ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
22 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk btw-stelsel – Maatstaf van heffing – Verlaging in geval van annulering, verbreking, niet-betaling of prijsvermindering – Artikel 90, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG – Verwerving door een onderaannemer van een schuldvordering die een aannemer op de opdrachtgever heeft – Oninbare schuldvordering – Recht van de onderaannemer op verlaging van de maatstaf van heffing”
In zaak T‑233/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bij beslissing van 24 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 25 maart 2025, in de procedure
Mokoryte SRL
tegen
Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Cluj-Napoca,
Ministerul Finanţelor – Direcţia Generală de Soluţionare a Contestaţiilor,
Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Cluj,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, kamerpresident, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 10 april 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, M. Chicu en L. Ghiță als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door R. Kissné Berta en M. Fehér als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en T. Isacu de Groot als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Dictum
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters) verklaart voor recht:
Artikel 90, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat een onderaannemer die door cessie de schuldvordering heeft verworven die een aannemer op grond van een aannemingsovereenkomst op een opdrachtgever had, de maatstaf van heffing van de btw kan herzien in het geval dat deze schuldvordering niet door deze opdrachtgever wordt betaald.
Półtorak Hesse Steinfatt Petrlík Dimitrakopoulos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 april 2026. ondertekeningen