Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 12 février 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2007-02-12-ad26

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
12 février 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

92 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 12.02.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

04 – 12.02.2007 – EV

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VlERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/3294/A Rep.nr.2007/ 8879

de NV E., voorheen genaamd A., (H.R. Oostende nr. …, Ondernemingsnr. …), met vennootschapszetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester P. C., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Administratie van de BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met burelen te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de Gewestelijk Directeur BTW, met kantoren te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 27 oktober 2004.

Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer de dato 27 juni 2006.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 15 januari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis de dato 27 juni 2006.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de grond

3.1.1. Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat de NV C. en K. nog belastbare handelingen aangegeven heeft in de BTW-aangifte m.b.t. de maand augustus 1999, niettegenstaande zij blijkens de aangifte van stopzetting haar activiteit zou hebben stopgezet op 30.06.1999.

Verder werd van de stopzetting en de splitsing van de NV C. en K. pas aangifte gedaan op 27.09.2000. Deze laattijdige aangifte (14 maanden) heeft er voor gezorgd dat de rekening-courant verder werd bijgehouden.

Tevens staat het vast dat eiseres een aantal maandaangiften heeft ingediend na de 20ste van de maand volgend op de maand waarop ze betrekking hebben en dat er zelfs enkele bijzondere rekeningen dienden opgesteld te worden wegens het niet of laattijdig indienen van de maandelijkse BTW-aangiften.

Tenslotte heeft eiseres in de loop van 1999 en 2000 in geen enkele BTW-aangifte aangestipt dat zij de terugbetaling vroeg van het BTW-tegoed.

3.1.2. Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 76, § 1 W.BTW en artikel 8, §§ 1 en 2 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 zodat de administratie dan ook niet verplicht was om de teruggaaf te verrichten uiterlijk binnen de drie maanden.

Niettegenstaande er geen wettelijke gronden zijn om interesten toe te kennen vanaf 20.04.2001, dient weliswaar vastgesteld dat op het einde van het jaar 2001 het BTW­tegoed in hoofde van de overlater … EUR bedroeg en dat op 20.01.2002 alle nodige aangiften waren ingediend. Verweerder is dan ook vanaf 1.04.2002 tot 28.11 2003 (datum uitbetaling tegoed) nalatigheidsinterest verschuldigd.

3.2. nopens de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

3.3. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB '92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende ais niet dienend.

Verklaart het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt dienvolgens voor recht dat op het einde van het jaar 2001 het BTW-tegoed … EUR bedroeg en dat verweerder nalatigheidsinteresten verschuldigd is vanaf 1.04.2002 tot 28.11.2003.

Wijst eiseres van het overige af.

Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag twaalf februari tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

04 - 27.06.2006 - TVH

Décision jointe par le SPF

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/3294/A Rep.nr.2006/8879

de NV E., voorheen genaamd A., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester F. V. (balie Brugge) loco Meester P. C., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, vertegenwoordigd door de heer Ministers van Financiën, met burelen te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, in de persoon van de Gewestelijk Directeur BTW, met kantoren te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding de dato 27 oktober 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 22 mei 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni·1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. De BTW rekening-courant van de NV C. en K. werd afgesloten op 31 maart 2000 wegens niet-indiening van de BTW-aangiften van december 1999 en januari 2000. Na indiening van de ontbrekende aangiften werd een bijzondere rekening opgemaakt.

Op 27 september 2000 werd de aangifte van stopzetting van activiteit opgesteld. Uit de aangifte bleek dat de activiteit werd stopgezet op 30 juni 1999.

Op 30 juni 1999 werd de NV C. en K. bij notariële akte gesplitst deels door overname door de NV AJM Fashion en de NV IKS-mode en deels door de nieuw opgerichte NV A..

Op 31 oktober 2000 had de NV C. en K. een BTW-tegoed van … EUR Volgens de notariële splitsingsakte was dat BTW-tegoed toebedeeld aan eiseres.

Op 28 november 2003 werd dit tegoed gegireerd op rekening van eiseres.

Op 27 oktober 2004 werd verweerder gedagvaard met eis tot betaling van nalatigheidsinteresten.

2.2. Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van … EUR wettelijke nalatigheidsinteresten. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

In zijn laatste besluiten stelt verweerder evenwel dat de interest bedoeld in artikel 91, § 3, 1° BTW-wetboek kan geclaimd worden vanaf 1.04.2002 tot 28.11.2003, hetzij over twintig maanden.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart. is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

De rechtbank stelt vast dat verweerder akkoord gaat dat de interest bedoeld in artikel 91, § 3, 1° BTW-Wetboek (in samenlezing met art. 8 §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 zoals gewijzigd bij latere besluiten) , geclaimd kan worden vanaf 1.04.2002 tot 18.11.2003, hetzij over 20 maanden (zie laatste besluiten verweerder neergelegd ter griffie op 29.11.2005).

Het is voor de rechtbank niet duidelijk op basis van welke wettelijke bepalingen verweerder thans akkoord gaat dat nalatigheidsinteresten worden toegekend Tevens dient verweerder klaarheid te scheppen over de door haar voorgestelde aanvangsdatum nl. 1.04.2002.

De debatten dienen dan ook te worden heropend teneinde partijen toe te laten dienaangaande verder standpunt in te nemen.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en alvorens verder ten gronde te oordelen.

HEROPENT DE DEBATTEN teneinde partijen toe te laten te handelen zoals hierboven uiteengezet.

Stelt hiertoe de zaak in voortzetting op maandag vijftien januari tweeduizend en zeven om negen uur.

Houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zevenentwintig juni tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Textes cités

2
AR no 4 art. 82 occurrences
CTVA art. 912 occurrences

Décisions similaires

8