Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 30.04.2013
RésSamenvatting niet beschikbaar
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 30-04-2013
Nr. 2011/AR/2430
in de zaak van :
V. W., en zijn echtgenote, C. B. wonende te …, …,
appellanten,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. P., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Algemene administratie van de fiscaliteit-BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 augustus 2011 werd door de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 27 juni 2011 waarbij hun fiscale vordering werd toegelaten doch afgewezen werd als ongegrond met veroordeling van de appellanten in de kosten, waaronder … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Het hoger beroep strekt er toe dit toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te doen verklaren het vonnis a quo te vernietigen en bijgevolg :
- de fiscale vordering ontvankelijk te doen verklaren;
- de gevorderde BTW bij dwangbevel, uitgevaardigd door mevrouw C. P., waarnemend e.a. inspecteur van het BTW-kantoor te Brugge op 27/10/2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door C. L., e.a. inspecteur a.i. van het Controlekantoor te Blankenberge op 29/10/2009 t.b.v. … EUR ongegrond te verklaren, minstens te vernietigen, minstens ontheffing te verlenen;
- opnieuw wijzende te zeggen voor recht dat de appellanten geen BTW meer verschuldigd zijn;
- de gevorderde geldboeten te vernietigen en de appellanten ervan te bevrijden;
- de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.
De Belgische Staat vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
Feitelijke gegevens
Op 28 juni 2006 wordt overeenkomstig artikel 1, 1° KB nr. 14 van 3 juni 1970 een optieverklaring 104/1 ingediend bij de BTW-controle te Blankenberge. De optieverklaring wordt ingeschreven onder nummer …. De optie betreft de verkoop van een appartement op de tweede verdieping en 2 garages gelegen te …, ….
Op 10 juli 2007, 8 augustus 2008 en 8 oktober 2008 wordt door de administratie aan de appellanten gevraagd of het onroerend goed reeds verkocht is. Na een verzoek om uitstel van de boekhouder volgt geen reactie meer. Op 24 maart. 2009 wordt door de administratie nogmaals gevraagd om inlichtingen te verschaffen, doch zonder resultaat.
Uiteindelijk kon worden vernomen dat het onroerend goed werd verkocht op 30 juni 2006 zonder dat een BTW-aangifte werd ingediend.
Op 25 september 2009 werd proces-verbaal opgesteld door S. F., fiscaal deskundige verbonden aan het BTW-controlekantoor te Brugge Il en medewerking verlenend als waarnemend eerstaanwezend inspecteur aan het BTW-controlekantoor te Blankenberge. In het proces-verbaal wordt gesteld dat appellanten verschuldigd zijn … EUR als BTW, … EUR als evenredige geldboete, … EUR als niet proportionele geldboete (wegens het niet verschaffen van inlichtingen) en intresten vanaf 29 juli 2006.
Op 27 oktober 2009 wordt op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel wordt op 29 oktober 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door C. L., e.a. inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW te Brugge. Dit dwangbevel wordt op 3 november 2009 betekend aan eerste appellant.
Op 4 maart 2010 hebben de appellanten een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie, dat bij het bestreden vonnis werd afgewezen. Het is tegen dit vonnis dat hoger beroep werd aangetekend.
Beoordeling
De eerste rechter oordeelde dat de vordering tot teruggaaf van de BTW verjaard is, dat er geen overmacht was en dat de boeten niet onevenredig zijn met de inbreuken.
De geïntimeerde laat ook in graad van beroep gelden dat de vordering tot teruggave van het BTW-tegoed verjaard is overeenkomstig de artikelen 82 en 82bis W.BTW. Volgens art. 82 W.BTW begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Art. 82bis W.BTW luidt als volgt : Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en de administratieve geldboeten na het vestrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
De appellanten hebben de hoedanigheid van toevallige BTW-belastingplichtigen gekregen ingevolge een optieverklaring 104/1. Het lag in hun bedoeling het nieuw opgericht gebouw te vervreemden onder het stelsel van de BTW. Sinds 7 juli 2003 dient de toerekening te gebeuren in één van de BTW-aangiften ingediend voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Zoals blijkt uit de feitelijke gegevens werd dit appartement verkocht aan D. J. die echter kort nadien overleed. Al de facturen zouden meegegeven geweest zijn met D. en nadien een tijdlang spoorloos verdwenen zijn. Toen deze facturen van oprichting terug waren, werd op 16 december 2009 door de boekhouder een brief gericht aan het controlekantoor te Blankenberge. Daarin werd gesteld dat de kosten van verkoop op 56 % werden geraamd of … EUR BTW en de BTW op de verkoop … EUR, zodat bij de verrekening er een overschot is van … EUR.
De eerste rechter oordeelde dat de brief van 16 december 2009 niet als een rechtsgeldig verzoek tot teruggaaf kan worden beschouwd. De vraag rijst of deze "gewone brief” wel een·stuitend effect kan hebben dan wel of deze brief a posteriori werd opgesteld met de bedoeling te verhinderen dat het recht op teruggaaf zou verjaard zijn. Terecht wijst de geïntimeerde erop dat noch in het dossier in het BTWcontrolekantoor te Blankenberge, noch in het stukkenbundel van de appellanten de bouwaangifte te vinden is. Evenmin ligt het bewijs van verzending voor van de brief laat staan het bewijs van ontvangst. Het is evenzeer merkwaardig dat van deze brief geen melding wordt gemaakt in het verzoekschrift neergelegd voor de eerste rechter op 4 maart 2010.
Een gewone brief heeft geen stuitend effect op de verjaring. Enkel een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag betekend aan hem die men wil beletten verjaring te verkrijgen, kan burgerlijke stuiting vormen (art.2244 BW - vergelijk Cass. 7 december 1981, Arr. Cass. 1981-82, 468 en Pas. 1982, I, 463).
Ingevolge de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit nummer 14 van 3 juni 1970 moet de in artikel 1 van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde belastingplichtige, voor iedere vervreemding van een gebouw, iedere vestiging van een zakelijk recht op een gebouw en iedere overdracht of wederoverdracht van een dergelijk recht, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, een aangifte in drievoud indienen.
Artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nummer 14 bepaalt dat de verplichting tot indiening van de in het eerste lid van artikel 2 van genoemd koninklijk besluit bedoelde aangifte ontstaat op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt en dat aan de verplichting moet worden voldaan binnen een maand te rekenen vanaf dit tijdstip.
Het derde lid van dat artikel bepaalt dat de op de vervreemding verschuldigde belasting moet voldaan worden binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van de aangifte.
Ingevolge artikel 17 van het BTW-Wetboek werd de belasting verschuldigd over de volledige maatstaf van heffing op 30 juni 2006.
Nu de verkoop gebeurde bij notariële akte van 30 juni 2006 is dit het belastbaar feit. De verjaringstermijn voor de teruggaaf van de BTW nam derhalve een aanvang vanaf 30 juni 2006 om te eindigen na het verstrijken van het derde kalenderjaar op 31 december 2009. Naast het feit dat geen bouwaangifte werd ingediend is er geen ter post aangetekende brief uitgaande van de administratie waarbij de aanvraag tot teruggaaf werd verworpen.
Nu het verzoek tot teruggaaf werd ingediend bij verzoekschrift neergelegd op 4 maart 2010, hetzij na de vervaldag van drie jaar en bij gebrek aan rechtsgeldige stuiting stelde de eerste rechter vast dat het verzoek tot teruggave verjaard was.
De appellanten roepen tevens overmacht in en voorts vragen zij de opschorting van de behandeling van de zaak ingevolge het adagium "Ie criminel tient Ie civil en état".
Te dezen komt overmacht niet bewezen voor. Dit laatste onderstelt een onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenis waardoor het naleven van de aangegane verbintenis of verplichting onmogelijk wordt gemaakt. Dit komt echter niet bewezen voor nu de appellanten zelf een beroep doen op de brief van 16 december 2009, zodat daaruit alleen al kan worden afgeleid dat de stukken (facturen) op die datum in het bezit van de appellanten waren.
De invordering van de BTW is geen burgerlijke rechtsvordering in de zin van art. 4 V.T.Sv. De rechter die uitspraak doet over het fiscaal geschil is niet verplicht de behandeling op te schorten. Alles gaat terug naar de brief van 16 december 2009 en de klacht is blijkbaar gericht tegen de heer P.. Deze vaststelling noopt tot het besluit dat het algemeen beginsel "Ie criminel tient Ie civil en état" te dezen niet toepasselijk is.
Wat de geldboeten betreft beantwoorden deze aan een juiste toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen. De redengeving van de eerste rechter mag worden bevestigd.
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft laten de appellanten terecht opmerken dat de waarde van de vordering zich situeert tussen 40.000,01 EUR en 60.000,00 EUR; dit brengt het basisbedrag op … EUR, thans geïndexeerd … EUR.
Gelet op hun ongelijk dienen zij verwezen te worden in de kosten.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoeding bepaald wordt op … EUR in eerste aanleg.
Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van de geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DERTIG APRIL TWEEDUIZEND EN DERTIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.