Impôt sur les revenus, société étrangère · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2011.539 14 février 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Impôt sur les revenus, société étrangèreimpôt sur les revenus - société étrangère - convention prévntive de la double imposition - établissement stable - établissement belge - précompte professionnel - fiche individuelle 281.10 - fiche individuelle 281.50 - taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/rulings/2011-539-impot-revenus-societe-etrangere-convention-7232

Numéro
2011.539
Date
14 février 2012

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

171 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2011.539 du 14.02.2012

Absence d'un établissement stable · Etablissement belge · Précompte professionnel · Fiche individuelle 281.10 · Fiche individuelle 281.50

TVA

Résumé

Les activités en Belgique, pour la société étrangère X, ne font pas naître d'établissement stable en Belgique au sens de l'article 5 de la convention préventive de la double imposition. Le bureau belge constitue un établissement belge au sens de l'article 229 § 1er CIR 92. Les rémunérations allouées aux employés de cet établissement belge peuvent être considérées comme frais professionnels au sens de l'article 237 CIR 92. Le bureau belge de la société X est débiteur du précompte professionnel sur ces rémunérations et est tenu d'établir des fiches 281.10. Le bureau belge de la société X n'est pas tenu d'établir des fiches 281.50 en ce qui concerne les honoraires qui lui seront facturés par des consultants indépendants.

Le bureau belge constitue un établissement stable à des fins TVA au sens de l'article 12 du règlement d'exécution n° 282/2011, mais il n'y a aucune obligation d'enregistrement à la TVA en Belgique et aucune TVA belge ne doit être prélevée sur les factures des consultants pour leurs services au bureau étranger.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen waarin wordt bevestigd dat met betrekking tot de recent opgerichte vennootschap naar buitenlands recht:

1.1. het Belgische kantoor geen vaste inrichting uitmaakt onder het dubbelbelastingverdrag;

1.2. het Belgische kantoor een Belgische inrichting uitmaakt in de zin van artikel 229, § 1 WIB 92, waaruit een aantal fiscale (aangifte)verplichtingen voortvloeien; en

1.3. het Belgische kantoor een vaste inrichting uitmaakt voor BTW-doeleinden, doch dat er geen verplichting is tot BTW-registratie in België en dat geen Belgische BTW dient geheven te worden op de facturen van de consulenten voor hun diensten aan het buitenlands kantoor.

II. Omschrijving van de verrichting

II.1. Beschrijving van het Belgische kantoor

2. Ofschoon België niet (rechtstreeks) betrokken zal zijn bij het project zal het buitenlands hoofdhuis niettemin een "Belgisch kantoor" opzetten. Het Belgische kantoor zal zich toeleggen op de volgende activiteiten:

2.1. informatieverwerving en -verspreiding met betrekking tot de Europese reglementeringen en het Europese politieke beslissingsproces;

2.2. bijstand aan de informatieverlening die het hoofdkantoor over het project zal verrichten (middels bijstand voor de opmaak van brochures enz.); en

2.3. het onderhouden van contacten met politieke en economische invloedrijke personen en organisaties.

3. Het hoofdhuis wenst daartoe in België over kantoorruimte en -faciliteiten te beschikken (hierna genoemd "Het Belgische kantoor"). Het zal deze kantoorruimte huren. Dit kan gaan om een gewone huur voor kantoren of om een all-in dienst voor de beschikking over kantoorfaciliteiten met inbegrip van bijkomende diensten zoals receptie, telefooncentrale enz.

4. Het buitenlands hoofdkantoor zal in het Belgische kantoor starten met de tewerkstelling van werknemers. Deze zullen ondermeer instaan voor receptie en administratieve ondersteuning van het Belgische kantoor. Daarnaast zal het Belgische kantoor ook beroep doen op de diensten van zelfstandige consulenten waarmee het hoofdhuis een dienstencontract zal afsluiten. Deze consulenten zullen in België gevestigde zelfstandige dienstverstrekkers zijn die hun diensten middels een eigen (Belgische) dienstenvennootschap aan het buitenlands hoofdhuis zullen leveren. Naar verwachting zullen deze dienstenvennootschappen (nagenoeg) exclusief aan het buitenlands hoofdhuis diensten leveren. Zij zullen voornamelijk in België opereren en er ook gebruik maken van de kantoren (bureauaccommodatie en -uitrusting) en van de secretariële ondersteuning van het Belgische kantoor.

5. In land X gevestigde kaderleden van de buitenlandse vennootschap zullen ter gelegenheid van bezoeken in België allicht eveneens gebruik maken van de faciliteiten van het Belgische kantoor.

6. Noch de werknemers, noch de in België gevestigde consulenten zullen de bevoegdheid hebben om contracten of verbintenissen af te sluiten in naam of voor rekening van het buitenlands hoofdhuis. Mogelijks zullen beperkte volmachten worden voorzien met betrekking tot de bestelling van nutsvoorzieningen, de aankoop van klein bureaumaterieel en andere aangelegenheden van beperkt belang met betrekking tot het functioneren van het kantoor. Vanzelfsprekend zullen noch de in België gebaseerde werknemers noch de in België opererende consulenten enige bevoegdheid hebben om commerciële contracten te tekenen (het Belgische kantoor zal zich overigens niet met commerciële activiteiten inlaten). Er zullen in België evenmin leidinggevende activiteiten worden uitgeoefend. De personen die leiding zullen geven m.b.t. de in het Belgische kantoor ondernomen activiteiten zullen in het buitenlands hoofdkwartier gevestigd zijn. De personeelsleden en consulenten van het Belgische kantoor zullen rapporteren aan hun hiërarchische meerderen en opdrachtgevers in het buitenlands hoofdkwartier.

7. De activiteiten uitgeoefend in het Belgische kantoor zullen, qua aangewende activa en ingezet aantal personen, onbeduidend zijn ten opzichte van de activiteiten en personeelsbestand van het hoofdkwartier in land X.

8. Het Belgische kantoor zal een louter kostcenter zijn, waarvan de kosten door het hoofdhuis zullen gedragen worden. Het Belgische kantoor zal geen diensten verstrekken aan derden en evenmin aan andere vennootschappen verbonden met het project. De activiteiten van en in het Belgische kantoor zullen van louter ondersteunende en voorbereidende aard zijn en dit ter ondersteuning van de eigen hoofdkwartieren in land X.

9. De zelfstandige consulenten zullen hun diensten verstrekken aan het hoofdkwartier in land X (de kaderleden aan dewelke de consulenten dienen te rapporteren zullen in land X gevestigd zijn). De consulenten zullen hun diensten factureren aan het hoofdkwartier en zullen vanuit een bankrekening beheerd door het hoofdkwartier worden betaald.

III. m otivering van de aanvraag

III.1. Geen vaste inrichting onder het dubbelbelastingverdrag

10. Onder het dubbelbelastingverdrag (hierna het "Verdrag") is de buitenlandse vennootschap in België belastbaar indien het hier te lande over een vaste inrichting beschikt. Het begrip vaste inrichting wordt voor doeleinden van het Verdrag gedefinieerd in zijn artikel 5.

11. Artikel 5 van het Verdrag volgt voor het overgrote deel het OESO modelverdrag. Derhalve dient onderzocht of er in casu sprake is van een materiële vaste inrichting en/of van een personele vaste inrichting.

III.1.1. Geen materiële vaste inrichting

12. Vermits de buitenlandse vennootschap (middels huur) op permanente wijze in België over kantoorruimte zal beschikken en in en vanuit deze kantoorruimten onder meer middels eigen personeelsleden een deel van haar activiteiten zullen worden uitgeoefend, zal de buitenlandse vennootschap over een materiële vaste inrichting in de zin van artikel 5, §2 van het Verdrag beschikken.

13. Evenwel voorziet het Verdrag in artikel 5, §4 een uitzondering op het bestaan van een vaste inrichting indien de activiteiten van de betrokken buitenlandse vennootschap zich beperken tot:

13.1. het inwinnen van inlichtingen (artikel 5, §4, d, verwijst naar een vaste bedrijfsinrichting die wordt aangehouden uitsluitend om voor de onderneming inlichtingen in te winnen);

13.2. voorbereidende of hulpwerkzaamheden (artikel 5, §4, e, verwijst naar een vaste bedrijfsinrichting die wordt aangehouden "uitsluitend om voor de onderneming, andere werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben te verrichten");

13.3. verscheidene van de in de leden a) tot e) artikel 5, §4 van het Verdrag vermelde werkzaamheden, op voorwaarde dat het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft (artikel 5, §4, f).

14. De OESO-commentaar bevestigt dat §4 van artikel 5, de zogenaamde 'negatieve gevallen', er op gericht is te voorkomen dat een onderneming die louter voorbereidende of hulpwerkzaamheden uitoefent in een verdragsland, geacht zou worden aldaar over een vaste inrichting te beschikken[1].

15. In casu is de uitsluiting vervat in artikel 5, §4, d) tot f) van het Verdrag van toepassing. Deze uitsluitingsgrond vereist dat de uitgeoefende activiteiten:

15.1. uitsluitend worden verricht voor de onderneming waarvan de bedrijfsinrichting afhangt en niet voor derden; en

15.2. dat de combinatie van de verschillende activiteiten kan gekwalificeerd worden als van louter voorbereidende aard of als hulpwerkzaamheid.

16. Een activiteit kan gekwalificeerd worden als een voorbereidende of een hulpactiviteit, indien ze geen "essential and significant" deel van de activiteiten van de onderneming uitmaakt. Dit is het geval wanneer de activiteit:

16.1. ver van de eigenlijke realisatie van winst is verwijderd;

16.2. niet samenvalt met het eigenlijke doel of het voorwerp van de onderneming; en

16.3. ook niet het bestuur en beleid van de onderneming behelst[2].

17. De activiteiten van de buitenlandse vennootschap in België kwalificeren als dergelijke voorbereidende en hulpwerkzaamheden. Immers:

17.1. de activiteiten die in België zullen worden verricht zijn ver verwijderd van de eigenlijke realisatie van winst, in die zin dat deze activiteiten door hun aard geen winst opbrengen;

17.2. de informatieverwervings-, lobbying en andere activiteiten van het Belgische kantoor vallen niet samen met de eigenlijke activiteit van de buitenlandse vennootschap en ondersteunen deze alleen maar. De buitenlandse vennootschap ageert in land X niet als PR- of informatie-entiteit, maar staat in voor de commerciële, technische en juridische leiding van het project, hetwelk een veel ruimere activiteit en verantwoordelijkheid omvat;

17.3. de activiteiten die in België zullen worden verricht zullen kwantitatief gezien (aangewende activa, personeel,..), beduidend minder belangrijk zijn dan deze van het hoofdkwartier;

17.4. de activiteiten in België zullen uitsluitend verricht worden voor het hoofdkantoor zelf (en niet voor derden of andere groepsvennootschappen).

18. Omwille van deze redenen dient dan ook te worden aangenomen dat de buitenlandse vennootschap geen materiële vaste inrichting in België zal hebben.

III.1.2. Geen personele vaste inrichting

19. Op grond van artikel 5, §5 van het Verdrag is een personele vaste inrichting in België aanwezig indien:

19.1. de buitenlandse vennootschap in België beroep doet op afhankelijke of onafhankelijke (tenminste indien deze laatste buiten de normale uitoefening van zijn bedrijf handelt) vertegenwoordigers;

19.2. deze een machtiging bezitten om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in België gewoonlijk uitoefenen; en

19.3. hun werkzaamheden in België niet beperkt blijven tot die welke zijn vermeld in artikel 5, §4 (hulp- en voorbereidende werkzaamheden).

20. Het Belgische kantoor en de werknemers en consulenten die in en vanuit het Belgische kantoor zullen opereren zullen geen aanleiding geven tot het bestaan van een personele vaste inrichting omwille van de volgende redenen:

20.1. noch de werknemers, noch de zelfstandige consulenten zullen de bevoegdheid verkrijgen om de buitenlandse vennootschap tegenover derden te verbinden met betrekking tot enige commerciële of economische aangelegenheid. De enige ondertekeningsbevoegdheden die eventueel aan bepaalde personen zullen toegekend worden, zullen sowieso beperkt blijven tot loutere materiële kantoorbenodigdheden met betrekking tot de Belgische kantoorruimte (contracten in verband met nutsvoorzieningen zoals internetverbinding, water, elektriciteit, verwarming en soortgelijke contracten inzake het materieel dagelijks beheer van de Belgische bedrijfsinrichting) en zullen dus beperkt worden tot loutere voorbereidende en hulpwerkzaamheden;

20.2. deze beperkte bevoegdheden van de in België opererende personen stelt bovendien in het algemeen niet echt een probleem in hoofde van de buitenlandse vennootschap, aangezien de aard van de activiteiten die wordt uitgeoefend in België door de werknemers en door de consulenten geen vertegenwoordigingsbevoegdheden vereist;

20.3. het niet uitgesloten is dat onder de kaderleden van de buitenlandse vennootschap die sporadisch in België op bezoek zouden komen en bij die gelegenheid desgevallend eveneens gebruik zouden maken van de kantoorfaciliteiten van het Belgische kantoor, personen kunnen behoren die wel over een vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikken. Echter, deze personen zullen slechts sporadisch in België aanwezig zijn en sowieso van hun bevoegdheden niet regelmatig gebruik maken in België.

III.2. Belgische inrichting onder artikel 229 WIB 92

21. Artikel 229 WIB 92 definieert het begrip Belgische inrichting op een ruimere manier dan onder het Verdrag het geval is. Met name geldt de uitzondering voor de voormelde zogenaamde "negatieve gevallen" niet onder artikel 229 WIB 92. Als gevolg hiervan zal de buitenlandse vennootschap hoe dan ook geacht moeten worden in België over een Belgische inrichting in de zin van artikel 229 WIB 92 te beschikken.

22. Ofschoon de belastingvrijstelling onder het Verdrag primeert op het Belgische interne recht, geeft de vaststelling dat de buitenlandse vennootschap een Belgische inrichting zal hebben toch aanleiding tot de volgende effecten:

22.1. BNI-Venn.- aangifte

22.1.1. De verdragsvrijstelling verhindert niet dat overeenkomstig artikel 305, eerste lid WIB 92, de buitenlandse vennootschap gehouden is jaarlijks een aangifte in de BNI-Venn in te dienen.

22.1.2. Gelet op het feit dat het Belgische kantoor geen inkomsten heeft en louter als kostcenter zal opereren, zal deze aangifte in praktijk neerkomen op een zogenaamde "nulaangifte". Indien de buitenlandse vennootschap in België niet over een wettelijke vertegenwoordiger, noch andere gemachtigde algemene vertegenwoordiger zal beschikken, zal de buitenlandse vennootschap allicht niet onder het toepassingsgebied van de Belgische boekhoudwetgeving vallen.

22.1.3. De buitenlandse vennootschap is bereid zich er toe te verbinden om een jaarlijkse bijlage toe te voegen aan haar aangiften BNI met opgave van het bedrag van de vergoedingen tijdens het betrokken inkomstenjaar betaald aan de in België werkende consulenten met een uitsplitsing per consulent.

22.2. Fiches 281.10 en 281.50

22.2.1. Fiches 281.10 zullen worden opgesteld met betrekking tot de bezoldigingen van de in het Belgische kantoor tewerkgestelde werknemers.

22.2.2. De Belgische inrichting dient geen fiches 281.50 op te stellen in verband met de erelonen die door de hoofdzetel van de buitenlandse vennootschap aan de zelfstandige consulenten zullen worden betaald, aangezien enerzijds deze consulenten hun diensten rechtstreeks verstrekken aan het buitenlandse hoofdhuis van de buitenlandse vennootschap (en niet aan de Belgische inrichting) en anderzijds deze erelonen het voorwerp zullen uitmaken van door de consulenten uit te reiken facturen (facturen uitgaande van een Belgische dienstverrichter maar onderworpen aan buitenlandse BTW (indien van toepassing)).

22.3. Bedrijfsvoorheffing

22.3.1. Bedrijfsvoorheffing zal worden ingehouden op de in België belastbare bezoldigingen van de werknemer(s) die is (zijn) tewerkgesteld in het Belgische kantoor.

III.3. Vaste inrichting voor BTW-doeleinden

III.3.1. Geen verplichting tot registratie voor BTW-doeleinden

23. Krachtens artikel 11, eerste lid van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, wordt onder vaste inrichting (met het oog op het ontvangen van diensten) verstaan:

"Iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken."

24. De circulaire nr. AFZ 19/2009 dd. 22.12.2009 stelt hieromtrent onder randnummer 16 dat:

"Onder een vaste inrichting ten behoeve waarvan een dienst wordt verstrekt, wordt verstaan een inrichting die een voldoende graad van bestendigheid heeft en een aangepaste structuur in termen van menselijke en technische middelen om de verstrekte diensten te kunnen ontvangen en te kunnen verbruiken, m.a.w. de bedoelde inrichting moet in staat zijn om de diensten materieel te ontvangen en te verbruiken (de juridische bekwaamheid speelt ter zake geen rol)."

25. Circulaire AFZ nr. 5/2011 dd. 27/06/2011 (AFZ/2011-0429) en meer bepaald randnummer 21 hiervan, vult voorgaande circulaire aan door op te merken dat:

"Wat de definitie betreft van het begrip vaste inrichting in de hoedanigheid van afnemer van de dienst, spreekt het vanzelf dat deze definitie slechts echt van belang is in de relatie B to B. Zij benadrukt dat voor de plaatsbepaling van diensten, een vestiging van waaruit geen enkele belastbare handeling wordt verricht (representatiekantoor,…) wordt aangemerkt als vaste inrichting voor de diensten waarvan zij afnemer is, indien bedoelde vestiging die diensten ontvangt en gebruikt voor haar eigen behoeften (bvb. telecommunicatiediensten)."

26. Dezelfde redenering komt naar voor uit de parlementaire vraag nr. 237 (Brotcorne) van 21 januari 2011, Kamer 2010-2011, nr. 025, 6.

27. Ofschoon het Belgische kantoor geen diensten aan derden zal leveren of factureren, komt het de aanvrager voor dat het Belgische kantoor van de buitenlandse vennootschap op grond van bovenstaande als een vaste inrichting voor BTW-doeleinden kan worden beschouwd. Het Belgische kantoor beschikt immers over een voldoende mate van duurzaamheid en - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om bepaalde lokaal voor de eigen behoeften van het PR-office verrichte diensten te kunnen afnemen. Dit is het geval voor diensten zoals informatica-, telefoon- en internetdiensten alsook cateringdiensten die ter plaatste in België worden "geconsumeerd".

28. De buitenlandse vennootschap zal zich echter niet in België dienen te registreren voor BTW-doeleinden gelet op de volgende elementen:

28.1. er worden door de Belgische inrichting geen diensten aan derden verricht, zodat artikel 50, §1, 3° Wb. BTW niet van toepassing is;

28.2. gelet op artikel 50, §1, 3° Wb. BTW zal een niet in België gevestigde belastingplichtige zich in België moeten identificeren, wanneer hij belastbare handelingen verricht, die hem een recht op aftrek verlenen en waardoor hij schuldenaar is van BTW aan de Belgische Staat;

28.3. de Belgische inrichting zal geen diensten vanuit land X ontvangen (of minstens geen diensten die "geconsumeerd" worden door het Belgische PR-office), zodat artikel 50, §1, 4° Wb. BTW niet van toepassing is;

28.4. gelet op artikel 50, §1, 4° Wb. BTW zal een (niet in België gevestigde) belastingplichtige zich in België moeten identificeren als hij schuldenaar is van de belasting krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1° Wb. BTW;

28.5. mocht de buitenlandse vennootschap evenwel diensten ontvangen van buiten België, die bestemd zijn voor het buitenlandse hoofdhuis, maar die eveneens nuttig zouden kunnen zijn voor de Belgische inrichting, dan zullen deze diensten worden geacht in land X te worden verbruikt, gelet op de volgende elementen (cf. a contrario randnummer 19 van circulaire nr. AFZ 19/2009 dd. 22.12.2009):

28.5.1. de eventuele contracten met betrekking tot deze diensten worden afgesloten door het buitenlandse hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap;

28.5.2. eventuele bestelbonnen zullen uitgaan van het hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap;

28.5.3. de facturen met betrekking tot deze diensten zullen gericht worden aan het hoofdkwartier;

28.5.4. de betaling van deze diensten zal verlopen vanuit een bankrekening op naam van het hoofdkwartier;

28.5.5. de volledige verwerking van de commerciële en financiële documentatie met betrekking tot de diensten zal gebeuren via het hoofdkwartier.

29. Wat de Belgische BTW geheven over de facturen van onder andere internet- en telefoonproviders betreft, zal desgevallend (bij gebrek aan Belgisch BTW-nummer) een beroep dienen te worden gedaan op de teruggaafprocedure voor niet geregistreerde buitenlandse belastingplichtigen (artikel 76, §2 W.BTW en uitvoerings-KB nr. 56).

III.3.2. Geen Belgische BTW op de facturen van de consulenten gericht aan de buitenlandse vennootschap

30. Wat betreft de diensten verstrekt door de consultants, dient te worden benadrukt dat deze diensten worden verricht voor en aan het buitenlands hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap. Deze lokalisatie van de dienst in land X is juridisch sluitend en leidt tot een rationele oplossing en kan niet aan de kant worden geschoven ten voordele van een lokalisatie van de diensten aan het PR-office in België, gelet op de hierna besproken omstandigheden (cf. randnummer 17 van circulaire nr. AFZ 19/2009 dd. 22.12.2009):

30.1. ter plaatste in het Belgische kantoor is niemand aanwezig waaraan de consultants de ingewonnen informatie en bevindingen kunnen overmaken, is er niemand om aan te rapporteren en niemand die in staat zou zijn om hun diensten te controleren, hun bevindingen te verwerken en aan te wenden, etc.;

30.2. daarentegen zullen de consultants rapporteren aan bevoegde kaderleden op het buitenlands hoofdkwartier. De consultants zullen hun opdrachten vanuit het buitenlands hoofdkwartier ontvangen en zullen vanuit land X worden aangestuurd en gecontroleerd. De verkregen informatie, bevindingen en input zullen in land X worden verwerkt en zullen vanuit land X aangewend worden ten bate van het project.

31. Onder deze omstandigheden blijkt dat de Belgische inrichting niet uitgerust is om gebruik te maken van de diensten van de consultants, terwijl het buitenlandse hoofdhuis daarentegen de enige afnemer is van deze diensten.

32. Bovendien zal de buitenlandse vennootschap de consultancyvergoedingen niet doorrekenen aan haar aandeelhouders.

33. Zelfs indien zou worden gesteld dat de diensten van de consultants eveneens worden verricht ten behoeve van de Belgische inrichting (wat niet het geval is, gelet op bovenstaande), dan nog dient erop te worden gewezen dat de volgende voorwaarden zullen worden vervuld (cf. a contrario randnummer 19 van circulaire nr. AFZ 19/2009 dd. 22.12.2009):

33.1. de contracten met de consulenten worden afgesloten door het buitenlandse hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap;

33.2. de facturen m.b.t. deze diensten zullen door de consultants gericht worden aan het buitenlandse hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap;

33.3. deze facturen zullen de vermelding "No Belgian VAT applied in execution of Article 21, §2 of the Belgian VAT Code" bevatten;

33.4. de betaling van deze diensten zal verlopen vanuit een bankrekening op naam van het buitenlandse hoofdkwartier van de buitenlandse vennootschap;

33.5. de volledige verwerking van de commerciële en financiële documentatie met betrekking tot de diensten zal gebeuren via het hoofdkwartier.

34. Onder deze omstandigheden dienen de door de consultants geleverde dienstverrichtingen voor BTW-doeleinden geacht te worden plaats te vinden in land X. Voor BTW doeleinden kan de plaats van deze diensten niet in België gesitueerd worden. Bijgevolg dient buitenlandse (indien van toepassing) en geen Belgische BTW op deze dienstverrichtingen te worden toegepast.

IV. Beslissing

IV.1. Met betrekking tot de afwezigheid van een vaste inrichting onder het Belgisch-buitenlands dubbelbelastingverdrag

35. Het Belgische kantoor van de recent opgerichte vennootschap naar buitenlands recht doet in België geen materiële vaste inrichting in de zin van artikel 5 van het Belgisch-buitenlands dubbelbelastingverdrag ontstaan om de volgende redenen:

35.1. hoewel de buitenlandse vennootschap op een permanente wijze in België over kantoorruimte zal beschikken en vanuit deze kantoorruimte middels eigen personeelsleden een deel van haar activiteiten zal uitoefenen, zal de buitenlandse vennootschap niet over een materiële vaste inrichting beschikken aangezien artikel 5, §4 van het Verdrag van toepassing is;

35.2. meer bepaald is de uitsluiting vervat in artikel 5, §4, d) tot f) van het Verdrag van toepassing aangezien:

35.2.1. de activiteiten van de buitenlandse vennootschap in België ver verwijderd zijn van de eigenlijke realisatie van winst en kunnen gekwalificeerd worden als van louter voorbereidende aard of als hulpwerkzaamheid;

35.2.2. de informatieverwervings-, lobbying en andere activiteiten van het Belgische kantoor niet samenvallen met de eigenlijke activiteit van de buitenlandse vennootschap zijnde de commerciële, technische en juridische leiding van het project;

35.2.3. de activiteiten die in België zullen verricht worden zullen kwantitatief gezien (aangewende activa, personeel,…) minder belangrijk zijn dan deze van het hoofdkwartier;

35.2.4. de activiteiten van het Belgische PR-office uitsluitend worden verricht voor de buitenlandse vennootschap zelf en niet voor derden of andere groepsvennootschappen;

35.3. er wordt geen leiding gegeven in België;

36. De werkzaamheden van het Belgische kantoor in België in hoofde van de buitenlandse vennootschap doen evenmin een personele vaste inrichting ontstaan in de zin van artikel 5, §5 van het Verdrag aangezien:

36.1. noch de werknemers, noch de zelfstandige consulenten de bevoegdheid krijgen om de buitenlandse vennootschap te verbinden tegenover derden met betrekking tot enige commerciële of economische aangelegenheid;

36.2. de ondertekeningsbevoegdheid die eventueel aan bepaalde personen zal toegekend worden, zal beperkt blijven tot loutere voorbereidende en hulpwerkzaamheden;

36.3. de aard van de activiteiten die in België door de werknemers en de consulenten worden uitgeoefend vereisen geen vertegenwoordigingsbevoegdheid;

36.4. de kaderleden van de buitenlandse vennootschap die in België op bezoek komen en gebruik maken van de kantoorfaciliteiten van het Belgische kantoor zullen dit slechts sporadisch doen.

IV.2. Met betrekking tot de aanwezigheid van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 WIB 92 en de bijhorende fiscale (aangifte)verplichtingen

37. Het nummer 7, 2de lid, van de administratieve circulaire nr. AFZ 2006/0652 van 25 mei 2005 bepaalt dat een Belgische inrichting wordt geacht te bestaan indien de inrichting waarover de onderneming in België beschikt een zekere mate van bestendigheid vertoont, d.w.z. indien ze niet van louter tijdelijke aard is. Die toestand moet beoordeeld worden in functie van de feitelijke omstandigheden, maar zodra er met behulp van een vaste bedrijfsinrichting een activiteit wordt uitgeoefend die langer dan 30 dagen duurt, zal er van uitgegaan worden dat er een Belgische inrichting is.

38. Uit de aanvraag (randnummers 2 en 3) blijkt dat het Belgische kantoor tijdens het project actief zal zijn en over kantoorruimte en -faciliteiten zal beschikken en bijgevolg als een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, §1, WIB 92 moet worden aangemerkt.

39. De bezoldigingen toegekend aan de in het Belgische kantoor tewerkgestelde werknemers kunnen als beroepskosten in de zin van artikel 237 WIB 92 in aanmerking komen. Bijgevolg is het hoofdhuis, enerzijds, overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92 schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing op voormelde bezoldigingen en, anderzijds, er toegehouden de individuele fiche 281.10 op te stellen.

40. Overeenkomstig nr. 57/62 Com. IB 92 heeft de verplichting tot het opstellen van individuele fiches 281.50 slechts betrekking op de bedragen die worden betaald:

40.1. ofwel aan personen die niet onderworpen zijn aan de W 17.7.1975 betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;

40.2. ofwel aan personen beoogd door diezelfde wet maar die, krachtens het BTW-Wetboek vrijgesteld zijn van de aflevering van facturen voor de geleverde prestaties.

41. Overeenkomstig het bericht aan de schuldenaars van commissies, makelaarslonen, restorno's, vacatiegelden, erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard dient de schuldenaar van het commissieloon, het makelaarsloon, enz., derhalve een fiche 281.50 op te stellen telkens hij vanwege de verkrijger van de inkomsten, noch een factuur, noch een bijzonder stuk in de zin van artikel 53, §3, van het BTW-Wetboek heeft gekregen en ingeschreven voor prestaties die de aanleiding waren tot de betaling van dat commissieloon, enz.

42. Uit de aanvraag (randnummer 9) blijkt dat de zelfstandige consulenten hun diensten rechtstreeks zullen verstrekken aan het hoofdhuis en dat de daarvoor ontvangen erelonen het voorwerp zullen uitmaken van door die consulenten uitgereikte facturen. Het hoofdhuis is er bijgevolg niet toe gehouden een individuele fiche 281.50 op te stellen.

IV.3. Met betrekking tot de aanwezigheid van een vaste inrichting voor BTW-doeleinden

IV.3.1. Geen verplichting tot registratie voor BTW-doeleinden

43. Het Belgische kantoor beschikt over een voldoende mate van duurzaamheid en - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om bepaalde lokaal voor de eigen behoeften van het PR-office verrichte diensten te kunnen afnemen.

44. Het Belgische kantoor kan bijgevolg als een vaste inrichting voor BTW-doeleinden worden beschouwd in de zin van artikel 11, eerste lid van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011.

45. Het buitenlands hoofdkantoor dient zich echter niet in België te registreren voor BTW-doeleinden gelet op de volgende elementen:

45.1. er worden door de Belgische inrichting geen diensten aan derden verricht, zodat artikel 50, §1, 3° Wb. BTW niet van toepassing is;

45.2. gelet op artikel 50, §1, 3° Wb. BTW zal een niet in België gevestigde belastingplichtige zich in België moeten identificeren, wanneer hij belastbare handelingen verricht, die hem een recht op aftrek verlenen en waardoor hij schuldenaar is van BTW aan de Belgische Staat;

45.3. de Belgische inrichting zal geen diensten vanuit het buitenland ontvangen (of minstens geen diensten die "geconsumeerd" worden door het Brussel PR-office), zodat artikel 50, §1, 4° Wb. BTW niet van toepassing is;

45.4. gelet op artikel 50, §1, 4° Wb. BTW zal een (niet in België gevestigde) belastingplichtige zich in België moeten identificeren als hij schuldenaar is van de belasting krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1° Wb. BTW;

45.5. mocht het Belgische kantoor evenwel diensten ontvangen van buiten België, die bestemd zijn voor het buitenlands hoofdhuis, maar die eveneens nuttig zouden kunnen zijn voor de Belgische inrichting, dan zullen deze diensten worden geacht in buitenland te worden verbruikt, gelet op de volgende elementen (cf. a contrario randnummer 19 van circulaire nr. AFZ 19/2009 dd. 22.12.2009):

45.5.1. de eventuele contracten met betrekking tot deze diensten worden afgesloten door het buitenlands hoofdhuis;

45.5.2. eventuele bestelbonnen zullen uitgaan van het hoofdhuis;

45.5.3. de facturen met betrekking tot deze diensten zullen gericht worden aan het hoofdhuis;

45.5.4. de betaling van deze diensten zal verlopen vanuit een bankrekening op naam van het hoofdhuis;

45.5.5. de volledige verwerking van de commerciële en financiële documentatie met betrekking tot de diensten zal gebeuren via het hoofdhuis.

46. Vermits het Belgische kantoor geen schuldenaar is van BTW en er evenmin toe gehouden is andere verplichtingen na te komen op het stuk van de BTW is een identificatie niet nodig (conform parl vr Brotcorne).

IV.3.2. Geen Belgische BTW op de facturen van de consulenten gericht aan het hoofdhuis

47. De vraag betreft de plaats van de dienst van een consultancydienst.

48. Het gaat om een dienst beoogd door artikel 21, § 2, van het BTW-Wetboek.

49. Wanneer een voor een belastingplichtige verrichte dienst valt onder de toepassing van artikel 21, §2, van het Wetboek en de belastingplichtige is in meer dan één land gevestigd, dan is die dienst, in principe, belastbaar in het land waar deze belastingplichtige zijn maatschappelijke zetel heeft gevestigd.

50. Wordt die dienst evenwel verricht voor een vaste inrichting van een belastingplichtige die zich op een andere plaats bevindt dan waar de zetel van diens economische activiteit is gevestigd, dan is die dienst belastbaar op de plaats van de vaste inrichting die de dienst afneemt en voor haar eigen behoeften gebruikt (artikel 21, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening).

51. Ten einde de dienstverrichter, die tenslotte afhankelijk is van de informatie die hem door de ontvanger van de dienst wordt verstrekt nopens de plaats waar de dienst daadwerkelijk wordt afgenomen en wordt gebruikt, te ontlasten van zijn aansprakelijkheid wat de vaststelling van de plaats van de handeling betreft, geldt het volgende:

52. Overeenkomstig artikel 22, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsverordening bepaalt de dienstverrichter, aan de hand van de aard en het gebruik van de verstrekte dienst, voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht. Wanneer de dienstverrichter niet aan de hand van de aard en het gebruik van de dienst kan bepalen voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht, let hij er in het bijzonder op of de vaste inrichting in het contract, op de bestelbon en middels het door de lidstaat van de afnemer toegekende en door de afnemer aan hem meegedeelde BTW-identificatienummer als afnemer van de dienst aangeduid is alsook of de vaste inrichting de identiteit is die de dienst betaalt.

53. Wanneer op basis van wat voorafgaat niet kan worden bepaald voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht of nog wanneer de onder artikel 21, §2, van het Wetboek vallende dienst wordt verricht voor een belastingplichtige in het kader van een contract dat betrekking heeft op één of meer diensten die op een niet identificeerbare of niet kwantificeerbare manier worden afgenomen, kan de dienstverrichter er overigens rechtsgeldig van uitgaan dat de diensten worden verricht op de plaats waar de afnemer zijn maatschappelijke zetel heeft gevestigd (z. artikel 22, derde lid, van de Uitvoeringsverordening).

54. Onder de omstandigheden vermeld in randnummers 30. tot en met 33. dienen de door de consultants geleverde dienstverrichtingen voor BTW-doeleinden geacht te worden plaats te vinden in land X. Voor BTW doeleinden kan de plaats van de diensten niet in België gesitueerd worden. Bijgevolg dient buitenlandse (indien van toepassing) en geen Belgische BTW op deze dienstverrichtingen te worden toegepast.

*

* *

Gelet op de artikelen 20 tot 23 van de wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in de randnummers 35. tot en met 54. beslist het College van de DVB dat:

55. de werkzaamheden van het Belgische kantoor in België geen vaste inrichting doen ontstaan in België voor de buitenlandse vennootschap in de zin van artikel 5 van het Belgisch-buitenlands dubbelbelastingverdrag;

56. het Belgische kantoor wel een Belgische inrichting uitmaakt in de zin van artikel 229, §1 WIB 92;

57. het Belgische kantoor overeenkomstig artikel 270, 1°, WIB 92 als schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen toegekend aan de werknemers tewerkgesteld in het Belgische kantoor moet worden aangemerkt en er derhalve toegehouden is de individuele fiche 281.10 op te stellen;

58. het Belgische kantoor er niet toe gehouden is een individuele fiche 281.50 op te stellen i.v.m. de erelonen, enz. toegekend aan en gefactureerd door de zelfstandige consulenten;

59. het Belgische kantoor als een vaste inrichting voor BTW-doeleinden wordt beschouwd in de zin van artikel 11, eerste lid van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 doch zich niet in België dient te registreren voor BTW-doeleinden;

60. dat geen Belgische BTW dient geheven te worden op de facturen van de consulenten voor hun diensten aan het buitenlands hoofdkantoor.

61. De beslissing slechts geldig is voor zover noch de activiteiten van de aanvrager, noch de omstandigheden waarin zijn worden uitgeoefend betekenisvol wijzigen gedurende de periode tijdens dewelke deze beslissing van toepassing is.

62. De onderhavige voorafgaande beslissing wordt getroffen voor een periode van 5 opeenvolgende boekjaren, met ingang van het boekjaar N. Deze beslissing kan desgewenst worden verlengd of worden geamendeerd voor zover te gelegener tijd - bij voorkeur 3 maanden voor het verstrijken van de onderhavige periode - een nieuwe aanvraag bij de DVB wordt ingediend.

[1] Com.OESO, art. 5, nr. 21.

[2] A. SKAAR, Permanent Establishments, 284 e.v ; K. VOGEL, Double Taxation Conventions, nr. 108; T. WUSTENBERGHS, De Vaste inrichting op de helling, p.105; J. HUSTON en L. WILLIAMS, Permanent Establishments, 157-158.

Textes cités

4