Locations-financements d’immeubles, location financement d'immeubles, bien immeuble · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2014.670 26 mai 2015

Rechercher
Texte en néerlandais

Locations-financements d’immeubles, location financement d'immeubles, bien immeubleTVA - Locations-financements d’immeubles - Article 44, § 3, 2°,b) du CTVA - AR no 30

https://juriel.be/fr/rulings/2014-670-locations-financements-immeubles-article-44-1ea7

Numéro
2014.670
Date
26 mai 2015

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

143 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2014.670 dd. 26.05.2015

TVA · Locations-financements d’immeubles · Article 44, § 3, 2°,b) du CTVA · AR n° 30

Résumé

La commune X va construire un bâtiment et le mettre à la disposition d’AGB Y par le biais d’une location-financement d’immeubles telle que visée à l’article 44, § 3, 2°, b) du Code de la TVA et de l’AR n° 30 du 29/12/1992 pendant 15 ans.

Pour cette opération, la commune X doit être considérée comme assujettie au sens de l’article 4 du Code de la TVA.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

I.A. Huidige structuur

1. De Gemeente X is thans eigenaar van de grond waarop een gebouw zal worden gebouwd. In dit centrum zullen de volgende activiteiten worden ontplooid:

1.1. Jeugddienst

1.2. buitenschoolse kinderopvang

1.3. Jeugdhuis

1.4. Repetitieruimte

1.5. Polyvalente zaal

1.6. Multifunctioneel lokaal

I.B. Geplande structuur

I.B.1. Bouw van het gebouw

2. De bouw van het gebouw zal via de structuur van de onroerende leasing worden bewerkstelligd. Zoals reeds eerder vermeld, is de Gemeente X thans eigenaar van de grond waarop het gebouw zal worden gebouwd.

3. Dit betekent dat het Autonoom Gemeente Bedrijf Y eerst de opdracht zal moeten geven aan de Gemeente X om het gebouw op te richten. De Gemeente treedt aldus als de bouwheer op. Deze oprichting geschiedt onder het btw-regime en met het oog op onroerende leasing van dit gebouw door de Gemeente X aan het AGB Y. Dit wordt eerst vastgelegd in een kaderovereenkomst.

4. In deze kaderovereenkomst worden bepaalde wederzijdse verplichtingen afgesproken, onder meer dat beide partijen, zijnde de Gemeente X en het AGB Y, na de oprichting van het gebouw zo spoedig mogelijk zullen overeenkomen om de leasingovereenkomst af te sluiten.

5. Na de oprichting van het gebouw zal de Gemeente X en het AGB Y de leasingovereenkomst afsluiten. Deze leasingovereenkomst voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 44, §3, 2° b) van het btw-wetboek en KB nr. 30.

6. Uit de leasingovereenkomst, die in uitvoering van de kaderovereenkomst zal worden gesloten, moet blijken dat het AGB Y het gebouw wenst te leasen van de Gemeente X. De bouw van het gebouw geschiedt immers onder de voorwaarden die door het AGB Y in de kaderovereenkomst werden vermeld.

7. De Gemeente X treedt op als de leasinggever en het AGB Y als de leasingnemer. De leasingtermijn bedraagt 15 jaar. Daarbij wordt de in aftrek gebrachte btw gedurende de eerste 15 jaar volledig terugbetaald zoals voorzien in KB nr. 30.

8. De aankoopoptie, die het AGB Y krachtens de gesloten leasingovereenkomst verkrijgt, heeft als voorwerp de volle eigendom van het gebouw. Deze optie bevat alle zakelijke rechten waarover de leasinggever beschikt.

I.B.2. Exploitatie van het gebouw

9. De ruimten, die in het gebouw zullen gelegen zijn, kunnen qua activiteiten worden onderverdeeld in twee categorieën. Enerzijds de ruimten die btw-plichtig kunnen worden geëxploiteerd en anderzijds de ruimten die enkel en alleen onder de vrijstelling van het btw-regime vallen.

10. Het AGB Y zal de ruimten die wel btw-plichtig kunnen worden geëxploiteerd zelf uitbaten. De volgende ruimten worden daarbij geviseerd:

10.1. De polyvalente zaal;

10.2. Multifunctioneel lokaal;

10.3. Repetitieruimten;

10.4. Het jeugdhuis.

11. De resterende ruimten – jeugddienst, jeugdhuis en IBO – zullen aan de Gemeente X en de VZW Z verhuurd worden. Het betreft een handeling die van de toepassing van de btw is vrijgesteld.

II. Vragen

12. De Gemeente X en het AGB Y hadden graag de bevestiging gekregen dat de kaderovereenkomst en de leasingovereenkomst m.b.t. het kinder- en jeugdontmoetingscentrum voldoen aan de voorwaarden van artikel 44, §3, 2°, b) WBTW en aan de voorwaarden en ratio legis van koninklijk besluit nr. 30 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur.

13. De Gemeente X had eveneens graag de bevestiging gekregen dat zij door het sluiten en uitvoeren van deze kaderovereenkomst en leasingovereenkomst m.b.t. gebouw btw-plichtige wordt en gehouden is 21 procent btw aan te rekenen op de periodieke leasingvergoedingen bij toepassing van KB nr. 20.

III. Motivering door de aanvrager

III.A. Btw-plicht: Toepassing van 21% op de leasevergoedingen

14. De hiernavolgende toelichting is grotendeels gebaseerd op de Circulaire nr. AOIF 10/2007 (E.T.109.976) dd. 12.04.2007.

15. Er worden vier categorieën voorwaarden onderscheiden, terug te vinden in art. 44, §3, 2°, b van het btw-wetboek en het Koninklijk Besluit nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing van de btw op de onroerende financieringshuur (hierna ‘KB nr. 30’):

15.1. Voorwaarde met betrekking tot de leasinggever

15.2. Voorwaarden met betrekking tot het gebouw

15.3. Voorwaarden met betrekking tot de leasingnemer

15.4. Voorwaarden met betrekking tot het contract

III.A.1. Voorwaarde met betrekking tot de leasinggever: de leasinggever is een gespecialiseerde onderneming

16. Opdat een overeenkomst van onroerende financieringshuur binnen het toepassingsgebied zou vallen van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek, dient de leasinggever een onderneming te zijn gespecialiseerd in financieringshuur of onroerende leasing (KB 30, artikel 1, 1°).

17. De onroerende financieringshuur is evenwel een werkzaamheid die, door haar aard, wordt uitgeoefend gedurende een lange periode en die aanleiding geeft tot het betalen van periodieke huurvergoedingen op vastgestelde vervaldagen. Het betreft dus een geregelde werkzaamheid in de zin van artikel 4 van het btw-wetboek die aan degene die ze uitoefent (fysiek persoon of rechtspersoon) de hoedanigheid van belastingplichtige verleent gespecialiseerd in financieringshuur of onroerende leasing, in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek, zelfs wanneer deze slechts éénmaal een dergelijke overeenkomst sluit.

18. Bovendien kan worden verwezen naar het antwoord op een parlementaire vraag door de minister van Financiën (Vraag nr. 412 van de heer Leterme dd. 03.07.2000, Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 48, blz. 5705-5707):

19. “[…] Aan de vereiste dat de onroerende financieringshuur moet toegestaan worden door een onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing is voldaan van zodra er door bedoelde onderneming één contract van onroerende leasing onder de voorbedoelde voorwaarden werd gesloten. Het feit dat het zou gaan om een autonoom overheidsbedrijf speelt terzake geen enkele rol. […]”.

20. Aan deze eerste voorwaarde is derhalve voldaan.

III.A.2. Voorwaarden met betrekking tot het gebouw

Gebouwde onroerende goederen

21. De onroerende leasing moet betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen.

22. In casu bestaat er geen twijfel over dat het gebouw kan worden aangemerkt als een ‘gebouwd’ onroerend goed en bijgevolg in onroerende leasing kan worden gegeven.

23. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan.

Gebouw is opgericht of verkregen met toepassing van de btw

24. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek heeft de onroerende financieringshuur slechts betrekking op gebouwde onroerende goederen die de onderneming gespecialiseerd in de onroerende financieringshuur heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen.

25. In iedere veronderstelling is vereist dat het oprichten van het gebouw of het verwerven van de rechten door de leasinggever heeft plaatsgevonden met toepassing van de btw.

26. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan.

Gebouw is opgericht of verkregen overeenkomstig de specifieke aanwijzingen van de leasingnemer

27. Aangezien leasing in feite een handeling inzake financiering is, verwerft de leasinggever slechts de eigendom of andere zakelijke rechten op de gebouwen die het voorwerp uitmaken van de handeling om het genot ervan te verschaffen aan de toekomstige leasingnemer. Het is bijgevolg normaal dat, zoals voorzien in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30, de verkrijging of oprichting van het gebouw dient plaats te vinden overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de leasingnemer.

28. Wanneer de leasinggever het gebouw dat het voorwerp is van de overeenkomst van onroerende financieringshuur of de zakelijke rechten erop verkrijgt, is het de leasingnemer die de gebouwen moet gekozen hebben.

29. Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek in normale omstandigheden slechts van toepassing kan zijn wanneer de overeenkomst van onroerende financieringshuur voorafgaat aan de oprichting of de verkrijging van de gebouwen die er het voorwerp van uitmaken. In casu wordt voorafgaand een kaderovereenkomst gesloten, waarin het gebouw wordt aangewezen door de leasingnemer.

30. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan.

III.A.3. Voorwaarden met betrekking tot de leasingnemer

31. De onroerende financieringshuur als bedoeld in artikel 44, §3, 2°, b van het btw-wetboek geldt uitsluitend voor de gebouwen die de leasingnemer, in functie van hun aard, bestemt om te gebruiken in het kader van een activiteit van belastingplichtige (KB nr. 30, artikel 1, 1°).

32. Art. 4, §1 van het btw-wetboek bevat de definitie van “belastingplichtige”:

“belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend”

33. In een antwoord op parlementaire vraag nr. 580 van 29 januari 2001 (Moriau), die betrekking had op het btw-statuut van autonome gemeenteregieën, bevestigde de minister dat de autonome gemeentebedrijven met rechtspersoonlijkheid onderscheiden van de gemeente, onder de normale regels van de belastingplicht vallen en beoogd worden door artikel 4 btw-wetboek zoals hiervoor geciteerd.

34. Hieruit kan worden afgeleid dat een autonoom gemeentebedrijf eveneens een belastingplichtige is voor de toepassing van de btw overeenkomstig art. 4 btw-wetboek.

35. De voorwaarde van belastingplicht in hoofde van de leasingnemer zoals hierboven beschreven is voldaan, zelfs al is de belastingplichtige activiteit van de leasingnemer vrijgesteld. Dit werd door de administratie bevestigd in een gepubliceerde beslissing van 1993.

36. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan.

III.A.4. Voorwaarden met betrekking tot het contract

37. Naast de voorwaarden met betrekking tot het goed en tot de partijen, dient het contract van de onroerende leasing aan bepaalde voorwaarden te voldoen.

Niet-eigendomsoverdragend huur- of erfpachtcontract

38. De leasingnemer mag zijn recht van genot op de infrastructuur dat het voorwerp is van de overeenkomst inzake onroerende financieringshuur alleen uitoefenen ingevolge een overeenkomst waarbij de eigendom van de goederen niet aan de leasingnemer wordt overgedragen (KB nr. 30, artikel 1, 2°).

39. De financieringshuur is een contract sui generis waarop, bijvoorbeeld, de regels van de handelshuur niet van toepassing zijn. Het steunt in de regel op een persoonlijk recht van genot, maar kan ook steunen op een overeenkomst inzake erfpacht.

40. De overeenkomsten die van rechtswege, onmiddellijk of uitgesteld tot de betaling van de laatste huurvergoeding, de overdracht tot gevolg hebben van de eigendom of een ander zakelijk recht vallen buiten het toepassingsgebied van de onroerende leasing in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek.

41. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan krachtens de leasingovereenkomst.

Niet-opzegbaar

42. Opdat artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek van toepassing zou zijn, mag de overeenkomst van onroerende financieringshuur noch aan de leasinggever noch aan de leasingnemer de mogelijkheid bieden een einde te maken aan de handeling voor het verstrijken van de overeengekomen termijn (KB nr. 30, artikel 1, 2°).

43. De overeenkomst mag bijgevolg geen clausule bevatten waarbij aan elk van de partijen of aan één van hen het recht wordt verleend om op bepaalde tijdstippen aan de overeenkomst een einde te maken mits bepaalde termijnen en/of bepaalde formaliteiten worden nagekomen of nog mits de vervulling van bepaalde voorwaarden.

44. Artikel 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 30 sluit bijgevolg de facto uit van de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek, de leasingovereenkomsten voor onbepaalde duur waaraan een einde kan gesteld worden door opzegging.

45. Er wordt opgemerkt dat de bepaling waarbij de overeenkomst van onroerende financieringshuur niet opzegbaar is, niet de ontbindende clausules beoogt of, meer algemeen, de clausules inzake ontbinding van het contract.

46. Aan deze voorwaarde is derhalve voldaan krachtens de leasingovereenkomst.

Koopoptie

47. Opdat artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek van toepassing zou kunnen zijn, moet de overeenkomst van onroerende financieringshuur de leasingnemer de mogelijkheid verlenen bij het verstrijken van de overeengekomen termijn de zakelijke rechten van de leasinggever over te nemen (KB nr. 30, artikel 1, 3°). In casu betreft het de volle eigendom van het gebouw.

48. De overeenkomst moet bovendien de criteria bevatten op basis waarvan het bedrag zal bepaald worden dat de leasingnemer zal moeten betalen wanneer hij de zakelijke rechten van de leasinggever met betrekking tot de goederen die het voorwerp zijn van de onroerende financieringshuur wil overnemen. Dit betekent dat hoewel de akte het bedrag dat de leasingnemer zal moeten betalen in het geval hij de optie zou lichten niet nauwkeurig moet vermelden, zij tenminste op een gedetailleerde manier de criteria moet bevatten volgens dewelke de prijs zal bepaald worden.

49. Er wordt benadrukt dat uit kwestieuze bepaling ondubbelzinnig volgt dat de zakelijke rechten met betrekking tot de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst van onroerende financieringshuur slechts bij het einde van de overeenkomst door de leasingnemer zullen overgenomen kunnen worden. Een overeenkomst die de leasingnemer bijgevolg toelaat de optie te lichten vóór het verstrijken van de leasingtermijn valt ab initio buiten de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek.

50. Niets verbiedt evenwel dat de partijen, in de leasingovereenkomst, voorzien dat de leasingnemer binnen een zekere periode zijn voornemen om de optie te lichten moet kenbaar maken, niettegenstaande het lichten in ieder geval slechts plaats kan vinden bij het verstrijken van de overeenkomst. Het verlijden van de notariële akte ter uitvoering van het lichten van de optie kan in de praktijk inderdaad een zeker aantal voorbereidende handelingen noodzakelijk maken (zoals bijvoorbeeld eventuele bodemonderzoeken) die enige tijd vergen.

51. Aan de basis van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek ligt de bedoeling van de Wetgever om aan de belastingplichtige die een onroerend goed wenst aan te schaffen door middel van onroerende financieringshuur, een fiscale toestand te waarborgen vergelijkbaar met die van de belastingplichtige die een investeringsgoed verwerft of zelf opricht, door gebruik te maken van de klassieke financieringsmiddelen. Dit is de reden waarom de overeenkomst de leasingnemer moet toelaten de zakelijke rechten met betrekking tot de goederen te verwerven van de leasinggever.

52. In dit opzicht blijft buiten het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek, de leasingovereenkomst die aan de leasingnemer slechts toelaat een deel van de rechten met betrekking tot het gebouw te verwerven. Dit is eveneens zo voor de overeenkomst door middel waarvan de leasinggever, niettegenstaande de optie toegekend aan de leasingnemer, zich de naakte eigendom voorbehoudt van het gebouw dat het voorwerp is van de overeenkomst. Wat de aard ook is van de zakelijke rechten waarover de leasinggever beschikt, de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om ze als zodanig te verwerven. Een leasingovereenkomst die aan de leasingnemer slechts toelaat een recht van vruchtgebruik of erfpacht op de gebouwen te verwerven, niettegenstaande de leasinggever er volle eigenaar van is, zou bijgevolg buiten het toepassingsgebied vallen van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek.

53. Overigens is het zo dat die optie aan de leasingnemer slechts een mogelijkheid verschaft. Deze is er immers niet noodzakelijk toe gehouden om bij het verstrijken van de overeengekomen termijn de zakelijke rechten van de leasinggever te verwerven. Integendeel, indien de leasingnemer de vaste verplichting op zich zou nemen het onroerend goed te kopen, zou de handeling buiten het toepassingsgebied blijven van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek omdat ze dan wordt beschouwd als een verkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht, die voor de toepassing van de btw wordt aangemerkt als een levering.

54. Er wordt in dat verband nog verduidelijkt dat een bijkomende clausule bij de leasingovereenkomst, die voorziet dat de leasingnemer in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht (die dus in iedere veronderstelling moet voorzien worden in de overeenkomst), de mogelijkheid heeft het goed te huren (genoemd de optie van wederhuur), de overeenkomst niet buiten het toepassingsgebied brengt van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek.

55. Sommige leasingovereenkomsten kunnen voorzien dat in het geval de optie niet wordt gelicht door de leasingnemer, deze laatste ertoe gehouden is het gebouw te blijven huren voor een bepaalde periode. Deze periode kan, in bepaalde gevallen, zodanig bepaald worden door de leasinggever dat het hem toelaat met betrekking tot de huurperiode het bedrag van de aankoopoptie die niet werd gelicht te verhalen.

56. Een dergelijke overeenkomst valt buiten het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b van het btw-wetboek. Aangezien het juridisch gaat om een enkele overeenkomst, dient te worden vastgesteld dat ze er in feite op neerkomt dat het genot van het goed door de leasinggever tot het einde van de "gewone" huurperiode wordt verleend. De mogelijkheid om de rechten van de leasinggever te verwerven (of de aankoopoptie) doet zich dan niet voor op het einde van de overeenkomst. Bijgevolg is de voorwaarde voorzien door artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 30, niet vervuld.

57. In casu heeft de aankoopoptie alle zakelijke rechten tot voorwerp waarover de leasinggever beschikt. Dit blijkt uit de leasingovereenkomst.

Wedersamenstelling kapitaal

58. Het KB van 10 januari 2005 (B.S. 27 januari 2005) wijzigt de vierde voorwaarde van artikel 1 van KB nr. 30 tot uitvoering van het btw-wetboek.

59. Deze vierde voorwaarde luidt voor leasingovereenkomsten gesloten vanaf 27 januari 2005 als volgt:

“bij het verstrijken van het tijdvak van vijftien jaar bedoeld in artikel 9, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, moet het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die door de leasingnemer moeten worden betaald het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerd kapitaal integraal weder samen te stellen.”.

60. Artikel 9 van KB nr. 3 bepaalt:

“§1 Ten aanzien van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen, is de aftrek die oorspronkelijk door de belastingplichtige werd verricht onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat. Ten aanzien van de belasting geheven van handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting of de verkrijging, met voldoening van de belasting, van een gebouw of tot de verkrijging met voldoening van de belasting van een in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op een gebouw, bedraagt dat tijdvak evenwel vijftien jaar.

§2 Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in de gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen, worden toegestaan of voorgeschreven dat als uitgangspunt van het herzieningstijdvak wordt genomen de 1ste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen.”.

61. De nieuwe voorwaarde houdt derhalve in dat de leasinggever in staat moet zijn om door middel van de periodieke en aan de btw onderworpen leasingvergoeding het geïnvesteerde kapitaal samen te stellen binnen een periode van 15 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat of waarin het bedrijfsmiddel is in gebruik genomen.

62. Bij de voorlopige oplevering van het gebouw dient de gemeente Bonheiden derhalve in staat te zijn om uiterlijk op 31 december van het 14-de jaar vanaf de voorlopige oplevering (dus binnen de herzieningstermijn van 15 jaar vanaf 1 januari van het jaar van voorlopige oplevering) de oprichtingskost van het desbetreffend gebouw, zijnde de maatstaf van heffing waarover btw was verschuldigd, weder samen te stellen door middel van de periodieke leasingtermijnen.

63. Uit de door de aanvrager overgemaakte berekeningsbladen blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan.

IV. Beslissing

Uit het door de DVB gedane analyse blijkt het volgende:

64. Wordt uitgesloten van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° WBTW, de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming gespecialiseerd in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken.

65. De voorwaarden worden bepaald door KB nr. 30 van 29 december 1992 en nader toegelicht door circulaire nr. AOIF 10/2007 dd. 12.04.2007.

66. Overeenkomstig artikel 6 WBTW worden onder meer de gemeenten niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

67. De hoedanigheid van belastingplichtige wordt hen evenwel toegekend voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

68. Gezien het feit dat de gemeente X een nieuw gebouw zal oprichten om het in onroerende leasing te geven voor een termijn van 15 jaar, dient zij voor deze activiteit als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 WBTW te worden beschouwd.

IV.A. het contract moet betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen die opgericht of verkregen worden door de onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing, overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer om door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige te gebruiken.

69. De gemeente X gaat een gebouw bouwen op een stuk grond waarvan zij eigenaar is. De gemeente treedt op als bouwheer en zal het opgerichte gebouw leasen aan het AGB Y.

70. Aanvrager bevestigt dat de gemeente het gebouw met toepassing van de btw zal oprichten en dat er voorafgaand een kaderovereenkomst wordt gesloten met de leasingnemer waarin het gebouw wordt aangewezen door de leasingnemer.

71. In de praktijk wordt aanvaard dat de leasinggever een gespecialiseerde onderneming is, zelfs wanneer deze slechts éénmaal dergelijk overeenkomst sluit.

72. In casu zal de gemeente optreden als leasinggever. Zelfs als deze enkel de voorgelegde overeenkomst afsluit wordt ze bijgevolg als gespecialiseerd beschouwd.

73. Een AGB met rechtspersoonlijkheid valt niet onder artikel 6 maar onder de gewone regels van artikel 4 (z. parl. vr. nr. 580 dd. 29.01.2001 Moriau). Uit de KBO blijkt dat het AGB Y als een autonoom gemeentebedrijf is geregistreerd.

74. Uit de inlichtingen van de aanvrager kan worden afgeleid dat het onroerend goed zal worden aangewend voor de belastingplichtige werkzaamheid van het AGB Y:

74.1. In de ontwerpakte is vermeld dat de leasingnemer (AGB Y) het onroerend goed zal gebruiken in de uitoefening van zijn economische activiteit als btw-plichtige zoals bedoeld onder artikel 44, § 3, 2°, b) WBTW (vrijgestelde onroerende verhuur).

74.2. Met betrekking tot bepaalde ruimten meent de aanvrager dat er een sprake zal zijn van met btw belaste uitbating. De DVB doet hierover geen uitspraak.

Hierbij moet nog worden opgemerkt dat het feit dat die activiteiten al dan niet vrijgesteld zijn door artikel 44 WBTW zonder belang is.

IV.B. het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht moet aan de leasingnemer worden toegestaan op grond van een niet-opzegbaar en niet-eigendomsoverdragend contract.

75. In de voorafgaande uiteenzetting van de voorgelegde leasingovereenkomst wordt vermeld dat men zich verbindt tot een onroerende leaseverrichting zoals bedoeld in artikel 44, §3, 2°, b) WBTW en KB nr. 30 van 29/12/1992 waarbij het door de gemeente op te richten gebouw zal worden ter beschikking gesteld van het AGB Y tegen betaling van een huur. De overeenkomst bepaalt dat de leasingnemer over een optie tot aankoop beschikt die kan worden gelicht in welk geval de authentieke verkoopakte verleden wordt binnen de maand volgend op het verstrijken van de overeenkomst. In dat geval zal de eigendom van het gebouw overgaan bij het verlijden dan de authentieke akte.

76. Het feit dat de leasinggever binnen een zekere periode zijn intentie moet kenbaar maken ten aanzien van de leasinggever is geen beletsel. Vanzelfsprekend mag het lichten van de optie slechts uitwerking hebben bij het verstrijken van de overeenkomst, zodat de eigendomsoverdracht van het gebouw niet plaatsvindt vóór het verstrijken van de overeenkomst.

77. In de leasingovereenkomst wordt melding gemaakt van een onopzegbare periode.

78. De overeenkomst kan noch geschorst noch verbroken wordt bij vermindering van het genot (vernietiging of herstellingswerken). De overeenkomst is niet opzegbaar.

79. In de overeenkomst zijn er nog ontbindende clausules opgenomen (ingebreke blijven leasingnemer (behalve overmacht), staking betalingen, faillissement of stopzetting activiteit). Dergelijke ontbindende clausules vormen geen beletsel.

80. Aldus kan op basis van de door de aanvrager verstrekte gegevens worden besloten dat er aan de voorwaarde zal worden voldaan.

IV.C. de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst.

81. De overeenkomst bevat de aankoopoptie tot aankoop van het onroerend goed tegen een bepaalde prijs. Overeenkomstig het contract wordt de authentieke akte verleden binnen een termijn van 1 maand volgend op het verstrijken van de termijn van de overeenkomst van financieringshuur.

82. Aldus kan op basis van de door de aanvrager verstrekte gegevens worden besloten dat er aan de voorwaarde zal worden voldaan.

IV.D. bij het verstrijken van het herzieningstijdvak van 15 jaar moet het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die door de leasingnemer worden betaald het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerd kapitaal integraal weder samen te stellen.

83. Uit de door de aanvrager verstrekte tabel volgt dat de aflossingen het geïnvesteerd kapitaal zullen wedersamenstellen bij het verstrijken van het tijdvak van 15 jaar bedoeld in artikel 9, van het KB nr. 3 van 10.12.1969.

*

* *

Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in deel IV beslist het College van de DVB in zitting van 26 mei 2015 dat :

84. uit de door de aanvrager overgemaakte inlichtingen blijkt dat de voorgenomen onroerende leasing van het hierboven omschreven gebouw door de gemeente X aan het autonoom gemeentebedrijf Y een onroerende financieringshuur betreft zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b) WBTW en KB nr. 30 dd. 29.12.1992, waarbij rekening moet worden gehouden met randnummer 76 hierboven ;

85. de gemeente X voor deze activiteit van onroerende leasing moet worden beschouwd als een belastingplichtige in de zin van artikel 4 WBTW.

Textes cités

6
CTVA art. 449 occurrences
CTVA art. 47 occurrences
AR no 30 art. 14 occurrences
AR no 3 art. 93 occurrences
CTVA art. 61 occurrence
CTVA art. 91 occurrence