Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 12.12.2007
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 12.12.2007
Nr. van de zaak : 2005/AR/1676
IN ZAKE VAN :
Mevrouw A.-M. V. D. B., wonende te …, …,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester H., loco Meester G. P., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, bevoegd voor de Federale overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector van de BTW, woonst kiezend op het controlecentrum Tienen, Goossensvest 11 te 3300 Tienen,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat te …, …,
Het hof, na beraad, spreekt m openbare terechtzitting volgend arrest uit :
R. 2007/9182 EINDARREST - ongegrond
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 15 april 2005 (AR nr. 2001/852/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 21 juni 2005.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.
Deze vordering strekte tot :
- de nietigverklaring van het dwangbevel;
- de integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte door haar werden betaald, ingehouden of toegerekend op sommen vermeld in het dwangbevel, meer de moratoire interesten overeenkomstig art. 91 W.BTW;
- de verlening van akte van haar uitdrukkelijk voorbehoud om haar middelen en grieven verder uiteen te zetten en aan te vullen in de loop van het geding en van het voorbehoud van welkdanige rechten.
In besluiten breidde appellante haar vordering uit met de subsidiaire vraag het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een administratieve geldboete werd nagevorderd, zowel wat de proportionele boete als de niet-proportionele boete betreft.
I. De feiten
Appellante baatte een eenmanszaak in textiel uit te …, ….
Na voorafgaande verwittiging werd op 7 april 2000 bij appellante overgegaan tot een AOIF-controle van de boekhouding, en dit voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998.
Op 18 juli 2000 ontving appellante een bericht van wijziging van aangifte waarin de AOIF-controlediensten de boekhouding voor de jaren 1997 en 1998 verwierpen. Aan de hand van forfaitaire grondslagen werd zowel voor de inkomstenbelasting als voor de BTW een omzetherberekening gemaakt. Hierbij werd uitgegaan van de forfaitaire grondslag van 52 % voor de textielsector, hetgeen leidde tot een naheffing.
Appellante aanvaardde deze herberekening noch inzake inkomstenbelasting, noch inzake BTW.
Op 14 september 2000 werd een proces-verbaal opgesteld, dat bij dwangbevel van 31 januari 2001, uitvoerbaar verklaard op 9 februari 2001, aan appellante werd betekend op 20 februari 2001, met een bevel tot betalen van :
- BTW : … EUR;
- geldboete krachtens art. 70, § 1 W.BTW : … EUR;
- geldboete krachtens art. 70, § 4 W.BTW : … EUR;
- interesten : … EUR;
- kosten.
Nu appellante geen gevolg gaf aan dit dwangbevel, werd haar op 8 maart 2001 herhaald bevel gedaan tot betaling van de in het dwangbevel opgenomen bedragen.
Nu ook toen geen betaling werd verkregen, werd overgegaan tot het leggen van uitvoerend beslag op roerende goederen.
Op 27 maart 2001 tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel.
Bij het bestreden vonnis van 15 april 2005 wees de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van appellante af.
II. Discussie
A. Proceduriële aspecten
A.1. Wat de bewijskracht van het proces-verbaal betreft
Appellante meent dat de bewijskracht van het proces-verbaal moet worden genuanceerd en dat de bijzondere bewijskracht (tot bewijs van het tegendeel) beperkt is tot alle materiële feitelijke vaststellingen.
Welnu, in het proces-verbaal zijn volgens appellante een aantal zogenaamde vaststellingen opgenomen die evenwel uitsluitend afgeleide berekeningen zijn, met diverse (betwiste) oorsprong, waarvoor de bijzondere bewijskracht van art. 59 W.BTW niet geldt.
Reeds voor de eerste rechter betwistte appellante de bewijswaarde van het proces-verbaal van 14 september 2000.
Met reden merkte de eerste rechter in dat verband op dat het proces-verbaal in kwestie twee reeksen vaststellingen bevat, een eerste betreffende de boekhouding van appellante van 1997 en 1998, een tweede reeks betreffende de beginvoorraad, de aankopen en de eindvoorraad in 1997 en 1998. Het gaat hier om effectieve vaststellingen van de controleambtenaar, die de in art. 59, § 1 W.BTW bepaalde bijzondere bewijswaarde van het procesverbaal genieten.
De door geïntimeerde gehanteerde winstmarge van 52 % voor het bepalen van het bedrag van de verkopen valt buiten de door de controleambtenaar gedane vaststellingen. Deze geniet bijgevolg niet voormelde bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal. Geïntimeerde dient derhalve aan te tonen dat de gehanteerde winstmarge representatief is.
In dat verband gaat het hof met de eerste rechter akkoord dat de boekhouding van appellante een aantal onregelmatigheden bevat, die niet toelaten de juistheid van de opgegeven omzet te controleren, zodat deze boekhouding door de administratie als niet bewijskrachtig kon worden verworpen (zie hierover meer onder B.I.1., hierna).
Daarop werden de artikelen 59 en 64 W.BTW toegepast, ervan uitgaande dat overeenkomstig het wettelijke vermoeden de door de BTW-plichtige aangekochte goederen bestemd waren voor doorverkoop binnen de handelsactiviteit waarop BTW verschuldigd is.
Gelet op de gebrekkige boekhouding diende de omzet forfaitair te worden bepaald. Daarbij heeft de controleambtenaar uit de feiten waarover hij beschikte oordeelkundig de vermoedelijke omzet afgeleid.
Het hof treedt nog geïntimeerde bij wanneer hij stelt dat zijn forfaitaire afrekening rekening houdt met uitzonderlijke verkoopsomstandigheden, zoals aangevoerd door appellante, waarbij laatstgenoemde wel in gebreke blijft de financiële impact daarvan aan te tonen.
Derhalve dient dit eerste middel van appellante te worden afgewezen.
A. 2. Wat de wet tot uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betreft
Appellante wijst erop dat de Wet Cerexhe van 29 juli 1991 de verplichting oplegt dat zowel het proces-verbaal als het dwangbevel de feitelijke en juridische grondslagen moeten bevatten waarop de BTW-navordering is gegrond. Deze vermeldingen moeten bovendien afdoende zijn om tot de navordering te kunnen besluiten.
Appellante meent dat het proces-verbaal in deze niet voldoet aan deze vereisten en dat het dwangbevel, genomen ingevolge zulk niet afdoend gemotiveerd proces-verbaal, moet worden vernietigd.
Ook dit middel werd door appellante reeds voor de eerste rechter aangevoerd en werd door laatstgenoemde oordeelkundig weerlegd. In deze paste de controleambtenaar het forfait toe na de boekhouding van appellante te hebben verworpen. Hij duidde in het proces-verbaal ook de redenen aan waarom hij de boekhouding niet-bewijskrachtig vond. Derhalve is het proces-verbaal behoorlijk gemotiveerd. En hetzelfde geldt voor het dwangbevel van 31 januari 2001 dat samen ermee werd betekend.
Bijgevolg dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
A. 3. Wat de schending van de rechten van verdediging betreft
Appellante wijst erop dat de controle betrekking had op de boekjaren 1997 en 1998. Uiteindelijk werd het dwangbevel slechts uitgevaardigd op 20 februari 2001, dus ruim twee jaar na de feiten, waardoor het volgens appellante aanzienlijk moeilijker wordt om het tegenbewijs te leveren en haar rechten van verdediging werden geschonden.
Met reden doet geïntimeerde gelden dat niet moet worden vertrokken van de gecontroleerde jaren, maar van de datum van de vaststellingen, om te beoordelen of de rechten van verdediging al dan niet werden geschonden.
Welnu, in het dossier van appellante werd de controle aangevat op 7 april 2000. Op 18 juli 2000 ontving appellante een correctieopgave met betrekking tot de begane overtredingen die naar aanleiding van de controle van de boekhouding werden vastgesteld. Aan appellante werd gevraagd om de correctieopgave binnen de dertig dagen terug te sturen. Nu appellante niet akkoord ging met deze correctieopgave, werd reeds op 14 september 2000 het proces-verbaal opgemaakt.
Er werden aan appellante drie betaalberichten verzonden tussen 18 september 2000 (eerste betaalbericht) en 11 december 2000 (laatste betaalbericht). Nu appellante daarop niet reageerde binnen de gestelde termijn, werd op 31 januari 2001 een dwangbevel uitgevaardigd.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B. Ten gronde
B.I. In hoofdorde
B.I.1. Wat de bewijskracht van de boekhouding betreft
Appellante wijst erop dat in het proces-verbaal van 7 april 2000 de verwerping van de boekhouding bewezen werd geacht aan de hand van de volgende elementen :
- het niet bestaan van de inventaris per 1 januari 1997;
- geen verantwoordingsstukken voor de dagontvangsten;
- kasetiketten kunnen niet als kasbescheiden worden aangezien; er is geen aansluiting tussen de in de briefomslagen opgeslagen etiketten en de inschrijving in het dagontvangstenboek;
- de betalingen die via de bankterminal verliepen, dienden te worden ingeschreven op de dag van creditering (valutadatum), hetgeen niet steeds het geval was;
- het niet voorleggen van de kasbescheiden voor de periode van 1 januari 1997 tot 30 juni 1997;
- een verschil tussen de voorraadlijst per 31 december 1998 en deze die bij de fiscale aangifte werd gevoegd.
Appellante stelt deze diverse elementen te weerleggen en meent dat geïntimeerde geen redenen had om haar boekhouding als niet bewijskrachtig te verwerpen en een herberekening van de omzet te maken aan de hand van een gemiddelde winstmarge ontleend uit een forfaitaire regeling. Als gevolg daarvan kan geïntimeerde de omzet niet op grond van vermoedens vestigen.
Appellante geeft in haar beroepsbesluiten zelf toe dat de inventaris per 1 januari 1997 niet werd voorgelegd. Nu in de boekhouding een inventaris werd aangewend, diende deze op basis van art. 60, § 1, lid 2 W.BTW te worden bewaard en op basis van art. 61, § 1 W.BTW op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie van de BTW te worden voorgelegd.
Wat de afwezigheid van verantwoordingsstukken voor de geboekte dagontvangsten betreft, verwees de eerste rechter met reden naar art. 15, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW, overeenkomstig hetwelk de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten steunen op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn.
Verder stelde de controleambtenaar vast dat de bedragen op de etiketten van de briefomslagen en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek niet overeenstemmen. Met reden stelde de eerste rechter dat de verklaring die appellante daarvoor opgaf, nl. de betalingsverschillen, kortingen e.d.m. niet overtuigt, nu de controleambtenaar vaststelde dat de totalen van de etiketten die in omslagen werden bijgehouden regelmatig groter waren dan de totalen die voor die dagen in de boekhouding waren ingeschreven en dat er verschillende dagen etiketten voorhanden waren zonder dat er die dagen ook maar één enkel bedrag in de ontvangsten was ingeschreven.
Er werd ook vastgesteld en in het proces-verbaal opgenomen dat betalingen, die met bancontact werden gedaan, niet of niet allemaal in de boekhouding werden opgenomen. Terzake verwijst het hof naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die het de zijne maakt.
Volkomen terecht kwam de eerste rechter derhalve tot het besluit dat geïntimeerde op grond van de vastgestelde onregelmatigheden de boekhouding van appellante als niet-bewijskrachtig kon verwerpen.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.I.2. Wat het bewijs van de beweerde meeromzet betreft
Appellante meent dat de BTW-administratie de bewijslast van de beweerde meeromzet draagt en dat zij faalt in dit bewijs.
Opdat de BTW verschuldigd zou zijn, is vereist dat er door een belastingplichtige een belastbare levering heeft plaatsgevonden. Het aantonen dat een belastbare levering heeft plaatsgevonden kan op twee manieren gebeuren : aan de hand van feitelijke vermoedens of aan de hand van een wettelijk vermoeden. In het proces-verbaal van 7 april 2000 koos de administratie voor een combinatie van deze twee. In deze meent appellante dat de toepassingsvoorwaarden van het wettelijk vermoeden van art. 64, § 1 W.BTW niet vervuld zijn, nu geïntimeerde faalt in zijn bewijslast van het feit dat er een belastbare levering heeft plaatsgevonden of dat zulks wettelijk kon worden vermoed. Hetzelfde geldt volgens appellante voor de ingeroepen feitelijke vermoedens.
Terzake verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder A.1. werd gezegd.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.I.3. Wat het beweerde willekeurige karakter van de herberekende omzet betreft
Voor de herberekening van de omzet greep geïntimeerde terug naar het forfait voor de kleinhandel in de textielsector, waarbij werd uitgegaan van een marge van 52 %. Daarbij werd niet de minste motivering gegeven van het feit dat de zaak van appellante inderdaad onder de toepassing van het forfait kan sorteren. Daardoor wordt de specifieke situatie eigen aan de exploitatie van appe1lante door geïntimeerde miskend, nl. dat in het vierde kwartaal 1997 en in de maand januari 1998 een uitverkoop werd gehouden, omdat het winkelpand diende te worden gerenoveerd. Derhalve meent appellante dat de herberekening van de omzet op arbitraire wijze werd vastgesteld.
Ook in dit verband verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder A.
1. werd gezegd, alsook naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, die het hof volledig bijtreedt.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.I.4. Wat de beweerde onttrekkingen voor privé-doeleinden betreft
Appellante wijst erop dat in het proces-verbaal tevens sprake is van een beweerde verklaring dat zij de stukken voor onttrekkingen voor private doeleinden niet heeft opgemaakt. Zij stelt dat geïntimeerde geenszins het bewijs van de beweerde onttrekking voor private doeleinden levert.
De verklaring dat appellante de stukken voor onttrekkingen voor private doeleinden niet heeft opgemaakt, is evenwel gedekt door de bijzondere wettelijke bewijswaarde waarvan sprake in art. 59, § 1 W.BTW Het tegendeel wordt geenszins door appellante bewezen.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.I.5. Wat de beweerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft
Ook wat de bewijsvoering omtrent de bewijskracht van een boekhouding betreft, aanvaardt de rechtspraak volgens appellante de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Indien de administratie gedurende jaren een boekhouding bewijskrachtig heeft bevonden, mag zij niet plots deze boekhouding verwerpen.
Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel, waarvan appellante de schending aanvoert, een vorige controle veronderstelt, waarbij de boekhouding werd aanvaard. Nu appellante in gebreke blijft een dergelijke controle te bewijzen, kan zij zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.II. In ondergeschikte orde : wat de opgelegde administratieve boetes betreft
In ondergeschikte orde vraagt appellante het dwangbevel te vernietigen in de mate dat er een administratieve boete werd nagevorderd, zowel de proportionele boete als de nietproportionele boete.
Wat de proportionele boete ten belope van 20 % betreft, wijst appellante erop dat de BTW-administratie voor het opleggen van geldboetes gebonden is aan barema's ingevolge het KB nr. 41 van 30 januari 1987. Indien tot een overtreding zou worden besloten, meent appellante dat volgens die barema, s maximaal een geldboete van 10 % kan worden opgelegd. De toepasselijkheid van het KB nr. 41 kan alleen worden vermeden indien geïntimeerde het frauduleuze karakter van de overtreding aantoont, hetgeen volgens appellante niet gebeurt. Appellante meent dat het hof niet alleen de wettelijkheid van de opgelegde geldboete, maar ook de opportuniteit ervan kan beoordelen, en dit op grond van het EVRM en het BUPO-Verdrag.
Wat de administratieve boete wegens het niet voorleggen van de leveringsbonnen van leverancier BVBA S. betreft, wijst appellante erop dat er geen wettelijke bewaarplicht bestaat voor leveringsbonnen.
Wat de administratieve boete wegens het niet-dagelijks inschrijven van de dagontvangsten betreft, verklaart appellante te betwisten deze inbreuk te hebben gepleegd.
Wat de proportionele boete betreft, stelde de eerste rechter met reden dat appellante zich vergist heeft, nu geïntimeerde tabel G van de bijlage bij het aangehaalde KB nr. 41 toepaste, waarvan rubriek V een verminderde boete van 20 % van de verschuldigde belasting bepaalt indien het bedrag van de verschuldigde belasting meer is dan … EUR en nu geïntimeerde de verhoging van de boete na uitvaardiging van een dwangbevel niet toepaste.
Wat de boete wegens het niet voorleggen van de leveringsbonnen betreft, merkt geïntimeerde terecht onder verwijzing naar de artikelen 60, § 1 en 61, § 1 W.BTW op dat appellante zich terzake vergist (zie pagina's 9 en 10 van zijn op 27 juni 2006 ter griffie neergelegde synthesebesluiten).
Wat ten slotte de administratieve boete wegens het niet dagelijks inschrijven van dagontvangsten betreft, verwijst geïntimeerde terecht naar de vaststellingen die dienaangaande in het proces-verbaal zijn opgenomen. Uit deze gegevens blijkt duidelijk door vergelijking van de gegevens van de boekhouding met de inschrijvingen in het dagontvangstenboek dat voor verschillende dagen geen ontvangsten werden ingeschreven, terwijl er voor die dagen wel stukken in de boekhouding aanwezig waren waaruit bleek dat er voor die dagen wel degelijk ontvangsten waren geïnd.
Uit hetgeen voorafgaat, blijkt duidelijk dat de diverse administratieve boeten terecht (ook wat hun bedrag betreft) werden opgelegd.
Derhalve dient ook dit middel van appellante te worden afgewezen.
B.III. In nog meer ondergeschikte orde : wat de gevraagde aanstelling van een deskundige betreft
Indien het hof aan de hand van de overgelegde dossiers zich geen oordeel kan vormen omtrent de bewijskracht van de boekhouding, stelt appellante voor een deskundige aan te stellen.
Op grond van hetgeen voorafgaat, blijkt dat de eerste rechter het verzet van appellante terecht heeft afgewezen. Derhalve is er geen reden voorhanden om een deskundige aan te stellen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;
Veroordeelt appellante tot de kosten, begroot op … EUR appellante en op … EUR voor geïntimeerde;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting de zesde fiscale kamer van het Hof van beroep te Brussel, 12.12.2020.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., alleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. J. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.