Taux de la taxe, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 30 octobre 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxe, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-preuve-mesure-controle-tribunal-gand-2012-10-30-c113

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
30 octobre 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

123 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 30.10.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 OKTOBER 2012

Rolnummer AR 07/3073/A

In de zaak van :

1. De heer O. S., en

2. Mevrouw D. B. J., wonende te …, …;

eisers,

vertegenwoordigd door Mter. S. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Gent, BTW-Directie Gent, kantoorhoudende te 9050 Gent, Gasten Crommenlaan 6/601;

verweerder,

vertegenwoordigd door Mter C. D., advocaat te …, …;

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2012 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 20 september 2007 en de syntheseconclusies van de partijen.

2. De vordering

De eisers verhalen zich tegen het standpunt van de BTW-administratie waarbij deze administratie heeft geoordeeld dat een BTW-tarief van 21 % van toepassing is naar aanleiding van uitgevoerde bouwwerken, en niet het tarief van 6 % zoals bij deze verbouwingen werden toegepast.

De eisers formuleren de vordering als volgt :

"Te zeggen voor recht dat het BTW-tarief van toepassing op alle voormelde verbouwingswerken door concluanten uitgevoerd of laten uitvoeren betreffende de werfwoning te …, …, 6 % is;

Subsidiair, alvorens recht te doen en voor zover de rechtbank het noodzakelijk zou achten, een plaatsbezoek te doen, desnoods met alle mogelijke nuttige en noodzakelijke technische bijstand minstens teneinde :

1. zich in tegenwoordigheid, althans na behoorlijke oproeping, van alle partijen en hun raadslieden ter plaatse te begeven te …, …,

2. alle verbouwingswerken waaromtrent huidige BTW-discussie zich ontsponnen heeft te aanzien en te beschrijven.

Meer subsidiair te zeggen voor recht dat verweerster wegens hetzij schending van de beginselen van behoorlijk bestuur hetzij rechtsmisbruik hetzij afstand van recht geen grond (meer) heeft om de toepassing van een ander BTW-tarief lastens concluanten te vorderen dan het verlaagd tarief van 6 % en/of een boete lastens concluanten te vorderen

Verweerster te veroordelen tot alle kosten van het geding, voor concluanten heden voorlopig begroot op;

rechtsplegingsvergoeding : 2.200 euro (basisrpv, ambtshalve te indexeren) indien de rechtbank van oordeel is dat de vordering in geld waardeerbaar is (te weten de BTW-invordering die verweerster beoogt); subsidiair 1.320 euro (basisrpv niet in geld waardeerbare vordering, ambtshalve te indexeren)

Het te wijzen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement.

"

3. De relevante feiten en het geschil

3.1.

Op 23 september 2004 werd aan de heer O. S. een bouwvergunning verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Gent voor het verbouwen van een woning op het adres …, …. Het kadastrale inkomen werd betekend op 31 januari 2006.

3.2.

Op 6 april 2006 werd de door de eisers opgestelde aangifte nr. 1063 ontvangen op het BTW-controlekantoor Gent 5 (bouwcel), zoals voorgeschreven door artikel 64, § 4, 3de lid W.BTW. De eisers verklaarden in deze aangifte dat zij eigenaars zijn van het pas opgerichte gebouwen dat het gebouw in gebruik werd genomen op 25 juli 2005. Tevens werden de facturen en het bouwplan overgemaakt.

3.3.

Bij nazicht van deze aangifte, de voorgelegde facturen, bestekken en het bouwplan werd vastgesteld door de heer W., financieel assistent, verbonden aan het BTW-controlekantoor Gent 5 (bouwcel), dat de facturen van werk in onroerende staat werden opgemaakt met toepassing van het BTW-tarief van 6 %. Het nettobedrag (ex. BTW) van deze facturen bedraagt : € 113.352,51.

Deze facturen worden vermeld in het proces-verbaal dat door de heer P. W. dat werd opgesteld op 5 november 2007. Overeenkomstig het proces-verbaal van 5 november 2007 worden lastens de eisers de volgende bedragen gevorderd :

- BTW : € 17.002,87;

- fiscale boete overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW, verminderd overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, van de bijlage bij dit besluit tot 10 % van de verschuldigde belasting en afgerond op € 1.700,00.

3.4.

Op basis van deze vaststellingen werd door de verbaliserende ambtenaar voor goedkeuring en ondertekening een minnelijke inregelstelling toegezonden aan verzoekers op 26 april 2006.

Op 24 mei 2006 werd vervolgens door de raadsman van de eisers een bezwaarschrift ingediend. In dit bezwaarschrift werd gesteld dat de eisers zich niet konden akkoord verklaren met de toepassing van het BTW-tarief van 21 % en met de minnelijke inregelstelling waarbij werd verwezen naar bepaalde rechtspraak, antwoorden van de Minister op parlementaire vragen en naar de BTW-aanschrijving nr. 6 van 1986.

Door de verbaliserende ambtenaar werd op 31 mei 2006 uitvoerig geantwoord overgemaakt aan de raadsman van verzoekers waarin de administratie concludeert dat de werken niet voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 %. Vervolgens vond nog correspondentie plaats tussen de partijen waarbij deze hun standpunten hebben uiteengezet en gehandhaafd.

3.5.

Op 20 september 2007 werd door de eisers verzoekers een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze Rechtbank. De eisers stellen een vordering tot behoud van het BTW-tarief van 6 %, zoals toegepast op de verrichte bouwwerkzaamheden.

4. Beoordeling

4.1.

Krachtens artikel 37, § 1 W.BTW bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de tarieven en geeft hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering.

In uitvoering van deze wettelijke bepaling werd het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven getroffen.

De artikelen 1 en 3 van dit KB nr. 20 (oud) luidden als volgt :

"Artikel 1 : de belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven :

1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;

3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.

Artikel 3 : Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit''

Artikel 1 bis, § 1 van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 luidt als volgt :

"§ 1, In afwijking van artikel 1, wordt vanaf 1 januari 2000 tot en met 31 december 2010, het werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in § 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, onderworpen aan het tarief van 6 %, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief."

Tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 geeft een opsomming van de goederen en diensten die onderworpen zijn aan het tarief van 6 %. Rubriek XXXI, § 1, 10 van deze tabel A luidt als volgt :

"XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.

§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief."

4.2.

De eisers voeren aan dat het tarief van 6% van toepassing is op de uitgevoerde werken. Ze ontkennen dat er sprake was van een afbraak.

De eisers wijzen erop dat de kern van de verbouwde woning identiek is aan de vorige toestand van de woning.

Volgens de eisers bleven de volgende essentiële onderdelen van de bestaande woning behouden : de funderingen, dakhoogte, volume en oppervlakte van de woning, nagenoeg alle gevelstructuren, heel wat venster en deuropeningen.

De verbouwing voldoet volgens de eisers aan de omschrijving van een omvorming in artikel 30 van de BTW-Aanschrijving nr. 6 d.d. 22 augustus 1986, aangezien de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

De eisers benadrukken dat het aan de fiscale administratie toekomt te bewijzen dat het tarief van 6 % niet van toepassing is. Dit bewijs wordt volgens de eisers door de administratie niet geleverd.

Aangezien het geschil tussen de partijen in essentie een feitenkwestie betreft omtrent de werkelijke omvang van de bouwwerken, vragen de eisers om ter plaatse een bezoek te brengen aan de woning teneinde zich van deze werkelijke toestand te vergewissen.

De eisers beroepen zich tenslotte op de beginselen van behoorlijk bestuur. De werken werden uitgevoerd in de jaren 2004 en 2005. De administratie is volgens de eisers ruimschoots te laat opgetreden door pas anderhalf jaar na de werken over te gaan tot de mededeling van hun standpunt omtrent het toe te passen BTW-tarief. De eisers voeren aan dat de administratie reeds veel vroeger op de hoogte was van de werken en ze veel vroeger de eisers in kennis diende te stellen van haar standpunt. Deze nalatigheid wordt door de eisers beschouwd als een fout, tengevolge waarvan de navordering van de administratie dient te worden afgewezen. Dezelfde redenering geldt volgens de eisers wegens het niet behoorlijk vervullen van de informatieplicht door de administratie naar aanleiding van de minnelijke inregelstelling.

4.3.

De eisers kunnen worden bijgetreden in hun standpunt wat betreft de bewijslast van het toe te passen BTW-tarief op de bouwwerken. De administratie bevestigt dat deze bewijslast, op basis van de toen geldende wetgeving, bij de administratie berust.

In de hoger weergegeven wetsbepalingen wordt echter geen omschrijving gegeven van de begrippen omvorming of renovatie.

De eisers merken terecht op dat de rechtsvraag omtrent het toe te passen tarief in essentie een feitenkwestie betreft, meer bepaald omtrent de precieze omvang van de bouwwerken. Bij deze feitelijk appreciatie zijn zowel de oude toestand van de woning relevant, alsook de mate waarin deze bestaande toestand nog werd behouden bij de verbouwing. Alle aspecten vanaf de oude bestaande toestand tot en met de afwerking van de verbouwing zijn relevant bij de afweging van de vraag af de verbouwing al dan niet een vernieuwbouw betreft.

Bij de beoordeling is de omschrijving van de werken door de diensten van stedenbouw niet dienend. De werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeert welke ook de redenen moge geweest zijn waarom bepaalde werken dienden uitgevoerd te worden.

De door de administratie opgestelde aanschrijvingen kunnen een nuttig instrument zijn bij de beoordeling en afweging van de feitelijke elementen, maar kunnen geen afbreuk doen aan de wet. De eisers kunnen het de fiscale administratie bezwaarlijk kwalijk nemen dat rechtspraak wordt voorgelegd waardoor op basis van andere concrete zaken, enige toelichting of consistentie kan worden gevonden bij de afweging van de huidige concrete elementen. Deze rechtspraak is evenwel steeds gesteund op de specifieke concrete elementen van het dossier, en om die reden niet bindend of doorslaggevend voor het huidige geschil. Evenwel strekt het in het voordeel van de rechtszekerheid en om die reden ook veelal in het voordeel van de rechtsonderhorige, om door het voorleggen van rechtspraak enige consistentie te doen ontstaan in de interpretatie van begrippen die door de wet niet worden uitgelegd.

4.4.

Door de heer W., financieel assistent, verbonden aan het BTW­controlekantoor Gent 5 (bouwcel), werd aan de hand van de ingediende aangifte nr. 1063, de voorgelegde facturen, bestekken en het bouwplan het volgende vastgesteld en opgenomen in het proces-verbaal d.d. 5 november 2007 :

• van de oorspronkelijke structuur van het gebouw bleven "enkel" 2 zijmuurtjes van de trap en een stuk van de achtergevel behouden voor zowel de gelijkvloerse verdieping als de eerste verdieping;

• bij de heropbouw blijkt de voorgevel nieuw;

• een deel van de achtergevel is hermetst;

• er is een volledige nieuwe achterbouw;

• binnen het hoofdgebouw zijn - behalve de twee zijmuurtjes van de trap - de binnenmuren nieuw;

• de draagvloer van zowel de eerste als de tweede verdieping is nieuw;

• er werd ook een volledig nieuwe dakconstructie geplaatst.

Op basis van de beschikbare gegevens heeft de administratie terecht vastgesteld dat ingevolge afbraakwerken, enkel twee zijmuurtjes van de trap en een stukje van de bestaande achtergevel gebleven is.

Volgens het bouwplan zijn de funderingen voor het grootste gedeelte vernieuwd. De voorgevel is nieuw en de gemeenschappelijke zijmuren zijn ook nieuw. Volgens de gegevens van het bouwplan zijn uitgebroken : de vloeren van het gelijkvloers, de roostering van het eerste verdiep, de voorgevel, het hellend dak en het plat dak.

Het gegeven dat de nadien verbouwde woning gelijkenissen vertoont met de oorspronkelijke woning wat betreft dakhoogte, volume, plaats van de muren of deuropeningen, is niet dienden bij de beoordeling van de kwalificatie en de omvang van de verbouwing.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het geheel van de voormelde concrete gegevens moet worden besloten dat de structuur van het oude gebouw niet gebleven is ingevolge een te grondige wijziging. De administratie heeft terecht geoordeeld dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 % niet zijn voldaan en in werkelijkheid geen renovatie heeft plaatsgevonden, doch wel een grondige vernieuwbouw.

Vermits de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in 2004 en 2005, zijnde meer dan 6 jaar geleden enerzijds, en anderzijds het dossier voldoende elementen bevat om het geschil te beslechten, is de rechtbank van oordeel dat een plaatsbezoek niet nodig is omdat dit niet zinvol kan bijdragen tot de bewijsvoering of de ontdekking van de concrete feiten, die aldus afdoende gekend zijn.

4.5.

De grief van de eisers omtrent de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, houdt in dat van de administratie wordt verwacht dat ze een grondige studie dient te maken van de toegekende bouwvergunningen teneinde de belastingplichtige voorafgaand aan de werken te informeren omtrent het toe te passen tarief inzake BTW. Dergelijke werkwijze kan niet redelijk vanwege de administratie worden verwacht.

Bij de beoordeling is de omschrijving van de werken door de diensten van stedenbouw niet beslissend, noch de overeenkomst met de architect. Zoals reeds vermeld zijn de werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primerend welke ook de redenen moge geweest zijn waarom bepaalde werken dienden uitgevoerd te worden.

Krachtens artikel 64, § 4 W.BTW moet de eigenaar van een pas opgericht gebouw uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen, bij de ambtenaar aangewezen door de Minister van Financiën, een aangifte indienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de belasting over de toegevoegde waarde in rekening werd gebracht.

Het kadastraal inkomen werd betekend op 31 januari 2006. Op 6 april 2006 werd er door de eisers de verplichte aangifte ingediend. Reeds op 26 april 2006 heeft de fiscale administratie haar standpunt kenbaar gemaakt, zijnde onmiskenbaar binnen een zeer korte termijn na de indiening van de aangifte en relevante stukken. Deze werkwijze kan in niet worden beschouwd als houdende een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Zowel de minnelijke inregelstelling als de nadien tussen de partijen uitvoerig gevoerde briefwisseling, zijn voldoende duidelijk en bevatten alle nodige elementen, in feite en in rechte, zowel met betrekking tot de belastingplichtige als de samenstelling en het bedrag van de belastingschuld, die de eisers in staat hebben gesteld hun rechten te vrijwaren en naar behoren uit te oefenen. Er kan hierbij geen inbreuk op enige zorgvuldigheidsnorm worden vastgesteld. De vordering van de eisers kan niet worden ingewilligd.

4.6.

De Belgische Staat stelt alsnog een tegenvordering in teneinde de eisers te laten veroordelen tot betaling van de in het proces-verbaal opgenomen bedragen. Nu de fiscale administratie zelf over de bevoegdheid en de macht beschikt om zichzelf een uitvoerbare titel te verschaffen, komt deze taak in dit huidige concrete BTW-geschil niet toe aan de rechtbank. Deze vordering van de Belgische Staat is niet gegrond.

4.7.

De eisers dienen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden navordering, in de schijf van 10.000,01 tot 20.000 EUR. Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de verweerder : de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding : 1.210,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dertig oktober tweeduizend en twaalf, waar aanwezig waren :

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Textes cités

2
AR no 20 art. 1bis1 occurrence
CTVA art. 221 occurrence

Décisions similaires

8