Amendes proportionnelles, Amende non proportionnée, Sursis, amende fiscale proportionnelle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 31 janvier 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Amendes proportionnelles, Amende non proportionnée, Sursis, amende fiscale proportionnelle

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-proportionnelles-amende-non-proportionnee-tribunal-2024-01-31-8146

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
31 janvier 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

115 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d’Anvers du 31.01.2024

WF 707-15-22/065050

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes proportionnelles – Amende non proportionnée – Sursis

Dispositions légales

Article 70, §1 CTVA

Article 6 CEDH

Résumé

1. Faits et antécédents de procédure

Le litige porte sur l'amende TVA d'un montant de 38.510,00 euros au nom du demandeur, inscrite au registre de perception et de recouvrement du 12 septembre 2022 et rendue exécutoire le 15 septembre 2022.

Le 13 janvier 2022, une déclaration 104.1 a été déposée au nom du demandeur concernant la vente d'un bien immobilier avec TVA. Le 30 mars 2022, la vente de la propriété en question, composée d'un terrain et de constructions, a eu lieu, le demandeur agissant en tant que vendeur des constructions. Un contrôle de la TVA pour la période du 1er janvier 2022 au 31 mars 2022 a révélé que la facture relative à la vente n'avait pas été comptabilisée comme une facture sortante et que le demandeur n'avait pas payé la TVA relative à ladite vente, qui s'élevait à 192 570,00 EUR. Le demandeur n'a pas déposé de déclaration 104.5.

Pour les infractions constatées en matière de TVA, un relevé de régularisation a été établi, que le demandeur a signé pour approbation.

Le demandeur a ensuite introduit une requête en vertu de l'article 9 de la l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, demandant la remise de l'amende et des intérêts. Cette demande a été rejetée. Par requête, le demandeur a intenté une action en justice.

2. La décision

Le tribunal a jugé que l'amende avait été légalement infligée, mais que son montant était disproportionné par rapport à la gravité de l'infraction commise et qu'il y aurait eu lieu d'accorder un sursis au demandeur.

Toutefois, le tribunal a relevé que la législation sur la TVA ne prévoit pas la possibilité de prononcer un sursis à l’exécution de l'amende infligée en vertu de l'article 70, §1 du Code de la TVA, et ce malgré le fait que la Cour constitutionnelle avait déjà statué en 2008 que l'article 70, §1, alinéa 1 du Code de la TVA est inconstitutionnel et viole l'article 6 de la CEDH dans la mesure où il ne permet pas au tribunal d'assortir l'amende d'un sursis. La Cour de cassation a estimé que lorsque la loi ne prévoit pas cette possibilité et que le tribunal considère qu'un sursis doit être accordé, il doit fournir au contribuable le redressement approprié en refusant d'appliquer la disposition légale qui prévoit l'infliction de la sanction.

Le tribunal a estimé que l'article 70, §1, alinéa 1, du Code de la TVA était illégal dans la mesure où il ne permettait pas au juge d'accorder le bénéfice du sursis au demandeur. Le tribunal a jugé que l'amende in casu était donc illégale et devait être annulée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 31/01/2024

Rol: 22/4496/A

Inzake:

M. M.,

geboren op … en wonende te …, RRN: 80…,

eiseres

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. H. L. en Mr. D. T. loco

Mr. V. M. D. en Mr. M. W. te … ,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 87, KBO: 0308.357.159,

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van

rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 7 november 2022, ingeschreven ter griffie op 8

november 2022;

- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 23 december 2022,

waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 3 januari 2024.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-boete ten bedrage van 38.510,00 euro in hoofde van eiseres opgenomen in het innings- en invorderingsregister opgemaakt op 12 september 2022 met het schuldnummer 50...64 en uitvoerbaar verklaard op 15 september 2022.

Op 13 januari 2022 werd namens eiseres een verklaring 104.1 ingediend met betrekking tot de verkoop van een onroerend goed met btw (stuk 2 AD).

Op 30 maart 2022 vond de verkoop van het betreffende onroerend goed, bestaande uit een grond en constructies gelegen te 9150 Kruibeke, Kapelstraat 8, plaats waarbij eiseres optrad als verkoper van de constructies (stuk 1 AD).

De belastingadministratie voerde in de loop van 2022 een controle uit bij eiseres op de toepasselijke wetgeving en reglementering inzake de btw voor de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (stuk 6 AD). Er werd vastgesteld dat de factuur met betrekking tot de verkoop niet was opgenomen als uitgaande factuur en eiseres de btw met betrekking tot vernoemde verkoop ten bedrage van 192.570,00 euro niet had voldaan. Eiseres had nagelaten een aangifte 104.5 in te dienen.

Op 13 juni 2022 werd door de belastingadministratie voor de vastgestelde inbreuken op de btw-wetgeving een correctieopgave inzake btw opgemaakt (stuk 4 AD). Op 27 juni 2022 werd een aangepaste correctieopgave opgesteld waarbij rekening werd gehouden met een verzoek tot recht op aftrek van eiseres ten bedrage van 147.343,64 euro. Op 27 juli 2022 ondertekende eiseres de aangepaste correctieopgave voor akkoord (stuk 7 AD).

Uit de correctieopgave bleek dat ingevolge de vastgestelde inbreuk op de btw-wetgeving eiseres de volgende sommen verschuldigd is aan de Belgische Staat:

- 46.673,40 euro aan btw (192.570,00 euro verminderd met 147.343,64 euro); 38.510,00 euro aan geldboete bij toepassing van artikel 70, §1 WBTW en tabel G, V van de bijlage bij het KB nr. 41;

- meer de intresten op grond van artikel 91, §1 WBTW vanaf 21 april 2022.

Op 31 augustus 2022 diende eiseres een verzoekschrift in op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 waarin om een kwijtschelding van de boete en interesten werd verzocht (stuk 8 AD).

Op 12 september 2022 werd de btw-schuld in hoofde van eiseres opgenomen in het innings-en invorderingsregister met het schuldnummer 50...64 en uitvoerbaar verklaard op 15 september 2022 (stuk 3 AD).

Op 23 september 202.2 werd het verzoek tot kwijtschelding afgewezen (stuk 9 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 november 2022 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschrift van de beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank:

- haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens in hoofdorde het innings- en invorderingsregister van 15 september 2022 waarin de btw-boete voor een totaalbedrag van 38.510,00 euro uitvoerbaar verklaard wordt te vernietigen aangezien de btw-boete onwettig wordt opgelegd;

- in ondergeschikte de btw-boete van 38.510,00 euro zoals uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister van 15 september 2022 kwijt te schelden gelet op het onevenredig en onredelijk karakter ervan;

in meer ondergeschikte orde de btw-boete zoals uitvoerbaar verklaard in het innings-en invorderingsregister van 15 september 2022 te matigen gelet op het onevenredig en onredelijk karakter ervan;

- in meest ondergeschikte orde de btw-boete zoals uitvoerbaar verklaard in het innings-en invorderingsregister van 15 september 2022 op te leggen met uitstel; de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan eiseres van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald door eiseres en door de Belgische Staat werden aangerekend, vermeerderd met moratoriuminteresten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op het rolrecht, de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

- de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en aldus niet over te gaan tot vernietiging noch vermindering, laat staan kwijtschelding van de boete, noch uitstel van invordering ervan te verlenen;

- de inhoud van de administratieve beslissing genomen in het kader van het Regentsbesluit van 1831 te bekrachtigen en aldus de inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister 20...10 van een bedrag van 38.510,00 euro aan boete niet te vernietigen en de Belgische Staat niet te veroordelen tot terugbetaling van alle door eiseres reeds hierop betaalde sommen;

-eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding;

- de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 3.000,00 euro.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de wettigheid van de geldboete

Eiseres is op grond van artikel 2 KB nr. 14 van 3 juni 1970 van oordeel dat de termijn om de btw te voldoen samenhangt met de termijn voor het indienen van de btw-aangifte, in casu de aangifte 104.5. Aangezien eiseres van de belastingadministratie een uitstel kreeg om haar aangifte in te dienen, strekt dit uitstel zich volgens eiseres noodzakelijkerwijze ook uit tot de betaling van de btw, minstens werd die verwachting gecreëerd.

De belastingadministratie stipt aan dat eiseres meermaals werd gewezen op de noodzaak om tijdig over te gaan tot indiening van de aangifte 104.5. Bovendien vloeit de geldboete niet voort uit het niet indienen van de aangifte, maar wel uit het niet tijdig voldoen van de verschuldigde btw. Op geen enkel moment werd de verwachting gecreëerd dat er een uitstel van betaling zou zijn toegekend.

De rechtbank merkt vooreerst op dat eiseres op 27 juli 2022 een aangepaste correctieopgave voor akkoord ondertekende (stuk 7 AD). De btw-boete die in deze zaak ter discussie staat, was hier onderdeel van. Eiseres kan op dit akkoord terugkomen, de geldboete veronderstelt de toepassing van de fiscale wet die van openbare is, maar zal dan wel moeten aantonen dat er sprake is van een dwaling. Dit vereist een onderzoek ten gronde.

Artikel 2 KB nr. 14 van 3 juni 1970 bepaalt:

"Met het oog op de voldoening van de door hem verschuldigde belasting moet de belastingplichtige, voor iedere handeling bedoeld in artikel 1, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert een aangifte in drievoud indienen.

De verplichting tot indiening van de in het eerste lid bedoelde aangifte ontstaat op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt. Aan die verplichting moet worden voldaan binnen een maand te rekenen vanaf dat tijdstip.

De belasting moet worden voldaan binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van de aangifte."

Tussen partijen bestaat geen discussie over het feit dat het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd werd het tijdstip van de verkoop van het onroerend goed betrof, d.i. de datum van ondertekening van de authentieke akte. Eiseres had vanaf dit tijdstip een maand de tijd om de aangifte 104.5 in te dienen en had eveneens vanaf dit tijdstip een maand de tijd om de btw te voldoen.

Het feit dat eiseres een uitstel kreeg van de belastingadministratie voor het indienen van de aangifte 104.5 verandert hier niets aan. De belastingadministratie stelt terecht dat de verplichting tot indiening van de aangifte 104.5 en de verplichting tot betaling qua termijn dan wel dezelfde zijn, maar deze voor de rest los staan van elkaar. Ook zonder het indienen van een aangifte 104.5 is de btw verschuldigd een maand na de verkoop van het onroerend goed.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat de belastingadministratie geenszins een gewettigde verwachting creëerde in hoofde van eiseres dat zij een uitstel van betaling had gekregen. In de e-mail waarnaar eiseres verwijst om deze verwachting te onderbouwen, wordt duidelijk gesteld dat indien er een verschuldigd saldo zou blijken, de interesten reeds liepen tenzij de betaling tijdig zou gedaan zijn. Hieruit volgt noodzakelijkerwijze dat de aangifte losstaat van de betaling. Ook de verklaring 104.1 kan volgens de rechtbank geen verwarring scheppen en de erin vermelde termijn om de btw te voldoen heeft duidelijk betrekking op de periode van een maand na datum van de verkoopakte. Tot slot moet het laatste lid van artikel 2 KB nr. 14 eveneens in die zin begrepen worden dat de belasting moet worden voldaan binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van de aangifte in het vorige lid, te weten één maand na het verschuldigd worden van de btw, in dit geval één maand na ondertekening van de akte.

Gelet op het voorgaande werd niet tijdig overgegaan tot het voldoen van de verschuldigde btw, waardoor de belastingadministratie in overeenstemming met artikel 70, §1 WBTW juncto het KB nr. 41, tabel G, V., een geldboete oplegde van 38.510,00 euro, dit is 20% van de verschuldigde btw. In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt werd deze boete ook correct berekend op het bedrag van de verschuldigde btw vóór verrekening van de aftrekbare btw (HvJ 17 mei 2023, C-418/22, Cezam, 42).

De geldboete werd in casu wel degelijk wettelijk opgelegd.

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

4.2. Betreffende de evenredigheid van de boete en het verzoek tot uitstel

Eiseres is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 38.510,00 euro disproportioneel is met de door haar begane inbreuk. Eiseres argumenteert dat ze te goeder trouw was en niet vertrouwd was met het indienen van een btw-aangifte aangezien ze een toevallige belastingplichtige was. Bovendien leverde eiseres de nodige inspanningen om haar boekhouder aan te sporen het nodige te doen. Eiseres houdt tot slot voor dat ze beperkte financiële middelen heeft, arbeidsongeschikt werd verklaard voor meer dan 66% en alleenstaande moeder is van drie jonge, schoolgaande kinderen. Eiseres verzoekt de rechtbank de opgelegde boete volledig kwijt te schelden, minstens te matigen. Tevens is eiseres van mening dat er in voorliggend geval redenen zijn om uitstel te verlenen voor de haar opgelegde boete.

De belastingadministratie argumenteert dat de boete proportioneel is en er reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van eiseres waarbij de boete herleid werd tot 20%. Verder ziet de belastingadministratie geen bijzondere omstandigheden of overmacht die een kwijtschelding, vermindering en/of uitstel zouden verantwoorden.

Krachtens artikel 70, §1, eerste lid WBTW wordt iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, bestraft met een geldboete gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. De boete werd in casu verminderd in overeenstemming met tabel G, V. van het KB nr. 41 en gebracht op 20% van de verschuldigde btw.

Het staat vast en wordt evenmin betwist dat een administratieve geldboete die 20% van de verschuldigde btw bedraagt een strafrechtelijk karakter heeft.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, WBTW te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (zie Cass. 24 maart 2023, F. 21.0056.N).

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het de eerste keer was dat eiseres in gebreke bleef om te voldoen aan haar fiscale verplichtingen. Eiseres was te goeder trouw, wat ook niet wordt betwist door de belastingadministratie. Eiseres leverde tevens duidelijk inspanningen om, eens geconfronteerd met de onjuiste toepassing van de btw-wetgeving, het nodige te doen om de situatie te regulariseren. De verschuldigde btw werd kort na het ondertekenen van de aangepaste regularisatieopgave voldaan, de Schatkist heeft derhalve geen enkele belasting gemist. Eiseres betreft bovendien een alleenstaande moeder die arbeidsongeschikt is en drie minderjarige kinderen ten laste heeft, wat door de belastingadministratie niet wordt betwist (en integendeel in haar eigen richtlijnen zelf aangehaald wordt als redenen die kunnen meespelen om te besluiten tot een vermindering of kwijtschelding van de boete; zie stuk 8 AD, VIII, B, 3.).

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van de opgelegde boete onevenredig is met de ernst van de begane inbreuk.

Los van de vraag welk bedrag dan wel evenredig zou zijn, zijn bovenstaande omstandigheden een gegronde reden om uitstel te verlenen aan eiseres. Het verlenen van uitstel kan de belastingplichtige er immers toe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door dreiging, om indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete alsnog uit te voeren (GwH 6 november 2008, 157/2008, www.const-court.be, zie o.a. B.4.1.).

De rechtbank stelt evenwel vast dat de btw-wetgeving niet in de mogelijkheid voorziet om de opgelegde geldboete op grond van artikel 70, §1 WBTW met uitstel uit te spreken en dit ondanks het feit dat het Grondwettelijk Hof reeds in 2008 geoordeeld heeft dat artikel 70, §1, eerste lid WBTW ongrondwettelijk is en een schending inhoudt van artikel 6 EVRM in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de geldboete gepaard te laten gaan met uitstel (GwH 6 november 2008, nr. 157/2008 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020, www.const-court.be).

Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer de wet niet in die mogelijkheid voorziet en indien de rechtbank van oordeel is dat uitstel moet worden verleend, hij de belastingplichtige het passende herstel dient te bieden door de toepassing van het artikel dat de sanctie oplegde te weigeren (Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F, www.iuportal.be, inzake artikel 70, §2, eerste lid WBTW, Cass. 20 juni 2013, F.11.007.F).

De rechtbank dient dan ook vast te stellen dat artikel 70, §1 , eerste lid WBTW onwettig is in de mate dat het de rechter niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan eiseres.

De geldboete werd in casu derhalve onwettig opgelegd en dient te worden vernietigd (zie Gent 19 september 2023, 2022/AR/767, ongepubliceerd).

De vordering van eiseres is ter zake gegrond.

5. Kosten van het geding

Verweerder dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

De rechtbank stelt vast dat partijen geen betwisting voeren over de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.000,00 euro (basisbedrag).

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat de gevorderde btw-boete ten bedrage van 38.510,00 euro, zoals uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister van 15 september 2022, niet verschuldigd is door eiseres.

Vernietigt de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met het schuldnummer 50...64 in de mate dat hierin de geldboete van 38.510,00 euro werd opgenomen.

Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van de aldus deels vernietigde inschrijving in het innings- en invorderingsregister met het schuldnummer 50...64 ten onrechte werden betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 WBTW.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot en door de rechtbank vereffend op de bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 24,00 euro en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op eenendertig januari tweeduizend vierentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

M. D., rechter

C. L., griffier

Textes cités

4
CTVA art. 7013 occurrences
AR no 14 art. 23 occurrences
CTVA art. 912 occurrences

Décisions similaires

8