Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 14.06.2022
WF 714-15-19/008537
[Favorable à l’État belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Taux réduit – Démolition et reconstruction d’un bâtiment
Dispositions légales
Tableau A, rubrique XXXVII de l’arrêté royal n°20 du 20 juillet 1970.
Résumé
1) Les faits et le jugement en première instance
En 2012, le constructeur a acheté un terrain sur lequel étaient sis une partie d'une grange commune (en indivision), un hangar en bois adjacent et une serre en plastique. Lors d'un contrôle, il a été constaté que le hangar en bois et la serre ne correspondait pas à la définition qualifiant un bien sous la notion de bâtiment. Avant la construction de l'habitation, seuls le hangar en bois et la serre ont été démolis. Cette grange commune était la seule construction sur la parcelle qui aurait permis au maître d’œuvre de bénéficier de l'application du taux réduit de TVA. Le maître d’œuvre n'a pas pu procéder à la démolition de la grange commune car cela aurait provoqué l'effondrement de la partie de la grange située sur la parcelle adjacente.
Bien qu'aucun bâtiment n’ait été démoli, une nouvelle habitation a été construite par le maître d’œuvre au taux réduit de 6 %. La première occupation de la nouvelle habitation a eu lieu le 1er juillet 2015. En avril 2017, le maître d’œuvre a également acheté la parcelle adjacente sur laquelle était sise l'autre partie de la grange commune. Plus tard dans le courant de cette année-là, cette grange a été démolie.
Le tribunal de première instance de Bruges a jugé que le fait de ne pas démolir immédiatement la grange constituait un cas de force majeure et n'empêchait pas l'application du taux réduit. L'État belge a fait appel de cette décision.
2) L'arrêt en appel
En ce qui concerne l'appréciation de la qualification d'un bien en tant que bâtiment au sens de la condition énoncée à la section XXXVII du tableau A à l'annexe de l’arrêté royal n° 20, il convient de tenir compte de l'intention du législateur, à savoir encourager la démolition et la reconstruction concomitante d'un logement afin de lutter contre l'inoccupation et l'insalubrité des bâtiments dans certains centres urbains. Le terme « significatif » doit alors être compris comme « important » ou "éloquent" par rapport à une habitation à reconstruire. Une surface (démolie) de 27,5 m2 ne peut pas être considérée comme significative par rapport à la seule habitation à reconstruire.
La démolition de l'ensemble de la grange après l'acquisition de la parcelle adjacente en 2017 démontre que cette démolition ne s'inscrit pas dans l'intention initiale de démolir l'ancien bâtiment et d'ériger une habitation. En effet, au moment où les travaux ont débuté en 2014, il n'était pas question d'acquérir la parcelle adjacente, du moins le maître d'ouvrage ne le démontre pas.
Le jugement prononcé par le juge siégeant en première instance ne soutient également pas des conclusions contraires. Ce jugement s'est basé sur la notion de « force majeure » et ne se réfère pas à rubrique XXXVII du tableau A à l'annexe de l’arrêté royal n° 20. On ne peut dès lors pas en déduire que la législation est absconse.
Remarque
L’arrêt est entretemps devenu définitif. Dans un litige similaire (WF 709-15-21/013640), un jugement également définitif (Gand, 26.07.2022 - 21/409/A) a jugé que la démolition d'un garage ne remplissait pas les conditions de la section XXXVII, tableau A de l'AR n° 20.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 14/06/2022
Rol: 2021/AR/935
In de zaak van:
BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal-directeur KMO Kortrijk, met burelen te 9050 GENT, G. Crommenlaan 6 bus 742,
appellant,
hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te ...
Tegen
1. C. B., RRN ...,
wonende te ... ,
2. D. I., RRN ...,
wonende te ... ,
geïntimeerden,
hebbende als raadsman mr. L. S., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift neergelegd op 25 mei 2021 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 12 januari 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/2919/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3 mei 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
2.1. Bij notariële akte van 3 september 2012 kocht mevrouw D., de tweede geïntimeerde, een perceel bouwgrond (met erop staande bergingen) gelegen te ... met een oppervlakte van 10a91ca. Dit perceel was gekadastreerd als lot 2, zijnde een deel van het nummer 1229/W, dat vóór splitsing samen met het naastgelegen linker perceel een hoeve met stallingen en bergingen betrof. Op het aangekochte perceel bevonden zich zgn. bedrijfsruimten, m.n. een schuur, een bergplaats, een serre en een oprijlaan. Het lot 1, zijnde het naastgelegen linker perceel met hoeve bleef eigendom van de verkopers, de heer en mevrouw T.-V., toen 85 jaar resp. 84 jaar.
In de notariële akte werd opgenomen dat de koper de volle eigendom verkreeg vanaf datum van de akte en het vrij gebruik zou verkrijgen vanaf 1 januari 2015 of "voordien van zodra de verkopers beiden het huis in de ... niet meer bewonen". Als bijzondere voorwaarden werd in de notariële akte o.m. het volgende opgenomen:
"1/ Zoals hoger vermeld verkrijgt de koopster het genot van voormeld goed door het vrij gebruik uiterlijk vanaf 1 januari 2015.
Partijen zijn verder overeengekomen dat na deze datum van 1 januari 2015 de verkopers bij wijze van persoonlijke dienstbaarheid de bestaande toegang naar lot 1 op het alhier verkochte lot 2 (via de bestaande poort), de achterliggende weide en de paardenstal nog gratis mogen blijven gebruiken zolang de verkopers of één van hen in hun huis te ...blijven wonen.
2/ Vanaf 1 januari 2015 zullen ook de bestaande serre en de twee bergingen, die thans nog op het verkochte goed staan, door de koopster afgebroken mogen worden, dit op haar kosten."
Eind maart 2013 dienden de geïntimeerden een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in tot het bouwen van een alleenstaande eengezinswoning na afbraak van het bestaand gebouw. De aanvraag stelde dat het lot grotendeels braakliggend was en één bijgebouw bevatte aansluitend op het bijgebouw van het aanpalende perceel. Deze vergunning werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad R. van 27 mei 2013. Omtrent het slopen van het gebouw werd het volgende opgemerkt:
"Sloping van gebouw: De bouwheer dient na de sloop de aangelanden te vrijwaren van wateroverlast. Hierdoor dient ofwel de ondergrond voldoende doordringbaar gemaakt te worden ofwel dient een voldoende afwateringssysteem aangelegd te worden.
Mits afvoeren van het puin.
Mits het terrein op esthetisch en verantwoorde wijze af te sluiten. Het slopen dient zowel het verwijderen van de bovengrondse als ondergrondse constructies te bevatten. Het naastliggende gebouw dient waterdicht afgewerkt te worden en mag bouwtechnisch geen schade ondervinden tijdens en na de afbraakwerken.
Alle aspect en van het burgerlijk wet boek dienen nageleefd t e worden, meer bepaald waterhuishouding en eigendomsstructuren (vrijwaren, beschermen, ... )."
Eind 2014 startten de geïntimeerden met de werken, waarbij de oprijlaan werd uitgebroken, een deel van de schuur tot aan de binnenmuur werd afgebroken, de bergplaats en de serre werden verwijderd. In 2015 werd gestart met de bouw van de gezinswoning van de geïntimeerden.
Na het overlijden van de verkopers op 20 april 2016 resp. op 14 mei 2016 kocht bv B. C. bij notariële akte van 6 april 2017 het linker naastgelegen perceel met hoeve en bijgebouwen van de algemeen legataris van mevrouw V., m.n. vzw Z. v. d. K. v. M. “T. S.".
In april 2017 werd het resterende deel van de schuur gesloopt (met inbegrip van het deel dat op het naastgelegen perceel stond).
2.2. Midden juni 2013 diende de heer B. C. een verklaring in voor de afbraak en heropbouw van een woning op voormeld adres bij het btw-controlekantoor overeenkomstig de voorwaarden opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij KB/WBTW nr. 20.
Eind december 2016 dienden de geïntimeerden bij het btw-controlekantoor een btw aangifte in overeenkomstig artikel 64, §4 WBTW. Op 26 oktober 2017 verzocht de administratie om bijkomende stukken, die op 7 november 2017 werden overgemaakt.
Op 29 november 2017 werd aan de geïntimeerden een correctieopgave gestuurd waarin het opgerichte gebouw werd geschat op 409.250,00 euro en er, gelet op de ontvangen facturen ten bedrage van 356.486,98 euro, er een tekort aan btw werd vastgesteld van 3.165, 78 euro. Een (verminderde) boete van 310,00 euro werd aangekondigd. Na opmerkingen van de geïntimeerden werd uitgegaan van een geschatte oprichtingsprijs van 382.250,00 euro, hetgeen nog een verschuldigde btw gaf van 977, 19 euro, zonder boete.
Op 13 september 2018 werd aan de geïntimeerden een correctieopgave toegestuurd bij afbraak en heropbouw woning. De administratie overwoog o.m. dat "Op basis van de voorgelegde stukken en de verklaringen van / namens de bouwheren, (... ) niet werd aangetoond dat een afwijkend verlaagd tarief van toepassing is in dit bouwdossier. Vooreerst werden afmetingen doorgegeven die niet pertinent zijn, rijzen vragen over de duurzaamheid van de afgebroken constructies (zoals serre in plastiek) en is het bovenal duidelijk dat de afgebroken oppervlakte helemaal niet significant is. Bestaande kleine bergingen werden afgebroken voor de bouw van een ruime villa bestaande uit twee etages waarvan de voorgevel 13,76m, linkerzijgevel 11,90m en rechterzijgevel 15, 10m lang is." Er werd btw voor een totaal bedrag van 39.712,40 euro nagevorderd en een (verminderde) geldboete van 3.970,00 euro. De geïntimeerden verklaarden zich hiermee niet akkoord.
Op 14 november 2018 maakte de administratie een proces-verbaal op waarin zij haar standpunt handhaafde op basis van o. m. de volgende overwegingen:
"Vooreerst heb ik kunnen vast stellen dat niet alle constructies op het perceel werden afgebroken voorafgaand aan de oprichting van de woning. In de verkavelingsvergunning tot splitsing van het perceel kon ik al lezen dat achteraan in de tuinzone van de gesplitste percelen een paardenstal stond die voorlopig behouden zou blijven. De stal stond grotendeels op lot 1 met een klein gedeelte op lot 2. Dit was ook het geval voor het gemetste bijgebouw dat door de verkaveling deels op het verkochte perceel kwam te liggen. Aan de linkerzijde van het verkochte perceel (lot 2) bleef het gemetste deel van het bijgebouw overeind minstens tot na de ingebruikname van de nieuwe woning. Dit maakt dat constructie 1 en 2 - (... )- zeker niet tot die delen behoorden die voorafgaand aan de bouw van de woning werden afgebroken. Mijn collega van de Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (dienst opmetingen en waarderingen) kon me bevestigen dat het gemetste bijgebouw op lot 2 nog bestond op het moment van de oprichting van de woning. Daarnaast kon ik zelf op geraadpleegde luchtfoto's van twee verschillende bronnen vaststellen dat de paardenstal en het gemetst gedeelte van het bijgebouw intact bleef bij de oprichting van de woning. De voorafgaande afbraak op betreffend perceel beperkte zich bijgevolg tot het hok (constructie 3}, de berging (constructie 4) en de serre (constructie 5). Dit is perfect zoals oorspronkelijk bij het verkavelen werd aangevraagd: slopen van twee bijgebouwen en een serre!
(...) Het staat buiten kijf dat het voor de toepassing van betreffend verlaagd tarief moet gaan om de afbraak van een gebouw. (...) Met deze wetgeving voor ogen beschouw ik de plastieken serre niet als een gebouw inzake btw waardoor een omschrijving van de afgebroken gebouwen voorafgaand aan de heropbouw van de woning zich verder beperkt tot hoogstens de constructies 3 (hok naast het gemetst bijgebouw) en constructie 4 (houten berging).
Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over deze constructies kan niet met volledige zekerheid bepaald worden of de constructies 3 en 4 als 'gebouwen' dienen beschouwd te worden. (... )
(...)
Of de constructies 3 en 4 onroerende goederen uit zijn aard zijn, is een discussie die tijdens de controle niet kon worden opgelost . (...) Dit buiten beschouwing gelaten, (.. .) In deze context is voor mij de afbraak van twee beperkte bergruimtes niet significant om' te kunnen genieten van het verlaagd tarief zoals bedoeld in kwestieuze rubriek XXXVII. Als de minister ten slotte nog opmerkt dat de gebouwen moesten opgetrokken zijn met het oog op hun duurzaamheid, stel ik vast dat ook hierbij vragen kunnen worden gesteld. Zo beschrijf ik de houten berging veeleer als een in elkaar getimmerde verzameling van gerecupereerde materialen dan als een duurzame kwaliteitsvolle bergruimte.
Op basis van de voorgelegde stukken en de verklaringen van / namens de bouwheer, besluit ik dat niet werd aangetoond dat een afwijkend verlaagd tarief van toepassing is in dit bouwdossier. (...)"
Een dwangbevel inzake btw werd opgemaakt op 19 november 2018, uitvoerbaar verklaard op 26 november 2018 en aan de geïntimeerden ter kennis gebracht bij brief van 3 december 2018.
Bij brief van 8 februari 2019 dienden de geïntimeerden een willig bezwaar in. Dit werd afgewezen bij beslissing van 17 juli 2019.
Op 8 november 2019 werd het dwangbevel aan de eerste geïntimeerde betekend.
Middels verzoekschrift neergelegd op 13 november 2019 maakten de geïntimeerden de zaak aanhangig voor de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 12 januari 2021 heeft de tiende kamer van deze rechtbank als volgt beslist:
Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.
Vernietigt het bestreden dwangbevel met artikelnummer ... .
Zegt dienvolgens voor recht dat gevorderde sommen aan BTW, boete en interesten niet verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle door eisers betaalde of van eiseres ten onrechte ingehouden bedragen, meer de interesten.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eisers begroot op de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand t.b.v. 40,00 EUR en 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Huidig hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;
Dienvolgens het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 12.01.2021 te vernietigen;
Opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat het proces-verbaal in hoofde van geïntimeerden waarvan de invordering gevestigd werd onder artikelnummer ... volledig gerechtvaardigd en geldig is en dat deze in eerste aanleg ten onrechte ontheven werd;
Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van geïntimeerden te begroten op:
- Bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand : 20, 00€
- R.P. V. hoger beroep 3.250,00€
Totaal: 3.270,00€
Gezien appellante, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
3.2. De vordering van de geïntimeerden
De geïntimeerden vragen in hoger beroep aan het hof om:
het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen afdeling Brugge van 12 januari 2021 te bevestigen,
en dienvolgens:
in hoofdorde:
1. Het dwangbevel inzake BTW, artikelnummer ... , uitgevaardigd door mevrouw X, Adviseur Invordering - Ontvanger van het Team Invordering Natuurlijke Personen Roeselare, op 19 november 2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 26 november 2018 door X, adviseur BTW Controle te Roeselare, aan geïntimeerden ter kennis gebracht op 3 december 2018; middels dit dwangbevel wordt van geïntimeerden een bedrag aan btw hoofdsom ten bedrage van 39. 712,40 EUR gevorderd, te vermeerderen met een boete van 3.970,00 EUR en nog verder te vermeerderen met de intresten op de verschuldigde btw en de intresten op de boete vanaf de kennisgeving van het dwangbevelen;
2. Het proces-verbaal dd. 14 november 2018, voor eensluidend verklaard te Roeselare op 3 december 2018, opgesteld door dhr. X, Attaché van controlecentrum KMO Kortrijk, Team 5 waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8790 Waregem, het Pand 305; en
3. De administratieve beslissing dd. 17 juli 2019, opgesteld door mevrouw X, Adviseur Teamchef KMO Kortrijk Expertise 2, te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, waarbij het (willig) bezwaarschrift van geïntimeerden dd. 8 februari 2019 tegen het voornoemd proces-verbaal dd. 14 november 2018 werd afgewezen;
nietig, minstens onwettelijk of ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat deze geen enkel gevolg mogen hebben, en dat de sommen aan BTW-vordering, de vordering van de boete en de interesten die er in opgenomen zijn niet verschuldigd zijn door geïntimeerden; minstens, in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat de boeten en de interesten, niet verschuldigd zijn door geïntimeerden;
geïntimeerden vragen de terugbetaling te bevelen van alle eventueel in uitvoering van bovenstaand dwangbevel betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de intresten vanaf datum van betaling of inhouding gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding, zoals de bijdrage aan het pro deo fonds en met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechte/ijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007), basisbedrag 3.250,00 EUR voor de procedure in eerste aanleg en 3.250,00 EUR voor de procedure in hoger beroep;
4. De beoordeling
4.1. De appellant stelt dat de geïntimeerden ten onrechte toepassing hebben gemaakt van de regeling inzake afbraak en heropbouw in stadsgebieden opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20, krachtens dewelke het verlaagd tarief van 6% van toepassing is op de werken in onroerende staat die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning. Als voorwaarde wordt o.m. gesteld dat de handelingen betrekking moeten hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt, en die in een grootstedelijk gebied is gelegen.
4.2. Het verlaagd btw-tarief van 6% kan van toepassing zijn in het geval de afbraakwerken het afbreken van een gebouw betreffen, zijnde ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (artikel 1, §9, 1° WBTW). Niet om het even welk bouwwerk komt in aanmerking. Het af te breken gebouw dient een significante omvang te hebben en met het oog op duurzaamheid te zijn opgetrokken (zie ook Vr. en Antw. Kamer, nr. 13883, 23 juni 2009, Arens). De omstandigheid dat de nieuwe woning niet wordt opgericht op exact dezelfde plaats als het oude gebouw is geen beletsel voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief.
De geïntimeerden tonen niet aan dat de oprijlaan en de serre kwalificeerden als een gebouw. Uit de voorgelegde foto's (stukken 9, bundel geïntimeerden) blijkt dat de oprijlaan uit steenslag bestond, hetgeen in principe niet in de grond is ingelijfd en aldus niet vast met de grond is verbonden. Dat er onder de steenslag verharding aanwezig zou zijn in de vorm van een vasthechtend wegdek, blijkt niet uit de foto's en wordt niet aangetoond. Hetzelfde geldt voor de serre. Uit foto 9h/5 (bundel geïntimeerden) blijkt dat de serre bestond uit een plastieken omhulsel. Dat de serre op enige wijze vast met de grond was verbonden, zoals door middel van een betonplaat zoals de geïntimeerden beweren, wordt niet bewezen. Wat de bergplaats (naast de serre) betreft, blijkt uit de foto's dat deze uit hout bestond. Dat deze bergplaats op enige wijze vast met de grond was verbonden, wordt evenmin aangetoond. De appellant stelt evenzeer terecht dat niet wordt aangetoond dat deze bergplaats op duurzame wijze werd opgetrokken. Uit de foto's blijkt het eerder om een in elkaar getimmerde ruimte opgetrokken met diverse gerecupereerde materialen te gaan. Evenmin kan uit de factuur (stuk 12, bundel geïntimeerden) of uit de gemiddelde prijs voor afbraakwerken worden afgeleid dat deze goederen kwalificeren als gebouwen. De gemiddelde prijs voor afbraakwerken zegt niets over de aard en duurzaamheid van deze goederen en dit kan ook niet worden afgeleid uit de factuur. Er kan voor deze drie goederen niet worden aangenomen dat er sprake was van een kwalificerend gebouw, aangezien de geïntimeerden niet voldoen aan de op hen rustende bewijslast. De geïntimeerden tonen hun beweringen niet aan.
Rest de schuur. Deze stond deels op het perceel van de verkopers (lot 1) en deels op het perceel aangekocht door de geïntimeerden (lot 2). Uit de overgelegde foto's (stuk 9b, bundel geïntimeerden) blijkt dat de schuur op het perceel van de geïntimeerden, visueel althans, uit twee delen bestond: een deel dat in het verlengde lag van de schuur op lot 1 en onmiddellijk aanpalend aan de zijmuur, een aangebouwde bijkomende berging, staande op betonfundering. Deze berging werd in 2014 afgebroken door de geïntimeerden; (het overige gedeelte van) de schuur werd pas afgebroken in 2017 nadat de geïntimeerden de eigendom van het naastgelegen perceel (lot 1) hadden verworven. Dat de berging vast met de grond was verbonden of op duurzame wijze opgetrokken was, wordt niet betwist. De administratie betwist het significant karakter van de afgebroken berging en stelt dat met de afbraak in 2017 geen rekening mag worden gehouden aangezien dit niet voorafgaand aan de heropbouw gebeurde.
De geïntimeerden stellen dat het in 2014 afgebroken gedeelte van de schuur (de voormelde aangebouwde berging) een oppervlakte beslaat van 6,66m op 4,15m, zijnde 27,5m2 in totaal. De administratie stelt correct dat dit afgebroken (gedeelte van het) gebouw geen voldoende significante omvang heeft om, gelet op de doelstellingen van de wetgever, als een gebouw te kwalificeren dat afgebroken en heropgebouwd kan worden onder het verlaagd tarief. Evenmin kan uit de overgelegde factuur (stuk 12, bundel geïntimeerden) worden afgeleid dat dit afgebroken (gedeelte van het) gebouw een voldoende significante omvang heeft om als gebouw te kwalificeren onder de toepasselijke regelgeving. Dat de kostprijs voor afbraak significant was, kan hieruit niet worden afgeleid.
Het is correct dat het begrip 'significant' een zekere beoordelingsmarge inhoudt, doch het is niet correct te stellen dat dit begrip dermate ruim en dubieus zou zijn dat het beginsel zou zijn geschonden volgens hetwelk iedere belastingplichtige met een minimaal niveau van voorzienbaarheid het belastingstelsel moet kunnen bepalen dat op hem zal worden toegepast. Het begrip 'significant' dient in zijn normale betekenis te worden begrepen als 'veelbetekenend' (zie van Dale woordenboek). In relatie met de beoordeling of een goed kwalificeert als een gebouw in de zin van de voorwaarde opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20 dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever, m.n. de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning stimuleren teneinde leegstand en onbewoonbaarheid van gebouwen in bepaalde stadskernen tegen te gaan. Het begrip 'significant' dient dan als 'veelbetekenend' of 'betekenisvol' in verhouding tot een her op te bouwen woning te worden begrepen. Een (afgebroken) oppervlakte van 27,5m2 kan niet als betekenisvol aangemerkt worden in verhouding tot een her op te richten alleenstaande woning. Het doel van de wetgever zou miskend worden mocht om het even welke constructie kwalificeren als af te breken gebouw in de zin van de voorwaarde opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20, vandaar dat de voorwaarde dat het goed een significante omvang heeft rechtsgeldig wordt gesteld. Het hof ziet geen reden om het beginsel 'in dubio contra fiscum' toe te passen. De geïntimeerden dragen de bewijslast en dienen aan te tonen dat het afgebroken goed een significante omvang had. Dat deze voorwaarde werd gesteld, was reeds sinds de parlementaire vraag van 23 juni 2009 duidelijk. De geïntimeerden moeten hebben geweten dat de toepassing van het verlaagd tarief op grond van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20 geen evidentie was aangezien er zich op hun perceel geen (af te breken) woning bevond en dat het noodzakelijk was dat de overige koterijen als een gebouw kwalificeerden teneinde van het verlaagd tarief toepassing te kunnen maken. Indien zij ter zake voorafgaand zekerheid wensten te verkrijgen, waren zij in de mogelijkheid om een ruling aan te vragen, hetgeen zij niet hebben gedaan. Ook om die reden kan niet worden gesteld dat het beginsel van minimale voorzienbaarheid is geschonden.
De appellant stelt in dit verband terecht dat met het in april 2017 afgebroken gedeelte van de schuur geen rekening kan worden gehouden. Dit gedeelte werd niet voorafgaand aan de heropbouw van de woning afgebroken. De woning werd in gebruik genomen in juli 2015. Niettegenstaande een letterlijke interpretatie van de wettekst ('heropbouw') impliceert dat eerst de afbraak van een gebouw moet plaatsvinden vooraleer dan vervolgens de woning heropgebouwd wordt, aanvaardt de administratie dat de bouwheer in bepaalde gevallen toch van het verlaagd btw-tarief kan genieten wanneer de afbraak van het oude gebouw pas gebeurt na de oprichting van een nieuwe woning op hetzelfde perceel (zie bv. Pari. Vr. nr. 11137 van 4 maart 2009, Hendrik Bogaert). Dit is onder meer wanneer de bouwheer in het oude gebouw blijft wonen tot na de oprichting van de nieuwe woning. Deze situatie is niet toepasselijk. In alle gevallen geldt sowieso dat de bouwheer zonder uitstel na de uitvoering van de oprichtingswerken en ingebruikname van de nieuwbouw het oude pand laat afbreken. Ook aan deze voorwaarde is niet voldaan: de schuur werd pas afgebroken in april 2017 daar waar de nieuwe woning in gebruik werd genomen in juli 2015.
Er kan ook aanvaard worden dat het oude gebouw later wordt afgebroken wanneer er omstandigheden zijn onafhankelijk van de wil van de bouwheer (overmacht) die hebben belet dat het oude gebouw eerder werd afgebroken en wanneer aangetoond wordt dat de afbraak kadert binnen de oorspronkelijke intentie om het oude gebouw af te breken en een woning op te richten. Evenwel, ook hier falen de geïntimeerden in de op hen rustende bewijslast. Op de plannen van de bouwaanvraag (stukken 9a, bundel geïntimeerden) staat het ganse gedeelte van de schuur dat zich op het perceel van de geïntimeerden bevindt (alsook een deel van de schuur die zich op het naastgelegen perceel bevond), als 'te slopen' aangegeven. Uit het feit dat de geïntimeerden dit zelf hebben aangevraagd, blijkt dat het (bouw-)technisch mogelijk moet zijn geweest om dit gedeelte af te breken. Zoals in de vergunning aangegeven, was het aan de geïntimeerden om bouwtechnisch geen schade aan te richten aan het overblijvende gebouw. De notariële akte van aankoop liet toe dat dit gedeelte werd afgebroken vanaf 1 januari 2015. Dit is niet gebeurd, niettegenstaande het feit dat de geïntimeerden hiervoor over een sloopvergunning beschikten alsook over het akkoord van de verkopers/eigenaars van het naastgelegen perceel. Waarom geen uitvoering werd gegeven aan deze sloopvergunning tijdens de uitvoering van de overige werken, is niet duidelijk. Dat er moeilijkheden zouden zijn geweest met de verkopers inzake de leegmaking van de schuur, wordt niet aangetoond. Een situatie van overmacht wordt evenmin aangetoond. De toestemming door de verkopers/eigenaars van het naastgelegen perceel werd gegeven op een ogenblik dat zij reeds hoogbejaard waren; hun leeftijd kan aldus geen reden zijn geweest voor het uitstel. Dat hun slechte gezondheid de reden was voor het uitstel, wordt niet aangetoond. De afbraak van de volledige schuur na verwerving van het naastgelegen perceel in 2017 toont overigens aan dat deze afbraak niet kadert binnen de oorspronkelijke intentie om het oude gebouw af te breken en een woning op te richten. Op het ogenblik van de start van de werken in 2014 was immers nog geen sprake van de verwerving van het naastgelegen perceel, minstens tonen de geïntimeerden dit niet aan.
4.3. Uit het voorgaande blijkt dat de administratie terecht heeft geoordeeld dat de werken in onroerende staat niet voldoen aan de voorwaarden van de regeling inzake afbraak en heropbouw in stadsgebieden opgenomen in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20. Van een arbitraire interpretatie van de administratie is geen sprake. Deze heeft op correcte wijze de begrippen geïnterpreteerd en toegepast in het licht van de doelstellingen van de wetgever. Het legaliteitsbeginsel werd niet geschonden. Zoals ook reeds onder randnummer 4.2 overwogen, is van een schending van het voorzienbaarheidsbeginsel evenmin sprake. De beoordelingsmarge die gepaard gaat met de begrippen 'significant' en 'duurzaam' noodzaakt per definitie een feitelijke beoordeling. Het is niet omdat de administratie en de belastingplichtige tot een ander besluit komen dat het voorzienbaarheidsbeginsel of het legaliteitsbeginsel is geschonden. Een feitelijke beoordeling is geen grond om tot een schending van het gelijkheidsbeginsel te besluiten.
Het (voor de geïntimeerden positieve) oordeel van de eerste rechter doet evenmin anders besluiten. Deze heeft op basis van het begrip 'overmacht' zijn oordeel gevormd, niet op basis van de begrippen gebruikt in rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het KB/WBTW nr. 20. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de toepasselijke wetgeving onduidelijk is.
4.4. In meer ondergeschikte orde stellen de geïntimeerden dat het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel werd geschonden aangezien de geïntimeerden voor de kwestieuze correctieopgave reeds een correctieopgave hadden gekregen van de btw administratie met toepassing van het verlaagd btw-tarief.
Er is geen enkele bepaling die de administratie belet om binnen de wettelijke termijnen een dossier meerdere keren te controleren, met dien verstande dat het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel niet wordt geschonden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Volgens het vertrouwensbeginsel moet elke burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden (zie ook Cass. 15 februari 2013, F.11. 0150.N, op juportal.be). De beginselen van behoorlijk bestuur zijn bindend voor de belastingadministratie.
Uit het dossier blijkt dat de eerste controle gebeurde eind 2017 en betrekking had op een tekort tussen de voorgelegde facturen en de normale oprichtingsprijs. Uit niets blijkt dat de btw-administratie op dat ogenblik ook controle heeft gevoerd naar de correcte toepassing van het verlaagd tarief. De loutere overname van het verlaagd btw-tarief voor doeleinden van berekening van de verschuldigde btw ingevolge de vaststelling van het tekort houdt niet in dat de toepassing van dit verlaagd btw-tarief werd gecontroleerd. De controle naar de toepasselijkheid van het verlaagd tarief werd aangevat in augustus 2018, binnen de wettelijke onderzoekstermijnen. Als de geïntimeerden er al in vertrouwden dat het feit dat reeds een controle werd gevoerd naar een tekort tot gevolg had dat geen tweede controle kon worden gevoerd naar het toepasselijke btw-tarief, binnen de wettelijke onderzoekstermijnen, dan was dit vertrouwen niet gerechtvaardigd. Uit niets blijkt dat de administratie tijdens de eerste controle een houding heeft aangenomen waaruit kon worden afgeleid dat ze de toepassing van het verlaagd btw-tarief had gecontroleerd en zich hiermee akkoord had verklaard. Het hof stelt geen schending vast van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
4.5. In uiterst ondergeschikte orde verzoeken de geïntimeerden om de opgelegde boete kwijt te schelden. Aan de geïntimeerden werd een geldboete opgelegd van 10% of 3.970,00 euro.
Het wordt niet betwist dat de kwestieuze geldboete strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 6.1 EVRM. De fiscale geldboetes wegens overtreding van het Wetboek BTW sanctioneren immers een norm die gericht is tot eenieder die verplicht is de BTW-wetgeving te volgen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar in wezen ertoe strekt te straffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, te raadplegen op juportal.be).
Hieruit volgt dat het wettigheidstoezicht door de rechter een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist en dat de rechter hierbij niet gebonden is aan de schalen die de wet zelf voorschrijft. De mate waarin het bestuur zelf gebonden is, bindt de rechter niet doch is wel een element waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de wettigheid van de sanctie (zie ook Cass. 21 september 2018, hierboven aangehaald). Anders oordelen, zou de rechtskracht van het internationale rechtskader waaronder de administratieve sancties vallen, miskennen. Het standpunt van de administratie dat geen kwijtschelding of vermindering van de boete zou kunnen worden verleend wanneer geen verzoekschrift op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 werd ingediend, faalt naar recht.
De proportionele geldboete werd opgelegd op grond van artikel 70, §1 WBTW dat een geldboete van het dubbel van de belasting oplegt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen. Krachtens artikel 84 WBTW werd het bedrag van de proportionele fiscale geldboete binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegd tabellen A tot J. In uitvoering van dit KB nr. 41 (rubriek G, 1, IV) werd de boete bepaald op 10% van de verschuldigde BTW, afgerond tot 3.970,00 euro.
In de gegeven omstandigheden is de opgelegde belastingverhoging in evenredigheid met de door de geïntimeerden begane inbreuken, en kon die belastingverhoging in redelijkheid door de administratie worden opgelegd. Op zicht van de omvang van de effectief opgelegde belastingverhoging van 10% van de verschuldigde belasting, kan ook niet aangenomen worden dat deze niet evenredig met de inbreuk zou zijn, zelfs rekening houdend met het feit dat de in de wetgeving gehanteerde begrippen een zekere beoordelingsmarge inhouden. Met de goede trouw van de geïntimeerden werd reeds rekening gehouden door de geldboete te verminderen van 200% naar 10%.
4.6. De werken in onroerende staat werden door de administratie terecht onderworpen aan het tarief van 21%. Over de cijfers wordt geen betwisting gevoerd. Het hoger beroep van de appellant is gegrond.
5. De gerechtskosten
De geïntimeerden worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.
Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aan gezien de appellant tijdens de procedure voor de eerste rechter niet was vertegenwoordigd door een advocaat, is hij voor deze aanleg niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding.
Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000, 00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.500, 00 euro toepasselijk voor de procedure in hoger beroep.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond;
• het bestreden vonnis wordt vernietigd;
• het hof doet opnieuw recht en wijst de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden af als ontvankelijk doch ongegrond;
• het hof veroordeelt de geïntimeerden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:
- aan de kan t van de appellant:
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.500,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerden (doch te hunnen laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 40,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken , op 14 juni 2022.
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer,
Vonnis van 12/01/2021
Rol: 19/2919/A
In de zaak :
C. B. (RRN: ...), bestuurder, wonende te ... ,
1e eisende partij,
voor wie is opgetreden meester A. A.-S. loco meester L. S., advocaat te ... (ref.: ...), en loco meester V. M., advocaat te ...(ref.: ...),
D. I. (RRN: ...), wonende te ... ,
2e eisende partij,
voor wie is opgetreden meester A. A.-S. loco meester L. S., advocaat te ... (ref.: ...), en loco meester V. M., advocaat te ... (ref.: ...),
tegen:
de F.O.D. FINANCIËN. Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door mevrouw X, Centrumdirecteur van het Centrum KMO KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
verwerende partij,
voor wie is opgetreden mevrouw X, attaché bij de FOD FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW verbonden aan het KMO Expertise 2 te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30, (ref.: ...).
I. RECHTSPLEGING.
Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 13.11.2019.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 15.12.2020.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.
2.1. Eisers kochten bij notariële akte dd. 3.09.2012 het rechtse deel van het onroerend goed gelegen te ... .
Op het aangekocht perceel stond een schuur, een bergplaats en een serre.
In de stedenbouwkundige vergunning die door eisers werd ingediend bij de bevoegde stadsdiensten was sprake van het bouwen van een alleenstaande gezinswoning na afbraak van het bestaande gebouw.
Het af te breken bijgebouw blijkt een gedeelte van een schuur te zijn waarvan het grootste deel overeind bleef op de grond van het aanpalend perceel.
De afbraakwerken van de aanwezige oude gebouwen verliepen in 2 fases. In een eerste fase werden een deel van de schuur, de bergplaats en de serre gesloopt. Nadien werd de gezinswoning van eisers gebouwd .
In 2018 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd op 14.11.2018 een proces verbaal opgemaakt waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd .
Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eisers een bedrag gevorderd van 39.712,40 EUR BTW en 3.970,00 EUR geldboete.
Op 3.12.2018 werd een kennisgeving van dwangbevel verstuurd .
Op 8.02.2019 dienden eisers een administratief bezwaar in. Bij beslissing van 17.07. 2019 werd het bezwaar afgewezen.
2.2. Eisers vragen dat:
- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
- Het bestreden dwangbevel, proces-verbaal van 14.11.2018 en administratieve beslissing van 17.08.2019 worden nietig of ongegrond verklaard.
- In ondergeschikte orde, wordt gezegd dat de boetes en interesten niet verschuldigd zijn.
- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.
- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.000,00 EUR en de bijdrage pro-deo fonds.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eisers als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING.
3.1. nopens de ontvankelijkheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond.
3.2.1. Verweerder stelt dat enkel de serre en de houten berging voorafgaand aan de oprichting van de woning zijn afgebroken. Het deel van de schuur op het lot van eisers is niet afgebroken voorafgaand aan de bouw van de woning. Het is pas in 2017 dat de schuur was afgebroken.
Volgens verweerder is om die reden het verlaagd tarief niet van toepassing.
3.2.2. Rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, stelt dat het verlaagd BTW-tarief van 6 % van toepassing is op de handelingen die de afbraak en de daarmee gaande heropbouw van een woning tot voorwerp hebben.
In het kader van de hier relevante wetgeving is het voldoende om van het verlaagd tarief te kunnen genieten wanneer er één gebouw is afgebroken.
Verweerder stelt in het kader van de voornoemde wetgeving de aard en de omvang van de afgebroken schuur niet in vraag.
De opgerichte woning werd in gebruik genomen op 1 juli 2015. Een deel van de schuur tot aan de dragende tussenmuur was op dat ogenblik door eisers al afgebroken. Het resterende deel van de schuur, dat zich slechts beperkt op het aangekocht perceel bevond en beperkt op het daarnaast liggend perceel, was daarentegen op dat ogenblik nog niet afgebroken. Dit kon ook niet direct worden afgebroken zonder dat ook het deel op het lot van de buren werd afgebroken omdat de dragende tussenmuur zich op het lot van eisers bevond.
Gezien het onroerend goed zich over de beide percelen uitstrekt, is het logisch dat dit tweede deel niet zomaar kon verwijderd worden. De eigenlijke afbraak van de schuur kon aldus pas geschieden nadat de buren het pand hadden verlaten en ter gelegenheid van het ogenblik waarop de tuinwerken werden aangevat. Indien men meteen ook het resterende deel van de schuur op het perceel van eisers had afgebroken dan zou de volledige schuur op het perceel van de buren zijn ingestort aangezien een dragende tussenmuur op het perceel van eisers stond.
Dat de volledige schuur niet onmiddellijk werd afgebroken maakt met andere woorden een vorm van overmacht uit.
Dit staat de toepassing van het verlaagd tarief niet in de weg.
Eisers hebben met recht het BTW-tarief van 6 % toegepast op de afbraak en heropbouw.
3.2.3. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. De waarde van de vordering situeert zich tussen de 40.000,01 en de 60.000,00 EUR. In hoofde van eisers worden zij begroot op de bijdrage pro-deo fonds en 3. 000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.
Vernietigt het bestreden dwangbevel met artikelnummer ... .
Zegt dienvolgens voor recht dat gevorderde sommen aan BTW, boete en interesten niet verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle door eisers betaalde of van eiseres ten onrechte ingehouden bedragen, meer de interesten.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eisers begroot op de bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand t.b.v. 40,00 EUR en 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DINSDAG TWAALF JANUARI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.