Parcours procédural
2 étapes · 1 an 3 mois- Décision affichéeTribunal de première instance de Hasselt10.06.2010
- Décision sur appelCour d'appel d'Anvers13.09.2011
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 10.06.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 07/1620/A
A&E V. W. NV, ingeschreven onder ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE DER ONDERNEMINGS- EN INKOMSTENFISCALITEIT, in de persoon van de gewestelijk directeur van het controlecentrum Hasselt-Beringen, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
verweerder,
vertegenwoordigd mr. O. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
EN IN ZAKE AR nr. 08/110/A
A&E V. NV, ingeschreven onder ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …, ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van eerstaanwezend inspecteur van het Eerste BTW-Ontvangkantoor van Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
verweerder,
vertegenwoordigd mr. O. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
EN IN ZAKE AR nr. 08/233/A
A&E V. WONING NV, ingeschreven onder ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van eerstaanwezend inspecteur van het Eerste BTW-Ontvangkantoor van Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
verweerder,
vertegenwoordigd mr. O. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Inzake AR nr. 07/1620/A
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak dat werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 05.07.2007, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing van 05.04.2007;
- de conclusies en de stukken van verweerder;
- de besluiten en de stukken van eiseres.
Inzake AR nr. 08/110/A
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak dat werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 10.01.2008, met aangehecht een afschrift van het dwangbevel van 27.11.2007 en het proces-verbaal van 23.11.2007;
- de conclusies en de stukken van verweerder;
- de besluiten en de stukken van eiseres.
Inzake AR nr. 08/223/A
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak dat werd neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.01.2008, met aangehecht een afschrift van het dwangbevel van 08.12.2005 en het proces-verbaal van 23.10.2002;
- de conclusies en de stukken van verweerder;
- de besluiten en de stukken van eiseres.
I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN
I.a. Inzake AR nr. 07/1620/A
1. Het geschil betreft een aanslag in de vennootschapsbelasting van de gemeente … in hoofde van eiseres gevestigd voor het aanslagjaar 2003, kohierartikel … voor een te betalen bedrag van 40.273,84 € (zie stukken 54 van het administratief dossier).
2. Eiseres diende voor de aanslagjaren 2002 en 2003 tijdig aangifte in in de vennootschapsbelasting (aanslagjaar 2002 : voor aangifte zie stukken 18 t.e.m. 23 van het administratief dossier en voor bijlagen zie stukken 24 t.e.m. 47 van het administratief dossier - aanslagjaar 2003 : voor aangifte zie stukken 48 t.e.m. 53 van het administratief dossier en voor bijlagen zie stukken 55 t.e.m. 112 van het administratief dossier).
3. Op 19.09.2002 voerden de genaamden D. V. en A. C., beide ambtenaar bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit en verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen te Hasselt een controle uit op de maatschappelijke zetel van eiseres gelegen te …, …. Hiervan werd proces-verbaal nr. 48/2003 van 23.10.2002 opgesteld (zie stukken 113 t.e.m. 124 van het administratief dossier).
Aan de zaakvoerders werd gevraagd om, conform de artikelen 315, 315bis en 319 WIB en artikelen 61, § 1 en 62 van BTW-Wetboek, alle boeken en stukken voor te leggen noodzakelijk om het juiste bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen alsook alle boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.
Bij deze controle werd onder meer vastgesteld :
- noch het dagboek van ontvangsten noch het kasboek kan op de uitbatingszetel worden voorgelegd (en zulks, volgens de zaakvoerders, om reden dat deze daags voordien aan de boekhouder werden afgeleverd voor het opmaken van de BTW-kwartaalaangifte);
- het beginsaldo van de kasgelden (wisselgeld) wordt niet schriftelijk vastgelegd, zodat een vergelijking tussen de gerealiseerde ontvangsten en de aanwezige kasgelden niet mogelijk is;
- er worden geen verantwoordingsstukken bijgehouden voor de dagelijks in te schrijven dagontvangsten;
- de laatst ontvangen leveringsbonnen en aankoopfacturen kunnen niet worden voorgelegd (volgens de zaakvoerders zouden de leveringsbonnen, na vergelijking met de factuur, worden vernietigd);
- geen centraal boek of inventaris boek kan worden voorgelegd.
4. Bij aangetekende brief van 15.07.2004 liet de administratie eiseres weten op 09 en 10.09.2004 een fiscaal nazicht te zullen uitvoeren op de maatschappelijke zetel van eiseres, en inzonderheid voor de periode vanaf 01.01.2001 voor wat betreft de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake BTW, de inkomstenbelasting en de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting (zie stuk 125 van het administratief dossier).
Bij brief van 30.11.2004 deelde de administratie aan eiseres mee diens boekhouding, conform artikel 340/24 en 340/25 WIB 92, niet als bewijskrachtig te kunnen beschouwen, en zulks wegens volgende leemtes en fouten in de boekhouding: (zie stuk 244 van het administratief dossier) :
- "géén kasboek zoals voorgeschreven. Het kasboek wat voorhanden is, is niet doorlopend genummerd, een gewone computer uitprint.
- de ontvangsten via kas zijn niet gestaafd door de nodige kasticketten, bijgevolg kan de echtheid en de juistheid van deze bedragen niet gecontroleerd worden.
- in de kas worden stortingen gedaan via RC deze bedragen zijn oncontroleerbaar daar de herkomst van de gelden niet gekend is en tot op heden nog niet aangetoond werd.
- op de bankrekening worden stortingen in geld gedaan waarvan de juistheid en de echtheid en het doel oncontroleerbaar zijn".
In het controleverslag grondig verificatie van 15.12.2005, opgesteld door de genaamden G. S., adjunct-fiscaal deskundige en R. E., eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de Ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, wordt andermaal genoteerd dat de voorgelegde boeken en bescheiden geen samenhangend en controleerbaar geheel zouden vertonen en dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig zou zijn (zie stukken 148 t.e.m. 158 van het administratie dossier - pagina 6).
5. Bij 'bericht van wijziging van aangifte' van 26.09.2005 deelde de administratie haar voornemen mee om voor het aanslagjaar 2003 (balans 31/12/2002) de door eiseres ingediende aangifte in de vennootschapsbelasting te wijzigen, en wel als volgt (zie stukken 310 en 313 van het administratief dossier) :
Belastbaar in hoofde van de vennootschap
Reserves : - aangegeven :
27.195,98 €
- in meer : - omzetverhoging : + 92.077,05 €
- diverse opbrengsten : + 1.125,57 €
Belastbaar gereserveerde winst : + 66.006,64 €
Verworpen uitgegeven : - aangegeven : + 45,43 €
- in meer : - geldboeten : + 2.775,96 €
- niet aftrekbare autokosten : + 189,98 €
- kosten niet specifieke beroepskledij + 1.028,00 €
- liberaliteiten : + 13.966,72 €
Totaal verworpen uitgaven : + 18.006,09 €
Resultaat (code 060/061) : + 84.012,73 €
Aftrekposten : - investeringsaftrek : - 394,33 €
Belastbare basis, gewoon tarief : + 83.618,40 €
Belastbaar in hoofde van de bedrijfsleider : K. A.
- Bezoldigingen : 11.571,96 €
- Sociale bijdragen : 2.060,32 €
- Voordelen alle aard : - Telefoon 400,00 €
- GSM 1.000,00 €
Belastbare grondslag : 15.032,28 €
Blz. 6 en 7 mankeren
wordt door de genaamde E. V. D. P., waarnemend directeur van de BTW te Hasselt (zie stuk 2 bundel administratie).
Middels voornoemd dwangbevel vorderde de administratie de betaling van het bedrag van 19.341,69 €, samengesteld als volgt :
1° als belasting over toegevoegde waarde : 16.118,69 €;
2° als geldboete : 3.223,00 €;
3° bedragen te vermeerderen met de intresten van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2006 te vermeerderen met de moratoire intrest over de nog verschuldigd geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening het dwangbevel;
4° de vervolgingskosten.
4. Bij aangetekende brief van 07.12.2007 deed de administratie kennisgeving van het dwangbevel van 27.11.2007 (zie stuk 3 bundel administratie).
5. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 10.01.2008 stelt eiseres fiscaal verhaal in en tekent zij verzet aan tegen het dwangbevel van 27.11.2007.
l.b. Inzake AR nr. 08/233/A
1. Voor de jaren 2001 en 2002 is eiseres als BTW-belastingsplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE … voor het bouwen van individuele woningen en het uitbaten van een kleinhandel in sanitair, elektrische toestellen en klein materiaal. De maatschappelijke zetel van eiseres is alsdan gevestigd te …, … (vanaf 22.12.2006 te …, …).
2. Op 9 en 10.09.2004, 25.10.2004 en 16.11.2004 voerde de administratie een controle uit op de maatschappelijke zetel van eiseres, en meer bepaald een controle van de BTW-wetgeving en de wetgeving inzake inkomstenbelasting voor de jaren 2001 en 200.
Van deze werkzaamheden stelden de genaamde R. E., eerstaanwezend inspecteur, en G. S., adjunct-fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, het proces-verbaal van 09.11.2005 op (zie stuk 1 bundel administratie).
Bij deze controle werd aan eiseres gevraagd om, overeenkomstig artikel 61, § 1 BTW-Wetboek, voor de beroepswerkzaamheden uitgeoefend tijdens de periode van 01.01.2002 tot 31.12.2003 alle inkomende en uitgaande facturen, factuurboeken, dagontvangstenboek, inventarisboek, alsmede alle comptabiliteitsboeken en bescheiden voor te leggen waarvan het houden, het opmaken, het uitreiken, het bewaren en het voorleggen zijn voorgeschreven alsook van alle boeken en bescheiden die noodzakelijk zijn om de belastbare inkomsten te bepalen.
In het bijzonder werd aan de heer K. A. gevraagd de kassabonnen die naderhand gefactureerd worden voor te leggen als bewijs voor de vermindering van de dagontvangsten. Deze stukken werden evenwel niet voorgelegd.
De vermindering werd bijgevolg, volgens de administratie, dan ook ten onrechte verricht aangezien in het dagontvangstenboek, dat op grond van artikel 14, § 1, 3° KB nr. 1, moet worden bijgehouden, de ontvangsten worden ingeschreven waarvoor de belastingplichtige niet gehouden is tot het uitreiken van een factuur. Aldus werd een deel van de omzet en de verschuldigde BTW niet aangegeven in de periodieke BTW-aangiften.
Verder werd vastgesteld dat door eiseres geen BTW werd betaald voor het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, en meer bepaald voor het gebruik van telefoon en gsm door de zaakvoerder gedurende de jaren 2002 en 2003.
3. Op basis van het proces-verbaal van 09.11.2005 vaardigde de genaamde F. H., e.a. Inspecteur van het Eerste BTW-Ontvangkantoor van Hasselt op 08.12.2005 een dwangbevel uit, dat op 12.12.2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de genaamde L. V., waarnemend directeur van de BTW te Hasselt (zie stuk 2 bundel administratie).
Middels voornoemd dwangbevel vorderde de administratie de betaling van het bedrag van 46.651,75 €, samengesteld als volgt :
1° als belasting over toegevoegde waarde : 38.881,74 €;
2° als geldboete : 7.770,00 €;
3° bedragen te vermeerderen met de intresten van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2006, te vermeerderen met de moratoire intrest over de nog verschuldigd geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening het dwangbevel;
4° de vervolgingskosten.
4. Bij aangetekende brief van 13.12.2005 deed de administratie kennisgeving van het dwangbevel van 27.11.2007 (zie stuk 3 bundel administratie).
5. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.01.2008 stelt eiseres fiscaal verhaal in en tekent zij verzet aan tegen het dwangbevel van 08.12.2005.
II. SAMENVOEGING
De drie verzoekschriften, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 05.07.2007, 10.01.2008 en 24.01.2008, hebben tot voorwerp het fiscaal verhaal tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting en de dwangbevelen inzake BTW gevestigd in hoofde van eiseres, de NV A&E V..
Ter wille van de goede rechtsbedeling dienen de drie zaken met AR nr. 07/1620/A, 08/1101/A en 08/2331/A te worden samengevoegd.
III. DE VORDERINGEN
1. Bij verzoekschriften op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op respectievelijk 05.07.2007, 10.01.2008 en 24.01.2008, stelt eiseres fiscaal verhaal in en tekent zij verzet aan tegen de dwangbevelen van 08.12.2005 en 27.11.2007, waarvan zij de vernietiging nastreeft met de veroordeling van de administratie tot terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, te verhogen met de intresten.
Ook vordert eiseres eveneens de nietigverklaring van de aanslag gevestigd onder artikel … met betrekking tot het aanslagjaar 2003, inkomsten 2002, … voor een te betalen bedrag van 40.273,84 €.
Eiseres verzoekt de rechtbank ondergeschikt hierbij de navolgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof :
(1) Schenden de artikelen 5 tot en met 9 Wet 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen en artikel 342 WIB 92, voor zover deze bepaling verwijst naar "bewijskrachtige gegevens, het evenredigheidsbeginsel omschreven in artikel 10 en 11 Grondwet, indien deze bepalingen zo moeten geïnterpreteerd worden dat zij vereisen dat een kasboek of dagontvangstenboek zou verantwoord worden door middel van verantwoordingsstukken indien deze niet meer zouden bevatten dan een reeks getallen van verkopen en dus geen grotere controle of inzicht mogelijk zouden maken ?"
(2) Is het strijdig met het gelijkheidsbeginsel vermeld in artikel 10 en 11 Grondwet, het beginsel van wapengelijkheid, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van behoorlijk bestuur, nl. de fair play dat de vermelding op het aanslagbiljet van een beweerde datum van verzending ervan, als zijnde juist moet worden geacht tot bewijs van het tegendeel door de geadresseerde zonder dat de administratie enig bewijs van deze verzending of de juistheid van deze datum moet bewijzen.
Tot slot vraagt eiseres de verwijzing van de administratie in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, die zij begroot op 1.200,00 €.
2. De administratie concludeert tot de ontoelaatbaarheid, minstens tot de ongegrondheid van het door eiseres ingestelde vordering m.b.t.de aanslag met kohierartikel ….
Verder vraagt de administratie het verzet van eiseres tegen de dwangbevelen inzake BTW van 08.12.2005 en 27.11.2007 ongegrond te verklaren en haar vordering vast te stellen op de in de gevestigde aanslag inzake directe belastingen en de inzake BTW uitgevaardigde dwangbevelen vermelde bedragen.
Zij vraagt eiseres te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, die zij begroot op 1.200,00 €.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
1.1. Aangaande de betwisting inzake de directe belastingen : laattijdigheid van het bezwaar :
1. Verweerder werpt op dat de vordering ontoelaatbaar dient verklaard te worden uit oorzaak van laattijdigheid van het bezwaarschrift van 25.10.2006, toegekomen bij de administratie op 27.10.2006, dit in toepassing van art. 1385undecies, eerste lid Ger. W
De betwiste aanslag werd gevestigd op 13.12.2005 en het aanslagbiljet werd volgens de administratie op 19.12.2005 verzonden (zie stuk 54 van het administratief dossier).
Aangezien eiseres pas op 27.10.2006 bezwaar heeft ingediend, werd dit volgens de administratie laattijdig ingediend.
2. Eiseres stelt dat zij het aanslagbiljet nooit heeft ontvangen.
3. Niettegenstaande de termijn voor het indienen van het bezwaar een vervaltermijn is die van openbare orde is en die enkel in geval van overmacht kan worden verlengd, moet de administratie de aanvangsdatum van deze termijn en de regelmatige verzending van het aanslagbiljet bewijzen indien zij het verstrijken van de bezwaartermijn inroept.
De administratie moet aan de hand van positieve en controleerbare gegevens het bewijs leveren van het regelmatig verzenden van het aanslagbiljet.
Te dezen is deze positieve bewijslast onvoldoende ingevuld.
Derhalve kan het bezwaarschrift niet laattijdig kan worden verklaard omdat het niet werd ingediend uiterlijk op 3 maanden vanaf de verzending (art. 371 WIB 92) (zie Antwerpen, 26 juni 2001, www.monkey.be).
De vordering is dan ook ontvankelijk.
1.2. Aangaande de BTW-betwisting :
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Aangaande de betwisting inzake de directe belastingen :
1. De aanslag voor het aanslagjaar 2003 werd van ambtswege gevestigd wegens een laattijdig antwoord op het bericht van wijziging van aangifte van 26.09.2005.
Wanneer een belastingplichtige van ambtswege is aangeslagen, dient hij het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten en van de andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens (zie art. 352 WIB 92).
Een omkering van de bewijslast is derhalve het gevolg van de aanslag van ambtswege zodat het aan eiser toekomt, wanneer hij de aanslag betwist, het bewijs te leveren van zijn netto-inkomen.
Echter, ook wanneer de aanslag van ambtswege wordt gevestigd en zulks in principe een omkering van de bewijslast voor gevolg heeft, mag de belastbare grondslag niet op een arbitraire manier worden bepaald. De belastingplichtige mag steeds het willekeurig karakter van de aanslag bewijzen. Een willekeurige aanslag is immer onwettig zodat deze kan vernietigd worden.
2. De bestreden aanslag werd gevestigd nadat de administratie de bewijskracht van de boekhouding van eiseres voor het aanslagjaar 2003 verwierp.
De bewijskracht van een boekhouding inzake inkomstenbelastingen is aangetast indien niet aan de hand van alle bewijsstukken kan worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen, indien niet kan worden nagegaan in hoeverre de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald, of nog, indien niet kan worden vastgesteld dat de geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken.
Bij de controle ter plaatste op 19.09.2002 werd onder meer vastgesteld :
- noch het dagboek van ontvangsten noch het kasboek kan op de uitbatingszetel worden voorgelegd (en zulks, volgens de zaakvoerders, om reden dat deze daags voordien aan de boekhouder werden afgeleverd voor het opmaken van de BTW-kwartaalaangifte);
- het beginsaldo van de kasgelden (wisselgeld) wordt niet schriftelijk vastgelegd, zodat een vergelijking tussen de gerealiseerde ontvangsten en de aanwezige kasgelden niet mogelijk is;
- er worden geen verantwoordingsstukken bijgehouden voor de dagelijks in te schrijven dagontvangsten;
- de laatst ontvangen leveringsbonnen en aankoopfacturen kunnen niet worden voorgelegd (volgens de zaakvoerders zouden de leveringsbonnen, na vergelijking met de factuur, worden vernietigd);
- geen centraal boek of inventarisboek kan worden voorgelegd.
In de kennisgeving van aanslag van ambtswege van 28.10.2005 werd gesteld :
"(...) Vanaf 2002 worden de dagontvangsten van de winkel verminderd met de facturen (uitgezonderd verkoop van gebouwen) uitgereikt door de belastingplichtige. In dit verband verklaarde de zaakvoerder dat alle aankopen in de winkel geregistreerd worden door middel van een kassa. Naderhand wordt er aan de hand van kassabonnen, bewaard door de klanten, een factuur opgesteld. Verkopen aan belastingplichtigen worden eveneens geregistreerd in de kassa. De kassabonnen worden bewaard en later wordt een factuur opgesteld.
Ter plaatse werd vastgesteld dat de kassa slechts één kassaband heeft. De kassabonnen worden meegegeven aan de klant.
Kassabanden worden niet bewaard. De afdruk van het totaal van de kassa per dag kan niet voorgelegd worden.
De Heer K. A. werd verzocht bewijs voor te leggen van de kassabonnen die naderhand gefactureerd werden. Tot op heden is dit niet gebeurd.
De verminderingen werden ten onrechte verricht. Bijgevolg zal een bedrag van € 92.077,05 bij de reserves als omzet gevoegd worden zijnde € 76.098,47 + € 15.978,58 zijnde de verschuldigde BTW op dit bedrag (bij betaling van de verschuldigde BTW zal dit bedrag in mindering mogen gebracht worden van het resultaat van het boekjaar).
Er wordt géén kasboek gehouden zoals voorgeschreven. Het kasboek wat voorhanden is, is niet doorlopend genummerd, een gewone computeruitprint.
In de kas worden stortingen gedaan via R/C. Deze bedragen zijn oncontroleerbaar daar de herkomst van de gelden niet gekend is en tot op heden nog niet aangetoond werd.
Volgens de Commentaar op artikel 340/24 en 340/25 van het WIB 92 kan uit het voorgaande worden besloten dat de boekhouding net als bewijskrachtig kan worden beschouwd".
(zie stukken 316 en 317 van het administratief dossier).
Verder blijkt dat :
- de kassa slechts één telband heeft en eiseres geeft de kassabonnen mee aan de cliënten waardoor zij geen detail meer bezit van haar contante omzet van de dag;
- noodzakelijke stukken niet werden bewaard o.a. leveringsbonnen inzake aankopen; de kassabonnen van verkopen aan belastingplichtigen werden slechts bewaard tot er een factuur werd opgesteld;
- er onverklaarde contante stortingen in de vennootschap via de rekening-courant van de bedrijfsleider gedaan werden;
- er geen samenhang bestaat tussen aankopen, verkopen en inventaris;
- het kasboek niet de werkelijkheid weergeeft : soms bevat het negatieve kassaldi, in de kas worden afgeronde bedragen genoteerd terwijl de prijzen niet afgerond zijn.
Op basis van voornoemde vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat de boekhouding van eiseres onvoldoende garanties van controleerbaarheid biedt en terecht als niet-bewijskrachtig werd beschouwd.
Eiseres kan bij dit alles niet verwijzen naar de boekhoudwetgeving die haar geen verplichting oplegt tot bewaren van het detail van de dagontvangsten en stellen dat de fiscus aan de boekhouding geen hogere eisen mag stellen dan de boekhoudwetgeving, gelet op het gegeven dat de boekhouding sowieso controleerbaar dient te zijn (vgl Cass., 19 april 1990, R.W. 1990-91, 341 : "zelfs wanneer de door eiseres gehouden boeken die waren welke in de wetten inzake de boekhouding en BTW zijn voorgeschreven" en HUYSMANS, S., De bewijskracht van de boekhouding in belastingrecht, A.F.T., 2000, 75 e.v.).
3. Eiseres houdt voor dat verweerder willekeurig te werk zou zijn gegaan bij het vaststellen van de belastbare grondslag voor het aanslagjaar 2003 door zomaar de facturen toe te voegen aan de omzet.
Verweerder heeft omwille van de oncontroleerbaarheid van de boekhouding zich gesteund op de gekende en vaststaande gegevens nl. de werkwijze van de voorgaande jaren, de contante en de gefactureerde omzet. De omzetfacturen werden, niet zoals eiseres in de voorgaande jaren deed, toegevoegd aan de contante omzet.
Tijdens de fiscale controle kon door eiseres op geen enkele wijze enige relatie aangetoond worden tussen de opgestelde facturen en om het even welke inschrijving in het dagboek van ontvangsten. Eiseres kon op geen enkele manier aantonen dat de op de facturen vermelde verkopen eveneens zouden opgenomen zijn in haar dagontvangsten. De kassabons noch enig ander stuk met betrekking tot deze verkopen konden worden voorgelegd.
Het is derhalve niet zoals eiseres in besluiten stelt dat de "facturen worden toegevoegd aan de omzet". In haar aangifte verminderde eiseres het bedrag van de dagontvangsten met het bedrag van de uitgereikte facturen. Eiseres nam in de door haar ingediende aangifte in de vennootschapsbelasting, alsook in de BTW, slechts een gedeelte van de bedragen op die in haar boekhouding als inkomsten voorkwamen.
Eiseres deed dit enkel voor de periode 2002-2004. Zij deed dit niet voordien en evenmin nadien en geeft ook geen uitleg voor deze gewijzigde werkwijze.
In casu stelt de rechtbank derhalve vast dat de aanslag van ambtswege niet willekeurig is gevestigd.
4. Nu de belastingplichtige niet heeft kunnen aantonen dat de ambtshalve aanslag op een arbitraire manier werd vastgesteld, zal de omkering van de bewijslast volle uitwerking hebben. De belastingplichtige zal door overlegging van bewijskrachtige stukken het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten en van alle andere te zijnen name in aanmerking komende gegevens moeten bewijzen.
De rechtbank moet echter vaststellen dat eiseres ook tijdens de huidige procedure in gebreke blijft dit bewijs te leveren.
De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.
2.2. Aangaande de BTW-betwisting :
1. In de tweede helft van 2004 werd bij eiseres een controle aangekondigd inzake BTW en directe belastingen over de inkomsten van de jaren 2001 en 2002. Op grond van de tijdens de eerste plaats bezoeken gedane vaststellingen werd deze controle inzake BTW uitgebreid tot de inkomsten voor het jaar 2003. In de tweede helft van het jaar 2007 werd bij eiseres opnieuw een controle aangekondigd inzake BTW en directe belastingen over de inkomsten van de jaren 2004-2005.
Tijdens de fiscale nazichten werd vastgesteld dat eiseres de in haar ontvangsten opgenomen verkopen slechts gedeeltelijk opnam in de door haar ingediende BTW-aangifte voor de periode van het tweede kwartaal 2002 tot en met het derde kwartaal 2004.
Van deze vaststellingen werden processen-verbaal opgesteld lastens eiseres waarbij in essentie werd gesteld dat de door eiseres aangegeven omzet niet overeenkwam met de werkelijk gerealiseerde omzet. Eiseres had te weinig verkopen opgenomen in haar BTW-aangiften.
Deze vaststellingen resulteerden in een BTW-navordering ten bedrage van 19.341,69 €, samengesteld als volgt :
1° als belasting over toegevoegde waarde : 16.118,69 €;
2° als geldboete : 3.223,00 €;
3° bedragen te vermeerderen met de intresten van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2006 te vermeerderen met de moratoire intrest over de nog verschuldigd geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening het dwangbevel;
4° de vervolgingskosten.
Alsook in een BTW-navordering ten bedrage van 46.651,75 €, samengesteld als volgt :
1° als belasting over toegevoegde waarde : 38.881,74 €;
2° als geldboete : 7.770,00 €;
3° bedragen te vermeerderen met de intresten van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2006, te vermeerderen met de moratoire intrest over de nog verschuldigd geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening het dwangbevel;
4° de vervolgingskosten.
2. De materiële vaststellingen die zijn gebeurd door de controleambtenaren hebben door hun opname erin in de processen verhaal de in art. 59, § 1 in fine bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controleambtenaren persoonlijk hebben kunnen vaststellen, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijke toegestane bewijsmiddelen, onder meer door vermoedens.
De rechtbank is van oordeel dat de controleambtenaren terecht hebben vastgesteld dat de boekhouding van eiseres niet controleerbaar is.
Verweerder heeft duidelijk aangetoond dat eiseres slechts een gedeelte van de door haar gerealiseerde omzet aangaf.
De vordering van eiseres is ongegrond.
De rechtbank is van oordeel dat het voorliggende geschil kan opgelost worden zonder dat het stellen van de voorliggende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof noodzakelijk is.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen en begroten beiden de rechtsplegingsvergoeding op 1.200,00 euro.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Voegt de dossiers met AR nr. 07/1620/A, 08/110/A en 08/233/A samen,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en vereffent deze kosten op 1.200,00 euro.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 10.06.2010, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.