 18 januari 2018 uitgesproken door sectievoorzitter A. S., in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht J. V. d. F., met bijstand van griffier V. V. d. S..

Ondertekeningen

Textes cités

2
CTVA art. 84ter1 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Jurisprudence

3

Belgique

3

Voir les 3 documents

Décisions similaires

8