Tribunal de première instance d'Anvers, 12 décembre 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 12 décembre 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 12 décembre 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2003-12-340f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
12 décembre 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

69 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 12.12.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twaalf december tweeduizend en drie in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. : 01/5826/A

…, zonder gekend beroep, wonende te …, …

eisende partij,

verschijnende bij meester H. V. O. loco meester F. M., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen,

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeunvaarder P. G. te … op …,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 13 september 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 november 2003.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/3485, uitgevaardigd op 24 juli 2001 en uitvoerbaar verklaard op 30 juli 2001, teniet te doen en zonder waarde te verklaren en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Eiser is frituuruitbater, terwijl de firma …, een groothandel is in algemene voeding.

Ingevolge een onderzoek bij de firma … is gebleken dat in haar vestigingen te Antwerpen, Brugge en Brussel :

- enkel kan gekocht worden door bezitters van een door deze vestiging uitgereikte koperskaart,

- alle verkopen worden gefactureerd,

- er niet verkocht wordt aan particulieren.

In de vestiging te Brugge werd vastgesteld dat sommige kopers in het bezit waren van meerdere koperskaarten, namelijk één koperskaart op hun naam en een tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of fictieve adressen of eventueel familielededen; verder toont een onderzocht geval aan dat een fictieve koperskaart aangemaakt werd enige dagen vóór de creatiedatum van de effectieve koperskaart, terwijl beide kaarten samen werden gebruikt voor een aankoop op laatstgenoemd tijdstip.

Bij akkoordverklaring van 20 april 2000 erkende de gedelegeerd bestuurder van de firma …, dat de firma op de hoogte moest zijn dat :

- twee of meerdere koperskaarten werden verstrekt aan éénzelfde klant,

- het gebruik van twee of meerdere koperskaarten door éénzelfde klant werd toegelaten.

- een deel van de facturaties gebeurde op naam van fictieve personen.

Door de firma … werden lijsten opgesteld waarin voor een aantal klanten van de vestigingen te Antwerpen, Brugge en Brussel het verband werd gelegd tussen het nummer van de fictieve koperskaart en het nummer van de effectieve koperskaart.

Volgens het proces-verbaal van 30 januari 2001 is uit het onderzoek van de klantenbestanden gebleken dat door eiser gebruik werd gemaakt van een kaart op naam van een zekere … en blijkt het verband tussen deze twee kaarten uit de vaststelling dat van de 12 facturen die vanaf januari 1996 tot eind 1998 aan eiser werden uitgereikt er in 9 gevallen ogenblikkelijk ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van … ; volgens het proces-verbaal zou hieruit blijken dat de aankopen gedaan met de koperskaart op naam van … in werkelijkheid door eiser werden verricht.

Beoordeling

De hierna vermelde feiten, namelijk :

- de vaststelling dat sommige kopers van de firma … in het bezit waren van meerdere koperskaarten, namelijk één koperskaart op hun naam en een tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of fictieve adressen of eventueel familieleden,

- de vaststelling dat in een onderzocht geval een fictieve koperskaart en de effectieve koperskaart samen werden gebruikt voor een aankoop,

- de akkoordverklaring van de gedelegeerd bestuurder van de firma … waarbij erkend werd dat de firma op de hoogte moest zijn dat twee of meerdere koperskaarten werden verstrekt aan éénzelfde klant, dat het gebruik van twee of meerdere koperskaarten door éénzelfde klant werd toegelaten en dat een deel van de facturaties gebeurde op naam van fictieve personen,

- de vaststelling dat van de 12 facturen die vanaf januari 1996 tot eind 1998 aan eiser werden uitgereikt er in 9 gevallen ogenblikkelijk ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van een zekere …, … te …,

- de vaststelling dat de aankopen op naam van eiser en de aankopen op naam van … zijn gedaan in de vestiging te …,

- de vaststelling dat volgens de woningkaart van de Stad Antwerpen van 1 januari 1983 tot 11 augustus 2003 gaan … ingeschreven was op het adres …,

- de vaststelling dat de moeder van eiser … is, die op 1 mei 1920 geboren is en tot 5 november 1992 in het bevolkingsregister ingeschreven was te …,

- de vaststelling dat eiser in de conclusie, neergelegd ter griffie op 23 oktober 2002, erkent dat zijn moeder geen houder was van een BTW-nummer of handelsregister, zijn vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, doch die elkaar aanvullen zodat deze een rechtsgeldig vermoeden uitmaken en voldoende zekerheid bieden dat al de door de firma … aan·… gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiser.

Niettegenstaande de dochter van …, zijnde …, als BTW belastingplichtige geregistreerd was en zoals haar broer, zijnde eiser, eveneens een frituur zou uitgebaat hebben, is er geen enkele reden om te veronderstellen dat de door de firma … aan … gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zouden zijn aan …; bijgevolg wordt hierdoor dan ook geen afbreuk gedaan aan voornoemd rechtsgeldig vermoeden.

Onder het BTW nummer van … werd door de firma … een koperskaart uitgereikt aan een zekere …, … te … heeft de firma … ook een koperskaart uitgereikt aan een zekere … te, ….

In de periode van januari 1996 tot eind 1998 werd in 50 gevallen vastgesteld dat wanneer door de firma … een factuur werd opgemaakt op naam van voornoemde ogenblikkelijk ervoor of erna eveneens een factuur werd opgemaakt op naam van voornoemde.

Bijgevolg bestaat er mogelijk een verband tussen de aankopen op naam van … en de aankopen op naam van …; mogelijk zijn de aankopen gedaan op naam van … leveringen aan … , die mogelijk …

Uit geen enkel element blijkt echter dat er een verband zou bestaan russen de aankopen op naam van … en de aankopen op naam van … of …

De uitbating van een frituur door … doet dan ook geen afbreuk aan het rechtsgeldig vermoeden dat al de door de firma … aan … gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiser.

Bovendien blijkt uit geen enkel element dat de door de firma … aan gefactureerde goederen, mede gelet op de omvang, bestemd waren voor haar persoonlijk, voor een ander familielid dan eiser of voor enig ander persoon.

Het is dan ook bewezen dat al de door … aan gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiser.

Volgens eiser heeft hij alsdan recht op aftrek inzake deze inkomende facturen op naam ….

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW moet eiser, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992.

Krachtens artikel 5 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW moet de factuur onder meer de identificatie van de klant bevatten.

Bijgevolg moet eiser in bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (H.v.J. 14 juli 1988, R.W., 1988-89, 309, Cass. 13 oktober 2000, F.J.F. 2000/297 en Cass. 19 september 1996, R.W. 1996-97, 1306).

Aangezien het ontegensprekelijk vaststaat dat voornoemde facturen van de firma … baart aan … de identificatie van de werkelijke klant, zijnde eiser, niet bevatten, en aangezien deze verplichte vermelding ontegensprekelijk nut had voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie, heeft eiser dan ook geen recht op aftrek.

Nu het bewezen is dat de door de firma … aan … gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiser, duidelijk met her oogmerk om belastingen te ontduiken in hoofde van eiser, werd terecht een belastingverhoging van 200 % toegepast die in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

N. D. P. W.

Textes cités

2
AR no 1 art. 52 occurrences
AR no 3 art. 31 occurrence

Décisions similaires

8