Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 20 octobre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2009-10-20-055a

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
20 octobre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 20.10.2009

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte et publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ZESDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Inzake : 2009/AR/1102

De heer V. D. K. W., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV J. S. EN Z., hiertoe aangesteld bij vonnis gewezen door de 6e kamer van de rechtbank van koophandel te Antwerpen de dato 25 oktober 2006, met kantoor gevestigd te 2018 Antwerpen, Bourlastraat 3 bus 6.

appellant,

- tegen het vonnis gewezen door de 4F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 10 december 2008, gekend onder het nummer AR 08/599/A

- vertegenwoordigd door Meester A. K.-W., advocaat te …, … (ref. : 06/338)

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, vertegenwoordigd door de heer minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. L., advocaat te …, … (ref. : 2082263)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder een voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen op 10 december 2008 door de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 april 2009;

Gelet op het verzoekschrift tot ongegrond verklaring van het consignatieverzoek, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 juni 2009;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1 Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

1.1. Op 13 maart 2007 werd door de vereffenaar van de NV J. S. EN Z., appellant q.q., een aangifte tot stopzetting van de activiteit van de NV ingediend op het BTW-controlekantoor Antwerpen 3, met als datum van stopzetting van de BTW-activiteiten op 31 december 2006.

Op 26 juli 2007 werden op het scanningcentrum te Gent de periodieke BTW-aangiften voor het eerste en het tweede kwartaal 2007 ingediend, met daarin geen enkel bedrag aan uitgaande handelingen.

Naar aanleiding van een door de heer R. V. D. van het BTW­controlekantoor Antwerpen 3 uitgevoerde verificatie van de boekhouding met betrekking tot de periode van het jaar 2004 tot het tweede kwartaal 2007 werd vastgesteld dat een aantal uitgaande handelingen niet waren opgenomen in de periodieke BTW-aangiften.

Voor deze inbreuken werd een correctieopgave opgesteld, die voor akkoord werd ondertekend.

Naast de verschuldigde BTW van … euro werd een boete aangerekend van … euro.

Deze boete bedraagt in principe op grond van de artikelen 70, § 1 en § 1bis, van het BTW-Wetboek het dubbel van de niet of niet tijdig betaalde belasting.

Aangezien de administratie reeds aangenomen heeft dat deze onregelmatigheid niet werd begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, werd in .dit geval, bij toepassing van tabel G, eerste afdeling, rubriek V, van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, deze boete vastgesteld op 20 pct. van de opeisbare belasting of … euro (na afronding).

1.2. De raadsman van appellant q.q. verzocht bij brief van 12 december 2007 om kwijtschelding van de boete opgenomen in de correctieopgave.

De gewestelijke directeur van de directie BTW Antwerpen oordeelde evenwel in zijn antwoord van 20 december 2007 dat er geen wettelijke of feitelijke rechtvaardigingsgrond is om de boete op grond van artikel 9 van het besluit van de regent van 18 maart 1831 kwijt te schelden of te verminderen. Hij wees erop dat de verificatie van de boekhouding op 11 oktober 2007 reeds was aangekondigd met een schrijven van 28 september 2007, en er op dat ogenblik nog geen enkel initiatief was van de NV om haar toestand inzake de nog verschuldigde BTW te regulariseren. Er kan dan ook geen sprake zijn van een spontane rechtzetting van de belastingplichtige vóór enige tussenkomst van de administratie en het artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 41 is in deze omstandigheden niet van toepassing. Daarenboven was de verschuldigde BTW over de vastgestelde inbreuken reeds veel eerder opeisbaar, en was de NV reeds lang in de mogelijkheid om haar toestand te regulariseren. In de periode dat het BTW-identificatienummer geactiveerd was, werd bovendien geen enkele omzethandeling, onderworpen aan de BTW, in de periodieke BTW-aangiften opgenomen. De handelingen die werden opgenomen in de correctieopgave zijn uiteindelijk zelfs de enige handelingen die in de periodieke BTW-aangiften van de gecontroleerde periode dienden te worden opgenomen.

1.3. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 25 januari 2008 vordert appellant q.q. de vernietiging van de administratieve beslissing van 20 december 2007, de gegrond verklaring van het verzoek tot kwijtschelding van 12 december 2007 van de BTW-boete ten bedrage van … euro, het verlenen van kwijtschelding van de BTW-boete ten bedrage van … euro, het ontslaan van appellant q.q. van de ten onrechte betaalde BTW-boete en het bevelen van de terugbetaling van de door appellant q.q. reeds betaalde bedragen en/of door de Belgische staat, geïntimeerde ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten.

1.4. Het bestreden vonnis uitgesproken door de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 10 december 2008 stelt vooreerst vast dat de NV J. S. EN Z. een aantal uitgaande handelingen in de periodieke BTW-aangiften heeft opgenomen en de verschuldigde BTW niet tijdig heeft betaald. De eerste rechter stelt tevens vast dat niet blijkt dat appellant q.q. de toestand spontaan heeft rechtgezet vóór enige tussenkomst van een fiscale administratie. De belastingplichtige heeft bovendien de vrije keuze van boekhouder en moet dan ook de gevolgen dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van deze boekhouder. De geldboete van 20 %, die werd opgelegd ingevolge de voornoemde inbreuken, is wettelijk en staat in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten. De vordering wordt derhalve als ongegrond afgewezen.

1.5. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 april 2009.

1.6. De ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen heeft, bij aangetekende brief van 28 april 2009, overeenkomstig artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek, aan appellant q.q. een consignatieverzoek ter kennis gebracht, waarbij appellant q.q. verzocht wordt om binnen de twee maanden een bedrag van … euro in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas. Dit afgerond bedrag komt overeen met de verschuldigde BTW, verhoogd met de interesten en de gerechtskosten.

De ontvanger stelt hierbij vast appellant q.q. nog steeds geen betaling heeft uitgevoerd, ondanks het feit dat hij niet onwetend is van de rekening waarop moet worden betaald noch van de bedragen die moeten worden betaald.

1.7. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 juni 2009 vordert appellant. q.q. het verzoek tot consignatie ongegrond te verklaren.

1.8. In dit verzoekschrift voert appellant q.q. dat de financiële toestand hem niet toelaat de gevraagde consignatie te stellen, gezien hij niet beschikt over voldoende onroerende goederen, noch over voldoende roerende goederen die het hem zouden moeten toelaten het gevraagde bedrag te consigneren of een alternatieve zekerheid te stellen. Het verzoek tot consignatie is dan ook onredelijk en onevenredig met het nagestreefde doel en beperkt op dermate verregaande wijze het recht van appellant q.q. tot het instellen van hoger beroep dat het ongegrond moet worden verklaard. Tenslotte, stelt appellant q.q. vast dat het verzoek tot consignatie niet uitdrukkelijk werd gemotiveerd. Het verzoek tot consignatie moet dan ook ongegrond worden verklaard.

1.9. In zijn op 28 juli 2009 neergelegde conclusies merkt geïntimeerde vooreerst op dat alleen consignatie van niet betwiste sommen wordt gevraagd en dat appellant q.q. herhaaldelijk heeft gesteld dat hij zinnens was om betalingen te verrichten, waaruit mag worden afgeleid dat appellant q.q. wel degelijk over voldoende financiële middelen beschikt om het gevraagde bedrag van … euro te consigneren. De consignatiemaatregel mag worden bevolen zelfs als de belastingschuldige geen vertragingmanoeuvres aanwendt, mits de rechten van de schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn. In casu werd het hoger beroep ingesteld om de betaling van de niet betwiste belasting te vertragen. Appellant q.q. heeft er overigens baat bij om te betalen teneinde het bedrag van de interesten te beperken. In dit concrete geval moet worden besloten dat het consignatieverzoek het recht van de schuldenaar op het instellen van hoger beroep niet op zodanige wijze inperkt dat de kern van dit recht wordt aangetast. In de gegeven omstandigheden bestaat er wel degelijk een verband van evenredigheid tussen de beperkingen, die het inwilligen van het consignatieverzoek tot gevolg zou hebben, en het door de BTW­ontvanger nagestreefde doel. Geïntimeerde besluit derhalve tot de ongegrondheid van het verzoek tot ongegrond verklaring van het consignatieverzoek.

2 Beoordeling

2.1. Artikel 92 van het BTW-Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 61 van de Wet van 15 maart 1999 (van toepassing op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999) bepaalt het volgende :

"In geval van beroep tegen het vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van de belasting over de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennis geven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of van een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij zij, op grond van een met redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet gegrond is."

2.2. Vooreerst dient te worden aangenomen dat, hoewel niet uitdrukkelijk voorzien in artikel 92 (nieuw) W.BTW, de consignatietermijn van twee maanden waarvan sprake, geschorst wordt tussen het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift van de belastingschuldige en de beslissing hierover door het Hof.

Anders redeneren zou betekenen dat het hoger beroep bijna altijd onontvankelijk zou zijn indien de rechter het verzoekschrift van belastingschuldige zou afwijzen en dus het consignatieverzoek gegrond zou vinden. De termijn van twee maanden waarbinnen de consignatie moest gebeuren, zou immers bijna altijd verstreken zijn.

2.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat die tekst de bepalingen van artikel 202-2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 maart 1927, houdende het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, letterlijk heeft overgenomen. Het verslag aan de Koning dat aan dat besluit voorafgaat geeft aan in welke gevallen het aanbeveling verdient, het verrichten van een provisionele storting of het verlenen van een borgtocht te bevelen. De consignatiemaatregel kan aldus worden bevolen zelfs als de belastingschuldige geen vertragingmanoeuvres aanwendt, mits de rechten van de schatkist in gevaar zijn of kunnen zijn (vgl. Cass. (1e k.) AR C.03.0158.F, 20 januari 2005), Arr. Cass. 2005, 149, F.J.F. 2005, 629, Pas. 2005, 162).

De wetgever stelt met artikel 92, tweede lid 2 W.BTW. de toegang tot de rechter in hoger beroep afhankelijk van de consignatie van de sommen die krachtens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg verschuldigd zijn.

Een dergelijke inperking van het recht om hoger beroep in te stellen kan niet als kennelijk onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel worden aangezien, nu het, ingevolge verschillende arresten van het Arbitragehof (zie o.a. Arbitragehof nr. 75/95, 9 november 1995 (prejudiciële vraag), A.A. 1995, 1073, B.S. 1 december 1995, 32.699, Rec. gén. enr. not. 1996, 70; Arbitragehof nr. 44/95, 6 juni 1995 (prejudiciële vraag), AA. 1995, 681, A.J.T. 1994-95, 592, noot L. VANDENBERGHE, 'De consignatieverplichting in BTW-geschillen', (A.J.T. 1994-95, 597-600), Act. dr. 1996, 443, noot N. PIROTTE, 'Consignation T.V.A. et égalité devant l'impôt', (Act. dr. 1996, 450-460), B.S. 26 augustus 1995, 24.534, B.T.W.-Revue 1995, 835, F.J.F. 1995, 271, Fisc. Koer. 1995, 495, Limb. Rechtsl. 1997, 14, R.W. 1995-96 (verkort), 336, noot, T.B.P. 1995, 741) gewijzigde artikel 92, tweede lid, W.BTW. aan de bevoegde administratie de zorg laat rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige, om na te gaan of de consignatie al dan niet aangewezen is om de wettelijke doelstelling te verwezenlijken. Het nieuwe artikel 92 W.BTW voorziet, inderdaad, een discretionaire en geen gebonden bevoegdheid van de ontvanger, d.w.z. dat het consignatieverzoek aan het inzicht en de beslissing van de ontvanger wordt overgelaten.

2.4. Een vraag tot consignatie - uitgaande van de BTW-ontvanger - moet worden gekwalificeerd als bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991.

Als dusdanig dient deze beslissing dan ook formeel en afdoende gemotiveerd te worden, wat inhoudt dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan het verzoek tot consignatie ten gronde liggen in het verzoek zelf moeten worden vermeld.

Deze overwegingen moeten bovendien pertinent zijn en de beslissing van de ontvanger volledig verantwoorden.

Die verantwoording moet uit de bestuurshandeling zelf - dus het verzoek tot consignatie - blijken. Er mag dus niet in algemene termen naar het administratief dossier worden verwezen.

Het 1ste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen heeft bij aangetekend schrijven van 28 april 2009 aan appellant q.q. een verzoek tot consignatie gericht, dat op volgende redenen steunt :

“[…]

In het initiële verzet d.d. 05 februari 2008 tegen het bestreden dwangbevel werd melding gemaakt van het volgende :

- "Verzoeker was namens de NV J. S. EN Z. zinnens betalingen te verrichten opzichtens de diensten van de BTW­administratie"

- "daarbij komt dat verzoeker geen kennis had van een rekeningnummer waarop de eventueel verschuldigde BTW diende te worden betaald, zodat hij de facto in de onmogelijkheid verkeerde enige betaling opzichtens verweersters te verrichten"

In een mail van 06 november 2008, verzonden vanuit het mailadres w.vandenkeybus@g-net.be vraagt U naar de openstaande schuld.

In reply op bovenstaande mail naar bovenstaand mailadres, laat mijn medewerkster mw. A. C. U op 25 november 2008 weten dat er op dat ogenblik nog een schuld openstaat ten bedrage van € … en dat het bedrag moest gestort worden op rekening … van BTW-ontvangsten Mechelen met als referte +++…+++

Tot op heden werd er op het RCIV te Mechelen voor dat artikel nog geen enkele betaling ontvangen, ondanks het feit dat U zeker niet in de onwetendheid verkeerde van de rekening waarop moest betaald worden noch van de te betalen bedragen. [...]".

Uit deze redenen, die overigens door appellant q.q. niet worden betwist, kan worden afgeleid dat de rechten van de schatkist gebeurlijk in gevaar zouden kunnen zijn ingeval van bevestiging van het bestreden vonnis ten gronde, nu appellant q.q. ondanks het voor akkoord ondertekenen van een correctieopgave op 12 december 2007, waarin wordt erkend de som van … euro als belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd te zijn, te verhogen met de wettelijke interest overeenkomstig artikel 91, § 1, van het BTW-wetboek vanaf 21 januari 2007, nog steeds geen enkele betaling heeft uitgevoerd. Door appellant q.q. wordt bovendien ten gronde geen enkele betwisting gevoerd omtrent de verschuldigdheid van de BTW en de interesten doch enkel over de boete, waarvoor kwijtschelding wordt gevraagd. In het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 25 januari 2008 wordt ook uitdrukkelijk gesteld dat appellant q.q. zinnens was betalingen te verrichten, waaruit mag worden afgeleid dat men over de nodige financiële middelen beschikt om de BTW-schuld te voldoen, doch deze betaling zo lang mogelijk tracht uit te stellen.

Het consignatieverzoek verwijst anderzijds naar de relevante wettelijke bepalingen.

Het verzoek tot consignatie is dan ook afdoende gemotiveerd.

2.5. Het verzoek tot consignatie, dat beperkt is tot de verschuldigde BTW en de interesten en gerechtskosten met uitsluiting van de nog in betwisting zijnde boete, kan in de gegeven concrete situatie niet kennelijk onredelijk en buiten verhouding met het nagestreefde doel worden beschouwd.

Een algemeen rechtsbeginsel van de dubbele aanleg bestaat inderdaad niet. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van hoger beroep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Het recht op het aanwenden van het rechtsmiddel waarin de wetgever heeft voorzien zou zijn geschonden, indien de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (G. CLOSSET-MARCHAL & J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, 'Droit judiciaire privé. Les voies de recours. Examen de jurisprudence (1993 à 2005)', R.C.J.B. 2006, nr. 3-4 p. 87-89; Arbitragehof nr. 58/2001, 8 mei 2001 (prejudiciële vraag), AA. 2001, afl. 2, 829, B.S. 3 juli 2001 (uittreksel), 22793, Juristenkrant 2001 (weergave L. ARNOU), afl. 30, 7, Jaarboek Mensenrechten 2001-02, 230, T. Strafr. 2002, afl. 2, 78; Arbitragehof nr. 60/96, 7 november 1996 (prejudiciële vraag), A.A. 1996, 753, B.S. 18 januari 1997, 988, J.L.M.B. 1996, 1692, noot V. THIRY, 'La privation d'un double degré de juridiction en regard du principe d'égalité', (J.L.M.B. 1996, 1695-1696), J.T. 1997 (verkort), 58, R.W. 1996-97, 1287, Rev. dr. pén. 1997, 667, T.B.P. 1997, 361).

De financiële toestand van de belastingschuldige is slechts één van de gegevens, waarmee de BTW-ontvanger rekening kan houden om al dan niet een consignatieverzoek aan deze laatste te richten voor het geheel of een deel van de verschuldigde bedragen.

In dit concreet geval moet worden vastgesteld dat de NV J. S. EN Z. van medecontracten ontvangen BTW niet heeft aangewend tot voldoening van haar eigen BTW-schulden, hoewel appellant q.q. eveneens de ondubbelzinnige bedoeling heeft geuit om de belastingschuld te voldoen.

In deze concrete omstandigheden kan dan ook niet worden besloten dat het verzoek tot consignatie het recht van appellant q.q. op het instellen van hoger beroep op zodanige wijze inperkt dat de kern van dit recht wordt aangetast. Er bestaat een redelijk verband van evenredigheid tussen de beperkingen, die het inwilligen van het consignatieverzoek tot gevolg heeft, en het door de BTW-ontvanger nagestreefde doel.

2.6. Geïntimeerde besluit niet alleen tot de ongegrondheid van het verzoek tot ongegrond verklaring van het consignatieverzoek, doch tevens tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep gezien hieraan geen gevolg werd gegeven.

Overeenkomstig artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek dienen de gevorderde bedragen in consignatie te worden gegeven of dient de zekerheid te worden gevestigd binnen de twee maanden vanaf de kennisgeving.

Het behoort, gelet op het feit dat appellant q.q. geen standpunt heeft ingenomen omtrent de betwisting die zou kunnen bestaan over de mogelijkheid om vooralsnog tot consignatie over te gaan resp. de door geïntimeerde opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, om de berechting van deze exceptie bij de behandeling van de grond van de zaak te voegen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de vordering tot ongegrond verklaring van het verzoek tot consignatie ontvankelijk doch ongegrond;

Verklaart derhalve het verzoek tot consignatie van de ontvanger van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, bij aangetekende brief van 28 april 2009 ter kennis gebracht aan appellant q.q., waarbij verzocht werd het bedrag van … euro aan BTW, interesten en kosten in consignatie te geven bij de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig artikel 92 van het BTW-Wetboek ontvankelijk en gegrond;

Voegt de berechting van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en de beslissing omtrent de kosten bij de hoofdzaak;

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 20 oktober 2009, waar aanwezig waren :

S. B., alleenzetelend raadsheer

R. V. G., griffier.

R. V. G. S. B.

Textes cités

4
CTVA art. 924 occurrences
AR no 41 art. 31 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8