Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 18.12.2000
TVA - Procédure - Contrainte
En l'espèce, souligne le Tribunal, l'article 89, alinéa 2 du CTVA et les articles 59 et 97, alinéa 3 de la loi du 15 mars 1999 constituent des dispositions dérogatoires au droit judiciaire commun (art. 1385decies et undecies C. Jud.). Cela conduit le Tribunal à décider que les nouvelles règles d'introduction d'une instance fiscale (sur requête et non plus par citation) ne s'appliquent, en matière de TVA, qu'aux litiges portant sur des créances ou restitutions dont la cause d'exigibilité s'est produite à partir du 1 er janvier 1999. Il ressort des pièces produites par les parties que la cause d'exigibilité ou de restitution des sommes litigieuses s'est produite avant le 1 er janvier 1999, plus précisément au cours des années 1995 et 1996, de sorte que l'opposition à contrainte a été formée à tort par la voie d'une requête. Etant donné que les règles précitées relatives à l'introduction d'une instance judiciaire relèvent de l'organisation judiciaire, leur méconnaissance entraîne purement et simplement l'irrecevabilité de l'action introduite, décide le Tribunal.
Vierde kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. Nicolas Haemers
Adjunct-griffier: Mevr. Nathalie Lhoest
Partij: n.v. Sint-Catherine t. De Belgische Staat
Rolnr.: 99/1354/A
I
RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet de dato 17 mei 1999.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 24 januari 2000, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 4 december 2000.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1.
Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 431.775.308, ingevolge haar activiteit van tearoom-ijssalon. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW.- wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 27 mei 1998 werd door L.J., eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1995 en 1996.
Op 23 september 1998 werd door L.J. voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 8 maart 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW., een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 16 maart 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de directeur bij een fiscaal bestuur daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen te Brugge.
Op 19 maart 1999 werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gegeven door middel van een aangetekend schrijven.
2.2.
Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en dat voormeld dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg kan hebben. Verder vordert zij de terugbetaling van de eventueel ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire rente. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3.
Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.900,- Bf.
III
BEOORDELING
I
3.1.
De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 17 mei 1999.
3.2.
Het artikel 89, 2° lid WBTW., in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
3.3.
Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid WBTW. wordt vervangen door de volgende bepaling: 'de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte'.
Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
3.4.
De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende:'In boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385 decies en 1385 undecies ingevoegd, luidend als volgt: Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385 decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32° , ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak'.
In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.
3.5.
Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385 decies en artikel 1385 undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht (Lex specialis derogat legi generali ).
In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid WBTW. en de artikelen 59 en 97 derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (art. 1385 decies en undecies van het gerechtelijk wetboek).
3.6.
Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.
De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis de dato 9 november 2000 in de zaak C.C. vs. Belgische Staat tot dezelfde conclusie.
3.7.
Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, meer bepaald in de jaren 1995 en 1996, zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.
Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie houdt de miskenning ervan zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, RW. 1994-1995, p. 1017).
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het fiscaal verhaal onontvankelijk.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.900,- Bf. , uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.