Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 8 septembre 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-1999-09-08-4cb0

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
8 septembre 1999

Parcours procédural

2 étapes · 3 ans 3 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel de Gand08.09.1999
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique03.01.2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

38 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 08.09.1999

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van Beroep te Gent - 13e Kamer

1996/AR/2145

In de zaak van :

L. J., handelaar, wonende te …, …,

appellant,

hebbende als raadsman Mr. C. J., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Admininistratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, 8000 BRUGGE, Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebben als raadsman Mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

Velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 30 augustus 1996 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 1 april 1996 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het geschil betreft een hoger beroep teen de afwijzing van het verzet tegen een dwangbevel inzake de BTW.

Art. 92, tweede lid van het BTW-wetboek bepaalt : “wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, kan tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt".

Bij aangetekend schrijven dd. 24 oktober 1996 werd de appellant verzocht om de verschuldigde bedragen te consigneren. Hij heeft daaraan geen gevolg gegeven en heeft zelfs niet geantwoord op dit verzoek.

De administratie houdt thans voor dat het hoger beroep niet. ontvankelijk is omdat de appellant heeft verzuimd over te gaan tot consignatie zoals was gevraagd.

De appellant houdt voor dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep moet beoordeeld worden op het ogenblik waarop het werd ingesteld. Daar op dat ogenblik nog geen verzoek tot consignatie was toegestuurd, is (naar zijn mening) het hoger beroep ontvankelijk. Verder stelt hij dat de bepaling van het voormeld artikel 92, tweede lid, is ingegeven door de bezorgdheid dilatoire hoger beroepen te vermijden en dat zijn hoger beroep niet als dilatoir kan afgedaan worden.

De beroepsakte bevat geen grieven waarover de eerste rechter nog geen uitspraak heeft gedaan in een gemotiveerd vonnis.

De ontvanger heeft een discretionaire bevoegdheid om al dan niet de consignatie te vragen en de vraag tot consignatie werd gemotiveerd. Het feit dat door de administratie reeds bewarende maatregelen werden genomen en dat bewarend beslag werd gelegd op de eigendommen van de appellant, kan niet als een voldoende garantie aangezien worden voor de betaling van een schuld van meer dan … fr.

Het verzoek tot consignatie is gesteund op objectieve en controleerbare gegevens, inzonderheid het ontbreken van nieuwe argumenten en de vaststelling dat de onroerende goederen, vatbaar voor inschrijving van de wettelijke hypotheek, slechts zekerheid kunnen bieden voor een bedrag van ongeveer … fr. Het verzoek tot consignatie derhalve redelijkerwijs verantwoord door de inroeping dat de consignatie vereis is om de belangen van de Schatkist te vrijwaren en dat deze belangen op geen andere manier in dezelfde mate kunnen veilig gesteld worden.

Ook heeft de appellant niet aangetoond dat er in zijnen hoofde overmacht bestaat om gevolg te geven aan het verzoek van de administratie of dat het verzoek tot consignatie zou berusten op machtsafwending of machtsoverschrijding.

Het Hof kan zich niet in de plaats stellen van de Ontvanger om te oordelen over de opportuniteit van het verzoek tot consignatie. Het kan enkel nagaan of het verzoek tot consignatie gemotiveerd is en of .het rechtmatig is. Zulks is te dezen het geval.

Het hoger beroep is dan ook niet geldig bij gebrek aan consignatie.

De appellant roept ten onrechte in dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep moet beoordeeld worden op het ogenblik waarop het werd ingesteld. Het voormeld art. 92, tweede lid bepaalt immers uitdrukkelijk dat het hoger beroep niet geldig kan zijn wanneer geen gevolg werd gegeven aan de vraag tot consignatie en deze vraag kan slechts gesteld worden nadat het hoger beroep werd ingesteld.

Dispositif

Op deze gronden, het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op … fr. rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 8 SEPTEMBER NEGENTIENHONDERD NEGENENNEGENTIG door :

alleenrechtsprekend Kamervoorzitter L. G.,

bijgestaan door griffier C. S.

S. G.

Textes cités

1
CTVA art. 921 occurrence

Décisions similaires

8