Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Termonde du 23.11.2000
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
ZITTING VAN 23 NOVEMBER 2000, 9e Kamer-B.Z.
AR 97/391/A
In de zaak van :
S. T., autohandelaar wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder het nummer ….
eiser,
verschijnende door Mr. D. C. R., advocaat te …, ….
tegen :
BELGISCHE STAAT, ADMINISTRAIE DER BELASTINGEN OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE, REGISTRATIE EN DOMEINEN, meer bepaald aan de ambtenaar die het Dwangbevel heeft uitgevaardigd, zijnde de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst (Mevrouw V. G.), met burelen gevestigd te 9300 Aalst, Geraardsbergsestraat 234.
verweerster,
verschijnende door Mr. A. L. loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, …
werden op de openbare terechtzitting van 9 december 1999 partijen gehoord in hun middelen en conclusies, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.
De overgelegde stavingsstukken en het gerechtsdossier werden ingezien, inzonderheid de inleidende dagvaarding betekend door het ambt van P. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te … op 10 februari 1997.
De rechtbank verleent volgend vonnis :
1. Wat betreft de vordering
De vordering van eiser strekt er toe, bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement het dwangbevel d.d. 3 september 1996, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 september 1996, alsmede het proces-verbaal d.d. 27 november 1995, waarop het gesteund is, nietig te verklaren en verweerster bijgevolg verbod op te leggen om er de tenuitvoerlegging van te vervolgen, tevens te zeggen voor recht dat verzoeker uit hoofde van de beschouwde handelingen en feiten geen achterstallige belastingen, intresten en geldboeten is verschuldigd.
Tevens verweerster te horen veroordelen tot de kosten van het geding, waarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig de wet.
2. Wat betreft de feitelijke gegevens
Overwegende dat eiser tot 31 maart 1994 een kleinhandel in tweedehandsvoertuigen uitbaatte, in het kader van deze activiteit was eiser dan ook onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten en geregistreerd als BTW-plichtige onder nr. ….
In het kader van deze uitbating werd op 26 juli 1994 bij eiser door mevrouw S. L., verificateur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Aalst 1 een fiscaal toezicht uitgeoefend voor de periode 1 januari 1992 tot 31 maart 1994 en waarbij in toepassing van art. 61, § 1 van het BTW-wetboek, inzage werd gevraagd van de volledige boekhouding en al de boeken, stukken en bescheiden waarvan het bijhouden en bewaren voorgeschreven is door de BTW-wetgeving en reglementering.
Bij nazicht van de boekhouding wordt door mevrouw S. L., verificateur verschillende onregelmatigheden en overtredingen inzake de toepassing van de BTW vastgesteld.
Door mevrouw S. L. maakt dan aan eiser op 12 oktober 1994 een voorstel van minnelijke regelingen overgemaakt, waarin de vastgestelde inbreuken en overtredingen zijn opgesomd en waarbij een berekening is gemaakt van de werkelijk verschuldigde BTW is vermeld namelijk, 456.006 fr.
Bij brief van 19 oktober 1994 vraagt .de gevolmachtigde van eiser aan verweerster een uitstel van antwoord op het voorstel van minnelijk regeling.
Bij brief d.d. 24 oktober 1994 verleent de heer V. H., hoofdcontroleur van de 1° BTW-controle te Aalst aan eiser tijd tot 17 november 1994 om te antwoorden op het voorstel van de minnelijke regeling.
Bij brief d.d. 16 november 1994 wordt door de gevolmachtigde van eiser, de CV F., zijn opmerkingen ten aanzien van het voorstel van minnelijke regeling van verweerster geworden, alsdan is eiser akkoord met een aantal vaststellingen van verweerster.
Op 25 november 1994 is een telefonisch onderhoud tussen mevrouw S. L. en de CV F., welke in een brief van 28 november 1995 wordt bevestigd dat het "register voor garagehouder" niet onmiddellijk kan teruggevonden worden, maar dat het zo spoedig mogelijk zal bezorgd worden.
Bij brief d.d. 12 december 1994 antwoordt de hoofdcontroleur op de opmerkingen van de gevolmachtigde van eiser en stelt een minnelijke inregelstelling op, betreffende de verschuldigde BTW, waarvoor eiser dit wel voor akkoord en per kerende post ondertekend terug diende te sturen en voor wat betreft de omzetberekeningen 1992 - 1993 + 1° kwartaal 1994 dit deel van het dossier werd overgemaakt aan de heer directeur van BTW gelet op het niet bewijskrachtig zijn van de boekhouding.
Op 25 november 1995 wordt door mevrouw S. L. dan ook proces-verbaal opgesteld voor de door haar vastgestelde en niet betwiste inbreuken en onregelmatigheden in de boekhouding van eiser en waarbij op 27 november 1995 door de hoofdcontroleur de heer V. H. de boete wordt bepaald en alsdan overgemaakt aan eiser.
Op 3 september 1996 wordt door mevrouw V. G., ontvanger van het BTW-kantoor te Aalst op 3 september 1996 een dwangbevel uitgevaardigd, welke op 10 september 1995 geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de hoofdcontroleur van de BTW-controle te Aalst I. Op 6 September 1996 wordt het dwangbevel betekend met een bevel tot betaling betekend door gerechtsdeurwaarder V. D..
Bij dagvaarding d.d. 10 februari 1997 startte eiser huidige verzetsprocedure om reden :
- dat kwestieus dwangbevel nietig is om reden van procedurele aard en wegens het schenden van de meest fundamentele verdedigingsrechten. Het proces-verbaal dat aan de grondslag lag van het dwangbevel zou laattijdig zijn opgesteld en dat verweerster een daad van onbehoorlijk bestuur zou gesteld hebben,
- dat de "vaststellingen" van verweerster betrekking hebben op veronderstellingen en hypothetische becijferde conclusies.
3. Beoordeling
Overwegende dat uit de chronologie van de feiten en het overzicht van handelingen, welke beide partijen hebben gesteld duidelijk blijkt dat eiser steeds ruim de tijd en de mogelijkheden heeft gekregen om zijn opmerkingen en commentaren betreffende de hem ten laste gelegde onregelmatigheden en onjuistheden in zijn boekhouding en de daaruit volgende inbreuken op de BTW-wetgeving te over te maken.
Dat eiser, gelet op het telefonisch onderhoud d.d. 25 november 1994 en de daaropvolgende brief van eiser d.d. 28 november 1994, ten onrechte stelt dat verweerster niet zou gereageerd hebben op de opmerkingen in verband met de minnelijke regelstelling d.d. 12 oktober 1994.
Dat de rechten van de verdediging dan ook op geen enkele wijze geschonden zijn.
Overwegende dat er geen enkele wetsbepaling binnen de BTW-wetgeving is, welke bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal hoeft opgesteld of betekend te worden, zodat de verweerder zolang de verjaring niet is ingetreden, het proces-verbaal door de controleambtenaar kan laten opstellen om het aan te wenden als bewijsmiddel van de door de verbalisant vastgestelde overtredingen.
Overwegende dat het proces-verbaal d.d. 25 november 1995 aan de wettelijke voorwaarden voldoet, alle onontbeerlijke meldingen bevat, en dan ook rechtsgeldig is. Te meer dat tussen de tijd van controle en het opstellen van het proces-verbaal onderhandelingen zijn geweest, waarbij minnelijke regelstellingen werden gedaan (zie brief d.d. 12 december 1994 hoofdcontroleur).
Dat verweerster geen daad van onbehoorlijk bestuur heeft gesteld.
Overwegende dat het proces-verbaal d.d. 13 januari 1995 derhalve een bewijskrachtig stuk is waarbij alle erin opgenomen vaststellingen als waarachtig dient beschouwd te worden zolang hun onjuistheid niet bewezen is (art .59, § 1 BTW-wetboek).
Overwegende dat door het opmaken van het proces-verbaal d.d. 25 november 1995 en het bij aangetekend schrijven overmaken aan eiser, duidelijk blijkt dat verweerster zich geenszins akkoord kan verklaren met de opmerkingen door eiser gemaakt op de minnelijke regelstelling d.d. 12 oktober 1994, dat trouwens bij brief d.d. 12 december 1994 aan eiser werd medegedeeld dat het dossier aan de heer directeur van BTW wordt overgemaakt gelet op het niet bewijskrachtig zijn van de boekhouding, dat het feit dat de hoofdcontroleur ter zake standpunt inneemt bij het opstellen van het proces-verbaal en ondertussen geen bemerkingen of mededelingen maakt aan eiser, geenszins kan afgeleid worden dat verweerster de argumentatie van eiser aanvaard. Dat door het ter kennis brengen van het proces-verbaal aan eiser bij aangetekend schrijven verweerster duidelijk zijn standpunt ter zaken heeft kenbaar gemaakt.
Overwegende dat eiser na het hem ter kennis brengen van het proces-verbaal d.d. 25 november 1995 op geen enkele wijze enige opmerking heeft geformuleerd ten aanzien van dit proces-verbaal. Dat het tegendeel van de vaststellingen in het proces-verbaal opgenomen, niet bewezen is en deze vaststellingen dan ook als waarachtig dienen beschouwd te worden.
Dat de bewijsregeling van art. 59, § 1, al. 2 BTW-wetgeving is enkel van toepassing op processen-verbaal.
Dat de opmerkingen door de gevolmachtigde van eiser geformuleerd op 16 november 1994 in antwoord op de "minnelijke regelstelling" d.d. 12 oktober 1994 evenmin naar recht het noodzakelijke tegenbewijs leveren en evenmin bewijzen dat de omzet berekening onjuist of willekeurig zou zijn. (art. 59, § 1 en 64, § 1 en § 2 BTW-wetgeving).
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Uitspraak doende op tegenspraak in eerste aanleg.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Alle andersluidende en/of tegenstrijdige middelen en besluiten van de hand wijzend als niet terzake en/of overbodig.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de heer S. T. in de kosten van het geding.
Begroot deze kosten aan de zijde van verweerster tot heden op begroot de som van 12.900 frank, ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering.
Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van DRIEENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.
Aanwezig :
S. D., ondervoorzitter, voorzitter van de negende kamer;
K. W., e.a. adj.-griffier.
K. W. S. D.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.