Secteur de l'hôtellerie-restauration, Fraude à la TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 16 janvier 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Secteur de l'hôtellerie-restauration, Fraude à la TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/secteur-hotellerie-restauration-fraude-tva-cour-appel-gand-2026-01-16-5a12

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
16 janvier 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

121 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Gand du 16.01.2026 - 2024/AR/1308

FIN 54757477-01

[ Favorable ]

TVA – Secteur de l'hôtellerie-restauration – Fraude à la TVA – Chiffre d'affaires non déclaré – Paiements exclusivement en espèces – Pénalité fiscale

Texte intégral:

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 06.01.2026 - 2024/AR/1308

2024/AR/1308 - In de zaak van:

N.V.R., RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. LIPPENS Sophie, advocaat te 9300 AALST, Leo de Béthunelaan 39 en mr. BOGAERT Klaas, advocaat te 9300 AALST, Leo de Béthunelaan 39

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal Centrum KMO Brugge, met burelen te 8200 BRUGGE, Koning Albert (­laan 1-5 bus 3,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BRICOUT Tine, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A en mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 12 augustus 2024 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 6 mei 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2148/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 9 december 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante was tot 1 januari 2020 zelfstandig uitbater van een brasserie.

Op 9 maart 2020 heeft de taxatiedienst van de geïntimeerde een controle naar de

personenbelasting en de btw aangekondigd voor de inkomstenjaren 2017 en 2018.

Met een kennisgeving van 8 oktober 2020 heeft de controleagent de verjaringstermijn uitgebreid op grond van artikel 81 bis§1, tweede lid 4 WBTW.

De controleagent stelde op 27 oktober 2021 een proces-verbaal op waarin hij inbreuken vaststelde. In het bijzonder werd vastgesteld dat de appellante slechts een deel van haar omzet in de periodieke btw-aangiften had aangegeven. Dat werd afgeleid uit het verschil van die aangegeven omzet en enerzijds de stortingen op bankrekeningen en anderzijds cashbetalingen aan leveranciers, dit alles tegen de achtergrond dat de appellante in haar horecazaak alleen cashbetalingen toeliet. In de bijlagen werden, telkens op datum, alle verrichtingen met cashgelden in detail weergegeven.

De omzetverhoging vertegenwoordigde een bedrag aan niet aangegeven btw voor 10.152,65 euro. Daarnaast werd aangenomen dat de niet-aangifte gedaan werd met het opzet om de belasting te ontduiken, waarvoor een boete van 200% verschuldigd werd verklaard, zijnde voor 20.300,00 euro.

De verschuldigde bedragen werden opgenomen in het invorderingsorder met referentie 500.2475.87321.

Op 27 januari 2022 heeft de appellante een bezwaarschrift ingediend, gevolgd door een aanvullend bezwaarschrift van 23 maart 2022.

Per brief van 26 april 2022 werd aan de appellante meegedeeld dat de gewestelijk directeur het bezwaar had afgewezen.

Met een verzoekschrift van 20 juli 2022 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 6 mei 2024 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, in hun hoofde niet te begroten aangezien ze hen ten

laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

het ingestelde hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren en op basis van de middelen, zoals hierboven aangehaald, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende, met dien verstande dat Concluante het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de beschikkingen in het vonnis a quo met betrekking tot de opgelegde btw-boete a rato van 200%, ten bedrage van 20.300,00 EUR.

En dien vervolgens te oordelen tot de

- de nietigverklaring van het Innings- en Invorderingsbericht dd. 14 december 2021 met betrekking tot de schuld opgenomen in het Innings-en Invorderingsregister van 13 december 2021, uitvoerbaar verklaard op 14 december 2021 met als schuldnummer 500247587321 en registernummer 20211NL011, dat naar Concluante per aangetekende post werd verstuurd op 14 december 2021 in zoverre een geldboete a rato van 200% wordt opgelegd.

de onwettelijk of ongegrondverklaring van het Proces-Verbaal van Regularisatie dd. 27 oktober 2021 op naam van Concluante en opgesteld door de heer N.M., Financieel Deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden aan het Centrum KMO Brugge — controle 3, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. V. Dujardinstraat 4.en waarin van Verzoekster een bedrag van 30.452,65 EUR wordt gevorderd (met name een bedrag van 10.152,65 EUR BTW in hoofdsom en 20.300,00 EUR geldboete) in zoverre dat een geldboete a rato van 200% wordt opgelegd.

de onwettelijk of ongegrondverklaring van de Beslissing omtrent het administratief verzoekschrift dd. 26 april 2022 op naam van Verzoekster en opgesteld door mevrouw V.K., Adviseur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden aan het KMO Brugge, expertise 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. V. Dujardinstraat 4 en waarin het administratief verzoekschrift van Verzoekster werd afgewezen als ongegrond in zoverre dat een geldboete a rato van 200% wordt opgelegd.

in ondergeschikte orde :

- de kwijtschelding, vermindering of minstens uitstel te willen verlenen van de opgelegde

proportionele geldboete a rato van 200% ten belope van:

o 20.300,00 EUR

In ieder geval, de teruggaaf te bevelen van alle op grond van de in het Innings-en Invorderingsregister vermelde betaalde of ingehouden of na uitvoering van een beslag verkregen bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf datum van betaling of inhouding, zoals voorzien in artikel 91, §4 WBTW.

Tenslotte vordert Concluante Geïntimeerde te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2017) (basisbedrag in graad van beroep: 3.139,53 EUR).

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden

aanslag te bevestigen.

Appellanten tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, aan de zijde van de Belgische

Staat begroot op 3.139,53 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in

graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en hun beoordeling

De appellante betwist in hoger beroep niet langer de nagevorderde belasting verschuldigd te zijn. Ze bestrijdt met meerdere middelen de boete van 200% (20.300,00 euro) die werd opgelegd wegens niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken.

4.1. Over de motivering van het opzet om de belasting te ontduiken

In het proces-verbaal van 27 oktober 2021 werd eerst uitvoerig gewezen op de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot (het tarief) van de boete in geval van opzet om de belasting te ontduiken, waarmee werd aangegeven dat in dat geval een boete van 200% moest worden opgelegd (omdat artikel 1, laatste lid van KB nr. 41 bepaalt dat de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dat KB opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken).

Vervolgens werd de volgende motivering gegeven:

Het verschil tussen de aangegeven omzet en de daadwerkelijk ontvangen stortingen op de financiële rekeningen is te groot om van een vergissing te spreken. Bijkomend ontbreken aankoopfacturen voor dranken die in de zaak op de kaart staan en verkocht zijn. Hieruit concludeer ik dat er bewust facturen niet worden ingeschreven en de boekhouding dus niet bewijskrachtig is. Uit dit alles concludeer ik dat er sprake is van bewuste belastingontduiking. Bijgevolg werd het dubbel van de rechten weerhouden, aangezien door alle elementen in acht te nemen kan worden vastgesteld dat hier sprake is van niet aangegeven ontvangsten met het oogmerk de belasting te ontduiken.

De motiveringsplicht houdt in dat de redengeving (motivering) zowel in feite als in rechte de beslissing (hier tot het opleggen van een boete en wel met de specifieke omvang) moet dragen.

Het proces-verbaal is een kennisgeving van een standpunt en als zodanig bedoeld om het debat te openen zodat de belastingplichtige voldoende ingelicht is om te weten waarom de taxatiedienst bijkomende belastingen wil heffen en eventueel (zoals hier) een sanctie wil opleggen en op basis van de verstrekte informatie kan inschatten of hij dat al dan niet kan aanvaarden en of hij redenen en mogelijkheden ziet om het standpunt van de taxatiedienst te bestrijden. In die zin is het wel degelijk nog mogelijk om die motivering later verder toe te lichten. De essentie is dat de belastingplichtige weet waarom de controleagent de concrete beslissing(en) nam en dus wat zijn redenen zijn om tot zijn conclusie te komen.

Het hof kan slechts vaststellen dat aan die vereisten wel degelijk werd voldaan.

De hoger geciteerde motivering staat vermeld nadat de taxatiedienst uitvoerig en in detail heeft uiteengezet dat en om welke redenen vastgesteld werd dat de appellante veel meer gelden cash op haar bankrekeningen plaatste en voor de betaling van leveranciers gebruikte dan de door haar aangegeven omzet, terwijl de klanten in de brasserie alleen met cash konden betalen. Meer bepaald ging het over een verschil van 32.026,59 euro in het jaar 2017 en 26.472,07 euro in het jaar 2018.

De taxatiedienst heeft zich niet beperkt tot de vaststelling dat niet alle omzet was aangegeven, maar hij benadrukte dat dit voor aanzienlijk bedragen was en wel in die mate dat het niet om vergissingen kan gaan. Dat is op zich een manier om uit te drukken dat de feiten duidelijk maken dat het niet-aangeven van omzet opzettelijk is gebeurd. De controleagent heeft er aan toegevoegd dat er aankoopfacturen ontbraken voor dranken die in de zaak op de kaart staan en verkocht zijn. Dat is op zich eveneens een pertinente reden om aan te nemen dat er omzet moet geweest zijn die bewust uit de boekhouding en dus uit btw-aangifte werd gehouden. Dat is telkens zowel in feite als in rechte een pertinente stelling om het bestaan van fraude in hoofde van de belastingplichtige te motiveren. De redenering is op feiten gebaseerd; in zoverre ze ertoe strekt het verband te leggen met de intentie om de belasting te ontduiken is ze zowel feitelijk als juridisch relevant en draagt ze de beslissing om het in de wet en het uitvoeringsbesluit voorziene tarief voor een ontoereikende aangifte met de bedoeling de belasting te ontduiken toe te passen.

Of de motivering kan gevolgd worden (waaronder de vraag of er een verklaring is voor het feit dat er geen aankoopfacturen zijn voor bepaalde dranken) is een andere vraag en maakt het voorwerp uit van het volgende middel.

Het middel is ongegrond.

4.2. Over de vraag of het bewijs geleverd is dat de appellante naliet omzet aan te geven met de bedoeling om de belasting te ontduiken

Het hof kan slechts vaststellen dat de feitelijke gegevens van het dossier wel degelijk doen besluiten dat de appellante haar btw-aangiften heeft ingediend in het volle besef dat ze niet al haar omzet uit de exploitatie van de brasserie vermeldden.

De redenering van de geïntimeerde moet immers worden bijgetreden: het is totaal ongeloofwaardig dat de appellante niet zou beseft hebben dat ze een belangrijk deel van haar omzet niet in de boekhouding had opgenomen. Een ondernemer die dagelijks en bovendien uitsluitend cash ontvangsten heeft, moet die gelden nauwgezet elke dag inschrijven en registreren, meer bepaald in het dagontvangstenboek. Artikel 111.85 §1, 1° W.E.R. verplicht elke onderneming alle mutaties in de liquide middelen in contanten in een kasboek op te nemen. De tekst van het artikel luidt immers als volgt:

§ 1. Boekhoudplichtige ondernemingen die een onderneming zijn in de zin van artikel 1.1, eerste lid, 1° (a) of (c), de vennootschappen onder firma en de commanditaire vennootschappen waarvan de omzet over het laatste boekjaar, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, een door de Koning bepaald bedrag niet overschrijdt, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen 111.83 en 111.84, indien zij alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde inschrijven in ten minste drie dagboeken zodanig ingericht dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd:

1° in het eerste, de mutaties in de liquide middelen in contanten of op rekening, met omschrijving van de verrichtingen en afzonderlijke vermelding van onttrekkingen van gelden anders dan ten behoeve van hun bedrijf, alsmede de dagelijkse saldi in contanten;

[...1.

De appellante was ondernemer als natuurlijke persoon in de zin van artikel 1.1, eerste lid, 1° (a) W.E.R.

Die bepaling impliceert het dagelijks noteren van de mutaties in liquide middelen in contanten en van de dagelijkse saldi. Dat veronderstelt het gebruik van een 'dagontvangstenboek', zijnde een boek waarin dagontvangsten worden bijgehouden. Het regelmatig bijhouden van de boekhouding houdt in dat de dagontvangsten niet alleen elke dag afzonderlijk worden ingevuld, maar ook dat dit effectief dagelijks gebeurt, en dus, bijvoorbeeld, niet één maal per week voor de gehele week in één bedrag. Deze regels zijn redelijk verantwoord om op elk moment een controle op de juistheid van de boekhouding mogelijk te maken. Waar — zoals hier contante gelden gebruikt worden, is het verantwoord dat de administratie strikte eisen stelt over het bijhouden van de boekhouding met het oog op het mogelijk maken van het controleren van het vestigen van de juiste belasting.

Waar vaststaat dat er cashgelden waren die finaal niet werden aangegeven, kan het niet anders dan dat de appellante wist dat die gelden niet in haar boekhouding verwerkt waren en op die manier niet in de aangifte werden opgenomen. Het (grote) verschil op jaarbasis is immers niet het gevolg van een of enkele toevallige vergetelheden of vergissingen maar van een werkwijze die het jaar door gehanteerd wordt. Dat wordt bevestigd door het feit dat er ook meerdere jaren na elkaar aanzienlijke verschillen tussen de werkelijke en de aangegeven omzet waren.

Het (bijkomend) argument van de controleagent dat er dranken verkocht werden waarvoor geen aankoopfacturen terug te vinden zijn, zou kunnen weerlegd worden, maar het hof stelt vast dat de tegenargumentatie van de appellante volledig faalt.

De appellante heeft immers ingeroepen dat het voor Looza ace en Safari ging om dranken die ze nog in voorraad had afkomstig van de overname van de vorige uitbater. Dat is nochtans niet aannemelijk. Zoals de geïntimeerde stelt, dateert de overname van de handelszaak al van 19 juli 2016. De controle gebeurde pas 28 april 2020; dat is nagenoeg 4 jaar later. De appellante weerlegt niet dat uit de inventaris van de overname blijkt dat de appellante o.a. 1 bak Looza appel, 1 bak Looza ace en 1 bak Looza sinaas heeft overgenomen. Dat er bijna 4 jaar later nog uit die voorraad zou kunnen verkocht worden, is totaal ongeloofwaardig, gelet op de beperkte houdbaarheid van dergelijke producten; dat er een alternatief (Minute Maid) verkocht werd, kan daar niets aan veranderen; de vaststelling was niet alleen dat dranken op de kaart stonden, maar ook dat ze verkocht werden.

Een bewijs van aankoop of overname van Safari werd niet geleverd, hoewel die drank op de kaart stond en verkocht werd.

Die vaststellingen volstaan op zich al om aan te nemen dat er dranken verkocht werden waarvoor geen aankoopfactuur in de boekhouding stak, zodat het om zwartverkoop gaat. Dat kan niet veranderen door het feit dat er voor de aanwezige champagne een aankoopfactuur van 3 augustus 2016 voor 9 flessen champagne werd voorgelegd. Zelfs als hierover twijfel bestaat (omdat champagne langer kan bewaren), blijven de vaststellingen voor de andere dranken overeind.

Het bewijs van het opzet om de belasting te ontduiken is in die omstandigheden afdoende geleverd.

Ook dit middel is dus ongegrond.

4.3. Over de vraag tot vermindering van de boete en of het toekennen van uitstel,

Het is onbetwistbaar dat de opgelegde boete een sanctie is met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM.

In een arrest van 25 april 2025 (rolnrs. F.22.0162.N en F.22.0166.N) heeft het Hof van Cassatie, in voltallige zitting gesteld dat het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, niet inhoudt dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief, aangezien aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht voldaan is indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst. Het Hof van Cassatie oordeelde in datzelfde arrest dat het hof van beroep dat buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding (zgn. gratiemaatregel, concreet met toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831), de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM vermindert tot beneden het wettelijk tarief van 200% van de verschuldigde belasting, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt.

Hoewel daarover geen duidelijkheid bestaat, lijkt dat standpunt van het Hof van Cassatie in grote mate geïnspireerd te zijn door het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juni 2012 in zaak Segame sa vs Frankrijk (zaak 4837/06) (via https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-111371). Dat arrest behandelde meer specifiek de vraag of er schending van artikel 6 EVRM was wanneer de rechter een proportionele sanctie niet onder het wettelijk minimum kon verminderen omdat er slechts één tarief voorzien was. Het EVRM zag geen schending na te hebben vastgesteld dat een sanctie die al vastgesteld wordt als een percentage van de verschuldigde belasting al enigszins een modulering inhoudt en te oordelen dat een verhouding van 25% niet onredelijk was; aldus was er geen willekeur in het beoordelingssysteem.

Hoewel het hof van beroep niet overtuigd is dat dit toelaat aan te nemen dat het in overeenstemming is met de volle rechtsmacht die aan de feitenrechter moet worden toegekend om toe te zien op de proportionaliteit van een sanctie met strafrechtelijk karakter (die immers op het concrete geval moet afgestemd zijn (personeel karakter van de straf) om zijn functie te vervullen om op gepaste manier te straffen (waardoor de belastingplichtige voldoende nadeel ervaart/voelt) en af te schrikken om herhaling te vermijden)) stelt het hof vast dat dit hier niet relevant is omdat de appellante flagrant met het opzet om de belasting te ontduiken tewerk gegaan is.

De hoger gedane vaststelling van bewust niet-aangeven van omzet getuigt van een asociale ingesteldheid en gebrek aan burgerschap: wie zijn belastbare inkomsten bewust verzuimt aan te geven, schendt immers de solidariteit onder alle belastingplichtigen en ontneemt de overheid middelen die toelaten de maatschappij te ordenen (waaronder herverdeling van de middelen). Om de appellante voldoende te straffen voor dit gedrag en om voldoende voor herhaling af te schrikken is de opgelegde boete een gepaste sanctie. Een lagere sanctie kan niet afdoende garanderen dat het doel ervan bereikt wordt.

Daarbij speelt in belangrijke mate dat de btw-belastingplichtige de sleutelpositie inneemt wat betreft de inning en doorstorting van de belasting aan de Schatkist: de belastingplichtige ontvangt die belasting van zijn klant maar deze komt aan de Schatkist toe. Een strikte, gedisciplineerde houding van de belastingplichtige is daarbij cruciaal. De belastingplichtige die daarvan afwijkt, moet des te meer aangezet worden om zijn gedrag te verbeteren; daarvoor moet de sanctie hoog genoeg zijn.

Om dezelfde redenen kan ook op de vraag om uitstel van de boete niet worden ingegaan. De vaststelling dat het Grondwettelijk Hof geoordeeld heeft dat de wet op dat vlak in strijd is met de Grondwet en fundamentele rechten omdat geen uitstel mogelijk is, is zonder belang voor de appellante omdat er in het concrete geval geen aanleiding kan toe bestaan om uitstel toe te kennen.

Ook deze middelen zijn ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2. Wat de rechtsplegingsvergoedingbetreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.139,53 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.139,53 euro.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd.

 het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger

beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.139,53 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 6 januari 2026.

Aanwezig:

Dries Vandeputte, kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

Jenny Dammekens, griffier

Textes cités

2
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8