Parcours procédural
2 étapes · 1 an 4 mois- Décision affichéeTribunal de première instance d'Anvers22.04.2002
- Décision sur appelCour d'appel d'Anvers09.09.2003
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 22.04.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tweeëntwintig april tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
J. V., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR nr. 98/3397/A
BVBA T., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer … met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
eisende partij,
verschijnende bij meester D. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie der belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester D. V. loco Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te … op 28 mei 1998,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 6 februari 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer … van 03 mei 1998 en nummer … van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juli 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 26 maart 2002.
Gelet op het dwangbevel refertenummer Reg. … uitgevaardigd op 28 april 1998 door D. O., Eerstaanwezend inspecteur a.i. van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te 2000 Antwerpen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 april 1998 door J. V., gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, waarin van eisende partij volgende bedragen worden gevorderd :
- hoofdsom BTW : 2.305.300 BEF;
- boete : 510.000 BEF;
- intrest tegen 0,8 % per maand vanaf 21 november 1995 op de hoofdsom
- moratoire intrest op de boete vanaf betekening dwangbevel
- vervolgingskosten.
Gelet op de dagvaarding in verzet tegen het voormeld dwangbevel van 28 mei 1998 die strekt tot :
- het dwangbevel met refertenummer Reg. …, uitgevaardigd op 28 april 1998, van nul en generlei waarde te horen verklaren en eisende partij te horen ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen;
- verwerende partij te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en dit vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 BTW;
- verwerende partij te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
Bij conclusie neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15 september 1999 vraagt eisende partij alvorens recht te doen verwerende partij bij toepassing van artikel 877 Ger. Wb. te veroordelen tot neerlegging van alle stukken waarop de gevestigde ambtshalve aanslag gesteund is, alsmede een lijst van de door verwerende partij aanvaarde verantwoordingen ten bedrage van 572.078 BEF van de tabel "betaalde orders waarvoor geen overeenstemmende factuur is''.
1. Feiten
Op 8 november 1995 werden tijdens een controle van het vervoer over de weg bepaalde vaststellingen gedaan welke werden opgenomen in een proces-verbaal van dezelfde datum. Uit die vaststellingen is volgens verwerende partij gebleken dat de BVBA T. niet alle stukken bewaarde waartoe zij overeenkomstig artikel 60, 2e lid BTW-Wetboek gehouden is.
Aan de BVBA T. werd bij ter post aangetekend bericht van 19 november 1996 kennis gegeven van het voornemen van de Administratie om een ambtshalve aanslag op te leggen. Eisende partij deelde haar niet akkoord met de voorgenomen aanslag mede bij ter post aangetekende brief van 4 december 1996.
Op 12 februari 1998 werd overgegaan tot de vestiging van een ambtshalve aanslag waarbij voor een periode vanaf 1 januari 1993 tot en met 31 oktober 1995 een omzetverhoging werd opgelegd aan eiseres, berekend op grond van de gegevens opgenomen in het proces-verbaal van 8 november 1995 enerzijds en anderzijds op grond van een berekend percentage van een vermoedelijke niet aangegeven omzet.
Een dwangbevel werd dan uitgevaardigd op 23 april 1993 (stuk 3 bundel verwerende partij), uitvoerbaar verklaard op 29 april 1998 en aangetekend ter kennis gebracht van eisende partij op 11 mei 1998 (stuk 4 bundel verwerende partij).
Met gerechtsdeurwaardersexploot van 28 mei 1998 betekend aan verwerende partij door gerechtsdeurwaarder M. B. te …, tekende eisende partij verzet aan tegen voormeld. dwangbevel.
2. Beoordeling
Betreffende de toelaatbaarheid
Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat het verzet toelaatbaar is.
Betreffende de voorlegging van alle stukken ter motivering van de ambtshalve aanslag
Eisende partij vraagt de voorlegging van de gegevens van het BTW-dossier op haar naam en stelt dat bij niet voorlegging hiervan manifest haar rechten van verdediging geschonden zijn.
Zij vraagt eveneens de overlegging van de stukken met betrekking tot de stukken waaruit blijkt welke betalingen aanvaard werden als betalingen van facturen.
Het is inderdaad zo dat verwerende partij de stukken waarop de ambtshalve aanslag gesteund is dient over te leggen.
De gegevens waarop de ambtshalve aanslag gesteund is betreffend echter allemaal documenten opgemaakt door eisende partij namelijk de rittenbladen het financieel journaal voor de periode van 1 augustus 1995 tot 1 november 1995, het uitgaand facturenboek en de belastingaangiftes van eisende partij met betrekking tot de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 oktober 1995, zodat eisende partij reeds kennis had van alle voormelde gegevens.
Wat betreft de overlegging van de stukken waaruit blijkt welke betalingen werden aanvaard als betalingen van facturen, volstaat het de lijst vermeld als bijlage 2 aan de notificatie van 19 november 1996 te vergelijken met de lijsten neergelegd als stukken 6 en … van verwerende partij.
Bijgevolg is de gevraagde neerlegging van stukken volstrekt overbodig daar alle gedagvaarde documenten reeds gekend zijn door eisende partij.
Betreffende de bewijslast
Het uitgangspunt van de bewijsregeling is de aangifte van de belastingplichtige, welke wordt geacht juist te zijn tot bewijs van het tegendeel.
De wetgever legt dus de principiële bewijslast van het verschuldigd zijn van BTW op de Administratie en stelt deze hiervoor een aantal middelen ter beschikking (Henri Vandenbergh, De bewijsplicht van de fiscus inzake BTW en de omkering ervan door het instellen van wettelijke vermoedens, TRF, Colloquiumnummer 18 oktober 2000).
Aan iemand die schuldenaar is van de BTW kan overeenkomstig artikel 66 van het BTW-Wetboek een aanslag worden opgelegd tot beloop van de BTW die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft wanneer :
1° hij geen aangifte heeft ingediend,
2° hij geheel of ten dele in gebreke is gebleven de voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen,
3° hij niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen.
Een aanslag kan ook ambtshalve worden opgelegd aan diegene die :
1° belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk.
2° ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heet uitgereikt,
3° een factuur heeft uitgereikt waarin de verplichte vermeldingen niet juist zijn vermeld (P. Wille, H. Peeters en F. Borger, Handboek BTW 1999-2000, Fiscale Handboeken, 1999, Intersentia rechtswetenschappen, Antwerpen, p.35ó-6).
Iedere ambtshalve aanslag inzake BTW omvat twee fasen, zijnde :
1° de fase waarin op afdoende wijze wordt aangetoond dat de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de aanslag zijn vervuld,
2° de fase waarin het vermoedelijk belastbaar bedrag wordt vastgesteld van de door in artikel 66 beoogde schuldenaars van de BTW verrichte handelingen aan de hand van een samenhangende en relevante bewijsvoering gesteund op onbetwistbare gegevens, of indien deze ontbreken, op een geheel van voornamelijk feitelijke vermoedens die gewichtig, nauwkeurig en met elkaar overeenstemmend zijn.
Verwerende partij draagt de bewijslast terzake.
Betreffende de vervulling van de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een ambtelijke aanslag
Verwerende partij baseert zich in casu op het in gebreke blijven van eisende partij om de door of ter uitvoering van het BTW-Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen.
Zij verwijst naar de bepalingen van artikel 60, § 1, van het BTW-Wetboek dat als volgt luidt : ''De boeken en stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt of ontvangen gedurende tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, ....
Belastingplichtigen en niet belastingplichtige rechtspersonen zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichtte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguitreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.”
Verwerende partij stelt dat eisende partij haar leveringsbons niet heeft bijgehouden, hoewel zij daartoe krachtens artikel 60 Wb. BTW verplicht was, zodat dit feit aanleiding kan geven tot het opleggen van een ambtshalve aanslag.
Uit het proces-verbaal van vaststelling van 8 november 1995 blijkt dat de zaakvoerder van eisende partij, de heer D. T. heeft verklaard dat de afleveringsbons na behandeling in de boekhouding werden weggegooid en dat de rittenbladen eveneens vernietigd werden (stuk 3 bundel verwerende partij). Dit wordt ook thans niet ter discussie gesteld.
Bijgevolg is eisende partij in gebreke gebleven de door artikel 60, § 1 Wb. BTW opgelegde verplichting inzake het bewaren van stukken na te komen.
Het is derhalve duidelijk dat de wettelijke voorwaarden in casu vervuld zijn om overeenkomstig artikel 66 Wb. BTW een ambtshalve aanslag op te leggen.
Verwerende partij dient zich niet te verantwoorden betreffende de keuze van het aangewende bewijsmiddel, zij dient enkel te bewijzen dat de wettelijke toepassingsvoorwaarden terzake vervuld waren, zoals hier het geval is.
Betreffende de wijze waarop de belastingplichtige in kennis werd gesteld
Krachtens artikel 67 van het BTW-Wetboek deelt de administratie vooraf aan de belastingschuldige, in de vorm en onder de voorwaarden die de koning bepaalt, het bedrag en de verantwoording mede van de belasting die zij voornemens is te heffen. De belastingschuldige kan zijn opmerkingen doen kennen.
Krachtens artikel 1 van het KB nr. 9 van 12 maart 1970 met betrekking tot de ambtelijke aanslag inzake belasting over de toegevoegde waarde (vervangen door artikel 1 van het KB van 29 december 1992- BS 31 december 1992- met ingang van 1 januari 1993) stelt de administratie alvorens de in artikel 66 van het Wetboek bedoelde ambtelijke aanslag op te leggen, de schuldenaar van de belasting bij ter post aangetekende brief in kennis van de feiten die de aanslag rechtvaardigen, het tijdvak waarop hij betrekking heeft, het vermoedelijke bedrag van de beoogde handelingen, het bedrag van de ter zake van die handelingen opeisbare belasting, de wijze waarop die belasting werd berekend en het bedrag van de verbeurde geldboeten.
De schuldenaar van de belasting beschikt over een termijn van een maand om schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen.
In casu werd in uitvoering van artikel 67 BTW-Wetboek op 19 november 1996 een notificatie verricht aan eisende partij (stuk 1 bundel verwerende partij).
Zoals eisende partij terecht stelt werd in deze notificatie nagelaten om het bedrag van de verbeurde geldboeten vooraf aan eisende partij mee te delen.
Eisende partij is van oordeel dat de later gevestigde ambtshalve aanslag en het op basis van deze ambtshalve aanslag uitgevaardigde dwangbevel hierdoor door nietigheid zijn behept en dat het dwangbevel om deze reden dient te worden vernietigd.
Zij beroept zich hiervoor op het feit dat het fiscaal recht van openbare orde is en stelt tevens dat zij in haar belangen geschaad is omdat aan haar de mogelijkheid werd ontnomen om zich te verweren inzake de elementen die niet waren opgenomen in de bovenvermelde notificatie.
Verwerende partij stelt in hoofdorde dat er geen nietigheid kan zijn zonder tekst en dat er nergens vermeld staat dat de boete op straffe van nietigheid dient te worden vermeld.
Ondergeschikt meent zij dat eisende partij niet in haar rechten van verdediging geschaad kan zijn omdat de administratieve geldboeten automatisch volgen uit de vastgestelde overtreding krachtens artikel 70, § 1 BTW-Wetboek. Krachtens voormeld artikel wordt voor iedere overtreding van de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde rechten. Zij stelt dat artikel 70, § 1 van het BTWWetboek eveneens van openbare orde is.
Uiterst ondergeschikt is verwerende partij van oordeel dat indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het dwangbevel zou behept zijn met een nietigheid, deze nietigheid enkel betrekking zou hebben op de in de ambtshalve aanslag opgenomen administratieve geldboete en in geen geval op de rechten.
De rechtbank is van oordeel dat de notificatie behept is met een nietigheid, gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wetgeving.
Deze nietigheid heeft enkel betrekking op het element dat in casu niet werd vermeld in de notificatie namelijk de geldboete.
Gelet op het feit dat er geen voorafgaande mededeling is gedaan door de administratie van het bedrag van de verbeurde geldboete conform de bepalingen van artikel 67 van het BTW-Wetboek en artikel 1 van het bovenvermelde KB nummer 9 is de in de ambtshalve aanslag opgenomen geldboete nietig.
Betreffende de motivering van de ambtshalve aanslag en van het dwangbevel
In de ambtshalve aanslag wordt duidelijk gemotiveerd waarom men gebruik maakt van deze procedure, wat het bedrag is van de meeromzet die men weerhoudt en de wijze waarop deze meeromzet werd vastgesteld.
Derhalve is de ambtshalve aanslag voldoende gemotiveerd.
Deze ambtshalve aanslag werd integraal opgenomen in het dwangbevel, zodat het dwangbevel ook alle vereiste motiveringen bevat.
Betreffende de grondslag van de ambtshalve aanslag
Op 8 november 1995 werd naar aanleiding van een controle vastgesteld dat personen bezig waren twee bestelwagens te laden met voedingswaren. Volgens verklaring van de zaakvoerder van eisende partij waren deze voedingswaren de bestellingen voor twee rondes.
Er werden drie soorten documenten gebruikt die de goederen zouden vergezellen op ronde namelijkv:
- facturen, welke door middel van een geautomatiseerd systeem geproduceerd waren,
- geschreven afleveringsbonnen zonder volgnummer met een groene kleur waarop de benaming van de afnemer en de datum vermeld waren,
- geschreven afleveringsbonnen zonder volgnummer met een witte kleur waarop eveneens de benaming van de afnemer en de datum vermeld waren.
De zaakvoerder verklaarde de betekenis van voormelde documenten als volgt :
- de goederen waarvan men zeker was dat ze geleverd diende te worden werden onmiddellijk gefactureerd,
- de goederen waarvan men niet zeker was of de klant ze moest hebben werden op de groene afleveringsbonnen vermeld,
- de goederen vermeld op de witte bestelbons moesten maar periodiek (wekelijks, maandelijks of driemaandelijks) gefactureerd worden.
Al deze documenten werden door de zaakvoerder genoteerd op losse bladen, welke in een ringmap bijgehouden werden. Deze samenvattingen (hierna rittenbladen genoemd) dienen om op het einde van de dag een controle te hebben op de werknemers van eisende partij. Er werd genoteerd welke goederen effectief werden geleverd en welke leveringen betaald zijn. De contante betalingen werden vermeld op het rittenblad. De leveringen welke niet contant betaald werden, werden doorstreept op het rittenblad. Ter controle werd de som van de op het rittenblad vermelde contante ontvangsten, vergeleken met de som geld die de chauffeur bij zich had op het einde van de ronde.
In de ringmap bevonden zich rittenbladen met betrekking tot de periode vanaf 1 augustus 1995 tot 8 november 1995. De rittenbladen van de vorige periode werden vernietigd volgens de zaakvoerder van eisende partij.
De afleveringsbons werden volgens verklaring van de zaakvoerder na verwerking in de boekhouding eveneens vernietigd. Enkel de bons van 7 november 1995 konden nog voorgelegd worden.
Het kasdagboek dat op datum van 8 november 1995 was ingeschreven tot en met 26 oktober 1995 werd geviseerd door de verificateurs van verwerende partij.
Op 29 maart 1996 werd door de verificateurs verwerende partij een controle van de boekhouding aangekondigd die zou plaatsgrijpen op 19 april 1996 met betrekking tot de naleving van de BTW-wetgeving (stuk 5 bundel eisende partij).
Als bijlage werd een overzicht van een rittenblad gekoppeld aan de uitgaande facturatie en werd een overzicht gegeven van betaalde orders waarvoor geen overeenstemmende factuur werd gevonden.
Enige tijd na de voormelde controle van de boekhouding werd dan door verwerende partij notificatie gegeven in uitvoering van artikel 67 van het BTW-Wetboek.
Verwerende partij berekende de voorgenomen ambtshalve aanslag op basis van de hiernavolgende gecontroleerde documenten van eisende partij :
- de rittenbladen betreffende de periode vanaf 1 augustus 1995 tot 8 november 1995,
- het financieel journaal voor de periode van 1 augustus 1995 tot 1 november 1995,
- het uitgaand facturenboek
- de BTW-aangiftes.
Verwerende partij stelde na controle ter plaatse van de boekhouding van eisende partij en na aangevulde lijsten te hebben ontvangen van eisende partij, nog steeds een verschil vast tussen de gegevens vermeld op de rittenbladen en deze opgenomen in het financieel journaal ten bedrage van 4.133.515 BEF totaal betaalde orders waarvoor geen overeenstemmende factuur gevonden is.
Op de aangegeven omzet in de periodieke BTW-aangifte voor de periode van 1 augustus 1995 tot 31 oktober 1995, die 12.688.077 BEF bedroeg, werd een gemiddeld percentage van 6,339 % BTW gefactureerd door eisende partij.
De verhouding tussen de aangegeven en de niet aangegeven omzet bedroeg 30,12 % op basis van de voormelde gegevens berekend.
Alle deze dementen zijn gebaseerd op vaststaande feiten, namelijk documenten van eisende partij.
Voormeld aangerekend gemiddeld BTW-percentage en voormeld percentage van de niet aangegeven omzet werden vervolgens geëxtrapoleerd door verwerende partij naar de periode vanaf 1 januari 1993 tot en met 31 oktober 1995 op basis van de aangegeven omzet met betrekking tot die periode.
De reden hiervoor is terug te vinden in het feit dat de stukken welke uitsluitsel zouden kunnen geven over de correctheid van de inschrijvingen in de boekhouding werden vernietigd door eisende partij, waardoor de bewijskracht van de boekhouding volledig ontkracht werd.
Op basis van de voormelde gegevens werd dan vervolgens de verschuldigde BTW berekend voor de voormelde periode namelijk 2.305.300 BEF.
Bij aangetekende brief van 4 december 1996 meldde eisende partij bij monde van haar raadsman dat zij zich niet akkoord kon verklaren met de voorgenomen ambtshalve aanslag omdat die willekeurig zou zijn vastgesteld.
De ambtshalve aanslag werd vervolgens gevestigd conform de berekeningen vermeld in de notificatie met uitzondering van de boetes, die zoals hoger vermeld niet waren opgenomen in de notificatie.
Thans stelt eisende partij nog steeds dat de ambtshalve aanslag willekeurig zou zijn vastgesteld.
Zoals reeds bovenvermeld werd door verwerende partij berekend dat op basis van de door eisende partij voorgelegde documenten er 30,12 % van de omzet niet werd aangegeven door eisende partij in de periode van 1 augustus 1995 tot en met 31 oktober 1995.
Deze berekening werd uitvoerig toegelicht en correct uitgevoerd door verwerende partij.
De later extrapolatie gebeurde op basis van de voormelde berekening, op basis van de BTW-aangiftes ingediend door eisende partij en op basis van de vaststelling dat de stukken welke uitsluitsel zouden kunnen geven over de correctheid van de inschrijvingen in de boekhouding werden vernietigd door eisende partij.
De rechtbank is van oordeel dat het geheel van de voormelde vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, elkaar aanvullen en een rechtsgeldig vermoeden uitmaken en voldoende zekerheid bieden dat eisende partij in de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 oktober 1995 voor 36.366.943 BEF(= 93 : 10.034.880 BEF + 94 : 13.928.132 BEF + '95 : 12.403.931 BEF) bestellingen “in het zwart” heeft geleverd zonder dat deze werden opgenomen in de officiële boekhouding en in haar BTW-aangiften, zodat de verschuldigde BTW a rato van een gemiddeld percentage van 6,339 % hierop 2.305.300 BEF bedraagt.
Bijgevolg is de aanslag geenszins willekeurig gevestigd.
Vermits de aanslag niet willekeurig is gevestigd dient eisende partij, die de aanslag betwist te bewijzen dat de aanslag overdreven is.
Betreffende het tegenbewijs
Verwerende partij stelt terecht dat de ambtshalve aanslag gebaseerd is op duidelijke verschillen tussen de bedragen die opgenomen werden op de rittenbladen en deze die werden opgenomen in het financieel journaal en de extrapolaties van die verschillen.
Samen met verwerende partij dient de rechtbank vast te stellen dat eisende partij tot op heden geen enkele plausibele verklaring heeft gegeven met betrekking tot de bovenvermelde verschillen en derhalve geenszins aantoont dat de ambtshalve aanslag overdreven is.
De verdere uitdieping naar de klanten toe staat eigenlijk los van de vastgestelde ·verschillen en van de ambtshalve aanslag in casu, zodat de argumentatie terzake totaal niet dienend is.
Betreffende het principe van de neutraliteit inzake BTW
Eisende partij stelt dat de BTW door de BTW-administratie op de verkopen waarvoor geen overeenstemmende factuur bestaat reeds gerecupereerd werd van de verschillende afnemers van eisende partij. Volgens eisende partij blijkt dit uit de aanvullende conclusies opgesteld door verwerende partij pagina 8.
In deze conclusies wordt enkel gesteld dat verwerende partij de niet geboekte ontvangsten heeft toegewezen aan de klanten van eisende partij teneinde in een later stadium een correctie te kunnen doorvoeren met betrekking tot de aangegeven omzetcijfers van de betrokken horecazaken.
Er ligt dus thans geen enkel bewijs voor van de recuperatie van de BTW door verwerende partij bij de afnemers van eisende partij, zodat het principe van de neutraliteit van de BTW niet geschonden is.
Betreffende de boete
Zoals reeds hogervermeld is verwerende partij niet gerechtigd de administratieve boetes te vorderen van eisende partij gelet op het niet vermelden van deze boetes in de notificatie die verricht werd conform de bepalingen van artikel 67 BTW-wetboek.
De verder terzake ontwikkelde argumentatie van partijen is derhalve niet meer dienend.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Dispositif
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering in verzet tegen het dwangbevel toelaatbaar en als volgt gegrond.
Vernietigt het dwangbevel in de mate dat een met 50 % verhoogde geldboete van eisende partij wordt nagevorderd.
Veroordeelt verwerende partij tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de in het dwangbevel vermelde met 50 % verhoogde geldboete, vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 BTW-Wetboek.
Veroordeelt verwerende partij tot 1/5 en eisende partij tot 4/5 van de kosten van het geding in hoofde van partijen in totaal begroot en door de rechtbank ambtshalve in hoofde van eisende partij in totaal vereffend op 100,87 EUR dagvaarding en 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verwerende partij in totaal vereffend op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer- en anders gevorderde af.
N. D. N. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.