Tribunal de première instance d'Anvers, 28 octobre 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 28 octobre 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance d'Anvers, 28 octobre 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-anvers-2002-10-28-b466

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
28 octobre 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

83 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 28.10.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig oktober tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier

In zake : A.R. Nr. 01/1310/A

NV T., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijk zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

niet verschijnend.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer Ontvanger van het 3de BTW-ontvangkantoor Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

In zake : A.R. Nr. 01/4873/A

NV T. I. & E., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

niet verschijnend.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer Ontvanger van het 3de BTW-ontvangkantoor Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

In zake: A.R. Nr. 01/1310/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. D. C. in vervanging van gerechtsdeurwaarder M.-R. P. te … op 30 april 1996,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 13 mei 2002,

- de besluiten van partijen.

In zake : A.R.Nr. 01/4873/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. D. C. in vervanging van gerechtsdeurwaarder M.-R. P. te … op 30 september 1996,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 13 mei 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de Wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de verwerende partij in haar middelen en gezegden ter zitting van 30 september 2002.

Overwegende dat eisende partij niet is verschenen, noch iemand voor haar.

Overwegende dat verwerende partij het voordeel van artikel 804 van het Gerechtelijk Wetboek vordert.


Gegevens en voorgaande

Met exploot van 30 april 1996 liet eiseres de Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor Antwerpen dagvaarden in betwisting van het dwangbevel Reg.127/14/1996 van 13 maart 1996 dat op 17 april 1996 uitvoerbaar was verklaard en waarvan met aangetekende brief van 18 april 1996 aan eiseres kennis was gegeven.

Deze zaak werd ingeleid onder A.R. 96/11161 /A, is echter nu gekend onder A.R. 01/1310/A.

Met exploot van ditmaal 30 september 1996 liet eiseres de Ontvanger van het derde BTW­ Ontvangkantoor Antwerpen dagvaarden in betwisting van het dwangbevel Reg.127/1323 van 15 juli 1996 dat op 16 juli 1996 uitvoerbaar was verklaard en waarvan met aangetekende brief van 19 juli 1996 aan eiseres kennis was gegeven.

De zaak werd ingeleid onder A.R. 96/14449/A, is echter nu gekend onder A.R. 01/4873/A.

Het hogerop eerst vermelde dwangbevel voert als vorderingsgrond aan dat huidig eiseres in hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in de jaren 1991 en 1992 in totaal 29 voertuigen invoerde uit de VSA onder aangifte van een te lage waarde, en verwijst daarvoor naar een proces-verbaal inzake BTW van 20 september 1994 (dit laatste vormt stuk 1 van verweerder).

Het hogerop tweede vermelde dwangbevel voert dezelfde vorderingsgrond aan, maar beperkt het daaronder vallende aantal voertuigen tot 19, die alle reeds voorkwamen in het hogerop vermelde proces-verbaal van 1994, maar waarover een nieuw proces-verbaal inzake BTW was opgesteld per 10 juli 1996 (dit laatste vormt stuk 5 van verweerder).

De vordering van de dwangbevelen behelst BTW op het verschil tussen de wettelijke minimummaatstaf van heffing en de aangegeven waarde, plus intrest en kosten.

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de fiscale vordering beperkt blijft tot de 19 voertuigen die het voorwerp vormen van de beide hogerop vermelde processen-verbaal.

Huidig eiseres werd met arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 11 december 1999 (stuk 10 van verweerder) op strafrechtelijk gebied veroordeeld als burgerlijk aansprakelijke partij voor het door haar aangestelde D.M. begane misdrijf van invoer van de 19 hogerop reeds aangestipte voertuigen onder gebruik van valse facturen wat betreft de daarin vermelde waarde, en onder de opname van die te lage waardes in douanedocumenten IM 4.

Dit arrest blijkt in kracht van gewijsde te zijn getreden door verwerping van de voorziening in cassatie per 1 februari 2000 (vermelding op stuk 10 van verweerder, niet betwist door eiseres).

Onderzoek en beoordeling

Er loopt geen betwisting over de toelaatbaarheid van de beide rechtsvorderingen, en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid.

Uit oorzaak van wat hogerop werd uiteengezet, past het wegens samenhang dat de betwisting wordt beoordeeld in een en hetzelfde vonnis.

Er ligt een proces-verbaal inzake BTW voor dat dateert van 30 januari 2001 (stuk 12 van verweerder), dat stelt "dat dit proces-verbaal het proces-verbaal van 20 september 1994 vervangt".

Het vervangen van een proces-verbaal inzake BTW - om welke reden ook - kan, buiten het lopende geding om, uit eigen kracht geen rechtsgevolgen meebrengen wat betreft de omvang van de bij de rechtbank aanhangig zijnde betwisting die slechts de bestreden dwangbevelen en de daarin gestelde fiscale vordering tot voorwerp heeft, betwisting waaraan slechts binnen het kader van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake geding kan worden geraakt op uitsluitend de daarin bepaalde wijze.

Het proces-verbaal van 30 januari 2001 kan echter als vorm van bewijsvoering wèl, in het kader van het lopende geding, op zijn bewijswaarde worden beoordeeld.

Eiseres heeft in conclusies doen gelden dat de in het dwangbevel - dat steunde op het proces-verbaal van 20 september 1994 - gestelde fiscale vordering rechtsgrond ontbeert wegens het ontbreken van de wettelijke bewijskracht van artikel 59, § 1, tweede lid Wetboek BTW van het proces-verbaal zelf.

Dit proces-verbaal van 20 september 1994 vermeldt enkel dat het voortgaat op inzage van 'het dossier inzake Douane en Accijnzen, gehouden op naam van voornoemde NV T.', maar vermeldt geen eigen vaststellingen door de verbaliserende ambtenaren.

Dit proces-verbaal inzake BTW kan niet méér bewijskracht hebben dan de bewijskracht van het aldus vermelde douanedossier waaruit het zijn wetenschap stelt te putten.

Bij het proces-verbaal van 20 september 1994 inzake BTW was het douanedossier - waarnaar het verwijst - niet gevoegd, zodat eiseres toen niet in staat werd gesteld na te gaan of het - pas nu in het geding voorgebrachte - proces-verbaal van 18 januari 1994 inzake douane (stuk 14 verweerder) zelf wel voldeed aan de bewijskracht van - ditmaal - artikel 272 Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (AWDA) en bijgevolg of het daarbij wel ging om een regelmatig document in de zin van art. 210, § 3 AWDA waarop verweerder zich beroept.

De rechtbank stelt vanuit deze nonchalante handelwijze van de BTW-verbalisanten vast dat niet vaststaat dat het bewijs van de rechtsgrond van de fiscale vordering op voldoende wijze kenbaar was gemaakt ten tijde van de betekening van het dwangbevel van 20 september 1994, wat echter daardoor niet tot gevolg heeft dat het vorderingsrecht van verweerder daardoor toen zelf onbestaande was.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde wat betreft het proces-verbaal inzake BTW van 10 juli 1996.

Er werd door eiseres in het geding niet opgeworpen dat de dwangbevelen van 13 maart 1996 en van 15 juli 1996 strijdig zouden zijn met de vereisten van de wet van 29 juli 1991, echter wel dat ze strijdig zouden zijn met artikel 93quaterdecies Wetboek BTW, dit laatste uit oorzaak van onrechtmatig verkregen bewijs, minstens niet invulling van de bewijslast.

Waar eiseres in conclusies het 'douanedossier' zonder meer gelijkstelt met het 'strafdossier', is inmiddels gebleken dat het douanedossier bestaat uit het hogerop reeds vermelde proces-verbaal van 18 januari 1994 inzake douane (stuk 14 verweerder).

Dit proces-verbaal blijkt zelf te zijn voortgegaan op slechts eigen vaststellingen van de douaneambtenaren om reden van de constatatie van 'onwaarschijnlijk lage aangegeven aankoopprijzen', zonder dat wordt verwezen naar de inzage van een toen lopend strafdossier.

Hoewel het bewijs van de vorderingsgrond van de belastingdienst op die manier pas op vervolledigde wijze is veruiterlijkt tijdens de loop van het geding, staat het door wat hogerop werd uiteengezet wel vast dat het volledige bewijs van deze vorderingsgrond reeds wettig aanwezig was op het moment van de uitvaardiging en van de betekening van de respectieve dwangbevelen, die om deze redenen volle rechtskracht en uitvoerbare kracht hadden op dat moment.

Hetzelfde geldt wat betreft het bewijs van de frauduleuze intenties in hoofde van eiseres, in wier dienst en opdracht de aangestelde D.M. ten tijde van de feiten handelde, intenties die door de inhoud van het hogerop vermelde arrest als bewijskrachtig gegeven alleen maar extra wordt bevestigd.

Terecht heeft verweerder in conclusie - voor de berekening verwijzend naar het BTW-proces-verbaal van 30 januari 2001 - de verschuldigde bedragen gepreciseerd en ze aldus gebracht op de juiste, uit de gegevens van de zaak blijkende en op die basis berekende, impliciet maar zeker herleide totaalvordering.

De rechtbank neemt daarvan akte, evenals van de erkenning door verweerder dat de belastingdienst slechts éénmaal de fiscale vordering stelt ondanks de uitvaardiging van de twee elkaar opvolgende hogerop vermelde dwangbevelen-titels.

De rechtbank heeft - wat het sanctiegedeelte van de vordering betreft - volle rechtsmacht ter beoordeling van de omvang van de opgelegde boete naar zowel haar wettelijkheid als haar concrete betrokkenheid op de feiten, zonder te mogen overgaan tot een beoordeling op grond van loutere motieven van billijkheid.

De door het arrest van het Hof van Beroep ten overvloede bevestigde frauduleuze intentie van eiseres leidt tot de vaststelling dat in de dwangbevelen beginselmatig terecht is overgegaan tot toepassing van de maximumverhoging van 200 %.

Enige opwerping over mogelijk onterechte cumulatie van bestraffing en sanctionering ligt te dezen niet voor.

Gelet op wat voorafgaat, dient elke partij de helft der gedingkosten te dragen.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende bij verstek.

Alle andere en strijdige middelen verwerpend.

Voegt de zaken gekend onder A.R. 01/1310/A en A.R. 01/1873/A samen.

Verklaart in beide zaken de vorderingen in verzet toelaatbaar.

Neemt akte van de erkenning door verweerder dat de dwangbevelen van respecrie\·elijk 13 maart 1996 en 15 juli 1996 slechts één fiscale vordering ten laste van eiseres behelzen.

Neemt akte van de precisering en aldus de herleiding door verweerder, in conclusie, van de bij de vermelde dwangbevelen gestelde fiscale totaalvordering, en verklaart aldus de verzetten ten dele gegrond, laat de uitvoering van de dwangbevelen slechts toe ten belope van de aldus gepreciseerde fiscale vordering, en verbiedt de uitvoering erven voor het meerdere gedeelte.

Wijst eiseres af van het meer- of andersgevorderde.

Veroordeelt elk der gedingpartijen tot de helft der kosten van het geding, deze aan de zijde van eiseres vereffend op … EUR explootkosten dagvaarding 30 april 1996, plus … EUR explootkosten dagvaarding 30 september 1996, dus in totaal vereffend op … EUR, en aan de zijde van verweerder in totaal vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

Stelt vast dat er ter zake dezer rechtsvorderingen, die betrekking hebben op vorderingen met betrekking BTW, intrest en boeten waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan voorafgaand aan 1 januari 1999, geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis wordt gevorderd door verweerder.

N. D. L. B.

Textes cités

2
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8