Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 28.06.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig juni tweeduizend en twee in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : A.R. Nr. 98/7397/A
[...]
met als activiteit de uitbating van het clublokaal van de K. L. Y., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE … ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer … gedomicilieerd te …, … (volgens dagvaarding en besluiten), gedomicilieerd te …, … (volgens aanvullende besluiten).
eisende partij,
verschijnende bij meester G. P., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Ontvanger-rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4,
verwerende partij,
verschijnende bij meester Y. A. loco meester J. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder G. L. te … op 8 december 1998,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 1 maart 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 juni 2002.
De vordering strekt ertoe vast te stellen dat de vordering van verweerder voor wat betreft 1992 en het eerste en tweede kwartaal 1993 verjaard is, het dwangbevel, uitgevaardigd op 4 september 1998, nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat eiser geen BTW-schuld heeft, dienvolgens verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 van het wetboek van BTW, in ondergeschikte voormeld dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete wordt nagevorderd, in uiterst ondergeschikte orde voormeld dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete van méér dan 10 % van de BTW wordt nagevorderd en verweerder te veroordelen tot de kosten, van het geding.
Relevante feiten
Eiser was uitbater van het clublokaal van de K. L. Y. waar 2 tarieven werden gehanteerd, namelijk :
- een laag tarief tijdens de wekelijkse en maandelijkse clubactiviteiten en tijdens clubmanifestaties,
- een hoog tarief voor het verbruik tijdens de andere dagen.
Na voorafgaande kennisgeving en op uitdrukkelijk verzoek van eiser werd op 19 september 1995 de boekhouding gecontroleerd bij de gevolmachtigde boekhouder voor de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994.
Naar aanleiding van deze controle werd op 31 januari 1996 een correctieopgave opgesteld.
Rekening houdend met de opmerkingen van de gevolmachtigde boekhouder bij brief van 15 maart 1996, werd op 24 oktober 1996 een aangepaste correctieopgave opgesteld.
Bij brief van 19 november 1996 verklaarde de gevolmachtigde boekhouder zich niet akkoord met deze aangepaste correctieopgave.
Op 22 april 1997 en 14 mei 1997 heeft de administratie verdere inlichtingen gevraagd aan de gevolmachtigde boekhouder, waarop werd geantwoord op 2 juni 1997.
Op 7 juli 1998 werd een proces-verbaal opgesteld betreffende voornoemde controle van 19 september 1995.
Bij gebreke aan betaling werd op 4 september 1998 een dwangbevel uitgevaardigd waardoor eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd werd, namelijk :
- BTW : … BEF
- Geldboete : … BEF
- intrest van 0,80 % per maand van rechtswege verschuldigd over de niet tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 januari 1995,
- moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel,
- vervolgingskosten.
Beoordeling
Betreffende de verjaring
Op 1 april 1997 heeft eiser zich akkoord verklaard voor afstand van de termijn der verjaring zodat er geen sprake is van verjaring.
Betreffende de bevoegdheid van de "e.a. inspecteur a.i. van het 1° BTW-ontvangkantoor te Antwerpen" om BTW in te vorderen
Volgens eiser heeft een eerstaanwezend inspecteur ad interim de bevoegdheid niet van een ontvanger.
Ingevolge artikel 3, § 1 van het KB van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+ wordt onder meer de benaming voor een ontvanger vervangen door de benaming eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur zodat de "e.a. inspecteur a.i. van het 1° BTW-ontvangkantoor te Antwerpen" dan ook de bevoegdheid had om BTW in te vorderen.
Betreffende de nietigheid van het dwangbevel wegens de niet behoorlijke ondertekening
Volgens eiser bevat het dwangbevel slechts een naamstempel en een summiere paraaf, die door iedereen kan geplaatst worden, van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.
Nergens wordt bepaald hoe een handtekening er moet uitzien en dat een handtekening leesbaar moet zijn zodat de beweerde paraaf dan ook geldt als handtekening.
Bovendien blijkt uit de naamstempel zeer duidelijk de naam van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.
Bijgevolg is het dwangbevel dan ook rechtsgeldig.
Betreffende de nietigheid van het dwangbevel wegens gebrek aan motivering
Het dwangbevel beantwoordt aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wanneer het door zijn inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.
De motiveringsverplichting heeft aldus tot doel de bestuurder alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten.
Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurde een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.
Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.
Uit het dwangbevel en uit het voorafgaandelijk proces-verbaal blijkt ontegensprekelijk dat eiser kennis had van de redenen die de administratie ertoe heeft aangezet om tegen hem dit dwangbevel uit te vaardigen en hij kon hieruit onomstotelijk afleiden waarom deze bedragen werden gevorderd zodat dit dwangbevel hem dan ook een inzicht verschafte in de motieven hiervan en hij dan ook terdege kon oordelen of het zin had zich hiertegen te verzetten.
Wat de door eiser gevoerde boekhouding betreft werd uitdrukkelijk in het proces-verbaal onder meer het volgende vermeld, namelijk :
- in strijd met artikel 15, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 werden er geen verantwoordingsstukken voorgelegd voor de inschrijvingen in het dagontvangstenboek.
- in strijd met artikel 8bis, § 1, 3° (oud) van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 en artikel 22, § 1, 3° van het KB nr. 1 van 29 december 1992 werden aan de klanten geen ontvangstbewijzen uitgereikt voor het verschaffen van warme maaltijden,
- uit nazicht van de inkomende facturen en de opgevraagde klantenfiches is gebleken dat er facturen niet werden ingeschreven in het inkomend factuurboek.
Het dwangbevel is dan ook voldoende gemotiveerd, ook wat betreft de vermeldingen met betrekking tot de gevoerde boekhouding, en is aldus rechtsgeldig.
Betreffende de schending van de rechten van verdediging
Volgens eiser werden de rechten van verdediging: geschonden doordat de controle geschiedde op 19 september 1995 en het proces-verbaal slechts op 7 juli 1998 werd opgesteld.
Eiser verwijst naar artikel 267 van het KB van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen om aan te tonen dat het proces-verbaal van 7 juli 1998 laattijdig zou zijn opgesteld.
In casu gaat het echter om een proces-verbaal inzake BTW zodat voornoemd artikel 267 niet van toepassing is.
Inzake BTW is er geen enkele termijn bepaald waarbinnen een proces-verbaal dient te worden opgesteld.
Bovendien werd na de controle van 19 september 1995 reeds op 31 januari 1996 een correctieopgave opgesteld.
Rekening houdend met de opmerkingen van de gevolmachtigde boekhouder bij brief van 15 maart 1996, werd vervolgens op 24 oktober 1996 een aangepaste correctieopgave opgesteld.
Bij brief van 19 november 1996 verklaarde de gevolmachtigde boekhouder zich niet akkoord met deze aangepaste correctieopgave.
Op 22 april 1997 en 14 mei 1997 heeft de administratie verdere inlichtingen gevraagd aan de gevolmachtigde boekhouder, waarop werd geantwoord op 2 juni 1997.
Op 7 juli 1998 werd uiteindelijk een proces-verbaal opgesteld betreffende voornoemde controle van 19 september 1995.
Bijgevolg was eiser op 31 januari 1996, zijnde iets meer dan 4 maanden na de controle, reeds op de hoogte van datgene wat uiteindelijk op·7 juli 1998, wegens gebrek aan een akkoord, in een proces-verbaal werd opgesteld.
Reeds vanaf 31 januari 1996 was eiser dus in de mogelijkheid om de nodige bewijzen te leveren zodat er geen sprake van is dat de rechten van verdediging werden geschonden.
Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal
Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW kunnen :
- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen,
- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen,
- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.
Bijgevolg kunnen de processen-verbaal feiten bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen en in dat geval vormen zij de basis waarop de vermoedens zijn gesteund dat eiser niet al zijn belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en de verschuldigde BTW over deze niet aangegeven omzet niet aan de Schatkist heeft voldaan.
Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de proccessen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.
De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met in begrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, bewezen worden en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.
Betreffende de beweerde aankopen bij de leverancier
[...]
De vermelding in het proces-verbaal dat de eiser de beweerde goederen heeft aangekocht bij de leverancier … werd door de ambtenaar niet vastgesteld, maar is slechts een gegeven dat hij afleidt uit de inlichtingen verstrekt door deze leverancier en uit nazicht van de inkomende facturen en de opgevraagde klantenfiche van deze leverancier waaruit zou blijken dat 3 facturen niet in het inkomend factuurboek van eiser zouden ingeschreven zijn.
De vermelding in het proces-verbaal dat eiser de beweerde goederen heeft aangekocht bij de leverancier … geldt dan ook slechts als vermoeden en is aldus aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.
De administratie kan voor de vaststellingen gegevens putten uit het fiscaal dossier van eiser zelf, doch ook uit stukken en inlichtingen van derden.
De klantenfiche en voornoemde 3 facturen werden eenzijdig opgesteld door een derde, namelijk …, zonder enige controle, toezicht of medewerking met eiser. Ook de inlichtingen dat eiser goederen heeft aangekocht voor een bedrag van … BEF+ … BEF BTW werden slechts verstrekt door deze derde.
Aangezien eiser deze inlichtingen, de klantenfiche en de 3 facturen betwist, kunnen deze niet tegen eiser worden ingeroepen tenzij er voldoende aanwijzingen zijn dat er geen reden is om aan de juistheid en de ernst ervan te twijfelen, gelet op de bevestiging en de ondersteuning door andere gegevens die alle in dezelfde richting wijzen.
Aangezien de eenzijdig opgestelde documenten en de inlichtingen van deze derde niet worden bevestigd en ondersteund door andere gegevens, vormen zij op zichzelf geen afdoend bewijs ten aanzien van eiser.
Bijgevolg is het geenszins bewezen dat eiser de beweerde goederen heeft aangekocht bij
[…]
Betreffende de herberekende omzet
Zoals hoger vermeld werden 2 tarieven gehanteerd in voornoemd clublokaal, uitgebaat door eiser, namelijk :
- een laag tarief tijdens de wekelijkse en maandelijkse clubactiviteiten en tijdens clubmanifestaties,
- een hoog tarief voor het verbruik tijdens de andere dagen,
hetgeen niet wordt betwist door partijen.
In het proces-verbaal van 7 juli 1998 werden bij de herberekening van de omzet de aangekochte dranken uitgesplitst zodanig dat de berekende verkopen volgende verhoudingen opleverden, namelijk :
- voor bieren, frisdranken en warme dranken : 30 % laag tarief en 70 % hoog tarief,
- voor aperitieven, sterke dranken en wijnen : 20 % laag tarief en 80 % hoog tarief.
Verder werd met betrekking tot de verkochte eetwaren uitgegaan van de volgende rendementsfactoren, namelijk :
- voor verbruik ter plaatse : 300 %,
- voor meeneemschotels : 200 % (pas vanaf 1994).
Voornoemde uitsplitsingen en de andere berekeningen met betrekking tot de verkochte dranken werden door de ambtenaar niet vastgesteld en gelden dan ook slechts als vermoedens die aan de beoordeling van de rechtbank zijn onderworpen.
Zelfs ingeval de boekhouding van eiser niet bewijskrachtig zou zijn, zijn deze uitsplitsingen en de andere berekeningen met betrekking tot de verkochte dranken niet gesteund op vaststaande feiten, maar enkel op loutere beweringen van de administratie.
Bijgevolg is de herberekende omzet met betrekking tot de verkochte dranken niet bewezen door verweerder, ook niet door vermoedens.
Anderzijds werd door de ambtenaar in het proces-verbaal vastgesteld dat eiser verklaarde dat hij voor de verstrekte maaltijden een winstcoëfficiënt van 300 % voor maaltijden ter plaatse en van 200 % voor meeneemschotels toepaste zodat deze vaststelling het bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen.
Aangezien eiser het tegendeel niet bewijst, zijn de door de administratie toegepaste rendementsfactoren met betrekking tot de verkochte eetwaren dan ook bewezen.
Betreffende de verschuldigde BTW ingevolge onttrekkingen
Verweerder levert niet het minste bewijs van onttrekkingen.
Bijgevolg is eiser de BTW met betrekking tot deze beweerde onttrekkingen niet verschuldigd.
Betreffende het bezit van regelmatige facturen met betrekking tot het elektriciteit- en waterverbruik
Krachtens artikel 3 van het KB nummer 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW moet eiser, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt :
- overeenkomstig artikel 2 van het KB nummer 1 van 23 juli 1969 voor de facturen van 1992,
- overeenkomstig artikel 5 van het KB nummer 1 van 29 december 1992 voor de facturen van 1993 en 1994.
Bijgevolg moet eiser in bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (H.v.J. 14 juli 1988, R.W. 1988-89, 309, Cass. 13 oktober 2000; F.J.F. 2000/297 en Cass. 19 september 1996, R.W. 1996-97, 1306).
Aangezien eiser niet in bezit is van regelmatige facturen en dit ontegensprekelijk nut had voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie, kan hij zijn recht op aftrek niet uitoefenen.
Betreffende de geldboete
In het proces-verbaal werd uitdrukkelijk vermeld dat bij toepassing van artikel 70, § 1 en 1bis van het wetboek van BTW als geldboete het dubbel van de verschuldigde belasting werd opgelegd, verminderd overeenkomstig tabel A, rubriek IV, tabel B, tabel G, rubriek V en tabel H van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de BTW tot 20 % op … BEF en tot 5 % op … BEF.
De geldboete is dan ook voldoende gemotiveerd.
In de mate dat er nog BTW verschuldigd blijft, werd de geldboete in overeenstemming met de wettelijke bepalingen bepaald en is de rechtbank van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
Betreffende de verhoging van de geldboete ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel
In het dwangbevel werd vermeld dat de geldboete ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel, overeenkomstig artikel 2 van voornoemd KB nr. 41 van 30 januari 1987, werd verhoogd met 50 % zonder dat het gevorderde bedrag kleiner mag zijn dan 5 % van de verschuldigde belasting.
Eenieder heeft in beginsel recht om een geding door de rechter te laten beslissen en de uitoefening van dit recht mag niet gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een verhoging van de geldboete. Dit recht mag wel beperkt worden om vormen van misbruik te bestrijden. Bijgevolg strekt deze verhoging van de geldboete ertoe om procedures te vermijden vanwege de belastingplichtigen die geen voldoende redenen om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (Cass. 25 april 2002, Fiscoloog nr. 849, 7).
In casu had eiser ontegensprekelijk voldoende reden om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen zodat er geen sprake is van misbruik en de geldboete bijgevolg ten onrechte werd verhoogd ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Dispositif
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Verklaart het dwangbevel, uitgevaardigd op 4 september 1998, van nul en generlei waarde in de mate dat BTW wordt nagevorderd :
- met betrekking tot de beweerde aankopen bij de leverancier [...] … en met betrekking tot de herberekende omzet inzake de verkochte dranken,
- met betrekking tot de beweerde onttrekkingen,
in de mate dat op deze bedragen een geldboete en intresten worden gevorderd en in de mate dat de geldboete wordt verhoogd ingevolge de kennisgeving van het dwangbevel.
Beveelt de herberekening van het dwangbevel.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge ten onrechte betaalde en/of ingehouden en/of toegerekende bedragen, vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 van het wetboek van BTW.
Veroordeelt eiser en verweerder ieder tot de 1/2 van de kosten van het geding tot op heden door :
- eiser begroot op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de 1/2 van … EUR dagvaardingskosten en van … EUR rechtsplegingsvergoeding,
- verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de 1/2 van … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer en/of anders gevorderde af.
N. D. P. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.