Teruggaaf van de belasting (01.07.2026) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

1 juli 2026

Zoeken

Teruggaaf van de belasting (01.07.2026)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/teruggaaf-belasting-f0c8

Datum
1 juli 2026

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

617 paragrafen

Btw-Commentaar. Teruggaaf van de belasting (01.07.2026)

BOEKWERK IV. Voldoening van de belasting

Hoofdstuk 14. Teruggaaf van de belasting

Bijwerking 01.07.2026 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.03.2021] [01.02.2023] [15.03.2024] [01.04.2025]

Inhoud · 73 onderdelen

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten

Afdeling 2 - Inleiding

Afdeling 3 - Oorzaken van de teruggaaf

1. Teruggaaf op grond van artikel 76 van het Btw-Wetboek

A. Artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

B. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek

C. Artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek

2. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek

B. Artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek

C. Artikel 77, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek

D. Artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek

E. Artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek

F. Artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek

G. Artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek

3. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek

A. Noot vooraf: Uitsluiting van het recht op teruggaaf op basis van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek

B. Artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek

C. Artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek

D. Artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek

E. Artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek

F. Artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek

G. Artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek

H. Artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek

4. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

5. Teruggaaf op grond van artikel 77bis van het Btw-Wetboek

Afdeling 4 - Rechthebbende op de teruggaaf

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

B. Kredietverzekeringsmaatschappijen

C. Factoringmaatschappijen

5. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek

6. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek

Afdeling 5 - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie

a. Algemeen

b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord

C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek

6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie

Afdeling 6 - Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf

1. Teruggaaf aan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

A. Principe: inschrijving van het belastingoverschot op de Provisierekening btw

B. Afwijking: teruggaaf op uitdrukkelijk verzoek

C. Draagwijdte van de aanvraag om teruggaaf

D. Opheffing van de stelsels maandelijkse teruggaaf

E. Voorwaarden voor de teruggaaf

F. Termijn voor de teruggaaf

G. Termijn voor inschrijving op de Provisierekening btw

H. De teruggaaf van sommen ingeschreven op de Provisierekening btw

I. De aanwending en de inhouding van het belastingoverschot

2. Teruggaaf aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek

A. Aanvraag om teruggaaf

B. Termijn voor de teruggaaf

C. Aanwending en inhouding van het belastingoverschot

3. Door de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een periodieke of bijzondere btw-aangifte voor de uitoefening van het recht op teruggaaf te vervullen formaliteiten

A. Verbeterend stuk

B. Teruggaafregister

C. Vermelding in de aangifte

D. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant

4. Teruggaaf aan andere personen

A. Formaliteiten

B. Wijze van teruggaaf

[Top]

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

Artikel 75

Artikel 76

Artikel 77

Artikel 77bis

Artikel 78

Artikel 79

Artikel 80

Artikel 82

Artikel 82bis

2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten

Koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

Koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde

Koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen

Koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen

Koninklijk besluit nr. 48 van 29.12.1992 met betrekking tot de levering van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek

Koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022, met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen

Afdeling 2 - Inleiding

Ingevolge de bepalingen van het artikel 75 van het Btw-Wetboek kan de belasting over de toegevoegde waarde slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin voornoemd Wetboek daarin voorziet. Deze gevallen worden opgesomd in de artikelen 76, 77 en 77bis waarvan de uitvoeringsmodaliteiten worden bepaald bij het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde. Het begrip teruggaaf heeft in beginsel aldus een ruime draagwijdte.

In voormelde artikelen wordt tevens verwezen naar artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 waarbij wordt bepaald dat elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit kan worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Dit geldt tevens in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.

Een vordering tot teruggaaf dient steeds te worden gestaafd aan de hand van bewijskrachtige gegevens zoals bijvoorbeeld een factuur, een invoeraangifte, een attest van invaliditeit …

Teneinde een zo overzichtelijk mogelijk beeld te geven van de problematiek van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde worden hierna achtereenvolgend navolgende onderwerpen behandeld:

•de oorzaken van de teruggaaf (artikelen 76 tot en met 77bis, van het Btw-Wetboek)

•de rechthebbende op de teruggaaf

•het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat

•de modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf.

Afdeling 3 - Oorzaken van de teruggaaf

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 van het Btw-Wetboek kan de belasting slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het Btw-Wetboek voorziet.

Deze mogelijke oorzaken van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde vinden respectievelijk hun oorsprong in de bepalingen van de artikelen 76, 77 en 77bis, van het Btw-Wetboek.

1. Teruggaaf op grond van artikel 76 van het Btw-Wetboek

A. Artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

Artikel 76, § 1, (nieuw) van het Btw-Wetboek, dat werd ingevoegd bij artikel 12 van de Wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (BS 20.02.2026) en in werking is getreden op 20.02.2026, bepaalt dat:

‘Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de belasting dat overeenkomstig de artikelen 45 tot en met 48 voor aftrek in aanmerking komt tijdens het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte in dat tijdvak meer bedraagt dan het bedrag aan belastingen dat verschuldigd is door de overeenkomstig artikel 50 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die tot indiening van die aangifte gehouden is, het overschot op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn in artikel 55, §§ 1 of 2, bedoelde aansprakelijke vertegenwoordiger teruggegeven, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden en nadere regels, uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte.

De Koning bepaalt de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden kan worden verminderd, alsook de termijn waarbinnen het overschot wordt teruggegeven.

Het in het eerste lid bedoelde overschot wordt evenwel slechts teruggegeven wanneer alle in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot het overschot, alsmede die laatste aangifte, zijn ingediend binnen de termijn en volgens de nadere regels, opgelegd in uitvoering van die bepaling.

Indien het een belastingplichtige betreft die wordt vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon, wordt het in het eerste lid bedoelde verzoek ingediend door die vooraf erkende persoon.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde overschot niet wordt teruggevraagd of wanneer geheel of gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan, wordt dat overschot naar de in artikel 83bis bedoelde Provisierekening btw van de belastingplichtige overgeschreven, voor zover dat overschot niet voorafgaandelijk wordt aangewend ter aanzuivering van een belastingschuld van die belastingplichtige, die in hoofde van de administratie een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering vormt, of niet het voorwerp uitmaakt van een in het zesde lid bedoelde inhouding.

Het in het eerste lid bedoelde overschot, zonder onderscheid al naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

Voor de toepassing van de in het zesde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De in het zesde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding.’

Hierbij wordt het geval beoogd waarin voor eenzelfde aangifteperiode, de aftrekbare btw hoger is dan de verschuldigde btw wanneer het een belastingplichtige met recht op aftrek van de voorbelasting betreft, die in België is gevestigd, in België een vaste inrichting heeft of die overeenkomstig artikel 55 in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft doen erkennen. De belastingplichtige die in België een rechtstreekse identificatie geniet, wordt eveneens beoogd door deze bepaling. Hetzelfde geldt voor een niet in België gevestigde belastingplichtige die vertegenwoordigd wordt door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf erkend persoon voor bepaalde in aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 opgesomde handelingen (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 10 : Niet in België gevestigde belastingplichtigen).

Op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde wordt de belasting waarvoor het recht op aftrek wordt uitgeoefend, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, samengevoegd met de bij toepassing van artikel 77, § 1 en 1bis, van het Btw-Wetboek terug te geven bedragen om te bepalen of het eindresultaat van de aangifte een aan de staat te storten bedrag is dan wel een overschot ten gunste van de belastingplichtige. De bedragen die om welke reden ook moeten worden teruggegeven, worden toegerekend op het bedrag van de btw die door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon voor het aangiftetijdvak is verschuldigd. De toerekening is echter niet toegestaan voor de belasting, nalatigheidsinteresten en fiscale geldboeten die worden voldaan op verzoek van de administratie. Die bedragen mogen in geen geval in een aangifte voorkomen (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

Wanneer tijdens het aangiftetijdvak het af te trekken bedrag meer bedraagt dan dat van de verschuldigde belasting ter zake van de door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten, wordt het overschot waarvoor geen teruggaaf is gevraagd overeenkomstig artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek ingeschreven op de Provisierekening btw (artikel 47, tweede lid, en artikel 83bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4).

De bepalingen van artikel 76, § 1, zesde lid, van het Btw-Wetboek bieden een wettelijke grondslag, zonder onderscheid of de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, voor de inhouding van een dergelijk overschot, voor zover dat niet voorafgaandelijk werd aangewend ter aanzuivering van een belastingschuld van die belastingplichtige die in hoofde van de administratie een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering vormt, in volgende gevallen:

•tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is

•wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan

•wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

De bepalingen van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de belastingplichtigen die handelingen verrichten beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Btw-Wetboek en lasthebbers of makelaars die dergelijke handelingen verrichten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek de van voornoemde handelingen geheven voorbelasting in aftrek mogen brengen telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of wanneer betreffende handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.

Voor verder toelichting ter zake wordt verwezen naar ‘titel 1. Teruggaaf aan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek’ van afdeling 6 - Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf van dit hoofdstuk.

B. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek

Het nieuwe artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek, zoals gewijzigd middels artikel 12 van de Wet van 10.02.2026 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (BS 20.02.2026), bepaalt dat:

‘Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de verschuldigde belasting door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, het verschil teruggegeven binnen drie maanden.

De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf met betrekking tot de te volgen procedure, de in acht te nemen termijnen en de vormvoorwaarden.

Het voor teruggaaf vatbaar overschot wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die persoon in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53ter, 1°, voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de persoon niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

Voor de toepassing van de in het derde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.

De in het derde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding.’

De bepalingen van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek zijn van toepassing op de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen die gehouden zijn een in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte in te dienen. Het betreft de aangifte nr. 629 waarvan het model is opgenomen in bijlage 3 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

In de regel zal het eindresultaat van een door artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek beoogde aangifte een aan de staat verschuldigd bedrag zijn. Het kan niettemin voorkomen dat betreffende aangifte een door de staat verschuldigd eindresultaat vertoont, met name wanneer de belasting in hoofde van de hiervoor bedoelde personen moet worden geregulariseerd in hun voordeel (in geval van ontvangen creditnota’s of negatieve verbeteringen van de voordien aangegeven en betaalde belasting) of wanneer de indiener teruggaaf kan genieten van een bedrag dat desgevallend kan gerecupereerd worden.

Wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de belasting verschuldigd door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek wordt het verschil teruggegeven binnen drie maanden. De ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf (artikel 83, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

De bepalingen van artikel 76, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek bieden een wettelijke grondslag voor de inhouding van het voor teruggaaf vatbaar overschot in volgende drie gevallen:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die persoon in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan

3° wanneer de persoon niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.

De bepalingen van voornoemd artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de niet in België gevestigde belastingplichtigen die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben en die niet beschikken over een rechtstreekse identificatie (zie circulaire 2022/C/99 van 10.04.2022 betreffende het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en het koninklijk besluit van 10.04.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 31 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 139.514), aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009 en zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 10 : Niet in België gevestigde belastingplichtigen).

De teruggaaf geschiedt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002, voornoemd, wanneer het een belastingplichtige betreft gevestigd in een andere lidstaat dan België alsook wanneer het een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige betreft. De modaliteiten daartoe worden bepaald in de artikelen 9, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1bis en 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en in koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022, voornoemd.

C. Artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek

Artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek bepaalt dat ‘de niet in de paragrafen 1 of 2 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48’.

De bepalingen van artikel 76, § 3 van het Btw-Wetboek werden ingevoegd middels artikel 15, c), van de wet van 27.12.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (BS 31.12.2021).

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 76, § 3, derde lid, van het Btw-Wetboek regelt de koning, wanneer de teruggaaf moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen inzake teruggaaf van de richtlijn 86/560/EEG (1) of de richtlijn 2008/9/EG (2), de toepassingsmodaliteiten van artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek met betrekking tot het personele toepassingsgebied, de belasting waarvoor om teruggaaf kan verzocht worden, de te volgen procedure, de vormvoorwaarden, het teruggaaftijdvak, de minimumbedragen, de in acht te nemen termijnen en de correcties.

(1) Richtlijn nr. 86/560/EEG van de Raad van 17.11.1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen (de zogenaamde ‘dertiende richtlijn’)

(2) Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12.02.2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (de zogenaamde ‘VAT Refund’-richlijn)

De bepalingen van artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek benadrukken hierbij dat de teruggaaf op grond van de richtlijn 86/560/EEG (1), waar die richtlijn dat toelaat, wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing voor de teruggaaf op grond van de richtlijn 2008/9/EG. Overeenkomstig artikel 3, paragraaf 2, van richtlijn 86/560/EEG, voornoemd, kan de teruggaaf op grond van die richtlijn niet gebeuren onder gunstiger voorwaarden dan degene die worden toegepast voor belastingplichtigen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn op grond van richtlijn 2008/9/EG.

Tot slot stelt artikel 76, § 3, (in fine), van het Btw-Wetboek dat de koning hierbij kan afwijken van de bepalingen van artikel 82bis, van voornoemd Wetboek.

Krachtens artikel 15 van richtlijn 2008/9/EG (2), moet het teruggaafverzoek van de in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige immers worden ingediend in de lidstaat van vestiging ten laatste op 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak. Die vervaltermijn is omgezet in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56, voornoemd. Bovendien moet er, wat de aanvragen tot teruggaaf betreft door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, rekening mee worden gehouden dat de teruggaaf krachtens artikel 3, paragraaf 2, van de richtlijn 86/560/EEG niet kan gebeuren onder gunstiger voorwaarden dan degene die worden toegepast voor belastingplichtigen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn op grond van richtlijn 2008/9/EG.

De bepalingen van voornoemd artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen of gedeelten van gebouwen en het bijhorend terrein vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van artikel 8 van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege maar moeten uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7: Toevallige belastingplichtigen en afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5 van dit hoofdstuk).

2. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

De bepalingen van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek hebben betrekking op diverse nagenoemde gevallen die voor teruggaaf van de btw voldaan ten aanzien van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed in België in aanmerking komen:

A. Artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Teruggaaf tot het passende beloop wordt verleend wanneer de betaalde belasting ten aanzien van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed, de wettelijk verschuldigde belasting overtreft. Hiermee worden onder meer alle gevallen bedoeld waarin een vergissing is begaan bij het factureren of in de aangifte die door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon moet worden ingediend: heffing op een niet belastbare handeling, toepassing van een onjuist tarief of van een verkeerde maatstaf van heffing, dubbele boeking …

Teruggaaf heeft eveneens plaats indien de maatstaf van heffing wordt verminderd ingevolge een gebeurtenis die zich na de levering voordoet, zoals de definitieve vaststelling van een voor herziening vatbare prijs of de vervulling van een uitdrukkelijke of stilzwijgende ontbindende voorwaarde.

Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich tevens uitgesproken over de specifieke situatie waarbij een lidstaat in zijn nationale wettelijke regeling een vrijstelling met teruggaaf van voorbelasting voor bepaalde gespecificeerde leveringen of dienstverrichtingen heeft gehandhaafd, maar zijn nationale wettelijke regeling onjuist heeft uitgelegd met als gevolg dat bepaalde leveringen of dienstverrichtingen die volgens de nationale wet in aanmerking hadden moeten komen voor de vrijstelling met teruggaaf van voorbelasting, zijn belast tegen het normale tarief. Het Hof heeft hierbij geoordeeld dat een onderneming die dergelijke leveringen of diensten heeft verricht, op grond van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, waaronder het beginsel van fiscale neutraliteit, recht op teruggaaf heeft van de bedragen die voor deze leveringen of dienstverrichtingen ten onrechte van haar zijn gevorderd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Marks & Spencer plc tegen Commissioners of Customs and Excise, zaak C-309/06, van 10.04.2008).

Verder wordt ook het in artikel 25quinquies, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde geval beoogd waarbij de maatstaf van heffing van een intracommunautaire verwerving van goederen kan worden verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht en dit voor zover over deze verwerving belasting bij toepassing van artikel 25quinquies, § 2, van voornoemd Wetboek wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen.

B. Artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan.

De belasting wordt tot het passende beloop teruggegeven wanneer een prijsvermindering aan de medecontractant wordt toegestaan en door hem wordt verkregen na het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. De reden voor de toegestane prijsvermindering is van geen belang en kan bijvoorbeeld de toekenning van kortingen bij het einde van het jaar betreffen, de niet-overeenstemming van de goederen met de bestelling dan wel louter gebaseerd zijn op handelsoverwegingen.

De aandacht wordt er op gevestigd dat deze kortingen en verminderingen waarop de afnemer een verworven recht heeft op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, overeenkomstig artikel 28, 2°, van het Btw-Wetboek niet tot de maatstaf van heffing behoren.

C. Artikel 77, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend.

De belasting wordt teruggegeven tot beloop van de bedragen waarvoor de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van de verpakkingsmiddelen die voor het vervoer van de geleverde goederen hebben gediend. Die bepaling is enkel van toepassing indien op het ogenblik van de levering niet reeds vaststond dat de medecontractant de mogelijkheid had om de verpakkingsmiddelen terug te zenden, want wanneer deze mogelijkheid bestaat, dienen de kosten voor gewone en gebruikelijke verpakkingsmiddelen niet in de maatstaf van heffing te worden opgenomen krachtens artikel 28, 4, van het Wetboek.

D. Artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is.

De belasting wordt teruggegeven wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of vóór de uitvoering van de dienst verbroken is, maar alleszins nadat de belasting in hoofde van de leverancier of de dienstverrichter krachtens een of andere wettelijke of reglementaire bepaling (zie artikelen 16, 17, 22 en 22bis, van het Btw-Wetboek) opeisbaar is geworden.

De verbreking is een rechtshandeling waarbij de partijen, zonder dat er sprake is van een contractuele tekortkoming, een einde stellen aan een overeenkomst:

•hetzij met wederzijdse toestemming: de partijen kunnen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomen om een einde te stellen aan de overeenkomst die hen verbindt.

•hetzij eenzijdig: in de regel kan een partij niet eenzijdig een overeenkomst verbreken, maar de wet voorziet in uitzonderingen hierop. Zo is elke overeenkomst waarin doorlopende prestaties worden voorzien en die voor onbepaalde tijd wordt afgesloten, steeds vatbaar om het voorwerp uit te maken van een verbreking door één van de partijen. Daarenboven wordt de eenzijdige verbreking van bepaalde overeenkomsten geregeld door het Burgerlijk Wetboek. De partijen kunnen eveneens in hun overeenkomsten clausules opnemen betreffende een eenzijdige verbreking.

E. Artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is.

De belasting wordt teruggegeven wanneer de overeenkomst wordt vernietigd of wordt ontbonden.

Geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt, maar in dat laatste geval moet de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde zijn gegaan om de terugbetaling te rechtvaardigen.

De ontbinding is de wijze van tenietgaan die de foutieve niet-uitvoering van een wederkerig contract sanctioneert (bijvoorbeeld: niet conform zijn van de goederen of van de dienst, laattijdige levering…). Zij wordt door de wet geregeld (het stilzwijgend ontbindend beding dat is vastgelegd in artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek) eventueel aangevuld of aangepast middels een contractueel beding (uitdrukkelijk ontbindend beding). Zij heeft in principe terugwerkende kracht maar er bestaan modaliteiten en uitzonderingen die geheel of gedeeltelijk van deze regel afwijken.

Er is eveneens sprake van ontbinding wanneer een contract wordt beëindigd door de vervulling van een ontbindende voorwaarde. De ontbindende voorwaarde onderscheidt zich van een uitdrukkelijk ontbindend beding door het feit dat de partijen door haar te voorzien een ontbinding van het contract hebben beoogd die geen vorm van sanctie uitmaakt. De ontbindende voorwaarde is een onzekere en toekomstige gebeurtenis die de ontbinding van de verbintenis waarop zij betrekking heeft dan wel van de overeenkomst in zijn geheel met zich mee brengt. De uitwerking van de ontbindende voorwaarde gebeurt van rechtswege door het louter feit dat de voorwaarde is vervuld en zonder dat er enige wilsuitdrukking of tussenkomst van één van de partijen of van de rechter is vereist. Behoudens andersluidend beding, wordt aan deze voorwaarde tevens terugwerkende kracht toegekend.

Een overeenkomst kan worden vernietigd wanneer zij aangetast is door een nietigheid. De nietigheid is een wijze van uitdoving van overeenkomsten en sanctioneert een gebrek dat op essentiële wijze de totstandkoming van de overeenkomst aantast. Ten gevolge van dit gebrek is de overeenkomst niet geldig tot stand kunnen komen, maar uiterlijk bestaat er wel een titel die nietig dient te worden verklaard. Een rechter dient normaal gezien in geval van betwisting de nietigheid uit te spreken. Niettemin belet niets de partijen om zich akkoord te verklaren om een nietigheid te erkennen en vast te stellen, zodat de tussenkomst van een rechter niet is vereist. In de regel heeft de nietigheid een terugwerkende kracht. Er bestaan echter verschillende uitzonderingen op deze retroactieve werking, in hoofdzaak met betrekking tot overeenkomsten met doorlopende prestaties.

De overeenkomsten zijn voor vernietiging vatbaar in volgende gevallen:

•indien een gebrek één van de geldigheidsvoorwaarden voor overeenkomsten opgesomd in artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek aantast: toestemming, bekwaamheid, voorwerp of oorzaak

•indien bij het sluiten van de overeenkomst de substantiële vormvereisten of de vormvereisten die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid niet zijn nageleefd wanneer de wet voorziet in de verplichting dergelijke vormvereisten na te leven

•in geval van schending van een bepaling van openbare orde of van een dwingende wetsbepaling bij de sluiting van de overeenkomst in het geval waarin de wetgever geen andere sanctie voorziet en het bepalingen betreft die essentieel zijn voor de geldigheid van de totstandkoming van een overeenkomst.

F. Artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.

De belasting wordt teruggegeven wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van het goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat een van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.

Ingevolge die bepaling kan er in beginsel geen teruggaaf plaatsvinden wanneer de prijs waarvoor het goed wordt teruggenomen niet precies de prijs is waarvoor het oorspronkelijk werd verkocht.

De administratie aanvaardt echter dat geen van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen wanneer voor het gebruik van het goed aan de leverancier een vergoeding zou worden betaald die wordt vastgesteld in functie van de werkelijke gebruiksduur van het goed en die in geen geval meer bedraagt dan de brutowinst die de leverancier heeft gemaakt bij de oorspronkelijke verkoop van het goed.

Die bepaling staat de teruggaaf toe zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de belaste handeling. Alleen het materiële feit van de terugzending en het ontbreken van enig geldelijk voordeel moet worden aangetoond (zie ook aanschrijving nr. 78-2/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970).

G. Artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

De teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 1, 7, van het Btw-Wetboek, wordt toegestaan zodra het geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering vaststaat. Het betreft de situatie waarbij goederen of diensten worden verstrekt in uitvoering van een overeenkomst die niet werd vernietigd of ontbonden, maar waar om één of andere reden, de prijs, hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk, niet werd betaald. De teruggaaf is niet alleen van toepassing wanneer het verlies van de schuldvordering van de prijs het gevolg is van een faillissement of gerechtelijke reorganisatie, maar ook wanneer de leverancier vaststelt dat een factuur geheel of gedeeltelijk onbetaald is gebleven.

De vraag wanneer het verlies van een schuldvordering als zeker mag worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden eigen aan ieder geval (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.288 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre Viseur van 21.11.1994).

In de praktijk zal de administratie niet betwisten dat het verlies vaststaat, wanneer het bedrag van het verlies aangetekend werd op de rekening ‘Verlies en Winst’, voor zover die aantekening gebeurt op een tijdstip waarop de schuldeiser, door middel van alle mogelijke feiten of rechtsmiddelen, kan bewijzen dat zijn schuldvordering als verloren kan worden beschouwd. In ieder geval is de inschrijving van de gehele of gedeeltelijke schuldvordering op een rekening ‘Provisie voor dubieuze debiteuren’, op zich niet voldoende om de echtheid van het verlies te bewijzen.

De leverancier of de dienstverrichter is overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van het Btw-Wetboek gehouden aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

Artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de leverancier of dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van schuldvordering van de prijs, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de staat het bedrag van de belasting dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag moet terugstorten, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen.

Wat het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement of als gevolg van een gerechtelijke reorganisatie betreft wordt verwezen naar afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubrieken B en C.

Tot slot wordt opgemerkt dat het verlies van schuldvordering als gevolg van het sluiten van een minnelijk akkoord buiten het strikte toepassingsgebied van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord of door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag of van faillissement zoals beschreven in Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’ in het Wetboek van economisch recht, door de administratie wordt beschouwd als een vrijwillige schuldafstand. Desgevallend dient steeds een grondige analyse plaats te vinden van de factoren die de schuldeiser hebben aangezet over te gaan tot betreffende vrijwillige schuldafstand teneinde het ‘verloren’-karakter van de betrokken schuldvordering(en) te kunnen beoordelen. Rekening houdend met het voorgaande kan er slechts toepassing worden gemaakt van de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek voor zover voornoemde analyse van de feitelijke omstandigheden toelaat het geheel of gedeeltelijk ‘verloren’-karakter van de schuldvordering van de prijs objectief vast te stellen.

3. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek

De bepalingen van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek hebben betrekking op diverse nagenoemde gevallen die voor teruggaaf van de btw voldaan ter zake van invoer in aanmerking komen.

Dat artikel bevat geen enkele bepaling op grond waarvan de bij invoer voldane btw kan worden teruggegeven wegens de omstandigheid dat de persoon op wiens naam de goederen werden in verbruik gesteld, failliet werd verklaard (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 208 van de heer Senator Hugo Wechx van 17.03.1987).

In alle gevallen waarin ten aanzien van ingevoerde goederen wel teruggaaf kan worden toegestaan, wordt die teruggaaf verleend aan degene die als rechthebbende is aangeduid door het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.

A. Noot vooraf: Uitsluiting van het recht op teruggaaf op basis van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek

Krachtens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de in artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek bedoelde teruggaaf niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen.

Inderdaad, in dat geval heeft de belastingplichtige, die de belasting bij de invoer heeft voldaan, die belasting normaal afgetrokken in zijn aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de invoer heeft plaatsgehad. Indien de teruggaaf hem zou worden toegestaan, zou hij eveneens de vooraf verrichte aftrek moeten herzien en het ten onrechte afgetrokken bedrag moeten terugstorten aan de schatkist door dat bedrag op te nemen in rooster 61 van de periodieke btw-aangifte.

Maar de teruggaaf heeft normaal plaats voor de ingevoerde goederen:

•wanneer de geadresseerde een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen.

•wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is zonder recht op aftrek, of met een gedeeltelijk recht op aftrek (indien hij geen teruggaaf verkreeg, zou hij benadeeld worden tot beloop van het niet aftrekbare gedeelte van het ten onrechte betaalde bedrag).

•wanneer de handeling betrekking heeft op bedrijfsmiddelen. Krachtens artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek, is de aftrek van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen aan herziening onderworpen. Het komt er dus op aan het definitief bedrag van de aan herziening onderworpen belasting vast te stellen.

•wanneer een belastingplichtige goederen invoert waarvan het recht op aftrek uitgesloten is of beperkt wordt (onder meer krachtens artikel 45, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek).

De hier aangehaalde principes zijn eveneens van toepassing op een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek.

Wanneer de teruggaaf betrekking heeft op de invoer van een bedrijfsmiddel of van een ander goed waarvoor de bij invoer voldane belasting slechts gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht, is de geadresseerde die de teruggaaf bekomt ertoe gehouden het bedrag dat hij vroeger in aftrek heeft gebracht terug te storten aan de staat in de mate waarin hij daarvan teruggaaf bekomt. In dergelijk geval kan door of vanwege de Minister van Financiën evenwel worden bepaald dat de teruggaaf wordt beperkt tot de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht (artikel 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4,voornoemd).

B. Artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is of wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan.

Enerzijds wordt teruggaaf tot het passende beloop verleend wanneer de bij invoer betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft. Hiermee worden inzonderheid alle gevallen bedoeld waarin vergissingen werden begaan bij het vaststellen van de maatstaf van heffing, de toepassing van een onjuist tarief, rekenfouten of vergissingen begaan bij het opstellen van invoerdocumenten die de annulatie van die documenten tot gevolg hebben.

Teruggaaf heeft eveneens plaats indien de maatstaf van heffing wordt verminderd ingevolge een gebeurtenis die zich na de invoer voordoet, zoals de definitieve vaststelling van een prijs die voor herziening vatbaar was of de vervulling van een uitdrukkelijke of stilzwijgende ontbindende voorwaarde.

Anderzijds wordt de bij invoer betaalde belasting tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan en wordt verkregen na het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden in de mate dat die prijs gediend heeft voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de btw bij invoer. De reden voor deze toegestane prijsvermindering is daarbij van geen belang.

C. Artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend en dit op voorwaarde dat de verpakking naar een plaats buiten de gemeenschap is teruggezonden.

Het betreft verpakkingen die niet onder een regeling van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van rechten bij invoer werden geplaatst en dit bijvoorbeeld omdat de terugzending oorspronkelijk niet was voorzien.

D. Artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is en dit op voorwaarde dat de goederen binnen zes maanden na de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst naar een plaats buiten de Gemeenschap wederuitgevoerd werden.

De reden van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst is van geen belang (niet-overeenstemming van het goed met de bestelling, niet-tijdige levering, handelsoverwegingen …).

Evenmin moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt, maar in dat laatste geval moet de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde zijn gegaan om de terugbetaling te rechtvaardigen.

E. Artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik wederuitgevoerd is naar de buiten de Gemeenschap gevestigde leverancier of naar de door de leverancier aangewezen bestemming buiten de Gemeenschap, zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.

Ingevolge die bepaling kan er in beginsel geen teruggaaf plaatsvinden wanneer de prijs waarvoor het goed wordt teruggenomen niet precies de prijs is waarvoor het oorspronkelijk werd verkocht.

De administratie aanvaardt echter dat geen van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen wanneer voor het gebruik van het goed aan de leverancier een vergoeding zou worden betaald die wordt vastgesteld in functie van de werkelijke gebruiksduur van het goed en die in geen geval meer bedraagt dan de brutowinst die de leverancier heeft gemaakt bij de oorspronkelijke verkoop van het goed.

Die bepaling staat de teruggaaf toe zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de belaste handeling. Alleen het materiële feit van de terugzending en het ontbreken van enig geldelijk voordeel moet worden aangetoond (zie ook aanschrijving nr. 78-2/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970).

F. Artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten, als gevolg van overmacht of van ongeval is vernietigd, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest.

G. Artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest.

H. Artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd en het goed is wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap of onder ambtelijk toezicht is vernietigd.

4. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting betaald bij de verwerving en invoer van een automobiel voor personenvervoer teruggegeven mits die automobiel niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek en wordt gekocht door één van nagenoemde personen om door hem als persoonlijk vervoermiddel te worden gebruikt:

•militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % genieten

•personen die volledig blind zijn,

•personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of waarvan de bovenste ledematen zijn geamputeerd

•personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.

De bepalingen van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek vinden uiteraard enkel toepassing ten aanzien van de btw die in België opeisbaar is geworden. Worden aldus beoogd: de levering, de intracommunautaire verwerving of de invoer van een auto aan of door voornoemde invaliden of gehandicapten die respectievelijk op basis van de bepalingen van de artikelen 14, 23 en 25quinquies van voornoemd Wetboek in België plaatsvindt (zie ook Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting – Afdeling 3 – Rubriek 22).

Op te merken valt dat slechts de btw betaald voor de verkrijging of de invoer van het voertuig wordt teruggegeven, en niet de btw die werd betaald voor onderdelen, uitrustingsstukken en toebehoren voor onderhouds- en herstellingswerk noch voor andere leveringen of invoeren (benzine, smeermiddelen …) of diensten (parkeerkosten …) met betrekking tot dat voertuig. De belasting die geheven werd van de levering kan evenmin worden teruggegeven wanneer het voertuig werd gekocht bij een belastingplichtige-wederverkoper met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek.

Het voordeel van deze bepaling kan bovendien slechts worden ingeroepen voor één enkele auto tegelijk en veronderstelt het gebruik van het verkregen voertuig door de verkrijger als persoonlijk vervoermiddel gedurende een periode van 3 jaar. Indien de auto gedurende deze periode voor andere doeleinden wordt aangewend, of wordt afgestaan door de begunstigde, is deze gehouden de belasting die hem werd teruggegeven tot het passende beloop terug te storten naar verhouding van de nog te lopen tijd tot het verstrijken van de 3-jarige periode.

Het begrip ‘gebruik als persoonlijk vervoermiddel’ in het kader van de gunstregeling voor bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten wordt uitvoering toegelicht in circulaire 2019/C/23 van 13.03.2019 betreffende het begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel' in het kader van de gunstregeling inzake Btw voor autovoertuigen van bepaalde invaliden en gehandicapten (nr. E.T.122.470).

5. Teruggaaf op grond van artikel 77bis van het Btw-Wetboek

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 77bis, van het Btw-Wetboek wordt, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, teruggaaf verleend ‘wanneer, in het artikel 25quinquies, § 4, bepaalde geval de door een niet-belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan België de btw betaald in geval van invoer van de goederen in België, teruggegeven aan de invoerder, in de mate dat laatstgenoemde aantoont dat de intracommunautaire verwerving die hij verricht aan de belasting werd onderworpen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen’.

Wanneer een niet-belastingplichtige rechtspersoon goederen buiten de Gemeenschap aankoopt die bestemd zijn om via België, waar ze met betaling van btw worden ingevoerd, naar een andere lidstaat te worden vervoerd of verzonden, worden die goederen, overeenkomstig artikel 25quinquies, § 4, van het Btw-Wetboek, geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit België, zodat die handeling aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer.

Wanneer die intracommunautaire verwerving de btw opeisbaar maakt in die lidstaat van aankomst, dan heeft de niet-belastingplichtige rechtspersoon tweemaal btw betaald op zijn aankoop van goederen. In dat geval bepaalt artikel 77bis van het Btw-Wetboek dat de btw die de niet-belastingplichtige rechtspersoon bij de inverbruikstelling in België heeft voldaan wordt teruggegeven voor zover die persoon aantoont dat de intracommunautaire verwerving die hij verricht aan de btw werd onderworpen in de lidstaat van bestemming.

Afdeling 4 - Rechthebbende op de teruggaaf

De rechthebbende op teruggaaf is in de regel diegene die de belasting over de toegevoegde aan de staat heeft voldaan en dit mits de daartoe te vervullen voorwaarden zijn voldaan.

Niettemin worden hierna tevens enkele gevallen toegelicht waarbij de belasting kan worden teruggegeven aan iemand anders dan degene die ze aan de staat heeft voldaan.

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

De in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de belastingplichtige indiener van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, van voornoemd Wetboek die aanspraak op aftrek heeft en die door bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de aftrekbare btw meer bedraagt dan de verschuldigde btw en die aan de voorwaarden van artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voldoet.

Het verzoek tot teruggaaf moet gebeuren door voornoemde belastingplichtige of door zijn aansprakelijke vertegenwoordiger (3) beoogd in de bepalingen van artikel 55, §§ 1 tot en met 3, van het Btw-Wetboek.

(3) De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van voornoemd Wetboek. Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.

Worden aldus onder meer beoogd de belastingplichtigen die handelingen verrichten beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Btw-Wetboek en lasthebbers of makelaars die dergelijke handelingen verrichten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek de van voornoemde handelingen geheven voorbelasting in aftrek mogen brengen telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of wanneer betreffende handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek

De in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de in dat artikel bedoelde belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – punt 1 – rubriek B) die kan aantonen dat de teruggevraagde btw voor aftrek in aanmerking komt.

Worden onder meer beoogd de niet in België gevestigde belastingplichtigen die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben en die niet beschikken over een rechtstreekse identificatie (zie circulaire 2022/C/99 van 10.04.2022 betreffende het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en het koninklijk besluit van 10.04.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 31 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 139.514), aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009.

De teruggaaf geschiedt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd, wanneer het een belastingplichtige betreft gevestigd in een andere lidstaat dan België, alsook wanneer het een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige betreft. De modaliteiten daartoe worden bepaald in koninklijk besluit nr. 56, voornoemd en in de artikelen 9, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1bis en 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek

De in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de in dat artikel bedoelde belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – punt 1 – rubriek C) die kan aantonen dat de teruggevraagde btw voor aftrek in aanmerking komt, zijnde onder meer:

•de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen of gedeelten van gebouwen en het bijhorend terrein vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van artikel 8 van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege maar moeten uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen en afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5 van dit hoofdstuk).

•de personen of groeperingen die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair leveren ingevolge de bepalingen van artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige van rechtswege en dienen er aldus niet uitdrukkelijk voor te opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen). Op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek kunnen zij binnen de grenzen bepaald in artikel 45, § 1bis, van voornoemd Wetboek teruggaaf bekomen. In de regel kan deze teruggaaf worden bekomen door middel van de indiening van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte van de belasting geheven van de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen die onder de voorwaarden bepaald in artikel 39bis van het Btw-Wetboek worden geleverd. Deze aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek vervuld zijn op het tijdstip van het indienen van deze aangifte. Wanneer dit niet het geval is dient een aanvraag om teruggaaf te worden ingediend overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is de rechthebbende op de teruggaaf degene die de belasting aan de staat heeft voldaan.

Voor wat de binnenlandse handelingen en de intracommunautaire verwervingen van goederen betreft, is dit aldus:

•hetzij de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die de terug te geven belasting heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in de aangifte en die deze belasting aan de schatkist heeft gestort, wanneer het gaat om handelingen gesteld door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die naargelang het geval, gehouden is tot de indiening van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2 of artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek

•hetzij, voor de andere gevallen, de persoon die kan aantonen dat hij op een regelmatige wijze de btw aan de schatkist heeft betaald.

De administratie mag overeenkomstig artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, echter in bepaalde gevallen van de hiervoor vastgestelde regels afwijken. Deze bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Bijvoorbeeld aan een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling beoogd in het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de biezondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.

B. Kredietverzekeringsmaatschappijen

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 09.02.2023 in zaak C-482/21(Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Euler Hermes SA Magyarországi Fióktelepe tegen Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága, zaak C-482/21, van 09.02.2023) vloeien twee gevolgen voort.

Enerzijds dient in hoofde van de btw-belastingplichtige die een kredietverzekeringsovereenkomst heeft afgesloten te worden geoordeeld dat de door de kredietverzekeraar aan de verzekerde belastingplichtige toegekende vergoeding moet worden beschouwd als een deel van de tegenprestatie die de verzekerde belastingplichtige verkrijgt voor de door hem verrichte belastbare handelingen. Met andere woorden moet de door de kredietverzekeraar uitgekeerde schadevergoeding worden beschouwd als een betaling door een derde in de zin van artikel 26 van het Btw-Wetboek.

Voor het deel van de vordering dat aldus wordt vergoed, is er bijgevolg geen verlies van de schuldvordering van de prijs in hoofde van de verzekerde belastingplichtige en ontstaat er in zijn hoofde aldus geen recht op teruggaaf in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek. Anderzijds verleent deze gedeeltelijke vergoeding die wordt gelijkgesteld met een betaling door een derde, aan de kredietverzekeraar geen recht op teruggaaf in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek, ongeacht of deze gedeeltelijke vergoeding op de btw betrekking heeft en zelfs indien hij wettelijk in de rechten van de verzekerde is gesubrogeerd.

In de praktijk is het vanaf de inwerkingtreding van nagenoemde circulaire 2024/C/80 enkel nog de btw-plichtige die een kredietverzekeringsovereenkomst heeft afgesloten die gerechtigd is om het recht op teruggaaf uit te oefenen dat is voorzien in artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek (zie ook Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Mokoryte SRL, zaak T-233/25, van 22.04.2026, punten 39 tot en met 45)). Dit recht op teruggaaf zal echter in omvang beperkt zijn. Gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit, dat bepaalt dat de aan de fiscale administratie betaalde btw precies evenredig moet zijn aan de prijs die de belastingplichtige die de betrokken belastbare handelingen heeft verricht daadwerkelijk heeft ontvangen, zal een btw-plichtige die een kredietverzekeringsovereenkomst heeft gesloten, slechts aanspraak kunnen maken op teruggaaf van de btw die is begrepen in het deel van de schildvordering dat niet door de kredietverzekeraar is vergoed.

Indien de schuldeiser bijvoorbeeld een definitief verloren schuldvordering heeft van 100,00 euro (exclusief btw) + 21,00 euro (btw), en door de kredietverzekeraar wordt vergoed tot beloop van 80,00 euro (de verzekeraar dekt verliezen tot 80 % van de schuldvorderingen exclusief btw), kan de verzekerde slechts aanspraak maken op de teruggaaf van de btw die in het deel van de vordering dat niet werd vergoed is begrepen, dat wil zeggen 41,00 euro (121,00 euro – 80,00 euro), wat neerkomt op 7,12 euro (41,00 - (41,00/1,21)) terug te geven btw.

In elk geval zal een kredietverzekeraar die zijn verzekerde heeft vergoed en in zijn rechten is gesubrogeerd, nooit een recht op teruggaaf kunnen uitoefenen met betrekking tot de schuldvorderingen die door de kredietverzekeringsovereenkomst zijn gedekt, en dit ongeacht of de kredietverzekeringsovereenkomst de btw al dan niet dekt.

Voor een meer omstandige toelichting wordt verwezen naar circulaire 2024/C/80 van 11.12.2024 betreffende het recht op teruggaaf in hoofde van de kredietverzekeringsmaatschappij en in hoofde van de begunstigden van deze kredietverzekeringscontracten in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs (nr. E.T. 141.406). Voornoemde circulaire heft de beslissingen nr. E.T.112.070 van 15.05.2007 en nr. E.T.112.070/2 van 10.08.2007, alsook de eerste zeven paragrafen van beslissing nr. E.T.56.795 van 04.12.1987 op.

C. Factoringmaatschappijen

Inzake de overdracht van schuldvordering wordt de overnemer − meestal een factoringmaatschappij − eigenaar van de schuldvordering ingevolge de overdracht ervan die in de regel door endossement van de factuur wordt vastgesteld en zelfs tegen derden kan worden ingeroepen (zie artikel 13, eerste lid, en artikel 16, derde lid, van de wet van 31.03.1958). In die omstandigheden is het de overnemer van de schuldvordering die bij geheel of gedeeltelijk verlies van de vordering van de prijs krachtens artikel 77, § 1, 7, van het Btw-Wetboek aanspraak kan maken op teruggaaf van de btw (voorlaatste en laatste paragraaf van beslissing nr. E.T. 56.795 van 04.12.1987).

5. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek

Krachtens artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf van bij invoer betaalde belasting verleend aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting in zijnen hoofde vaststelt.

Voor de goederen ingevoerd met verlegging van de heffing naar het binnenland, is de rechthebbende de belastingplichtige die de wegens invoer verschuldigde belasting in rooster 57 van zijn periodieke btw-aangifte heeft opgenomen en die de belasting waarvan die aangifte de opeisbaarheid vaststelt, heeft voldaan.

Bij toepassing van het derde lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4,voornoemd, mag de administratie echter in bepaalde gevallen afwijken van deze regels. Die bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Zo kan teruggaaf worden verleend aan de aangever die de btw heeft voldaan in naam en voor rekening van de geadresseerde, wanneer het invoerdocument dat aan de douane werd voorgelegd om de betaling van btw vast te stellen moet worden geannuleerd. Dat is onder meer het geval wanneer de ingevoerde goederen door de geadresseerde worden geweigerd en ze door de aangever naar een plaats buiten de Gemeenschap worden wederuitgevoerd, of nog, wanneer de aangever, voordat hij de gevalideerde aangifte ten verbruik aan de geadresseerde toezendt, vaststelt dat de aangifte fouten bevat en moet worden vervangen.

De hierboven geschetste situatie mag echter niet worden verward met deze waarin de aangever, na de bij invoer verschuldigde btw te hebben betaald voor rekening van een klant die failliet werd verklaard, nog steeds in het bezit is van het invoerdocument. In dat geval kan de aangever noch bij toepassing van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek, noch bij toepassing van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aanspraak maken op teruggaaf. Bijvoorbeeld wanneer de aangever in het bezit is van de gevalideerde invoeraangifte en de geadresseerde weigert (om welke reden ook) het (voorgeschoten) btw-bedrag te betalen aan de aangever.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek evenwel niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen. Wanneer de bedoelde teruggaaf betrekking heeft op de invoer van een bedrijfsmiddel of van een ander goed waarvoor de bij de invoer voldane belasting slechts gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht, is de geadresseerde die de teruggaaf bekomt ertoe gehouden de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin hij ze oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht. Die terugstorting vindt plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting dat is verschuldigd over het aangiftetijdvak waarin de teruggaaf wordt bekomen.

6. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek

De teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek wordt verleend aan de invalide of gehandicapte die bij de verkrijging of bij de invoer van een auto voldoet aan alle voorwaarden gesteld om te kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief, voorzien in tabel A, rubriek XXII, eerste afdeling, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.

Geen enkele bepaling maakt teruggaaf mogelijk van de btw geheven naar aanleiding van omvormingswerken aan een dergelijk voertuig.

Wanneer evenwel het voertuig, ingevolge het verkoopcontract, door de verkoper van de wagen of door een derde die handelt voor rekening van de verkoper wordt omgevormd, vormt de kostprijs van de omvorming een element van de prijs van de levering van het aangepaste voertuig en wordt zij als dusdanig belast. De belasting geheven op het gedeelte van de prijs dat overeenstemt met de waarde van de omvormingswerken kan dan op grond van voornoemd artikel 77, § 2, worden teruggegeven. Indien de omvormingswerken worden verricht voor rekening van de invalide, ingevolge een afzonderlijke overeenkomst - bijvoorbeeld door een derde of na de levering van het voertuig - is de btw verschuldigd zonder mogelijkheid tot teruggave (schriftelijke parlementaire vraag nr. 290 van de heer Volksvertegenwoordiger David Geerts van 11.01.2010).

Afdeling 5 - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.

Het is immers van wezenlijk belang om de dag waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat juist te bepalen. Dit is immers de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf kan worden ingesteld maar eveneens de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 82, van het Btw-Wetboek begint te verjaren. Ingevolge de bepalingen van artikel 82bis, van voornoemd Wetboek verjaart deze vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek

Wanneer het recht op teruggaaf haar oorzaak vindt in de indiening van een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek waarin het bedrag van de aftrekbare en voor teruggaaf vatbare btw hoger is dan de verschuldigde btw, dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van voornoemde aangifte.

Voor verdere toelichting aangaande de verjaring van deze vordering wordt verwezen naar Boekwerk VII: Controle en navordering van de belasting - Hoofdstuk 19: Verjaringen – Afdeling 11 – rubriek C: Eindpunt van de verjaringstermijn.

Vindt een recht op teruggaaf daarentegen haar oorzaak in de indiening van een bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van deze aangifte mits aan alle voorwaarden van artikel 83, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is voldaan.

Ten aanzien van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan in dat tijdvak.

2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek

A. Algemeen

In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 2) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:

•wanneer de betaalde belasting het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is, op de datum van betaling (artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek). Als ‘datum van betaling’ wordt aangemerkt, de datum waarop de belastingplichtige de verschuldigde belasting aan de Staat betaalt.

•wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan of wanneer de leverancier de medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingsmiddelen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend, op de datum waarop de prijsvermindering wordt toegestaan of op de datum waarop de creditnota door de leverancier aan de medecontractant wordt uitgereikt (artikel 77, § 1, 2° en 3°, van het Btw-Wetboek)

•wanneer de overeenkomst voor de levering of voor de uitvoering van de dienst verbroken is, op de datum waarop de partijen overeenkomen over de verbreking (artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek)

•wanneer de overeenkomst minnelijk vernietigd of ontbonden is, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)

•wanneer de overeenkomst door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is op de datum waarop het vonnis of het arrest, waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)

•wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen op de datum waarop wordt aangetoond dat het goed is teruggenomen (artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek)

•in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, op de datum waarop het verlies als zeker mag worden beschouwd. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het geleden verlies op de winst- en verliesrekening werd ingeschreven nadat alle middelen van verhaal zijn uitgeput (artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek).

Wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek moet de leverancier of de dienstverrichter overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.

De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

In de regel moet de leverancier of de dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek aan de staat het bedrag van de belasting terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag en dit indien de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Dit gebeurt door het opnemen van het bedrag van de verschuldigde belasting in de aangifte met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen. Voor wat de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie betreft, wordt hiervan evenwel afgeweken (zie ook rubriek B hierna).

B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie

a. Algemeen

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een

gerechtelijke reorganisatie:

•in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan

•in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord

•op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd.

De hiervoor beoogde schuldvorderingen worden derhalve in principe vanaf betreffende data - opgenomen in de bepalingen van voornoemd artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 - geacht blijvend te zijn verminderd in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek. De administratie gaat ervan uit dat de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van voornoemd Wetboek in deze niet van toepassing zijn daar zij enkel de situaties beogen waarin de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden én later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Een uitzondering hierop is echter het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag worden gesteld en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.

De leverancier of de dienstverrichter is overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek in de hiervoor beoogde gevallen evenwel steeds gehouden aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord

De wet van 31.01.2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen werd met ingang van 01.05.2018 opgeheven, en werd vervangen door de wet van 11.08.2017 houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht (BS 11.09.2017)

Vooreerst wordt benadrukt dat het navolgende uitsluitend van toepassing is in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.67 en volgende van het Wetboek van economisch recht (hierna WER) wordt in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord voorzien in het opstellen van een reorganisatieplan waarin de rechten van alle personen die titularis zijn van schuldvorderingen in de opschorting of van schuldvorderingen die zullen ontstaan ten gevolge van de stemming of de homologatie van het reorganisatieplan (artikel XX.71 van het WER )worden beschreven. Betreffend reorganisatieplan vermeldt daarenboven onder andere de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten (artikel XX.72 van het WER). Hierbij mag het voor elke schuldeiser uitgebrachte betalingsvoorstel in principe niet minder bedragen dan 20 % van het bedrag van de schuldvordering (artikel XX.73 van het WER). Dienaangaand verduidelijkt artikel I.22, 11°, van het WER (Definities eigen aan boek XX) dat met de term schuldvorderingen in de opschorting worden bedoeld ‘de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen’.

Volledigheidshalve wordt evenwel opgemerkt dat betreffend reorganisatieplan wordt geacht goedgekeurd te zijn door de schuldeisers wanneer de meerderheid van hen, vertegenwoordigd door hun schuldvorderingen, de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen, voor stemmen (artikel XX.78 van het WER)

Het voorgaande heeft voor gevolg dat een eventuele schuld inzake btw die ten aanzien van de administratie ontstaat ingevolge de stemming van het reorganisatieplan of ingevolge de homologatie ervan door de daartoe bevoegde insolventierechtbank, dient te worden aangemerkt als een schuld in de opschorting in de zin van de bepalingen van voornoemd artikel I.22, 11°, van het WER en aldus overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd in dezelfde mate als de schuldvordering waarop zij betrekking heeft. Deze benadering sluit tevens aan bij het door het Hof van justitie van de Europese Unie gewezen arrest van 07.04.2016 in de zaak C-546/14, Degano Trasporti Sas di Ferrucio Degano & C..

Op dezelfde manier als in subrubriek a., is de leverancier of de dienstverrichter (in casu de schuldeiser) overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden aan de medecontractant (in casu de schuldenaar) een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. Terzelfdertijd verricht de medecontractant in rooster 62 een regularisatie in zijn voordeel ten belope van de vermindering die deze btw als schuld in de opschorting kent.

Voorbeelden

•Een belastingplichtige schuldenaar (hierna A genaamd) heeft een openstaande schuld ten bedrage van 12.100,00 euro (= 10.000,00 euro + 2.100,00 euro btw) bij zijn belastingplichtige leverancier (hierna B genaamd) en beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord. Bij de opening van betreffende procedure is de Belgische Staat (in casu de btw-administratie) geen houder van een reeds op dat ogenblik bestaande schuldvordering ten opzichte van A. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat A de voorbelasting (in casu 2.100,00 euro) geheel in aftrek heeft gebracht.

Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank worden alle schulden in de opschorting in de zin van artikel I.22, 11°, van het WER verminderd met één derde.

Dientengevolge wordt de openstaande schuldvordering verminderd tot 8.066,67 euro (= 6.666,67 EUR + 1.400,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 700,00 euro (= 1/3 van 2.100 euro) in hoofde van B die een creditnota ten bedrage van 4.033,33 euro (= 3.333,33 euro + 700,00 euro btw) uitreikt aan A. Derhalve is A overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 700,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens A ontstaat.

Deze in hoofde van A ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met, in casu, één derde. Derhalve dient voornoemde schuldvordering van 700,00 euro te worden verminderd met één derde, zijnde 233,33 euro, tot 466,67 euro.

Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld, dient enerzijds door A te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 700,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (A) wordt opgenomen voor een bedrag van 233,33 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door B te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt.

•Een belastingplichtige schuldenaar (hierna X genaamd) beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord en heeft meerdere openstaande schulden bij verschillende leveranciers en bij de Belgische Staat, zijnde:

•bij leverancier Y ten bedrage van 36.300,00 euro (= 30.000,00 euro + 6.300,00 euro btw)

•bij leverancier Z ten bedrage van 24.200,00 euro (= 20.000,00 euro + 4.200,00 euro btw)

30.000,00 euro aan achterstallige belastingen (vennootschapsbelasting en btw) ten voordele van de Belgische Staat.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat X de voorbelasting geheel in aftrek heeft gebracht.

Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank wordt in een gedifferentieerde behandeling van de verschillende schuldeisers voorzien en worden betreffende schuldvorderingen in de opschorting respectievelijk verminderd met navolgende percentages:

•openstaande schulden bij leverancier Y met 20 %

•openstaande schulden bij leverancier Z met 40 %

•openstaande schulden bij de Belgische Staat met 20 %.

Bij wijze van verduidelijking wordt in deze de behandeling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde weergegeven voor wat de openstaande schulden bij leverancier Z betreft. In gevolge de homologatie van voornoemd reorganisatieplan wordt betreffende openstaande schuld verminderd tot 14.520,00 euro (= 12.000,00 euro + 2.520,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 1.680,00 euro (= 40 % van 4.200,00 euro) in hoofde van Z die een creditnota ten bedrage van 9.680,00 euro (= 8.000,00 euro + 1.680,00 euro btw) uitreikt aan X. Derhalve is X overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 1.680,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens X ontstaat.

Deze in hoofde van X ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met 40 %, meer bepaald met hetzelfde percentage als hetgeen van toepassing is op de schuldvordering in de opschorting waarop zij betrekking heeft. Derhalve dient voornoemde in hoofde van X ontstane schuld van 1.680,00 euro te worden verminderd met 40 %, zijnde 672,00 euro, tot 1.008,00 euro. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze vermindering aldus geenszins wordt beïnvloed door het respectievelijke percentage, in casu 20 %, dat van toepassing is ten aanzien van de schulden die X heeft openstaan bij de Belgische Staat.

Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld dient enerzijds door X te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 1.680,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (X) wordt opgenomen voor een bedrag van 672,00 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door Z te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt voor een bedrag van 1.680,00 euro.

C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.

Tot en met 30.04.2018 was de faillissementswet van 08.08.1997 (BS 28.10.1997) van toepassing.

Artikel 11 van voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 bepaalt dat de rechtbank van koophandel bij voornoemd vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, een rechter- commissaris benoemt. Betreffende rechtbank stelt tevens één

of meer curators aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt in voorkomend

geval een plaatsopneming door de rechter-commissaris, de curators en de griffier. Zij beveelt dat

de schuldeisers van de gefailleerde ter griffie aangifte van hun vordering zullen doen binnen een

termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van voornoemde Wet.

Met ingang van 01.05.2018 werd voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 opgeheven, onder

voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die liepen op 01.05.2018, en

werd deze vervangen door de Wet van 11.08.2017 (BS 11.09.2017) houdende invoeging van het

Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende

invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan

Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht.

Artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat de insolventierechtbank in het

vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, één of meerdere rechterscommissarissen benoemt. De insolventierechtbank stelt een of meer curatoren aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel

XX.107. Hetzelfde vonnis bepaalt de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de

schuldvorderingen in het register wordt neergelegd. Dit tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste

vijf en ten hoogste dertig dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de

schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie.

Uit de samenlezing van hetgeen voorafgaat volgt aldus dat de vordering tot teruggaaf met

betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement ontstaat op de datum van het vonnis van faillietverklaring en dat één of meerdere curators bij datzelfde vonnis worden aangesteld. Daarenboven verduidelijken voornoemd artikel 11 van de faillissementswet en artikel XX.104 van het Wetboek economisch recht dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering dienen te doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring.

Tot slot wordt opgemerkt dat in geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, de leverancier of de dienstverrichter niet gehouden is aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt.

3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek

In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titels 3 en 5) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:

•wanneer de betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft (artikel 77, § 1bis, 1, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop die belasting werd betaald

•wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan (artikel 77, § 1bis, 1, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt

•wanneer de verpakking naar een plaats buiten de Gemeenschap wordt teruggezonden (artikel 77, § 1bis, 2, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt

•wanneer de overeenkomst minnelijk of door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is (artikel 77, § 1bis, 3, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de goederen worden wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, of, indien de goederen vóór de vernietiging of ontbinding werden wederuitgevoerd, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding, of ook, op de datum waarop het vonnis of het arrest waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan

•wanneer het goed binnen zes maanden werd wederuitgevoerd (artikel 77, § 1bis, 4, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap

•wanneer het goed werd vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (artikel 77, § 1bis, 5, van het Btw-Wetboek), op de datum van de vernietiging

•wanneer het goed na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder een regeling bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5, van het Wetboek (artikel 77, § 1bis, 6, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de belasting werd betaald

•wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd (artikel 77, § 1bis, 7, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap of de vernietiging van het goed

•wanneer de niet-belastingplichtige rechtspersoon aantoont dat hij een aan de belasting onderworpen intracommunautaire verwerving heeft verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de ingevoerde goederen (artikel 77bis, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de aan de btw onderworpen verwerving heeft plaatsgevonden.

4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek

De in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4) bedoelde vordering tot teruggaaf ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, namelijk op de datum waarop de rechthebbende de belasting ter zake van de verkrijging van het voertuig heeft voldaan in handen van de verkoper of op de datum waarop de wegens de intracommunautaire verwerving of wegens de invoer verschuldigde btw werd voldaan.

Voor de oorlogsinvaliden is het genieten van een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % een essentiële voorwaarde om de teruggaaf te bekomen.

Wanneer aan een oorlogsinvalide een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % wordt toegekend, of wanneer zijn invaliditeitspensioen op 50 % of meer wordt gebracht met terugwerkende kracht tot op een tijdstip dat de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer voorafgaat, ontstaat de vordering tot teruggaaf op de datum van betekening aan de betrokkene van de beslissing waarbij het invaliditeitspensioen wordt toegekend of het percentage van de invaliditeit wordt verhoogd.

De vordering tot teruggaaf kan, overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, worden uitgeoefend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek

Voor de in artikel 8, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 1 – rubriek B hiervoor en Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen) doet de oorzaak van de vordering tot teruggaaf zich voor op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt over de volledige maatstaf van heffing wat betreft de belasting die op dat tijdstip reeds aftrekbaar is, en op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat wat betreft de belasting waarvoor de belastingplichtige slechts schuldenaar wordt na de datum waarop de btw opeisbaar wordt over de volledige maatstaf van heffing (zie ook artikelen 2 en 5 van koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen).

6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie

De vordering tot teruggaaf van belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten voldaan op verzoek van de administratie ontstaat op de datum waarop die sommen zijn betaald.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de fiscale geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, in afwijking van artikel 5, § 1, van dat koninklijk besluit, niet plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen.

De vordering tot teruggaaf van die belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten is niet afhankelijk van het vervullen van de bij artikel 4 van dat besluit bepaalde formaliteiten. Zij moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaald in artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, bij een verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies van dat Wetboek.

Afdeling 6 - Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf

Bij het toelichten van de modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf wordt een onderscheid gemaakt al naar het gelang het een teruggaaf betreft aan een belastingplichtige of niet-belastingplichtige persoon die hetzij gehouden is tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, hetzij tot het indienen van een bijzondere aangifte in de zin van artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek, dan wel een teruggaaf aan een andere persoon.

1. Teruggaaf aan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

A. Principe: inschrijving van het belastingoverschot op de Provisierekening btw

Op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde wordt de belasting waarvoor het recht op aftrek wordt uitgeoefend, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, samengevoegd met de bij toepassing van artikel 77, § 1 en 1bis, van het Btw-Wetboek terug te geven bedragen om te bepalen of het eindresultaat van de aangifte een aan de staat te storten bedrag is dan wel een overschot ten gunste van de belastingplichtige. De bedragen die om welke reden ook moeten worden teruggegeven, worden toegerekend op het bedrag van de btw die door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon voor het aangiftetijdvak is verschuldigd. De toerekening is echter niet toegestaan voor de belasting, nalatigheidsinteresten en fiscale geldboeten die worden voldaan op verzoek van de administratie. Die bedragen mogen in geen geval in een aangifte voorkomen (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

Wanneer tijdens het aangiftetijdvak het af te trekken bedrag meer bedraagt dan dat van de verschuldigde belasting ter zake van de door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten, wordt het overschot waarvoor geen teruggaaf is gevraagd overeenkomstig artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek ingeschreven op de Provisierekening btw (artikel 47, tweede lid, artikel 76, § 1, vijfde lid, en artikel 83bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4).

Vóór 01.02.2025 was het principe dat dat overschot werd overgebracht naar het volgende aangiftetijdvak (artikel 47, tweede lid (oud), van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 1, eerste lid (oud), van het koninklijk besluit nr. 4).

De inschrijving op de Provisierekening btw zal slechts plaatsvinden indien dat bedrag het door de Koning bepaalt minimumbedrag (2,50 euro) bereikt.

Onder het drempelbedrag van 2,50 euro wordt het belastingoverschot noch teruggestort, noch ingeschreven op de Provisierekening btw (zie artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

De inschrijving op de Provisierekening btw zal bovendien slechts plaatsvinden voor zover het tegoed niet wordt aangewend of ingehouden (zie titel I. 'De aanwending en de inhouding van het belastingoverschot', hierna).

B. Afwijking: teruggaaf op uitdrukkelijk verzoek

In afwijking op het principe dat het eindresultaat in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek wordt ingeschreven op de Provisierekening btw wordt dat eindresultaat, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden en modaliteiten, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn in artikel 55, §§ 1 of 2, van datzelfde Wetboek bedoelde aansprakelijk vertegenwoordiger teruggegeven (artikel 76, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Indien het een belastingplichtige betreft die wordt vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon, wordt het verzoek bedoeld in het eerste lid van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek ingediend door die vooraf erkende persoon (artikel 76, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek).

De belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) vraagt de bedoelde teruggaaf aan bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot kan worden teruggegeven door een uitdrukkelijke vermelding aan te brengen in de in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van het tijdvak (artikel 81, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

De belastingplichtige die de periodieke aangifte indient op elektronische wijze doet dit verzoek in een tabblad van de applicatie Intervat. De belastingplichtige die ontheven is van de verplichting tot het indienen van de periodieke aangifte op elektronische wijze in toepassing van artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 en de aangifte indient op papier doet dit door het aanbrengen van een kruisje in het daartoe bestemde vak ('Aanvraag om terugbetaling') van deze aangifte.

De door de belastingplichtige ingediende aangifte waarin die vermelding is aangebracht geldt als aanvraag tot teruggaaf.

C. Draagwijdte van de aanvraag om teruggaaf

Vanaf de inwerkingtreding op 01.02.2025 van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek geldt de aanvraag om teruggaaf via de periodieke aangifte nog slechts voor het in deze aangifte vastgestelde belastingoverschot (bedrag opgenomen in rooster 72 van de desbetreffende aangifte).

Volgens artikel 76, § 1 (oud), van het Btw-Wetboek leidde de aanvraag om teruggaaf, wanneer de voorwaarden voor teruggaaf zijn vervuld, niet alleen tot de teruggaaf van het in de aangifte vastgestelde overschot, maar tevens van al de tot op dat moment gecumuleerde overschotten op de rekening-courant alsook van de daarop ingeschreven betalingen (voor zover deze bedragen althans niet werden gecompenseerd met in de rekening-courant ingeschreven schulden). Wegens de afschaffing van de rekening-courant is dit niet langer het geval.

Het verzoek tot teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 strekt zich bijgevolg niet uit tot de bedragen ingeschreven in de Provisierekening btw.

Bij wijze van overgangsmaatregel geldt dat het verzoek tot terugbetaling van het overschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte verricht in een aangifte ingediend na de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving inzake teruggaaf maar vóór 01.05.2026 ervoor zorgt dat alle opgebouwde belastingoverschotten, inclusief de vooruit gestorte en niet toegewezen betalingen, worden terugbetaald aan de belastingplichtige die via de aangifte om de teruggaaf heeft verzocht. Deze maatregel stelt belastingplichtigen in staat om gedurende deze overgangsperiode zowel zijn vooruit gestorte betalingen als zijn opgebouwde btw-kredieten terug te krijgen, waarvan de terugbetaling niet eerder via de aangifte was gevraagd, evenals het krediet van de aangifte zelf waaruit het belastingoverschot blijkt.

D. Opheffing van de stelsels maandelijkse teruggaaf

Vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek en artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 worden alle stelsels van vergunningen voor maandelijkse teruggaaf afgeschaft.

De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van maandaangiften hebben, bij wijze van algemene regel en dus zonder enigerlei vorm van voorafgaande vergunning, recht op de maandelijkse teruggaaf van het btw-overschot dat blijkt uit een dergelijke aangifte, wanneer aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan. Deze belastingplichtigen kunnen voortaan bijgevolg elke maand om de teruggaaf van dat overschot verzoeken.

Volgende circulaires of titels van circulaires zijn opgeheven:

•de circulaire AOIF nr. 9/2009 (nr. E.T.115.806) van 03.03.2009 (klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf)

•de circulaire 2019/C/128 van 11.12.2019 betreffende de teruggaven inzake btw aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen (nr. E.T. 136.371) (bijzondere regeling maandelijkse teruggaaf voor starters)

•de circulaire 2022/C/54 van 20.05.2022 betreffende de invoering van een stelsel van maandelijkse teruggaaf voor bepaalde belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn openbare dienstverplichtingen te vervullen (nr. E.T. 139.150) (bijzondere regeling maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn één of meer openbare dienstverrichtingen te vervullen)

•titel 3 van de circulaire 2022/C/35 van 31.03.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf btw (nr. E.T. 139.100)

E. Voorwaarden voor de teruggaaf

Wanneer volgens de gegevens van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke aangifte, het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag op uitdrukkelijk verzoek teruggegeven onder de voorwaarden bepaald in artikel 81, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4.

Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan wordt het overschot, net zoals dat het geval is indien geen teruggaaf is gevraagd, behoudens inhouding of aanwending en voor zover het 2,50 euro bereikt, ingeschreven op de Provisierekening btw.

De voorwaarden hieronder zijn van toepassing zonder onderscheid naargelang het gaat om een maandaangever of een kwartaalaangever.

Bedoelde voorwaarden zijn bovendien van toepassing zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige gehouden is de aangifte in te dienen langs elektronische weg in toepassing van artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 of ontheven is de aangifte in te dienen langs elektronische weg in toepassing van artikel 18, § 2, van datzelfde koninklijk besluit.

Voor de toepassing van de voorwaarden moet bovendien geen onderscheid worden gemaakt naargelang het aangiftetijdvak van de aangifte waaruit het belastingoverschot blijkt: de voorwaarden zijn van toepassing ongeacht of het overschot blijkt uit de aangifte met betrekking tot de handelingen van het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, de eerste drie kalenderkwartalen van het kalenderjaar, de laatste maandaangifte van de eerste drie kalenderkwartalen van het jaar of een maandaangifte met betrekking tot een ander aangiftetijdvak.

Minimumbedrag

Het door de Staat verschuldigd bedrag moet 50,00 euro bereiken (artikel 81, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4).

Behoudens aanwending of inhouding wordt, wanneer het door de Staat verschuldigd bedrag geen 50,00 euro bereikt, het bedrag ingeschreven op de Provisierekening btw indien het althans 2,50 euro bereikt.

Onder het drempelbedrag van 2,50 euro wordt het belastingoverschot noch teruggestort, noch ingeschreven op de Provisierekening btw (zie artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Bankrekeningnummer

De teruggaven voorzien in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 van het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke maand- of kwartaalaangifte geschiedt rekening houdend met de bankgegevens, inclusief IBAN en BIC zoals vermeld in de aangifte van aanvang of wijziging activiteit bedoeld in artikel 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 10 (artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4).

Dit houdt in dat de desbetreffende teruggaven geschieden rekening houdend met de aan de administratie meegedeelde bankgegevens vermeld in de informatieve aangifte 'Aanvraag tot btw-identificatie' (formulier E604A) of de informatieve aangifte 'Wijziging btw-identificatie' (formulier E604B).

De teruggaaf kan slechts plaatsvinden indien de belastingplichtige zijn bankrekeningnummer (tijdig) heeft meegedeeld middels het formulier E604A of E604B aan de administratie.

Deze inlichtingen kunnen ook aan de bevoegde dienst van de administratie waaronder de belastingplichtige ressorteert worden verstrekt door bemiddeling van een overeenkomstig de wet van 16.1.2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen erkend ondernemingsloket (artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Thans wordt uitdrukkelijk opgenomen in de voorwaarden voor de teruggaaf van het belastingoverschot bedoeld in artikel 81van het koninklijk besluit nr. 4 dat dit bankrekeningnummer uiterlijk voor het einde van de maand die voorafgaat aan de maand waarin de in het artikel 8/1, § 1, tweede lid, bedoelde ordonnancering plaatsheeft, door middel van de aangifte bedoeld in artikel 1, 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 aan de administratie moet zijn meegedeeld (artikel 81, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4).

Tijdige indiening

Het in artikel 76, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek bedoelde belastingoverschot wordt slechts teruggegeven wanneer alle in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak dat aanleiding heeft gegeven tot het overschot, alsmede die laatste aangifte, zijn ingediend binnen de termijn en volgens de modaliteiten, opgelegd in uitvoering van die bepaling (artikel 76, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit nr. 4).

Bijgevolg moeten alle aangiften met betrekking tot de handelingen van de zes maanden die, al naargelang het geval, het kalenderkwartaal of de maand voorafgaan op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt, binnen de in artikel 17, § 1 of § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde termijn, al naar gelang het gaat om een maand of kwartaalaangever, zijn ingediend (artikel 81, § 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4).

Ook de aangifte zelf, waarvan het eindresultaat het door de Staat verschuldigd bedrag is waarvan de belastingplichtige om de teruggave verzoekt, moet tijdig zijn ingediend (artikel 81, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4).

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de voorwaarde om de indieningstermijn te respecteren - ten laatste de twintigste dag (maandaangifte) of de vijfentwintigste dag (kwartaalaangifte) van de maand volgend op de maand waarop zij betrekking heeft - om te kunnen genieten van de teruggave van het belastingoverschot van deze aangifte, strikt wordt toegepast door de administratie.

Voorbeeld

Belastingplichtige A is kwartaalaangever en is ertoe gehouden de kwartaalaangiften met betrekking tot het 4e kwartaal 2026 en het 1e en 2e kwartaal 2027 in te dienen uiterlijk op de 25e dag van de maand volgend op elk van die kwartalen. Hij dient de aangifte met betrekking tot de handelingen van het 4e kwartaal 2026 en het 1e kwartaal 2027 tijdig in. Deze aangiften hebben als eindresultaat een aan de Staat verschuldigd bedrag (rooster 71). De aangifte met betrekking het 2e kwartaal 2027 heeft als eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag (rooster 72). De belastingplichtige dient deze aangifte in op 30.07.2027. De belastingplichtige wenst het belastingoverschot dat het voorwerp is van deze laatste aangifte terug te krijgen en doet een verzoek daartoe in het tabblad van de applicatie Intervat. Hoewel het belastingoverschot het minimumbedrag van 50,00 euro overschrijdt en de belastingplichtige tijdig en op geldige wijze zijn bankrekeningnummer heeft meegedeeld aan de administratie, is in dit geval niet aan de voorwaarden voor de teruggaaf voldaan om reden dat de aangifte met betrekking tot de handelingen van het tweede kwartaal 2027 laattijdig is ingediend. Het tegoed zal worden overgeschreven naar zijn Provisierekening btw (indien het niet wordt aangewend of ingehouden in toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4).

Voorbeeld

Belastingplichtige B, is eveneens kwartaalaangever en ertoe gehouden de kwartaalaangiften met betrekking tot het 4e kwartaal 2026 en het 1e en 2e kwartaal 2027 in te dienen uiterlijk op de 25e dag van de maand volgend op elk van die kwartalen. Hij dient de aangifte met betrekking tot de handelingen van het 4e kwartaal 2026 tijdig in op 25.01.2027. Deze aangifte heeft als eindresultaat een aan de Staat verschuldigd bedrag (rooster 71).

De aangifte met betrekking tot het 1e kwartaal 2027 heeft eveneens als eindresultaat een aan de Staat verschuldigd bedrag (rooster 71). De belastingplichtige dient deze aangifte laattijdig in op 30.04.2027. De aangifte met betrekking tot het 2e kwartaal 2027 heeft als eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag (rooster 72). De belastingplichtige dient deze aangifte tijdig in op 15.07.2027.

De belastingplichtige wenst het belastingoverschot dat het voorwerp is van deze laatste aangifte terug te krijgen en doet een verzoek daartoe in het tabblad van de applicatie Intervat. Hoewel het belastingoverschot het minimumbedrag van 50,00 euro overschrijdt en de belastingplichtige tijdig en op geldige wijze zijn bankrekeningnummer heeft meegedeeld aan de administratie, is in dit geval niet aan de voorwaarden voor de teruggaaf voldaan om reden dat de aangifte met betrekking tot de handelingen van het eerste kwartaal 2027 laattijdig is ingediend. Er is niet voldaan aan de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak dat aanleiding heeft gegeven tot het overschot (het vierde kwartaal 2026 en het eerste kwartaal 2027), tijdig zijn ingediend. Het tegoed zal worden overgeschreven naar zijn Provisierekening btw (indien het niet wordt aangewend of ingehouden in toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4).

F. Termijn voor de teruggaaf

Onder voorbehoud dat het niet wordt aangewend of ingehouden in toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4 wordt het belastingoverschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek krachtens artikel 76, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek teruggegeven uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het aangiftetijdvak.

Overeenkomstig artikel 76, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek bepaalt de Koning de gevallen waarin de in het eerste lid van diezelfde bepaling bepaalde termijn kan worden verminderd, alsook de termijn waarbinnen het overschot wordt teruggegeven.

Kwartaalaangevers

Artikel 81, § 1, tweede lid (eerste zin), van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalt dat de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling van het in eerste lid van dat artikel bedoelde bedrag plaats heeft uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.

Deze bepaling is van toepassing op belastingplichtigen gehouden tot het indienen van btw-kwartaalaangiften.

De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling, van het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit de hierna vermelde aangiften in te dienen door een kwartaalaangever, vindt bijgevolg plaats uiterlijk op:

•eerste kwartaal: 30 juni van het lopende jaar

•tweede kwartaal: 30 september van het lopende jaar

•derde kwartaal: 31 december van het lopende jaar

•vierde kwartaal: 31 maart van het volgende kalenderjaar.

Maandaangevers

Artikel 81, § 1, tweede lid (tweede zin), van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalt dat voor een maandaangifte de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling plaats heeft uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft.

Op grond van de bevoegdheid hem verleend door artikel 76, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek heeft de Koning aldus de teruggaaftermijn voor maandaangever bij wijze van algemene regel verminderd.

De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling van het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit de hierna vermelde maandaangifte, vindt bijgevolg plaats uiterlijk op:

•januari: 31 maart van het lopende kalenderjaar

•februari: 30 april van het lopende kalenderjaar

•maart: 31 mei van het lopende kalenderjaar

•april: 30 juni van het lopende kalenderjaar

•mei: 31 juli van het lopende kalenderjaar

•juni: 31 augustus van het lopende kalenderjaar

•juli: 30 september van het lopende kalenderjaar

•augustus: 31 oktober van het lopende kalenderjaar

•september: 30 november van het lopende kalenderjaar

•oktober: 31 december van het lopende kalenderjaar

•november: 31 januari van het volgende kalenderjaar

•december: 28/29 februari van het volgende kalenderjaar.

G. Termijn voor inschrijving op de Provisierekening btw

Onder voorbehoud dat het niet wordt aangewend of ingehouden in toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4, wordt het belastingoverschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte als bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek dat niet is teruggevraagd of dat is teruggevraagd maar waarvoor er geheel of gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voor de teruggaaf is voldaan, ingeschreven op de Provisierekening btw binnen de in artikel 81, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4 bedoelde termijn, indien het althans 2,50 euro bereikt (artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 is van toepassing wanneer de aangifte met als eindresultaat het op de in artikel 83bis van het Btw-Wetboek bedoelde Provisierekening btw in te schrijven bedrag tijdig is ingediend.

De inschrijving op de Provisierekening btw geschiedt uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het aangiftetijdvak (kwartaalaangever) of uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het aangiftetijdvak (maandaangever).

Wanneer de aangifte met als eindresultaat het op de in artikel 83bis van het Btw-Wetboek bedoelde Provisierekening btw in te schrijven bedrag, evenwel laattijdig wordt ingediend wordt de inschrijving op de Provisierekening btw verricht uiterlijk op het einde van de tweede of de derde maand die volgt op de maand waarin die aangifte wordt ingediend, al naargelang het een maand- of kwartaalaangifte betreft (artikel 81, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

H. De teruggaaf van sommen ingeschreven op de Provisierekening btw

Voor elke belastingplichtige gehouden tot de indiening van periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, wordt een Provisierekening btw bijgehouden. De Provisierekening vervangt de rekening-courant. De btw-tegoeden worden beheert via de provisierekening btw vanaf 01.05.2026.

De Provisierekening btw kan alleen een nulsaldo of een positief saldo ten gunste van de belastingplichtige vertonen.

Op de Provisierekening btw van de belastingplichtige worden ingeschreven:

•de btw-tegoeden die voortkomen van de indiening van periodieke aangiften, waarvoor geen teruggaaf is gevraagd of waarvoor de voorwaarden voor teruggaaf niet zijn vervuld, en voor zover deze btw-tegoeden niet zullen worden gebruikt om een btw-schuld aan te zuiveren of niet onderworpen zijn aan een inhouding overeenkomstig artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4

•alle betalingen verricht, hetzij in afwachting van een toekomstige btw-schuld (voorafbetalingen), hetzij een bestaande schuld (bijvoorbeeld ingediende periodieke btw-aangifte), door of voor rekening van de belastingplichtige op de financiële rekening verbonden aan de Provisierekening btw. Dit is de financiële rekening BE 41 6792 0036 4210 van het 'Inningscentrum - Centrale rekening BTW'.

Deze bedragen blijven voorbehouden om te worden toegerekend op btw-schulden. Deze toerekening wordt geregeld door artikel 3/15 en 3/16 van het koninklijk besluit van 20.12.2019 tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en als ingevoerd door het koninklijk besluit van 17.12.2024 genomen met het oog op het integreren van de inningsregels in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en het bepalen van de werking van de Provisierekening btw (BS 24.12.2024).

Voor zover ze nog niet werden toegewezen tot betaling van schulden inzake de belasting over de toegevoegde waarde waarvoor de belastingplichtige op wiens naam de Provisierekening btw wordt

gehouden, de hoofdschuldenaar of medeschuldenaar is, worden de bedragen ingeschreven op de Provisierekening btw van die belastingplichtige, op verzoek van de belastingplichtige terugbetaald aan hem binnen de 30 dagen, onder voorbehoud van toepassing van het aanwendingsmechanisme sui generis bedoeld in artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 en de rechten van derden (beslag, overdracht of samenloop), en op voorwaarde dat de belastingplichtige uiterlijk op de datum van het verzoek om teruggaaf een geldig bankrekeningnummer heeft meegedeeld aan de administratie (door middel van formulier E604A, E604B of via een erkend ondernemingsloket).

Er zijn echter twee beperkingen aan het verzoek van de belastingplichtige:

•het terug te betalen of te gebruiken bedrag moet ten minste 50,00 euro bedragen. Vanaf het ogenblik dat het verzoek van de belastingplichtige dit minimum bereikt, kan het dus betrekking hebben op alle of een deel van de bedragen die op zijn Provisierekening btw beschikbaar zijn

•wanneer het terug te geven of te gebruiken bedrag een btw-tegoed is dat op de Provisierekening btw werd ingeschreven (btw-tegoed waarvan de teruggaaf aanvankelijk niet uitdrukkelijk werd gevraagd via de periodieke btw-aangifte, of waarvan de voorwaarden voor de teruggaaf niet zijn vervuld), kan de teruggaaf of het gebruik van dit btw-tegoed niet worden bekomen vóór het einde van de termijn voor ordonnancering van dit tegoed bedoeld in artikel 81, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4. Dit beoogt te voorkomen dat belastingplichtigen door een verzoek via hun Provisierekening btw sneller de teruggaaf van hun btw-tegoed zouden kunnen krijgen dan belastingplichtigen die hier uitdrukkelijk om verzoeken via hun periodieke btw-aangifte.

Het verzoek tot terugbetaling of gebruik van de bedragen ingeschreven op de Provisierekening btw moet gebeuren via MyMinfin, het beveiligde elektronische platform van de FOD Financiën.

De belastingplichtigen die zijn ontheven van de verplichting om hun periodieke aangiften langs elektronisch weg in te dienen omdat ze niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken, of de belastingplichtigen die het verzoek niet via het MyMinfin-platform kunnen indienen wegens overmacht, dienen het verzoek in bij het Infocenter van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering die belast is voor de directe en indirecte contacten met natuurlijke personen en rechtspersonen inzake inning.

Stopzetten van het houden van de Provisierekening btw

Worden hier bedoeld de gevallen waarin de belastingplichtige zijn economische activiteit stopzet, failliet gaat, overlijdt, of nog slechts handelingen verricht die geen recht op aftrek verlenen (bijvoorbeeld de belastingplichtige verricht nog slechts handelingen die geen recht op aftrek verlenen bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek of nog slechts vrijgestelde handelingen bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek of, vanaf 01.01.2025, in artikel 56bis tot 56undecies van het Btw-Wetboek…).

Wanneer de Provisierekening btw van een belastingplichtige niet langer wordt gehouden, worden de bedragen die op de Provisierekening btw van deze belastingplichtige voorkomen er niet langer op ingeschreven en worden zij, onder voorbehoud van de toepassing van de aanwendingsmechanisme sui generis bedoeld in artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 en de rechten van derden (beslag, overdracht of samenloop), terugbetaald aan de belastingplichtige of de rechthebbende ten laatste binnen de 6 maanden die volgen op de maand waarin de oorzaak van stopzetting van het houden van de Provisierekening btw zich heeft voorgedaan.

De bedragen lager dan 2,50 euro worden niet terugbetaald.

Wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, kan worden beslist door de bevoegde ambtenaar van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering dat de bedragen ingeschreven op de Provisierekening btw van een belastingplichtige er niet langer op worden ingeschreven voor het bedrag van de fiscale of niet-fiscale schulden waarvoor deze belastingplichtige hoofdschuldenaar of medeschuldenaar is, dit met het oog op de aanzuivering van die schulden.

De rechten van de schatkist kunnen in het bijzonder in gevaar zijn wanneer uit feitelijke elementen blijkt dat de betaling van fiscale of niet-fiscale schulden wordt bedreigd door redenen te wijten aan de schuldenaar/belastingplichtige, zoals het geschokt zijn van het krediet, de staking van betaling of een nakend vertrek naar het buitenland. Dit kan ook het geval zijn wanneer uit verschillende elementen blijkt dat de belastingplichtige zich onvermogend maakt.

I. De aanwending en de inhouding van het belastingoverschot

Het in artikel 76, eerste lid, van het Btw-Wetboek bedoelde belastingoverschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte wordt uitsluitend teruggegeven, of op de Provisierekening btw ingeschreven, indien dat overschot:

•niet wordt aangewend om een btw-schuld aan te zuiveren

•niet het voorwerp is van een inhouding

•niet wordt aangewend om een schuld aan te zuiveren waarvan de inning en de invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, wordt verzekerd door de FOD Financiën of de RSZ.

Indien de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) uitdrukkelijk om de teruggaaf van dat belastingoverschot heeft verzocht en wanneer hij aan alle voorwaarden voor de teruggaaf voldoet, wordt door de toepassing van dergelijke bijzondere maatregel het overschot bijgevolg (geheel of gedeeltelijk) niet teruggegeven, ook al zijn de voorwaarden voor de teruggaaf vervuld.

Indien de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) niet uitdrukkelijk om de teruggaaf van dat belastingoverschot heeft verzocht, of hij de teruggaaf heeft gevraagd maar er niet aan alle voorwaarden voor de teruggaaf is voldaan, wordt door de toepassing van een dergelijke bijzondere maatregel het overschot niet ingeschreven op de Provisierekening btw.

De aanwending van het belastingoverschot

Aanwending ter aanzuivering van een btw-belastingschuld

De inschrijving op de Provisierekening btw (indien de belastingplichtige niet voor de teruggaaf heeft geopteerd of, indien hij voor de teruggaaf heeft geopteerd, er niet aan alle voorwaarden voor teruggaaf is voldaan) of de teruggaaf (indien de belastingplichtige heeft geopteerd voor de teruggaaf en er aan alle voorwaarden voor de teruggaaf is voldaan) zal slechts plaatsvinden onder voorbehoud dat het belastingoverschot niet wordt aangewend ter aanzuivering van een btw-belastingschuld.

Zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf van dat belastingoverschot wordt die teruggaaf steeds geacht te zijn aangevraagd tot het beloop van de belastingschuld die aan te zuiveren is, wanneer op het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling of op het tijdstip van inschrijving op de Provisierekening btw, de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft (artikel 81, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Indien een dergelijke aan te zuiveren btw-belastingschuld in hoofde van de administratie een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een in artikel 85 van het Btw-Wetboek bedoeld innings- en invorderingsregister, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door de in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen bedoelde vordering in rechte, wordt het door de Staat verschuldigd bedrag tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld (artikel 81, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4).

Aanwending bedoeld in artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004

Ten aanzien van het belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek waarvan om de teruggaaf is verzocht en dat aan alle voorwaarden voor de teruggaaf voldoet, is het aanwendingsmechanisme 'sui generis' bedoeld in artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 van toepassing.

Krachtens artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 kan elke som die aan een persoon moet worden teruggeven of betaald door de Federale Overheidsdienst Financiën, zonder formaliteit en naar keuze van de bevoegde ambtenaar worden aangewend ter betaling van de door deze persoon verschuldigde sommen waarvan de inning en de invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, worden verzekerd door de Federale Overheidsdienst Financiën of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid. Bedoelde aanwending zonder formaliteit wordt beperkt tot het niet-betwiste deel van de schuldvorderingen op deze persoon. Bovendien, kan de bevoegde ambtenaar, wat het betwiste deel van de schuldvordering op de persoon aan wie moet worden teruggegeven, overgaan tot een dergelijke aanwending zonder formaliteiten als bewarende titel indien de betwiste schuldvorderingen het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoerbare titel (zie artikel 334, §§ 1 en 4, van de programmawet van 27.12.2004 als vervangen bij artikel 34 van de wet van 25.12.2016, BS 29.12.2016, en als vervangen bij artikel 156 van de programmawet van 25.12.2017, BS 29.12.2017).

Artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 blijft van toepassing in het geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolventieprocedure (artikel 334, § 5).

De inhouding van het belastingoverschot

Krachtens artikel 76, § 1, zesde lid, van het Btw-Wetboek wordt het voor teruggaaf vatbaar overschot, zonder onderscheid al naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, ingehouden:

‘1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden’.

De in het zesde lid van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek.

Voor de toepassing van bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek (spoedeisend karakter van het beslag) opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.

Onverminderd de mogelijkheid voor de beslagrechter om de opheffing ervan te bevelen, geldt de onder punt 1° en 2° hiervoor bedoelde inhouding als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vijfde lid van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4 bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Unie uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Unie.

Onverminderd de mogelijkheid voor de beslagrechter om de opheffing ervan te bevelen, geldt de onder punt 3° hiervoor bedoelde inhouding als bewarend beslag onder derden tot de administratie, op grond van door de belastingplichtige verstrekte gegevens of op grond van andere gegevens, de waarachtigheid van het bedrag heeft kunnen nagaan. Voor de toepassing van deze inhoudingen wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.

De kennisgeving van de hiervoor bedoelde inhoudingen en haar aanzegging aan de belastingplichtige gebeuren binnen de in artikel 1457 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene termijn bij aangetekende zending. De afgifte van het stuk aan de universele postdienstverlener geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

De bedoelde inhoudingen geven aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek bedoeld bericht van beslag.

De belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de onder punt 1°, 2° en 3° hiervoor bedoelde inhouding door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek.

De inhouding neemt een einde ten gevolge van de opheffing ervan door de administratie of ten gevolge van een rechterlijke beslissing. In geval van opheffing door de administratie wordt de belastingplichtige in kennis gesteld per aangetekend schrijven met vermelding van de datum van opheffing.

Na het einde van de inhouding van het door de Staat verschuldigd bedrag wordt, in voorkomend geval, de belastingschuld die in hoofde van de administratie een schuldvordering uitmaakt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, overeenkomstig het tweede lid van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4 aangezuiverd zonder dat enige formaliteit moet worden nageleefd. Het eventuele overschot wordt teruggegeven aan de belastingplichtige die geopteerd heeft voor de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde teruggaaf, voor zover aan de voorwaarden voor deze teruggaaf is voldaan, of wordt, bij gebrek eraan, ingeschreven op de in artikel 83bis van het Btw-Wetboek bedoelde Provisierekening btw.

2. Teruggaaf aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek

A. Aanvraag om teruggaaf

Indien het gaat om een saldo in het voordeel van de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek, zal deze som overeenkomstig de bepalingen van artikel 83 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aan hem worden terugbetaald vermits de ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf.

Krachtens artikel 53terdecies van het Btw-Wetboek wordt de door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1° van het datzelfde Btw-Wetboek, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gelijkgesteld met een gedagtekende en ondertekende aangifte. Een met respect voor de specifieke gebruikersinstructies ingevulde en verstuurde elektronische aangifte heeft bijgevolg dezelfde juridische uitwerking als een juist bevonden gedateerde en ondertekende aangifte die via de traditionele papieren weg wordt verricht.

De desbetreffende teruggaven geschieden rekening houdend met de aan de administratie meegedeelde bankgegevens vermeld in de informatieve aangifte 'Aanvraag tot btw-identificatie' (formulier 604A) of de informatieve aangifte 'Wijziging btw-identificatie' (formulier 604B) welke door bedoelde belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen worden ingediend.

B. Termijn voor de teruggaaf

Krachtens artikel 83, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 geschiedt de ordonnancering van het overschot in het voordeel van de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon dat blijkt uit een bijzondere btw-aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, uiterlijk de derde maand volgend op het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.

Aangezien de bijzondere btw-aangifte een kwartaalaangifte geschiedt de ordonnancering, voor de hierna vermelde bijzondere btw-aangiften, uiterlijk op:

•eerste kwartaal: 30 juni van het lopende jaar

•tweede kwartaal: 30 september van het lopende jaar

•derde kwartaal: 31 december van het lopende jaar

•vierde kwartaal: 31 maart van het volgende kalenderjaar.

C. Aanwending en inhouding van het belastingoverschot

Het in artikel 76, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde belastingoverschot dat blijkt uit een bijzonder btw-aangifte wordt uitsluitend teruggegeven indien dat overschot:

•niet wordt aangewend om een btw-schuld aan te zuiveren

•niet het voorwerp is van een inhouding

•niet wordt aangewend om een schuld aan te zuiveren waarvan de inning en de invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, wordt verzekerd door de FOD Financiën of de RSZ.

Aanwending

De teruggaaf vindt niet plaats tot het passende beloop wanneer op het tijdstip van de ordonnancering de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen met betrekking tot de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft.

De aanwending van het overschot is tevens mogelijk in toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004. Hetgeen ter zake is gezegd inzake de aanwending van het belastingoverschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte geldt mutatis mutandis voor de aanwending van het overschot dat blijkt uit een bijzondere btw-aangifte.

Inhouding

Krachtens artikel 76, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek wordt het voor teruggaaf vatbaar overschot ingehouden in dezelfde gevallen als deze die gelden voor de inhouding van het belastingoverschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte.

3. Door de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een periodieke of bijzondere btw-aangifte voor de uitoefening van het recht op teruggaaf te vervullen formaliteiten

Voor de teruggaaf ten gunste van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, of in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek, wordt de vordering tot teruggaaf uitgeoefend zonder rechtstreekse tussenkomst van de administratie en moet de rechtvaardiging van het recht op teruggaaf slechts worden verstrekt wanneer een ambtenaar van het btw-controlekantoor (controlecentrum) erom verzoekt.

Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen:

•een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag

•dat stuk inschrijven in een daartoe bestemd register

•in de gevallen bedoeld in artikel 79 van het Btw-Wetboek aan de medecontractant een dubbel van dat stuk uitreiken voorzien van de vermelding ‘BTW te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’.

Artikel 79, § 1, eerste lid, van Btw-wetboek bepaalt dat wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, de leverancier of de dienstverstrekker aan de medecontractant een verbeterend stuk moet uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.

De medecontractant die deze belasting in aftrek heeft gebracht, moet ze overeenkomstig artikel 79, § 1, tweede lid, van het Btw-wetboek terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

Volgens het Hof van Cassatie strekt het geheel van deze formaliteiten en voorwaarden bij facturatie aan btw-belastingplichtigen tot de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel. De gestelde formaliteiten en voorwaarden gaan volgens het Hof niet verder dan voor het bereiken van de doelstellingen van de wet noodzakelijk is (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.13.0031.N van 31.10.2014).

A. Verbeterend stuk

Overeenkomstig artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen.

Het verbeterend stuk moet worden opgemaakt op het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat, of uiterlijk op het tijdstip waarop de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die vordering uitoefent. Het stuk vermeldt de elementen die het mogelijk maken om de handeling waarop de teruggaaf betrekking heeft en de aangifte waarin het voor teruggaaf vatbare bedrag onder de verschuldigde belasting werd opgenomen, te identificeren, evenals de oorzaak van de teruggaaf, de belasting die werd voldaan, het voor teruggaaf vatbare bedrag en, in voorkomend geval, de verwijzing naar de bewijsstukken (met de medecontractant gewisselde brieven, overeenkomst die de vernietiging of de ontbinding van de oorspronkelijke overeenkomst vaststelt, inschrijving van het verlies van de schuldvordering op de winst- en verliesrekening…).

Dit belet niet dat meer specifieke vermeldingen en formaliteiten kunnen worden opgelegd, zoals bijvoorbeeld gebeurd is in het kader van de problematiek van de kortingbonnen (zie aanschrijving nr. 8/1997 van 27.08.1997).

Wanneer de teruggaaf betrekking heeft op een binnenlandse handeling en verleend wordt hetzij op grond van een vergissing in de factuur hetzij op grond van één van de oorzaken bedoeld in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek, moet overeenkomstig artikel 79, § 1, van datzelfde Wetboek een dubbel van het verbeterend stuk aan de medecontractant worden uitgereikt. Op dat dubbel moet de volgende vermelding voorkomen: ‘btw terug te storten aan de staat, in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’ (zie ook artikel 4, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd). Indien het verbeterend stuk bedoeld in artikel 79, § 1, van het Btw-Wetboek door de leverancier of dienstverrichter niet is uitgereikt zal de administratie de teruggaaf weigeren.

Bij niet-uitreiking van het verbeterend stuk heeft dit immers tot gevolg dat de belastingplichtige medecontractant, die de btw (geheel of gedeeltelijk) in aftrek heeft gebracht, deze teveel aangerekende en betaalde btw niet kan terugstorten aan de Schatkist. De effectieve teruggaaf, in dat geval, van de teveel aangerekende btw door de Schatkist aan de leverancier of dienstverrichter resulteert in een ongerechtvaardigde verrijking in hoofde van deze laatste en in een tekort voor de Schatkist (zie in dat verband Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.13.0031.N van 31.10.2014, voornoemd). Het HvJ-EU verzet er zich niet tegen dat onder een nationaal rechtsstelsel de teruggaaf van ten onrechte geheven belastingen wordt geweigerd in omstandigheden waarin dit zou uitlopen op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Marks & Spencer plc tegen Commissioners of Customs and Excise, zaak C-309/06, van 10.04.2008, punt 41 en de aldaar vermelde arresten en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Stadeco BV, zaak C-566/07, van 18.06.2009, punt 48).

In geval van teruggaaf van de belasting betaald ter zake van een intracommunautaire verwerving van goederen of ter zake van een dienst of een levering van goederen waarvoor de belasting door de medecontractant is verschuldigd, dient er uiteraard geen dubbel van het verbeterend stuk te worden uitgereikt, maar dient de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht. Die terugstorting vindt overeenkomstig artikel 4, § 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het aangiftetijdvak in de loop waarvan de teruggaaf wordt bekomen (rooster 61 van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, van het Wetboek of rooster 81 van de aangifte beoogd in artikel 53ter, 1, van het Wetboek).

Er wordt opgemerkt dat het niet is toegestaan een factuur met betrekking tot een nieuwe levering te verminderen met het bedrag van de prijsvermindering, de terugzending … betreffende een vroegere levering en op die wijze slechts het verschil te belasten.

De belastingplichtige gehouden tot het indienen van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, van het Btw-Wetboek moet geen dubbel van het verbeterend stuk uitreiken aan zijn medecontractant in geval van teruggaaf van btw die werd voldaan voor een handeling met een particulier, zonder dat een factuur werd uitgereikt omdat die uitreiking niet verplicht was. Hij moet, in principe, kunnen bewijzen dat hij de ten onrechte in rekening gebrachte belasting aan zijn afnemer heeft terugbetaald. Indien evenwel wordt aangetoond dat de prijzen ‘btw inbegrepen’ werden vastgesteld en aan de klanten een bedrag werd aangerekend zonder dat de aangerekende btw afzonderlijk werd vermeld, dan moet de belastingplichtige, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen, niet aantonen dat hij de te veel aangerekende btw aan zijn klanten heeft terugbetaald (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.982 van de heer Volksvertegenwoordiger Josy Arens van 26.03.2024). Dit is bijvoorbeeld het geval indien de leverancier of dienstverrichter, voor een handeling verricht met een particulier waarvoor deze niet is gehouden een factuur uit te reiken, op vrijwillige basis een factuur uitreikt met een prijs ‘btw inbegrepen’. Indien de leverancier of dienstverrichter, voor een handeling verricht met een particulier waarvoor deze niet is gehouden een factuur uit te reiken, op vrijwillige basis een factuur uitreikt met een prijs waarop de btw afzonderlijk is vermeld, dan is de leverancier of dienstverrichter daarentegen wel gehouden tot het uitreiken van een dubbel van het verbeterend stuk alsook tot het terugbetalen van de te veel aangerekende btw aan de klant.

In geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, is de leverancier of dienstverrichter niet gehouden aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek C, hiervoor).

In het geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een gerechtelijke reorganisatie moeten de formaliteiten ingesteld bij artikel 79, § 1, eerste lid van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, worden nageleefd. Gezien de gedeeltelijke of volledige verliezen van schuldvordering van de prijs in geval van een gerechtelijke reorganisatie als blijvend worden beschouwd, zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek daarentegen niet van toepassing. De leverancier of dienstverrichter die een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, zal bijgevolg niet gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek B, hiervoor).

Echter uitzondering op voorgaande alinea is het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag gesteld worden en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.

De belastingplichtige leverancier is niet verplicht de vordering tot teruggaaf uit te oefenen wanneer de oorspronkelijke handeling betrekking heeft op een levering van goederen of op een dienst, hier te lande verricht voor een belastingplichtige die gehouden is een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, van het Btw-Wetboek in te dienen en die de hem oorspronkelijk in rekening gebrachte belasting integraal en definitief in aftrek heeft kunnen brengen en deze belasting niet werd geheven van een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd. De creditnota uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter die de belasting aan de schatkist heeft voldaan maakt dan uiteraard geen melding van de btw en de medecontractant is niet gehouden de oorspronkelijk uitgeoefende aftrek recht te zetten noch enige terugstorting te verrichten.

B. Teruggaafregister

Overeenkomstig artikel 4, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, voornoemd verbeterend stuk inschrijven in een daartoe bestemd register.

Het teruggaafregister (aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 81/1970 van 07.12.1970) vormt eigenlijk een inventaris van de verbeterende stukken die er doorlopend genummerd worden in opgenomen. Iedere inschrijving dient ten minste volgende gegevens te vermelden:

•een volgnummer dat tevens het nummer is van het verbeterend stuk

•de datum van de inschrijving

•de aanduiding van de medecontractant

•het terug te geven bedrag.

Bij het verstrijken van ieder aangiftetijdvak, telt de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de voor teruggaaf vatbare belasting samen en schrijft hij dat bedrag voluit in letters na de laatste inschrijving.

Het register moet ter beschikking worden gehouden van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon ressorteert en aan dat kantoor worden overgelegd op ieder verzoek van het hoofd van dat controlekantoor (controlecentrum). Indien het register niet wordt overgelegd moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting waarvan hij de teruggaaf heeft verkregen, en die in het register moest worden ingeschreven, terugstorten.

De administratie zal geen kritiek uitoefenen wanneer een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, van het Btw-Wetboek, de uitgereikte creditnota’s inschrijft in het boek voor uitgaande facturen op voorwaarde dat de terug te geven btw-bedragen worden samengeteld per aangiftetijdvak en dat het totaal wordt overgebracht naar het bijzonder register dat wordt gehouden voor de inschrijving van de teruggaven waarvoor geen creditnota aan een medecontractant wordt uitgereikt (bijvoorbeeld teruggaven met betrekking tot invoeren, teruggaven met betrekking tot onttrekkingen …). Het spreekt vanzelf dat in dat geval het boek voor uitgaande facturen, evengoed als het eigenlijke teruggaafregister op het btw-controlekantoor (controlecentrum) moet worden overgelegd.

C. Vermelding in de aangifte

De leverancier van de goederen of de dienstverrichter die zijn recht op teruggaaf van de belasting uitoefent, dient, in voorkomend geval, enerzijds de bedragen exclusief belasting over de toegevoegde waarde van de verbeterende stukken die hij heeft opgesteld bij te voegen bij het bedrag in te schrijven in rooster 49 van zijn periodieke aangifte en anderzijds het bedrag van de belasting waarvoor hij zijn recht op teruggaaf uitoefent op te nemen in rooster 64 van deze aangifte.

D. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant

Wanneer de medecontractant van de belastingplichtige die teruggaaf heeft verkregen op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek, zelf een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, dan schrijft deze medecontractant de ontvangen creditnota in in zijn boek voor inkomende facturen of in een bijzonder register dat hij daarvoor houdt, met vermelding van het btw-bedrag dat hem werd gecrediteerd en van het bedrag dat hij aan de staat moet terugstorten (effectief afgetrokken belasting). Op het einde van ieder aangiftetijdvak maakt hij het totaal van de terug te storten bedragen en vermeldt hij dat totaal in rooster 63 van de periodieke btw-aangifte.

Het bedrag van de ontvangen creditnota exclusief btw wordt opgenomen in het bedrag te vermelden in rooster 85 van de periodieke aangifte en wordt afgetrokken van het bedrag van de voor de aangifteperiode in te schrijven aankopen naar gelang het geval, in rooster 81, 82 of 83. Indien het bedrag vermeld in rooster 81, 82 of 83 ontoereikend is, dient het saldo in het betreffende rooster van één of meerdere volgende btw-aangifte(n) in mindering te worden gebracht. Hoe dan ook mogen nooit negatieve bedragen worden opgenomen in een periodieke btw-aangifte.

4. Teruggaaf aan andere personen

A. Formaliteiten

Wanneer de rechthebbende op de teruggaaf een andere in België gevestigde persoon is dan een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen, naargelang het geval van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, of in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek, moet hij conform artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, een aanvraag om teruggaaf, in twee exemplaren indienen bij het controlekantoor van de btw (controlecentrum) waaronder hij ressorteert indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of in het ambtsgebied waarin hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft indien het iedere andere persoon betreft.

Worden onder meer beoogd :

•de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen waarvan de toepassingsvoorwaarden bepaald zijn in het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen

•de landbouwondernemer die niet voor de normale belastingregeling heeft geopteerd (zie ook artikel 57 van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 22, voornoemd)

•iemand die een gebouw heeft opgericht en die gebruik maakt van de regeling bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5, hiervoor) en zich bevindt in de toestand beoogd in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 14, voornoemd

•de militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % genieten, personen die volledig blind zijn, personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of waarvan de bovenste ledematen zijn geamputeerd of personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4, hiervoor)

•de in artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van zijn recht op aftrek niet vervuld waren op het tijdstip van het indienen van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte.

Overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, kan deze aanvraag nog worden ingediend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

Deze teruggaaf is afhankelijk van het bewijs van de betaling van de belasting en van de rechtvaardiging van de oorzaak van teruggaaf.

In verband met de teruggaven ten gunste van de belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die niet gehouden zijn, naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2, of in artikel 53ter, 1, van het Btw-Wetboek, en die niet in België zijn gevestigd, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:

•de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige moet zijn verzoek tot teruggaaf van Belgische btw indienen via de elektronische portaalsite die hem daartoe door zijn lidstaat van vestiging ter beschikking wordt gesteld. De lidstaat van vestiging van de aanvrager zendt het verzoek, na een eerste controle, op elektronische wijze toe aan België waar het zal worden behandeld door het Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd) (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 , in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en circulaire 2022/C/99 van 28.09.2022, voornoemd)

•de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige moet zijn verzoek tot teruggaaf van Belgische btw indienen via de elektronische portaalsite die de administratie in België heeft ingesteld (zie ook artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 , voornoemd, in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022, voornoemd, en de circulaire 2022/C/99 van 28/09/2022, voornoemd)

•de andere niet in België gevestigde rechthebbenden dienen een aanvraag in drievoud in bij het hoofd van voornoemd Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd), zie ook artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar aanschrijving nr. 4/1988 van 24.02.1988).

B. Wijze van teruggaaf

De teruggaven bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschieden rekening houdend met de aan de administratie verstrekte bankgegevens, inclusief IBAN en BIC

(artikel 12, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

Aangehaalde teksten

65
WBTW art. 7779 voorkomens
WBTW art. 7654 voorkomens
KB nr. 4 art. 8131 voorkomens
WBTW art. 7913 voorkomens
WBTW art. 77bis12 voorkomens
WBTW art. 5310 voorkomens
KB nr. 4 art. 49 voorkomens
WBTW art. 53ter9 voorkomens
KB nr. 4 art. 96 voorkomens
WBTW art. 86 voorkomens
KB nr. 4 art. 15 voorkomens
WBTW art. 83bis5 voorkomens
KB nr. 31 art. 64 voorkomens
KB nr. 4 art. 124 voorkomens
KB nr. 4 art. 34 voorkomens
KB nr. 4 art. 834 voorkomens
KB nr. 4 art. 63 voorkomens
WBTW art. 443 voorkomens
WBTW art. 453 voorkomens
WBTW art. 8bis3 voorkomens
KB nr. 10 art. 12 voorkomens
KB nr. 10 art. 22 voorkomens
KB nr. 14 art. 52 voorkomens
KB nr. 1 art. 182 voorkomens
KB nr. 3 art. 42 voorkomens
KB nr. 48 art. 12 voorkomens
KB nr. 4 art. 22 voorkomens
KB nr. 4 art. 72 voorkomens
WBTW art. 39bis2 voorkomens
WBTW art. 552 voorkomens
WBTW art. 56bis2 voorkomens
WBTW art. 582 voorkomens
WBTW art. 622 voorkomens
WBTW art. 752 voorkomens
WBTW art. 82bis2 voorkomens
WBTW art. 92 voorkomens
Dertiende richtlijn 86/560 art. 32 voorkomens
KB nr. 14 art. 21 voorkomen
KB nr. 3 art. 71 voorkomen
KB nr. 4 art. 51 voorkomen
WBTW art. 161 voorkomen
WBTW art. 171 voorkomen
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 221 voorkomen
WBTW art. 22bis1 voorkomen
WBTW art. 231 voorkomen
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 281 voorkomen
WBTW art. 31 voorkomen
WBTW art. 41 voorkomen
WBTW art. 481 voorkomen
WBTW art. 571 voorkomen
WBTW art. 821 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen
richtlijn 2008/9 art. 151 voorkomen