Preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 16 mars 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-cour-appel-bruxelles-2006-03-16-73a0

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
16 mars 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

132 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 16.03.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 16-03-2006

Nr. van de zaak : 2001/AR/1504

IN ZAKE VAN :

De heer R. D. R., wonende te …, …

appellant,

vertegenwoordigd door Meester M. loco H., advocaat, (…, …)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW te Hasselt, in de persoon van de Rekenplichtige van het ontvangkantoor te Tienen, wiens burelen gevestigd zijn te 330 Tienen, Goossensvest 3,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester B. loco H., advocaat, (…, …)


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De processtukken

Het verzoekschrift in hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 12 juni 2001.

R. 2006/2087 EINDARREST - Beroep ongegrond

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 6 april 2001, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd.

De heer D. R. had in eerste aanleg verzet gedaan tegen een op 10 januari 1996 uitgevaardigd dwangbevel inzake BTW.

De eerste rechter heeft het geschil in eerste aanleg als volgt omschreven :

"In een proces verbaal van 09.01.1996 (van de administratie der BTW) wordt vastgesteld dat drie facturen, die werden aangegeven door de bouwheren (de heer en mevrouw S.-B.) in hun BTW-aangifte, niet waren opgenomen in de boekhouding van eiser (thans appellant). Een bedrag van … F aan niet betaalde BTW op die facturen wordt nagevorderd.

"Tevens betwist verweerder (de Staat) de toepasbaarheid van het tarief van 6 % BTW en wordt 11 % bijkomende BTW nagevorderd op het geheel van facturen aan deze bouwheren uitgereikt, hetzij een bedrag van … F.

"Tenslotte wordt een boete van 200 % opgelegd, hetzij … F".

De eerste rechter heeft beslist dat het verzet, enkel wat de boete inzake het volgens hem slecht toegepast BTW-tarief betreft, gegrond was en heeft deze boete van 200 % tot 10 % herleid.

In hoger beroep vraagt de heer D. R. het dwangbevel volledig te vernietigen, minstens de boeten volledig kwijt te schelden, terwijl de Staat, die zich bij de herleiding van 200 % tot 10 % van de boete inzake het, volgens hem, slecht toegepast BTW-tarief neerlegt, het hof alleen vraagt het vonnis a quo te bevestigen.

De beoordeling

a/ betreffende de niet-aangegeven facturen

Appellant, die aannemer is, heeft in 1991 en 1992 voor een bouwheer, te weten de heer en mevrouw S., een winkel en appartementen te … gebouwd.

Artikel 64, § 4 W.BTW bepaalt dat de eigenaar van een door een belastingplichtige pas opgericht gebouw "moet uiterlijk binnen drie maand vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen (...) een aangifte indienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de BTW in rekening werd gebracht".

De bouwheer heeft de volgende drie facturen van appellant in zijn aangifte vermeld - facturen die door deze laatste in zijn boekhouding niet opgenomen werden :

- fact. 69 van 21.10.1991 voor een bedrag van … F en een BTW van … F1

- fact. 73 van 02.11.1991 voor een bedrag van … F en een BTW van … F2

- ongenummerd fact. van 16.03.1992 voor … F en een BTW van … F3.

Kwestieuze BTW beloopt aldus (… + … + … =) … F.

_____

Stuk 9 van het dossier van de Staat.

Stuk 10 van het dossier van de Staat.

Stuk 14 van het dossier van de Staat.

Appellant beweert dat het over pro forma facturen gaat die door de bouwheer gevraagd werden ten einde deze laatste toe te laten in de loop der werken van leningsmaatschappij te veranderen en tevens een hogere lening te bekomen.

De vermeldingen ''pro forma" of "duplicaten" werden op deze drie facturen nochtans niet aangebracht. Volgens een verklaring van de bouwheer van 26 mei 2000 zou alleen één van de drie facturen een pro forma factuur zijn, te weten fact.nr. 69. De nummers "69" en "73" zijn factuurnummers die aan geen andere factuur gegeven werden.

Wat er ook van zij, door artikel 54 van het W.BTW, dat voor 01.01.1993 toepasselijk was (thans art. 51, § 1, 3° W.BTW) is de belasting door eenieder verschuldigd "die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de BTW vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk".

Geen enkele bedenking of argument van appellant, zoals de reden die hij aanhaalt waarom hij deze facturen heeft uitgereikt, doet hieraan afbreuk.

De eerste rechter heeft op die grond terecht beslist dat de … F BTW verschuldigd waren.

b/ betreffende het toepasselijke BTW-tarief

In 1991 en 1992 beliep het gewone tarief 17 % in geval van nieuwbouw, en het verlaagde tarief 6 % indien verbouwingswerken aan een privé-woning uitgevoerd werden.

Terzake heeft appellant het verlaagde tarief toegepast.

De werken werden door appellant aan de panden gelegen … en … te … uitgevoerd.

Op het door appellant neergelegd architectenplan staat vermeld dat :

* het ontwerp het volgende is "bouwen van een winkel met appartementen + uitbreiding bestaande woning",

* op nr. 44 een "nieuwbouw" opgetrokken wordt, en dat op nr. 46 boven het bestaande gedeelte een "nieuwbouw : optrekken van de bestaande woning" uitgevoerd moest worden. Het gedeelte "nieuwbouw" van de … verdriedubbelt het bestaande volume.

In zijn besluiten (blz.6 in fine) schrijft appellant zelf dat "in het bouwplan wordt inderdaad vermeld : bouwdiepte nieuwbouw is identiek aan bouwdiepte bestaande toestand" (woord door het hof onderlijnd). Het lastenboek telt niet minder dan 53 bladzijden.

Gelet op al deze gegevens heeft de administratie terecht het tarief van 17 % toegepast.

c/ betreffende de verdere herleiding der boete

Er bestaat geen enkele aanduiding dat appellant te goeder trouw gehandeld heeft bij het niet aangeven van de drie hoger vermelde facturen die, samen, op een aanzienlijk bedrag van … F betrekking hebben.

Er zijn geen redenen voorhanden om de reeds tot 10 % herleide boete wegens het toepassen van het verkeerde BTW-tarief, nog verder te verminderen en volledig kwijt te schelden.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellant tot de kosten, begroot in graad van beroep op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gevonnist door :

J. V., raadsheer dd voorzitter,

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

N. B., plaatsvervangend raadsheer,

magistraat en plaatsvervangende magistraten van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig art. 778 van het Gerechtelijk Wetboek,

en, gezien de wettelijke verhindering van mevrouw N. B., plaatsvervangend raadsheer, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op 16-03-2006.

overeenkomstig de beschikking van de Heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep van 16-03-2006 en dit bij toepassing van art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek,

waar aanwezig waren :

K. V. H., voorzitter,

J. V., raadsheer,

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. J. V. K. V. H.

AR 96/61021/A

D. R. R., aannemer, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …, wonende te …, …, eiser, ter zitting vertegenwoordigd door meester W. G., loco zijn raadsvrouw, meester S. H., advocate, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Tienen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3300 Tienen, in het RAC, Goossensvest 3,


De rechter doet uitspraak in deze zaak die in beraad werd genomen op de zitting van 9.03.2001, op tegenspraak.

Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen bij monde van hun raadsman op de zittingen van 8.12.2000 en 9.03.2001.

Gelet op de conclusies neergelegd voor partijen en op de voor partijen neergelegde bewijsstukken.

Gezien de inleidende dagvaarding, 31.01.1996, ertoe strekkende :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

- het dwangbevel uitgevaardigd door verweerder op 10.01.1996 nietig en zonder gevolg te horen verklaren;

- verweerder te veroordelen tot de kosten.


I. Feiten

1. Eiser is aannemer en voerde werken uit voor de heer en mevrouw S.-B. in een woning te …, ….

2. In een PV van 9.01.1996 wordt vastgesteld dat drie facturen, die werden aangegeven door de bouwheren in hun BTW-aangifte, niet waren opgenomen in de boekhouding van eiser. Een bedrag van … BF aan niet betaalde BTW op die facturen wordt nagevorderd.

Tevens betwist verweerder de toepasbaarheid van het tarief van 6 % BTW en wordt 11 % bijkomende BTW nagevorderd op het geheel van facturen aan deze bouwheren uitgereikt hetzij een bedrag van … BF.

Tenslotte wordt een boete van 200 % opgelegd hetzij … BF

3. Een dwangbevel voor voormelde bedragen werd uitgevaardigd op 10.01.1996, uitvoerbaar verklaard op 12.01.1996. Dit dwangbevel werd aangetekend ter kennisgeving verstuurd naar eiser op 15.01.1996.

4. Eiser dagvaardde op 31.01.1996.

II. Beoordeling

1. De inbreuken op de artikelen 54 (thans artikel 51, § 1, 3°) en 59, § 1 BTW-wetboek.

Artikel 54 (oud) bepaalde "Eenieder die in een factuur of in een als zodanig geldend stuk een bedrag aanrekent als belasting over de toegevoegde waarde, wordt schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch een dienst heeft verstrekt."

Eiser ontkent niet de drie betwiste facturen uitgereikt te hebben doch stelt dat het pro forma facturen waren, opgesteld op verzoek van de bouwheren voor het wijzigen van bankinstelling.

Deze uitleg wordt niet bewezen :

- de betrokken facturen vermelden niet "pro forma" of "duplicaat" en wijzen er op geen enkele wijze op dat het niet om facturen gaat doch om bevestigingen van een bestek zoals voorgehouden;

- de bedragen stroken niet met een coherente uitleg;

- deze stelling strookt niet met de aangifte van deze facturen door de bouwheren in hun BTW-aangifte, wat impliceert dat zij voorhouden dat deze facturen overeenstemmen met uitgevoerde werken, wat zij achteraf dienaangaande ook verklaarden.

Overigens is de verklaring voor het bestaan van de facturen ook niet relevant nu de betrokken facturen beantwoorden aan de vereisten vermeld in artikel 54 BTW-wetboek, zodat de BTW verschuldigd is, zelfs als er geen goed werd geleverd, noch een dienst werd verstrekt.

De navordering van het bedrag van … BF aan niet betaalde BTW op die facturen is gegrond.

2. Het toepasselijke BTW-tarief.

Eiser paste op het geheel van de werken het tarief van 6 % toe daar hij van oordeel is dat het ging om een verbouwing van een bestaande winkel met woonst. Hij stelt dat hij dit deed na consultatie van de architect.

Verweerder stelt dat het ging om een nieuwbouw, verwijzend naar de bouwvergunning en de uitleg verstrekt door de architect, en stelt dat het tarief van 6 % in geen enkele hypothese van toepassing kon zijn voor de winkel die voor professioneel gebruik bestemd is en geen geïntegreerd beroepslokaal is.

Het lastenboek vermeldt : "Bouwen van een winkel en appartementen"; de plannen vermelden "Bouwen van een winkel met appartementen + uitbreiding bestaande woning"; de bouwvergunning vermeldt "bouwen van een winkel met appartementen en uitbreiden bestaande woning".

Uit deze stukken samen met de uitleg van de architect blijkt zonder twijfel dat het ging om een nieuwbouw, zeker rekening houdend met het feit dat de gevels nagenoeg volledig werden afgebroken.

Het tarief van 17 % wordt terecht gevorderd door verweerder zodat de navordering van … BF aan BTW eveneens gegrond is.

3. De geldboete van 200 % of … BF.

Op grond van de relatief recente rechtspraak van het Arbitragehof en het Hof van Cassatie, staat het vast dat de rechter de boete, die als een straf dient aanzien te worden, kan en moet toetsen, ondermeer rekening houdend met de eventuele goede trouw van de belastingplichtige en met de evenredigheid van de boete ten opzichte van de begane overtreding.

Bij de beoordeling van de hoogte van de boete dient enerzijds afgewogen te worden of de overtredingen opzettelijk gebeurden met het oog op fraude (ten gunste van zichzelf of derden) wat een zware bestraffing met zich mee mag brengen en dient anderzijds nagegaan te worden welke boete de belastingplichtige kan afbrengen van het (al dan niet opzettelijk) herhalen van de inbreuken.

Het niet opnemen van de drie facturen in de boekhouding is niet in overeenstemming te brengen met enige goede trouw en wijst op fraude, zelfs indien dit op verzoek van de bouwheren gebeurde. De boete van 200 % dient toegepast te worden, echter beperkt tot de op die wijze ontdoken belastingen, hetzij … BF x 2= … BF.

Voor wat betreft de inbreuk in verband met het tarief is geen kwade trouw bewezen en ook niet waarschijnlijk daar de aannemer daar persoonlijk geen belang bij heeft. Het gaat overigens om éénzelfde inbreuk die telkens opnieuw plaatsvond ten aanzien van één bouwheer. Er werden geen andere inbreuken in verband met het tarief vastgesteld.

Het past de sanctie toe te passen voorzien in het KB 41 en een boete van 10 % op te leggen. Deze boete bedraagt aldus … BF.

Om al deze redenen oordeelt de rechtbank dat het opzet van de wetgever bereikt is door het opleggen van een geldboete van … + … = … BF ter bestraffing van de inbreuken en ter voorkoming van herhaling van dergelijke en andere inbreuken in de toekomst.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTER,

Beslissend in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Zegt voor recht dat het verzet gedeeltelijk gegrond is, enkel wat de opgelegde geldboete betreft, en herleidt de geldboete van … BF tot … BF in hoofdsom, en beveelt voor zover nodig de teruggave van de eventueel reeds te veel geïnde bedragen, rekening houdend met huidige beslissing.

Zegt voor recht dat het verzet voor het overige ongegrond is.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding als volgt begroot :

voor eiser :

dagvaarding : … BF

rechtsplegingsvergoeding : … BF

voor verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : … BF.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op vrijdag, 6 april 2001, waar zitting namen :

mevrouw K. D., alleensprekend rechter,

mevrouw M. C., griffier.

M. C. K. D.

Textes cités

1
CTVA art. 541 occurrence

Décisions similaires

8