Taux de la taxe;taux réduit de 6 pct;charge de la preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 3 mai 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxe;taux réduit de 6 pct;charge de la preuve

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-reduit-pct-charge-tribunal-anvers-2006-05-03-a255

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
3 mai 2006

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 6 mois
  1. Décision affichéeTribunal de première instance d'Anvers03.05.2006
  2. Décision sur appelCour d'appel d'Anvers20.11.2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd

Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 03.05.2006, Cause 05/2581/A

Le Courrier Fiscal 2006/599

Taux de la taxe.

Taux réduit de 6 pct.

Charge de la preuve.

Résumé

Dans le procès-verbal qui a été établi par l'Administration à l'occasion du contrôle, les fonctionnaires se sont limités à la motivation suivante: "L'enlèvement ou la mise hors d'usage d'une citerne à mazout étant considérés comme un travail de démolition, les conditions prévues au point 1 de la rubrique XXXI du tableau A ne sont pas remplies et le taux de 6 % ne peut pas être appliqué". Cette motivation n'est pas convaincante. L'Administration n'a nullement établi la raison pour laquelle les services rendus par l'assujetti devraient être assimilés à des "travaux de démolition". Le renvoi en cours de procédure à des directives administratives internes ne peut rien y changer. L'existence de ces directives n'exonère pas l'Administration d'établir la preuve que les services rendus par l'assujetti ne peuvent pas bénéficier du taux de TVA réduit.

Texte intégral

Corps de la décision

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drie mei tweeduizend en zes

in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

______________________________________________________

In zake: A.R.Nr. 05/2581/A

N.V. ...,

ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer ..., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer ... met maatschappelijke zetel gevestigd te ...

EISENDE PARTIJ

· verschijnende bij meester K. H. loco meester H. V., advocaat, kantoorhoudende te ...

t e g e n:

DE BELGISCHE STAAT,

Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-controle Antwerpen 9, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ

· verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te ...

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

· het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 april 2005,

· de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 april 2006.

* *

*

Eiseres geeft zichzelf op als bedrijf dat buiten gebruik gestelde stookolietanks, van te dezen particulieren, opschuimt na die tanks te hebben gereinigd.

Een en ander geschiedt in plaats van verwijdering van de buiten gebruik gestelde tanks omdat verwijdering te kostelijk is, terwijl wel de milieuwetgeving (Vlarem II) moet worden voldaan.

Eiseres heeft in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 september 2004 hiervoor aan haar klanten steeds 6% BTW aangerekend, en een controleambtenaar heeft aan de hand van een op 23 november 2004 aangevatte controle gesteld dat zulks 21% had moeten zijn.

Navordering werd geformuleerd in een aan eiseres gestuurde correctieopgave van 7 december 2004 ter zake 20.341,68 EUR aan rechten, meer tot 10% herleide administratieve boete, meer wettelijke intrest vanaf 21 oktober 2004 krachtens art.91 §1 Wetboek BTW.

Eiseres heeft de correctieopgave niet onderschreven en de ontvanger BTW Antwerpen 1 is op 23 december 2004 overgegaan tot inhouding (krachtens artikel 8-1, §3, vierde lid van KB nr.4 inzake BTW) op een tegoed (een belastingkrediet in rekening-courant) dat de (voorgehouden) fiscale vordering in bedrag overtrof.

Namens eiseres heeft een gevolmachtigde de fiscale vordering geprotesteerd met brieven van 8 en 27 december 2004, 19 januari 2005 en 15 februari 2005.

Van deze brieven worden enkel de eerste twee aan de rechtbank voorgelegd.

Met brief van 14 maart 2005 heeft controle BTW Antwerpen 9 opstelling van proces-verbaal aangekondigd zo de correctieopgave niet uiterlijk 14 april 2005 zou zijn onderschreven.

De raadsman van eiseres heeft op 19 april 2005 ter griffie een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd, met onder meer de correctieopgave en de brief van 14 maart 2005 eraan gehecht.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering wordt niet betwist, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

Rechtsvraag is of eiseres aan haar klanten 6% dan wel 21% BTW had moeten aanrekenen, bij dit alles alvast voor ogen houdend dat 21% geen resttarief vormt (vgl. Cass.13 mei 2005, Rol C030222N).

Nagegaan moet worden of te dezen de toepassingsvoorwaarden van de Bijlage bij KB nr.20 inzake BTW, Tabel A, rubriek XXXI, voldaan waren.

De belastingdienst, aldus nu ook verweerder, draagt de bewijslast dat het door eiseres te dezen toegepaste tarief van 6% niet beantwoordt aan de toepassingsvoorwaarden van rubriek XXXI van Tabel A van Bijlage bij KB nr.20 inzake BTW (zelfde cassatiearrest).

Aan de rechtbank wordt daarover niet het minste tastbare beoordelingselement voorgelegd.

Enkel wordt in proces-verbaal van 22 april 2005 dat overigens pas dateert van nà neerlegging van het gedinginleidende verzoekschrift van 19 april 2005, zonder meer het volgende gesteld : "Aangezien het verwijderen of buiten gebruik stellen van een stookolietank wordt beschouwd als afbraakwerk is niet voldaan aan de voorwaarden vermeld onder punt 1 en kan het tarief van 6% niet worden toegepast".

Punt 1 blijkt randnummer 1 te behelzen van vermelde rubriek XXXI van Tabel A.

Noch voorafgaand aan de inhouding, noch ten overvloede in zelfs het pas op gedingleiding gevolgd proces-verbaal, wordt aldus onderbouwd waarom het loutere buiten gebruik stellen (van geen enkele tank staat te dezen vast dat hij werd verwijderd) hier kan, of moet worden, beschouwd als afbraakwerk.

Een eigen beslissing of circulaire van de belastingdienst volstaat daartoe uiteraard niet.

De belastingdienst heeft aldus zijn hogerop vermelde bewijslast te dezen niet ingevuld.

Tot besluit is niet aangetoond dat eiseres ten onrechte het tarief van 6% heeft toegepast in haar facturatie voor de hier betrokken periode van 1 jan.2002 tot en met 30 sept.2004.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, en gegrond,

Zegt voor recht dat niet bewezen is dat eiseres in haar facturatie over de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 september 2004 inzake opschuiming van buiten gebruik gestelde olietanks ten onrechte het tarief van 6% heeft aangerekend,

Verklaart bijgevolg de op grond van het voorgehouden tarief van 21% en middels akte van 23 december 2004 door de ontvanger der BTW Antwerpen 1 gedane inhouding onwettig,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres, de som van 22.534,40 EUR, meer moratoire intrest vanaf datum van het gedinginleidende verzoekschrift tot op de dag van volledige betaling,

Veroordeelt verweerder tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in respectieve conclusies, door de rechtbank in hoofde van eiseres vereffend op 356,98 EUR rechtsplegingvergoeding.

N. D.

L. B.

Textes cités

2
AR no 4 art. 8-11 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8