Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 17.03.2026 (2022/AR/1704)
[ FIN 55313476-01 ]
[ Arrêt favorable ]
TVA – Article 85, § 1er, alinéa 3, du Code de la TVA – Prescription imminente – Registre des perceptions et des recouvrements
Voir aussi Arrêt n° 146/2024 de la Cour constitutionnelle du 28 novembre 2024 (Rôle 8165)
Résumé de l’arrêt
1. Faits et décision en première instance
Un contrôle de la TVA réalisé en 2020 portant sur la période du 1er janvier 2017 au 30 juin 2019 a donné lieu à des entretiens entre le contribuable et l'administration les 23 novembre 2020 et 1er décembre 2020. Ces entretiens n’ayant pas abouti à un accord, un procès-verbal a été dressé et envoyé par courrier recommandé le 10/12/2020 concernant une déduction indue de la TVA au cours de l’année 2017. Ce courrier attire en outre l’attention sur la notification de la justification de la dette fiscale ainsi que sur le fait que sa prescription imminente met en péril les droits du Trésor, conformément à l’article 85, § 1, alinéa 3, du Code de la TVA. Dans ce cas précis, la dette a été inscrite dans le registre de perception et de recouvrement dans un délai inférieur à un mois (inscription dans ce registre le 15/12/2020 et notification de l’exécutoire le 17/12/2020). Le contribuable a introduit un recours administratif sur le fond le 17/12/2020 et estime que l’administration a enfreint le délai d’un mois prévu à l’article 85, § 1, alinéa 3, du Code de la TVA.
Le juge estime que la législation relative à la TVA (art. 85, § 1, troisième alinéa du Code de la TVA) n'exclut pas la prescription imminente. L'exposé des motifs précise expressément que la prescription imminente peut constituer un motif justifiant une inscription accélérée au registre de perception et de recouvrement. Sur la base des entretiens du 23/11/2020 et du 1/12/2020 avec le contribuable et de la motivation figurant dans le procès-verbal, le juge estime qu’il n’y a pas d’abus d’invoquer la prescription imminente et que les droits du Trésor public sont menacés. Le juge estime que les droits de la défense n’ont pas été violés, car le contribuable disposait de voies de recours suffisantes, comme en témoigne le recours motivé sur le fond qui a été introduit dès le 7e jour suivant l’envoi du procès-verbal. Par ailleurs, le juge souligne qu'une inscription accélérée au motif d'une prescription imminente est expressément exclue par la législation en matière d'impôt sur le revenu. Étant donné que la dette de TVA est déjà établie en vertu de la loi elle-même, la notification préalable a pour but de fournir au contribuable une motivation suffisante quant au fondement factuel et juridique de cette dette, afin qu'il puisse, le cas échéant, former un recours. L'administration s'est conformée à cette exigence.
2. L’arrêt de la Cour constitutionnelle
La Cour a examiné si l'article 85, § 1, troisième alinéa, du Code de la TVA est compatible avec les articles 10, 11 et 172 de la Constitution, dans la mesure où il sauvegarde les droits du Trésor public en cas de risque de prescription, même lorsque celui-ci résulte d'une erreur ou d'une négligence de l'administration.
C'est par la réalisation de l'opération soumise à la TVA que celle-ci devient exigible et que la dette de TVA naît donc de plein droit, sans aucune intervention de l'administration fiscale. L'article 85 du Code de la TVA ne s'applique que si la TVA n'est pas déclarée et payée par le biais de la déclaration de TVA.
Cette disposition concerne exclusivement le titre exécutoire pour le recouvrement de la dette fiscale et n’a aucune incidence sur l’existence de celle-ci. Elle n’influence que le délai de prescription pour le recouvrement, et non un délai d’imposition.
Il est donc tout à fait justifié que le législateur n’ait pas prévu qu’une erreur ou une négligence de l’administration empêche l’application de l’exception à la notification préalable lorsqu’une prescription imminente menace les droits du Trésor.
Par ailleurs, le juge a vérifié si les droits du contribuable n’étaient pas restreints de manière disproportionnée. Bien que la motivation de la dette fiscale (en droit et en fait) doive figurer dans un procès-verbal, une décision de taxation d’office ou un compte spécial, cette motivation peut également être communiquée plus tôt, par exemple dans une décision de régularisation ou dans le cadre d’une concertation avec le contribuable. La Cour estime que les droits du contribuable ne sont pas restreints de manière disproportionnée, compte tenu des voies de recours administratives et judiciaires disponibles.
La Cour souligne que l'exception au délai d'un mois entre la notification et le titre exécutoire doit être appliquée de manière restrictive !
3. Décision en degré d’appel
À la suite de l'arrêt de la Cour constitutionnelle, le contribuable ne soulève plus de griefs concrets, mais demande à ce qu'une indemnité minimale de procédure lui soit accordée, sans autre motivation. Étant donné qu'une question préjudicielle a été soumise à la Cour constitutionnelle en degré d'appel, on ne peut pas considérer que l'affaire est peu complexe ou qu'il s'agit d'une situation manifestement déraisonnable, et la cour d’appel a donc accordé l'indemnité de procédure normale.
Texte intégral:
Corps de la décision
Cet arrêt n'est disponible que dans la langue originale.
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d.17.03.2026 (2022/AR/1704)
cie1, ON ..., volgens conclusie met zetel te ... doch die volgens de KBO gevestigd is te ...
eiseres in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater
Beckersstraat 12 (ref.: C.21O13_C7/HV)
tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling
Hasselt van 13 oktober 2022, gekend onder rolnummer 21/861/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,
verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat
2A bus 29 (ref.: 4011)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 13 oktober 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 oktober 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;
Gelet op het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2024, verbeterd bij arrest van 20 februari 2024;
Gelet op het arrest nr. 146/2024 van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024;
I. Feiten en procedure
1Bij tussenarrest van 6 februari 2024 werd een uiteenzetting gegeven van de feiten en
voorgaanden, die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd.
2 Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2024, verbeterd bij arrest van het hof van beroep van 20 november 2024, werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en stelde het hof, alvorens verder recht te doen, volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:
"Schendt artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat de rechten van de schatkist in het gedrang komen ingeval van dreigende verjaring, ongeacht of de dreigende verjaring het gevolg is van een fout/nalatigheid in hoofde van de fiscus dan wel het gevolg is van omstandigheden die niet te wijten zijn aan de fiscus?".
3 Bij arrest nr. 146/2024 van 28 november 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt. Het Hof oordeelde dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de uitzondering op de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige niet kan worden toegepast wanneer de bedreiging van de rechten van de Schatkist door een nakende verjaring van de belastingschuld het gevolg is van een fout of nalatigheid van de administratie. Het Hof was verder van oordeel dat artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek de rechten van de belastingplichtige niet op een onevenredige wijze beperkt.
4 Eiseres in hoger beroep stelt thans in besluiten na arrest van het Grondwettelijk Hof zich naar de wijsheid van het hof te gedragen. Ze stelt verder in die omstandigheden aan te dringen op een minimale rechtsplegingsvergoeding.
5 De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Hij verzoekt voor recht te zeggen dat het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet nietig zijn. Hij verzoekt voor recht te zeggen dat er geen sprake kan zijn van een terugbetaling van de reeds geïnde bedragen. Hij verzoekt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.
Il. Beoordeling
1Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep na het arrest van het Grondwettelijk
Hof van 28 november 2024 geen concrete grieven meer aanhaalt tegen het bestreden vonnis.
De eerder in de procedure door eiseres in hoger beroep aangehaalde grieven hadden betrekking op artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek (dat bepaalt dat de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingregister dient ter kennis te worden gebracht, behalve indien de rechten van de schatkist in het gedrang komen) en het feit dat volgens eiseres in hoger beroep de nalatigheid van de administratie aan de oorzaak zou gelegen hebben van het in het gedrang zijn van de rechten van de schatkist in de zin van artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek waardoor de termijn van een maand niet diende gerespecteerd te worden. Ze stelde dat er dienaangaande sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit leidde ertoe dat het hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof stelde aangezien artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek geen onderscheid maakt tussen de situatie waarbij de dreigende verjaring het gevolg is van een fout/nalatigheid in hoofde van de fiscus dan wel de situatie waarbij de dreigende verjaring het gevolg is van omstandigheden die niet te wijten zijn aan de fiscus. In beide gevallen kan volgens artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek de termijn verkort worden wegens het in het gedrang komen van de rechten van de schatkist.
Bij arrest van 28 november 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt. Het hof oordeelde dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de uitzondering op de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige niet kan worden toegepast wanneer de bedreiging van de rechten van de Schatkist door een nakende verjaring van de belastingschuld het gevolg is van een fout of nalatigheid van de administratie. Het hof was verder van oordeel dat artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek de rechten van de belastingplichtige niet op een onevenredige wijze beperkt.
Gelet op de wettekst van artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024 is het feit of er al dan niet enige fout of nalatigheid van de fiscus aan de oorzaak zou liggen van de bedreiging van de rechten van de schatkist (in het kader van dreigende verjaring) dan ook niet relevant in het kader van de beoordeling van de al dan niet correcte toepassing van artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek.
Door eiseres in hoger beroep worden geen concrete grieven meer aangehaald tegen het bestreden vonnis.
Het hoger beroep vanwege eiseres in hoger beroep dient dan ook afgewezen te worden als ongegrond.
2Rekening houdende met het ongelijk in hoofde van eiseres in hoger beroep dient
deze veroordeeld te worden tot de kosten met betrekking tot de procedure in hoger beroep. Deze dienen in hoofde van eiseres in hoger beroep niet begroot te worden aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van verweerder in hoger beroep worden deze begroot op 1.412,79 euro.
Het hof gaat niet in op het verzoek van eiseres in hoger beroep om slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Dit verzoek van eiseres in hoger beroep wordt niet gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat er in casu niet voldaan is aan één van de criteria zoals opgesomd in artikel 1022, derde lid Ger.W. die zouden verantwoorden dat in voorliggend geval slechts een minimale rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend. Het feit dat eiseres in hoger beroep na het arrest van het Grondwettelijk Hof geen concrete grieven meer formuleert, doet er niet toe besluiten dat er sprake is van een gebrek aan complexiteit van de voorliggende betwisting noch van een kennelijk onredelijk karakter van de situatie die zou verantwoorden dat slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. Dit is des te meer het geval gelet op het feit dat tijdens de procedure in hoger beroep na het uitwisselen van conclusies tussen partijen een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dispositif
III. Uitspraak
Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
De tussenarresten van 6 februari 2024 en 20 februari 2024 verder uitwerkend.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis.
Het hof zegt voor recht dat het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet nietig zijn en dat er dienaangaande geen sprake kan zijn van een terugbetaling van de reeds geïnde bedragen.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten met betrekking tot procedure in hoger beroep. Deze worden in hoofde van eiseres in hoger beroep niet begroot aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van verweerder in hoger beroep worden deze begroot 1.412,79 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 maart 2026 door:
C. PRINSEN
E. DE BRAUWER
K. LEYSEN
E. CLEYMANS
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
1Jurisprudence
2Belgique
2Cour constitutionnelle28.11.2024
Dette fiscale, Perception
Tribunal de première instance de Hasselt13.10.2022